Alle wetboeken › Bankwet

BOEK II - KREDIETINSTELLINGEN NAAR BELGISCH RECHT › TITEL VIII - Afwikkeling van kredietinstellingen › HOOFDSTUK V - Afwikkelingsinstrumenten

Afdeling IV/1 - Instrument van interne versterking

267/1–267/15

Art. 267/1

§ 1.Indien de voorwaarden van artikel 244, § 1 zijn vervuld, kan de afwikkelingsautoriteit alle of een deel van de bail-inbare schulden van een kredietinstelling afschrijven of omzetten in aandelen of andere eigendomsinstrumenten, om een van de volgende doelstellingen te verwezenlijken:

1°de herkapitalisatie van een kredietinstelling die voldoet aan de voorwaarden voor het initiëren van een afwikkelingsprocedure, om ervoor te zorgen dat zij weer aan de vergunningsvoorwaarden voldoet en de werkzaamheden kan blijven uitoefenen waarvoor zij een vergunning heeft verkregen, alsook om voldoende marktvertrouwen te handhaven;

2°de afschrijving van schuldinstrumenten of de omzetting ervan in aandelen of andere eigendomsinstrumenten, wanneer ze worden overgedragen:

a)aan een overbruggingsinstelling, teneinde kapitaal aan die overbruggingsinstelling te verschaffen; of

b)met toepassing van het instrument van verkoop van de onderneming of van het instrument van afsplitsing van activa.

§ 2.Het instrument van interne versterking kan slechts ter verwezenlijking van de in paragraaf 1, 1° bedoelde doelstellingen worden toegepast indien redelijkerwijze te verwachten valt dat de toepassing van dat instrument, in combinatie met andere relevante maatregelen, waaronder maatregelen die overeenkomstig het bij artikel 267/11 voorgeschreven bedrijfssaneringsplan zijn genomen, niet alleen tot de verwezenlijking van de relevante afwikkelingsdoelstellingen leidt, maar ook de financiële soliditeit en de levensvatbaarheid op lange termijn van de betrokken kredietinstelling herstelt.

Indien de voorwaarden van het vorige lid niet vervuld zijn, kunnen alle in artikel 255, § 1, 1°, 2° en 3° bedoelde afwikkelingsinstrumenten evenals het in paragraaf 1, 2° van dit artikel bedoelde instrument van interne versterking in voorkomend geval worden toegepast.

§ 3.De bail-inbare schulden kunnen worden afgeschreven of in aandelen of andere eigendomsinstrumenten worden omgezet ongeacht de rechtsvorm van de kredietinstelling. Indien nodig kan de afwikkelingsautoriteit beslissen de rechtsvorm van de kredietinstelling voorafgaandelijk te wijzigen. Deze beslissing heeft van rechtswege de wijziging van de rechtsvorm van de kredietinstelling tot gevolg.

Art. 267/2

§ 1.De afwikkelingsautoriteit zorgt ervoor dat alle activa die aangewend worden ter dekking van door zekerheid gedekte verplichtingen onaangeroerd en gescheiden blijven en op toereikende wijze gefinancierd worden.

De in artikel 242, 10° vermelde uitsluitingen beletten niet om, in voorkomend geval, het deel van een door een zekerheid of anderszins gedekte verplichting dat de waarde van de activa die het voorwerp uitmaken van de dekking, het pandrecht of de zakelijke zekerheid, overschrijden, af te schrijven of om te zetten. Hetzelfde geldt voor het deel van een deposito dat het niveau van de in artikel 382 of in een soortgelijke regeling bepaalde dekking overschrijdt.

§ 2.Wanneer het instrument van interne versterking wordt toegepast, mogen in uitzonderlijke omstandigheden bepaalde bail-inbare schulden bovendien geheel of gedeeltelijk van de toepassing van de afschrijvings- of omzettingsmaatregelen worden uitgesloten, inzonderheid indien:

1°niet binnen een redelijke termijn tot afschrijving of omzetting kan worden overgegaan;

2°het strikt noodzakelijk is en evenredig is aan het doel om de continuïteit van kritieke functies en kernbedrijfsonderdelen van een kredietinstelling in afwikkeling te garanderen;

3°het strikt noodzakelijk is en evenredig is aan het doel om te voorkomen dat een wijdverbreide besmetting ontstaat, met name in verband met in aanmerking komende deposito's van natuurlijke personen en kleine en middelgrote ondernemingen, die de werking van de financiële markten ernstig zou verstoren op een wijze die de nationale economie, die van een andere lidstaat of die van de gehele Unie ernstig kan ontwrichten;

4°de toepassing van het instrument van interne versterking op deze bail-inbare schulden een zodanige waardevernietiging tot gevolg zou hebben dat het door andere schuldeisers geleden verlies groter zou zijn dan wanneer deze verplichtingen van de toepassing van de maatregel van interne versterking waren uitgesloten.

De afwikkelingsautoriteit gaat zorgvuldig na of verplichtingen ten aanzien van kredietinstellingen, die deel uitmaken van dezelfde af te wikkelen groep maar zelf geen af te wikkelen entiteiten zijn en die niet zijn uitgesloten van de toepassing van de afschrijvings- of omzettingsbevoegdheid op grond van artikel 242, 10°, k), moeten worden uitgesloten of deels worden uitgesloten uit hoofde van de punten 1° tot en met 4° om een doeltreffende uitvoering van de afwikkelingsstrategie te garanderen.

Indien de afwikkelingsautoriteit besluit een bail-inbare schuld of een categorie van bail-inbare schulden op grond van het voorgaande lid geheel of gedeeltelijk uit te sluiten van de interne versterking, mag het niveau van afschrijving of omzetting dat op de andere bail-inbare schulden wordt toegepast, worden verhoogd om met die uitsluitingen rekening te houden, met inachtneming van het in artikel 245, § 1, 8° vervatte beginsel.

§ 3.De afwikkelingsautoriteit stelt de Europese Commissie in kennis van de ontwerpbeslissingen die zij met toepassing van § 2 wil nemen.

Wanneer een bijdrage van het Afwikkelingsfonds wordt overwogen, stelt de afwikkelingsautoriteit haar beslissing uit in afwachting van het besluit dat de Europese Commissie overeenkomstig artikel 44, § 12 van Richtlijn 2014/59/EU zal nemen. Bij haar beslissing houdt zij rekening met de eventuele voorwaarden waaraan voldaan moet zijn opdat de Europese Commissie haar goedkeuring verleent.

Art. 267/3

De kredietinstellingen voldoen te allen tijde aan de vereisten voor eigen vermogen en in aanmerking komende schulden overeenkomstig de bepalingen van deze onderafdeling.

Deze vereiste wordt overeenkomstig artikel 267/5/1, § 3, § 4 of § 6, voor zover van toepassing, berekend als het bedrag van het eigen vermogen en de in aanmerking komende schulden en uitgedrukt als percentage van:

1°het totaal van de risicoposten van de betrokken kredietinstelling of entiteit, berekend overeenkomstig artikel 92, lid 3, van Verordening nr. 575/2013; en

2°de totale risicoblootstellingsmaatstaf van de kredietinstelling of entiteit, berekend overeenkomstig artikel 429 en artikel 429bis van Verordening nr. 575/2013.

Art. 267/4

De afwikkelingsautoriteit stelt door gedekte obligaties gefinancierde instellingen voor hypothecair krediet die geen deposito's mogen ontvangen, vrij van het vereiste in artikel 267/3, mits het afwikkelingsplan voorziet in de vereffening van dergelijke instelling.

Instellingen die van het in artikel 267/3 bedoelde vereiste zijn vrijgesteld, mogen geen deel uitmaken van de in artikel 267/5/3, § 1, bedoelde consolidatie.

Art. 267/5

§ 1.Schulden worden alleen in het bedrag van het eigen vermogen en de in aanmerking komende schulden van af te wikkelen entiteiten opgenomen als ze aan de voorwaarden voldoen van de artikelen 72bis, 72ter, met uitzondering van lid 2, punt d) en 72quater van Verordening nr. 575/2013:

In afwijking van het eerste lid worden, wanneer in deze wet wordt verwezen naar de vereisten in artikel 92bis of artikel 92ter van Verordening nr. 575/2013 voor het bepalen van het bedrag van het eigen vermogen en in aanmerking komende schulden, voor de toepassing van die artikelen als in aanmerking komende schulden beschouwd, degene die voldoen aan de omschrijving in artikel 72duodecies van die verordening en zijn vastgesteld overeenkomstig titel I, deel twee, hoofdstuk 5bis, van die verordening.

§ 2.Schulden die voortvloeien uit schuldinstrumenten met verankerde derivaten, zoals gestructureerde obligaties ("structured notes"), die voldoen aan de voorwaarden van paragraaf 1, eerste lid, met uitzondering van artikel 72bis, lid 2, punt l), van Verordening nr. 575/2013, worden alleen in het bedrag van het eigen vermogen en de in aanmerking komende schulden opgenomen indien aan één van de volgende voorwaarden is voldaan:

1°de hoofdsom van de schulden die voortvloeien uit het schuldinstrument is op het moment van uitgifte bekend, ligt vast of is stijgend, en wordt niet door een verankerd derivaatelement beïnvloed, en het totaalbedrag van de schulden die voortvloeien uit het schuldinstrument, met inbegrip van het verankerde derivaat, kan op dagbasis worden gewaardeerd onder verwijzing naar een actieve en liquide vraag- en aanbodmarkt voor een gelijkwaardig instrument zonder kredietrisico, overeenkomstig de artikelen 104 en 105 van Verordening nr. 575/2013; of

2°het schuldinstrument bevat een beding dat bepaalt dat de waarde van de vordering in het geval van de insolventie of de afwikkeling van de uitgever vast ligt of stijgt en het initieel gestorte bedrag van de schulden niet overschrijdt.

Schuldinstrumenten bedoeld in het eerste lid, met inbegrip van hun verankerde derivaten, zijn niet onderworpen aan een verrekeningsovereenkomst en de waardering van dergelijke instrumenten is niet onderworpen aan artikel 267/9, § 1, derde lid.

Van de in de eerste lid van deze paragraaf bedoelde schulden wordt alleen het deel van de schuld dat overeenkomt met de in punt 1°, van dat lid bedoelde hoofdsom of het in punt 2°, van dat lid bedoelde vaste of stijgende bedrag opgenomen in het bedrag van het eigen vermogen en de in aanmerking komende schulden.

§ 3.Indien schulden door een in de EER gevestigde en van dezelfde af te wikkelen groep als de af te wikkelen entiteit deel uitmakende dochteronderneming zijn uitgegeven aan een bestaande aandeelhouder die niet van dezelfde af te wikkelen groep deel uitmaakt, worden die schulden opgenomen in het bedrag van het eigen vermogen en de in aanmerking komende schulden van die af te wikkelen entiteit, mits aan elk van de volgende voorwaarden is voldaan:

1°de schulden worden uitgegeven overeenkomstig artikel 267/5/4, § 2, 1°;

2°de uitoefening van de afschrijvings- of omzettingsbevoegdheden met betrekking tot die schulden overeenkomstig de artikelen 250 of 458 doet geen afbreuk aan de zeggenschap van de af te wikkelen entiteit over de dochteronderneming;

3°die schulden overschrijden niet het bedrag dat verkregen wordt door de som van de schulden die zijn uitgegeven aan en gekocht door de af te wikkelen entiteit, direct dan wel indirect via andere entiteiten in dezelfde af te wikkelen groep, en het bedrag van het overeenkomstig artikel 267/5/4, § 2, 2°, uitgegeven eigen vermogen, af te trekken van het bedrag dat vereist is overeenkomstig artikel 267/5/4, § 1.

§ 4.Onverminderd het minimumvereiste in artikel 267/5/1, § 4, of artikel 267/5/2, § 1, 1°, zorgt de afwikkelingsautoriteit ervoor dat af te wikkelen entiteiten die MSI's zijn of onder artikel 267/5/1, § 4 of § 5, vallen, aan een deel van het in artikel 267/5/3 bedoelde vereiste, gelijk aan 8 % van de totale passiva, met inbegrip van het eigen vermogen, voldoen met gebruik van eigen vermogen, achtergestelde in aanmerking komende instrumenten of met in paragraaf 3 van dit artikel bedoelde schulden. De afwikkelingsautoriteit kan toestaan dat af te wikkelen entiteiten die MSI's zijn of onder artikel 267/5/1, § 4 of § 5, vallen, aan een niveau dat lager ligt dan 8 % van de totale passiva, eigen vermogen inbegrepen, maar hoger dan het bedrag dat resulteert uit de toepassing van de formule (1-(X1/X2)) x 8 % van de totale passiva, eigen vermogen inbegrepen, voldoen met gebruik van eigen vermogen, achtergestelde in aanmerking komende instrumenten of met in paragraaf 3 van dit artikel bedoelde schulden, mits aan alle in artikel 72ter, lid 3 van Verordening nr. 575/2013 vastgelegde voorwaarden wordt voldaan, gelet op de krachtens artikel 72ter, lid 3, van die verordening toegestane vermindering:

X1 = 3,5 % van het overeenkomstig artikel 92, lid 3, van Verordening nr. 575/2013 berekende totaal van de risicoposten; en

X2 = de som van 18 % van het overeenkomstig artikel 92, lid 3, van Verordening nr. 575/2013 berekende totaal van de risicoposten en het bedrag van het globaal vereiste van een tier 1-kernkapitaalbuffer.

Indien de toepassing van het eerste lid van deze paragraaf voor af te wikkelen entiteiten die onder artikel 267/5/1, § 4, vallen, leidt tot een vereiste van meer dan 27 % van het totaal van de risicoposten, beperkt de afwikkelingsautoriteit, voor de betrokken af te wikkelen entiteit, het deel van het in artikel 267/5/3 bedoelde vereiste waaraan wordt voldaan met gebruik van eigen vermogen, achtergestelde in aanmerking komende instrumenten, of met in paragraaf 3 van dit artikel bedoelde schulden, tot een bedrag dat gelijk is aan 27 % van het totaal van de risicoposten, indien de afwikkelingsautoriteit tot het oordeel is gekomen dat:

1°toegang tot de financieringsregeling voor de afwikkeling niet wordt beschouwd als een optie om die af te wikkelen entiteit af te wikkelen in het afwikkelingsplan; of

2°indien punt 1°, niet van toepassing is, het in artikel 267/5/3 bedoelde vereiste die af te wikkelen entiteit in staat stelt te voldoen aan, naar gelang het geval, de vereisten bedoeld in artikel 6/1, § 2, eerste lid of § 3 van de wet van 28 december 2011 op het Afwikkelingsfonds en in artikel 27, lid 7, a) van Verordening nr. 806/2014.

Bij de in het voorgaande lid bedoelde beoordeling houdt de afwikkelingsautoriteit ook rekening met het risico dat een vereiste in toepassing van het eerste lid op onevenredige wijze gevolgen heeft voor het bedrijfsmodel van de betrokken af te wikkelen entiteit.

Op af te wikkelen entiteiten die onder artikel 267/5/1, § 5, vallen, is het tweede lid van deze paragraaf niet van toepassing.

§ 5.Ten aanzien van af te wikkelen entiteiten die geen MSI's zijn en niet onder artikel 267/5/1, § 4 of § 5, vallen, kan de afwikkelingsautoriteit besluiten dat aan een deel van het in artikel 267/5/3 bedoelde vereiste dat ofwel 8 % van de totale passiva, met inbegrip van het eigen vermogen, van de entiteit niet overstijgt, ofwel, wanneer dit hoger is, het bedrag van de in paragraaf 7 bedoelde formule niet overstijgt, moet worden voldaan met gebruik van eigen vermogen, achtergestelde in aanmerking komende instrumenten, of met in paragraaf 3 van dit artikel bedoelde schulden, mits aan de volgende voorwaarden is voldaan:

1°de in de paragrafen 1 en 2 bedoelde niet-achtergestelde schulden hebben dezelfde prioriteit in geval van samenloop van schuldeisers als bepaalde schulden die zijn uitgesloten van de toepassing van afschrijvings- en omzettingsbevoegdheden overeenkomstig de artikelen 242, 10° en 267/2, § 2;

2°het risico bestaat dat als gevolg van een voorgenomen toepassing van de afschrijvings- en omzettingsbevoegdheid op niet-achtergestelde schulden die niet van de toepassing van de afschrijvings- en omzettingsbevoegdheid overeenkomstig de artikelen 242, 10° en 267/2, § 2, zijn uitgesloten, schuldeisers van die vorderingen, grotere verliezen lijden dan de verliezen die zij in een liquidatieprocedure zouden lijden;

3°het vereiste bedrag van het eigen vermogen en andere achtergestelde schulden is niet hoger dan het bedrag dat nodig is om ervoor te zorgen dat de door de in punt 2°, bedoelde schuldeisers geleden verliezen kleiner zijn dan de verliezen die ze in een liquidatieprocedure zouden hebben geleden.

Indien de afwikkelingsautoriteit vaststelt dat, binnen een categorie van schulden die in aanmerking komende schulden omvat, het bedrag van de schulden die worden uitgesloten of redelijk waarschijnlijk worden uitgesloten van de toepassing van afschrijvings- en omzettingsbevoegdheden overeenkomstig de artikelen 242, 10° en 267/2, § 2, hoger is dan 10 % van die categorie, beoordeelt de afwikkelingsautoriteit het in het eerste lid, punt 2°, bedoelde risico.

§ 6.Voor de toepassing van de paragrafen 4, 5 en 7 vormen uit derivaten voortvloeiende schulden een onderdeel van de totale schulden op de basis dat de salderingsrechten ("netting rights") van tegenpartijen volledig worden erkend.

Het eigen vermogen van een af te wikkelen entiteit dat wordt gebruikt om te voldoen aan het globaal vereiste van een tier 1-kernkapitaalbuffer komt in aanmerking om te voldoen aan de in de paragrafen 4, 5 en 7 bedoelde vereisten.

§ 7.In afwijking van paragraaf 4 kan de afwikkelingsautoriteit besluiten dat af te wikkelen entiteiten die MSI's zijn of onder artikel 267/5/1, § 4 of § 5, vallen, aan het in artikel 267/5/3 bedoelde vereiste moeten voldoen met gebruik van eigen vermogen, achtergestelde in aanmerking komende instrumenten, of met in paragraaf 3 van dit artikel bedoelde schulden, voor zover, uit hoofde van de verplichting van de af te wikkelen entiteit om te voldoen aan het globaal vereiste van een tier 1-kernkapitaalbuffer en de in artikel 92bis van Verordening nr. 575/2013, artikel 267/5/1, § 4, en artikel 267/5/3, bedoelde vereisten, de som van dat eigen vermogen, die instrumenten en schulden niet hoger is dan het hoogste bedrag van ofwel:

1°8 % van de totale passiva, met inbegrip van het eigen vermogen, van de entiteit; ofwel

2°het bedrag dat het resultaat is van de toepassing van de formule A x 2 + B x 2 + C, waarbij A, B en C de volgende bedragen zijn:

A = het bedrag dat voortvloeit uit het vereiste, bedoeld in artikel 92, lid 1, punt c), van Verordening nr. 575/2013;

B = het bedrag dat voortvloeit uit het vereiste, bedoeld in artikel 149, eerste lid;

C = het bedrag dat voortvloeit uit het globaal vereiste van een tier 1-kernkapitaalbuffer.

§ 8.De afwikkelingsautoriteit kan de in paragraaf 7 bedoelde bevoegdheid uitoefenen ten aanzien van af te wikkelen entiteiten die MSI's zijn of onder artikel 267/5/1, § 4 of § 5, vallen en die aan één van de in het tweede lid bepaalde voorwaarden voldoen, tot een limiet van 30 % van de totale hoeveelheid van alle af te wikkelen entiteiten die MSI's zijn of onder artikel 267/5/1, § 4 of § 5, vallen waarvoor de afwikkelingsautoriteit het in artikel 267/5/3 bedoelde vereiste bepaalt.

De afwikkelingsautoriteit neemt de voorwaarden als volgt in overweging:

1°in de voorgaande afwikkelbaarheidsbeoordeling zijn wezenlijke belemmeringen voor de afwikkelbaarheid vastgesteld en:

-geen van de door de afwikkelingsautoriteit in toepassing van artikel 232 vereiste maatregelen zijn toegepast binnen het door de afwikkelingsautoriteit opgelegde tijdpad, of

-de vastgestelde wezenlijke belemmeringen kunnen niet door gebruik van de in artikel 232 bedoelde maatregelen worden aangepakt, en het uitoefenen van de in paragraaf 7 van dit artikel bedoelde bevoegdheid zou de negatieve gevolgen van de wezenlijke belemmeringen voor de afwikkelbaarheid van de af te wikkelen entiteit ten dele of geheel ongedaan maken;

2°de afwikkelingsautoriteit is van oordeel dat de haalbaarheid en geloofwaardigheid van de voorkeursafwikkelingsstrategie van de af te wikkelen entiteit beperkt is, rekening houdend met de omvang, de verwevenheid, de aard, de reikwijdte, het risico en de complexiteit van de activiteiten, de juridische status en de aandelenstructuur van de entiteit; of

3°het in artikel 149, eerste lid bedoelde vereiste weerspiegelt het feit dat de af te wikkelen entiteit, in termen van risico, bij de top 20 % instellingen hoort waarvoor de afwikkelingsautoriteit het in artikel 267/3 bedoelde vereiste bepaalt.

Voor het bepalen van de in het eerste en het tweede lid bedoelde percentages rondt de afwikkelingsautoriteit het uit de berekening resulterende cijfer naar boven af tot het dichtstbijzijnde gehele getal.

§ 9.De afwikkelingsautoriteit neemt de in de paragrafen 5 of 7 bedoelde besluiten na raadpleging van de toezichthouder. Bij het nemen van die besluiten houdt de afwikkelingsautoriteit tevens rekening met:

1°de diepte van de markt voor eigenvermogensinstrumenten en achtergestelde in aanmerking komende instrumenten van de af te wikkelen entiteit, de prijsstelling van die instrumenten indien voorhanden, en de tijd die nodig is om eventuele transacties te verrichten die nodig zijn om te voldoen aan het besluit;

2°de hoeveelheid in aanmerking komende schuldinstrumenten die voldoen aan alle in artikel 72bis van Verordening nr. 575/2013 bedoelde voorwaarden met een resterende looptijd van minder dan één jaar vanaf de datum van het besluit, zodat kwantitatieve aanpassingen kunnen worden aangebracht in de in de paragrafen 5 en 7 bedoelde vereisten;

3°de beschikbaarheid en de hoeveelheid van instrumenten die voldoen aan alle voorwaarden van artikel 72bis van Verordening nr. 575/2013, anders dan artikel 72ter, lid 2, punt d), van die verordening;

4°wanneer het bedrag van de schulden die zijn uitgesloten van de toepassing van afschrijvings- en omzettingsbevoegdheden overeenkomstig de artikelen 242, 10° en 267/2, § 2, en die in een liquidatieprocedure een gelijke of lagere rang hebben dan de hoogst gerangschikte in aanmerking komende schulden, meer bedraagt dan 5 % van de hoeveelheid eigen vermogen en in aanmerking komende schulden van de af te wikkelen entiteit, het relatief belang van die schulden ten opzichte van het eigen vermogen en de in aanmerking komende schulden van de af te wikkelen entiteit, zoals beoordeeld door de afwikkelingsautoriteit;

5°het bedrijfsmodel, het financieringsmodel en het risicoprofiel van de af te wikkelen entiteit, alsmede haar stabiliteit en haar vermogen om bij te dragen aan de economie; en

6°de gevolgen van eventuele herstructureringskosten voor de herkapitalisatie van de af te wikkelen entiteit.

Art. 267/5/1

§ 1.De afwikkelingsautoriteit stelt het in artikel 267/3 bedoelde vereiste vast, na raadpleging van de toezichthouder, op basis van de volgende criteria:

1°de noodzaak om ervoor te zorgen dat de af te wikkelen groep door toepassing van de afwikkelingsinstrumenten op de af te wikkelen entiteit, indien passend met inbegrip van het instrument van interne versterking, kan worden afgewikkeld op een wijze die in overeenstemming is met de afwikkelingsdoelstellingen;

2°de noodzaak om er, waar passend, voor te zorgen dat de af te wikkelen entiteit en haar dochterondernemingen die kredietinstellingen of entiteiten als bedoeld in artikel 424, 2° tot en met 4°, maar geen af te wikkelen entiteiten zijn, over voldoende eigen vermogen en in aanmerking komende schulden beschikken om te waarborgen dat, indien het instrument van interne versterking of de afschrijvings- en omzettingsbevoegdheden op hen zou worden toegepast, de verliezen zouden kunnen worden geabsorbeerd en dat het mogelijk is de totale kapitaalratio en, in voorkomend geval, de hefboomratio van de betrokken entiteiten weer op het niveau te brengen dat nodig is om hen in staat te stellen aan de vergunningsvoorwaarden te blijven voldoen en de activiteiten waarvoor hen overeenkomstig deze wet of de wet van 2 augustus 2002 een vergunning is verleend, verder uit te oefenen;

3°de noodzaak om ervoor te zorgen dat, indien er in het afwikkelingsplan rekening wordt gehouden met de mogelijkheid dat bepaalde categorieën in aanmerking komende schulden van het instrument van interne versterking worden uitgesloten op grond van de artikelen 242, 10° en 267/2, § 2, of volledig aan een ontvanger worden overgedragen bij een gedeeltelijke overdracht, de af te wikkelen entiteit voldoende eigen vermogen en andere in aanmerking komende schulden heeft om de verliezen te absorberen en de totale kapitaalratio en, in voorkomend geval, de hefboomratio weer op het niveau te brengen dat nodig is om aan de vergunningsvoorwaarden te blijven voldoen en de activiteiten waarvoor haar overeenkomstig deze wet of de wet van 2 augustus 2002 een vergunning is verleend, verder uit te oefenen;

4°de grootte, het bedrijfsmodel, het financieringsmodel en het risicoprofiel van de af te wikkelen entiteit;

5°de mate waarin het falen van de af te wikkelen entiteit nadelige gevolgen voor de financiële stabiliteit zou hebben, onder meer via besmetting van andere kredietinstellingen of entiteiten bedoeld in artikel 424, 2° tot en met 4° wegens de verwevenheid van de af te wikkelen entiteit met die andere kredietinstellingen of entiteiten of met de rest van het financiële stelsel.

§ 2.Indien het afwikkelingsplan in één van de scenario's bedoeld in artikel 227, § 1, tweede lid of 440, § 2 bepaalt dat een afwikkelingsmaatregel moet worden genomen of dat de in artikel 250 of 457 bedoelde bevoegdheid om relevante kapitaalinstrumenten en in aanmerking komende schulden af te schrijven of om te zetten moet worden uitgeoefend, is het in artikel 267/3 bedoelde vereiste gelijk aan een bedrag dat volstaat om te verzekeren dat:

1°de verliezen die de af te wikkelen entiteit naar verwachting zal lijden, volledig worden geabsorbeerd ("verliesabsorptie");

2°de af te wikkelen entiteit en haar dochterondernemingen die kredietinstellingen of entiteiten, als bedoeld in artikel 424, 2°, tot en met 4°, maar geen af te wikkelen entiteiten zijn, worden geherkapitaliseerd tot een niveau dat nodig is om hen in staat te stellen aan de vergunningsvoorwaarden te blijven voldoen en de activiteiten waarvoor hen overeenkomstig deze wet, de wet van 2 augustus 2002 of een gelijkwaardige wetgevingshandeling een vergunning is verleend verder uit te oefenen voor een toereikende periode van maximaal één jaar ("herkapitalisatie").

....

§ 2/1.De afwikkelingsautoriteit stelt het in artikel 267/3 bedoelde vereiste niet vast voor liquidatie-entiteiten.

In afwijking van het eerste lid beoordeelt de afwikkelingsautoriteit of het gerechtvaardigd is om het in artikel 267/3 bedoelde vereiste voor een liquidatie-entiteit op individuele basis vast te stellen op een bedrag dat groter is dan het bedrag dat nodig is om de verliezen te absorberen in overeenstemming met paragraaf 2. De afwikkelingsautoriteit houdt bij haar beoordeling met name rekening met eventuele gevolgen van het in gebreke blijven van de liquidatie-entiteit voor de financiële stabiliteit en voor het risico van besmetting van het financiële stelsel, onder meer met betrekking tot de beschikbare financiële middelen van het Garantiefonds. Indien de afwikkelingsautoriteit het in artikel 267/3 bedoelde vereiste vaststelt, voldoet de liquidatie-entiteit aan dat vereiste met een of meer van de volgende elementen:

1°eigen vermogen;

2°schulden die voldoen aan de criteria om in aanmerking te komen zoals bedoeld in artikel 72bis van Verordening nr. 575/2013, met uitzondering van artikel 72ter, lid 2, punten b) en d), van die verordening;

3°schulden bedoeld in artikel 267/5, § 2.

Artikel 77, lid 2, en artikel 78bis van Verordening nr. 575/2013 zijn niet van toepassing op liquidatie-entiteiten waarvoor de afwikkelingsautoriteit het in artikel 267/3 bedoelde vereiste niet heeft vastgesteld.

Bezit van eigenvermogensinstrumenten en in aanmerking komende schuldinstrumenten uitgegeven door dochterinstellingen die liquidatie-entiteiten zijn waarvoor de afwikkelingsautoriteit het in artikel 267/3 bedoelde vereiste niet heeft vastgesteld, wordt niet afgetrokken uit hoofde van artikel 72sexies, lid 5, van Verordening nr. 575/2013.

In afwijking van het vierde lid trekt een kredietinstelling of een entiteit zoals bedoeld in artikel 424, 2° tot en met 4° die zelf geen af te wikkelen entiteit is, maar een dochteronderneming is van een af te wikkelen entiteit of van een entiteit uit een derde land die een af te wikkelen entiteit zou zijn indien zij in de Unie zou zijn gevestigd, haar bezit van eigenvermogensinstrumenten in dochterinstellingen die tot dezelfde af te wikkelen groep behoren en die liquidatie-entiteiten zijn waarvoor de afwikkelingsautoriteit het in artikel 267/3 bedoelde vereiste niet heeft vastgesteld, af indien het totaalbedrag van dat bezit gelijk is aan of groter is dan 7 % van het totale bedrag van haar eigen vermogen en schulden die voldoen aan de in artikel 267/5/4, § 2 bedoelde criteria om in aanmerking te komen, jaarlijks berekend op 31 december als een gemiddelde over de voorgaande twaalf maanden.

§ 3.Voor af te wikkelen entiteiten is het in paragraaf 2... bedoelde bedrag het volgende:

1°voor de berekening van het vereiste uitgedrukt als percentage van het totaal van de risicoposten bedoeld in artikel 267/3, tweede lid, 1°, de som van:

-een verliesabsorptiebedrag dat overeenkomt met de in artikel 92, lid 1, punt c), van Verordening nr. 575/2013 en artikel 149, eerste lid bedoelde vereisten van de af te wikkelen entiteit op het geconsolideerde niveau van de af te wikkelen groep; en

-een herkapitalisatiebedrag dat de uit de afwikkeling voortvloeiende af te wikkelen groep in staat stelt na de toepassing van de voorkeursafwikkelingsstrategie de naleving te herstellen van haar in artikel 92, lid 1, punt c), van Verordening nr. 575/2013 bedoelde totale kapitaalratio-vereiste en haar in artikel 149, eerste lid bedoelde vereiste op het geconsolideerde niveau van de af te wikkelen groep;

gedeeld door het totaal van de risicoposten; en

2°voor de berekening van het vereiste uitgedrukt als percentage van de totale risicoblootstellingsmaatstaf bedoeld in artikel 267/3, tweede lid, 2°, de som van:

-een verliesabsorptiebedrag dat overeenstemt met het in artikel 92, lid 1, punt d), van Verordening nr. 575/2013 bedoelde hefboomratiovereiste van de af te wikkelen entiteit op het geconsolideerde niveau van de af te wikkelen groep; en

-een herkapitalisatiebedrag dat de uit de afwikkeling voortvloeiende af te wikkelen groep in staat stelt na de toepassing van de voorkeursafwikkelingsstrategie de naleving te herstellen van haar in artikel 92, lid 1, punt d), van Verordening nr. 575/2013 bedoelde hefboomratiovereiste op het geconsolideerde niveau van de af te wikkelen groep;

gedeeld door de totale blootstellingsmaatstaf.

Bij het vaststellen van het in het voorgaande lid, punt 2°, bedoelde vereiste op individuele basis uitgedrukt als percentage van de totale risicoblootstellingsmaatstaf, houdt de afwikkelingsautoriteit rekening met de vereisten bedoeld in artikel 255, § 6, 3° en 4°, in artikel 6/1, § 2, eerste lid of § 3 van de wet van 28 december 2011 op het Afwikkelingsfonds en in artikel 27, lid 7, a) van Verordening nr. 806/2014.

Bij het vaststellen van de in de voorgaande leden bedoelde herkapitalisatiebedragen:

1°maakt de afwikkelingsautoriteit gebruik van de meest recentelijk gerapporteerde waarden voor het betrokken totaal van de risicoposten of de totale blootstellingsmaatstaf, aangepast om rekening te houden met eventuele wijzigingen die voortvloeien uit in het afwikkelingsplan vastgestelde afwikkelingsmaatregelen; en

2°stelt de afwikkelingsautoriteit, na raadpleging van de toezichthouder, het bedrag dat overeenkomt met het geldende in artikel 149, eerste lid bedoelde vereiste naar beneden of naar boven bij om het vereiste te bepalen dat na de uitvoering van de voorkeursafwikkelingsstrategie van toepassing is op de af te wikkelen entiteit.

De afwikkelingsautoriteit kan het in het eerste lid, punt 1°, tweede streepje, bedoelde vereiste verhogen met een passend bedrag dat nodig is om te waarborgen dat, na afwikkeling, de entiteit voldoende marktvertrouwen kan behouden voor een toereikende periode van ten hoogste één jaar.

Indien het voorgaande lid van deze paragraaf van toepassing is, is het in dat lid bedoelde bedrag gelijk aan het globaal vereiste van een tier 1-kernkapitaalbuffer dat van toepassing moet zijn na de toepassing van de afwikkelingsinstrumenten, verminderd met het bedrag van de kredietinstellingsspecifieke contracyclische tier 1-kernkapitaalbuffer bedoeld in artikel 16 van Bijlage IV.

Na raadpleging van de toezichthouder past de afwikkelingsautoriteit het in het vierde lid bedoelde bedrag als volgt aan:

-zij stelt het bedrag naar beneden bij wanneer zij vaststelt dat een lager bedrag volstaat om, na uitvoering van de afwikkelingsstrategie, op geloofwaardige wijze voor een periode van ten hoogste één jaar het marktvertrouwen te behouden en ervoor te zorgen dat de kredietinstelling of entiteit bedoeld in artikel 424, 2° tot en met 4°, zowel kritieke functies blijft vervullen als toegang heeft tot financiering zonder dat een beroep wordt gedaan op andere uitzonderlijke overheidssteun dan bijdragen uit hoofde van afwikkelingsfinancieringsregelingen, overeenkomstig artikel 6/1, § 1, derde en vierde lid, § 2, eerste lid en § 3 van de wet van 28 december 2011 op het Afwikkelingsfonds of artikel 27, leden 6 tot en met 10 van Verordening nr. 806/2014; of

-zij stelt het bedrag naar boven bij wanneer zij vaststelt dat een hoger bedrag noodzakelijk is om op geloofwaardige wijze voor een periode van ten hoogste één jaar het marktvertrouwen te behouden en ervoor te zorgen dat de kredietinstelling of entiteit bedoeld in artikel 424, 2° tot en met 4°, zowel kritieke economische functies blijft vervullen als toegang heeft tot financiering zonder dat een beroep wordt gedaan op andere uitzonderlijke overheidssteun dan bijdragen uit hoofde van afwikkelingsfinancieringsregelingen, overeenkomstig artikel 6/1, § 1, derde en vierde lid, § 2, eerste lid en § 3 van de wet van 28 december 2011 op het Afwikkelingsfonds of artikel 27, leden 6 tot en met 10 van Verordening nr. 806/2014.

§ 4.Voor af te wikkelen entiteiten die niet onder artikel 92bis van Verordening nr. 575/2013 vallen en die deel uitmaken van een af te wikkelen groep waarvan de totale activa meer dan 100 miljard euro bedragen, is het niveau van het in paragraaf 3 bedoelde vereiste ten minste gelijk aan:

1°13,5 % indien berekend volgens artikel 267/3, tweede lid, 1°; en

2°5 % indien berekend volgens artikel 267/3, tweede lid, 2°.

In afwijking van artikel 267/5 voldoen de in het eerste lid bedoelde af te wikkelen entiteiten aan het in dat lid bedoelde vereiste, met gebruik van eigen vermogen, achtergestelde in aanmerking komende instrumenten, of van in artikel 267/5, § 3, bedoelde schulden.

§ 5.De afwikkelingsautoriteit kan, na raadpleging van de toezichthouder, besluiten het in paragraaf 4 vastgestelde vereiste toe te passen op een af te wikkelen entiteit die niet onder artikel 92bis van Verordening nr. 575/2013 valt en die deel uitmaakt van een af te wikkelen groep waarvan de totale activa minder dan 100 miljard euro bedragen wanneer zij oordeelt dat diens in gebreke blijven redelijk waarschijnlijk een systeemrisico oplevert.

Bij het nemen van een in het voorgaande lid bedoeld besluit houdt de afwikkelingsautoriteit rekening met:

1°het overwicht van deposito's, en het ontbreken van schuldinstrumenten, in het financieringsmodel;

2°de mate waarin de toegang tot de kapitaalmarkten voor in aanmerking komende schulden beperkt is;

3°de mate waarin de af te wikkelen entiteit een beroep moet doen op tier 1-kernkapitaal voor het voldoen aan het in artikel 267/5/3 bedoelde vereiste.

Het ontbreken van een besluit op grond van het eerste lid laat een besluit uit hoofde van artikel 267/5, § 5, onverlet.

§ 6.Voor entiteiten die zelf geen af te wikkelen entiteiten zijn, is het in paragraaf 2... bedoelde bedrag het volgende:

1°voor de berekening van het vereiste uitgedrukt als percentage van het totaal van de risicoposten bedoeld inartikel 267/3, tweede lid, 1°, de som van:

-een verliesabsorptiebedrag dat overeenstemt met de in artikel 92, lid 1, punt c) van Verordening nr. 575/2013 en artikel 149, eerste lid bedoelde vereisten van de entiteit; en

-een herkapitalisatiebedrag dat de entiteit in staat stelt na de uitoefening van de bevoegdheid tot afschrijving of omzetting van relevante kapitaalinstrumenten en in aanmerking komende schulden overeenkomstig de artikelen 250 of 457 of na de afwikkeling van de af te wikkelen groep, de naleving te herstellen van haar in artikel 92, lid 1, punt c), van Verordening nr. 575/2013 bedoelde vereiste inzake totale kapitaalratio en haar in artikel 149, eerste lid bedoelde vereiste;

gedeeld door het totaal van de risicoposten; en

2°voor de berekening van het vereiste uitgedrukt als percentage van de totale risicoblootstellingsmaatstaf bedoeld in artikel 267/3, tweede lid, 2°, de som van:

-een verliesabsorptiebedrag dat overeenstemt met het in artikel 92, lid 1, punt d), van Verordening nr. 575/2013 bedoelde hefboomratiovereiste van de entiteit; en

-een herkapitalisatiebedrag dat de entiteit in staat stelt na de uitoefening van de bevoegdheid tot afschrijving of omzetting van relevante kapitaalinstrumenten en in aanmerking komende schulden overeenkomstig de artikelen 250 of 457 of na de afwikkeling van de af te wikkelen groep, de naleving te herstellen van haar in artikel 92, lid 1, punt d), van Verordening nr. 575/2013 bedoelde hefboomratiovereiste;

gedeeld door de totale blootstellingsmaatstaf.

Bij het vaststellen van het in het voorgaande lid, punt 2°, bedoelde vereiste op individuele basis uitgedrukt als percentage van de totale risicoblootstellingsmaatstaf, houdt de afwikkelingsautoriteit rekening met de vereisten bedoeld in artikel 255, § 6, 3° en 4°, in artikel 6/1, § 2, eerste lid of § 3 van de wet van 28 december 2011 op het Afwikkelingsfonds en in artikel 27, lid 7, a) van Verordening nr. 806/2014.

Bij het vaststellen van de in de voorgaande leden bedoelde herkapitalisatiebedragen:

1°maakt de afwikkelingsautoriteit gebruik van de meest recentelijk gerapporteerde waarden voor het betrokken totaal van de risicoposten of de totale blootstellingsmaatstaf, aangepast om rekening te houden met eventuele veranderingen die voortvloeien uit in het afwikkelingsplan vastgestelde maatregelen; en

2°stelt de afwikkelingsautoriteit na raadpleging van de toezichthouder, het bedrag dat overeenkomt met het huidige in artikel 149, eerste lid bedoelde vereiste naar beneden of naar boven bij om het vereiste te bepalen dat van toepassing is op de betrokken entiteit na uitoefening van de bevoegdheid om relevante kapitaalinstrumenten en in aanmerking komende schulden af te schrijven of om te zetten overeenkomstig de artikelen 250 of 457 of na de afwikkeling van de af te wikkelen groep.

De afwikkelingsautoriteit kan het in het eerste lid, punt 1°, tweede streepje van deze paragraaf bedoelde vereiste verhogen met een passend bedrag dat nodig is om te waarborgen dat de entiteit, na de uitoefening van de bevoegdheid tot afschrijving of omzetting van relevante kapitaalinstrumenten en in aanmerking komende schulden overeenkomstig de artikelen 250 of 457, voldoende marktvertrouwen kan behouden voor een toereikende periode van ten hoogste één jaar.

Wanneer de afwikkelingsautoriteit het in het eerste lid, punt 1°, tweede streepje van deze paragraaf bedoelde vereiste verhoogt in overeenstemming met het voorgaande lid van deze paragraaf, is het in dat lid bedoelde bedrag gelijk aan het globaal vereiste van een tier 1-kernkapitaalbuffer dat van toepassing moet zijn na de uitoefening van de in de artikelen 250 of 457 bedoelde bevoegdheid of na de afwikkeling van de af te wikkelen groep, verminderd met het bedrag van de kredietinstellingsspecifieke contracyclische tier 1-kernkapitaalbuffer bedoeld in artikel 16 van Bijlage IV.

Na raadpleging van de toezichthouder past de afwikkelingsautoriteit het in het vierde lid bedoelde bedrag als volgt aan:

-zij stelt het bedrag naar beneden bij wanneer zij vaststelt dat een lager bedrag volstaat om, na het uitoefenen van de in de artikelen 250 of 457 bedoelde bevoegdheid of na de afwikkeling van de af te wikkelen groep, op geloofwaardige wijze voor een periode van ten hoogste één jaar het marktvertrouwen te behouden en ervoor te zorgen dat de kredietinstelling of entiteit bedoeld in artikel 424, 2° tot en met 4°, zowel kritieke functies blijft vervullen als toegang heeft tot financiering zonder dat een beroep wordt gedaan op andere uitzonderlijke overheidssteun dan bijdragen uit hoofde van afwikkelingsfinancieringsregelingen, overeenkomstig artikel 6/1, § 1, derde en vierde lid, § 2, eerste lid en § 3 van de wet van 28 december 2011 op het Afwikkelingsfonds of artikel 27, leden 6 tot en met 10 van Verordening nr. 806/2014; of

-zij stelt het bedrag naar boven bij wanneer zij vaststelt dat een hoger bedrag noodzakelijk is om op geloofwaardige wijze voor een periode van ten hoogste één jaar het marktvertrouwen te behouden en ervoor te zorgen dat de kredietinstelling of entiteit bedoeld in artikel 424, 2° tot en met 4°, zowel kritieke economische functies blijft vervullen als toegang heeft tot financiering zonder dat een beroep wordt gedaan op andere uitzonderlijke overheidssteun dan bijdragen uit hoofde van afwikkelingsfinancieringsregelingen, overeenkomstig artikel 6/1, § 1, derde en vierde lid, § 2, eerste lid en § 3 van de wet van 28 december 2011 op het Afwikkelingsfonds of artikel 27, leden 6 tot 10 van Verordening nr. 806/2014.

§ 7.Indien de afwikkelingsautoriteit verwacht dat bepaalde categorieën van in aanmerking komende schulden met een redelijke waarschijnlijkheid geheel of gedeeltelijk van het instrument van interne versterking zullen worden uitgesloten op grond van artikel 267/2, § 2, of mogelijk volledig aan een ontvanger worden overgedragen bij een gedeeltelijke overdracht, wordt aan het in artikel 267/3 bedoelde vereiste voldaan met gebruik van eigen vermogen of andere in aanmerking komende schulden die volstaan om:

1°het bedrag van die in aanmerking komende schulden te dekken;

2°te verzekeren dat aan de in paragraaf 2 bedoelde voorwaarden is voldaan.

§ 8.Een besluit van de afwikkelingsautoriteit om op grond van dit artikel een minimumvereiste voor eigen vermogen en in aanmerking komende schulden op te leggen, wordt zonder onnodige vertraging geëvalueerd door de afwikkelingsautoriteit om rekening te houden met eventuele veranderingen in het niveau van het vereiste als bedoeld in artikel 149, eerste lid.

§ 9.Voor de toepassing van de paragrafen 3 en 6 van dit artikel worden de kapitaalvereisten geïnterpreteerd in overeenstemming met de toepassing door de toezichthouder van de overgangsbepalingen die zijn neergelegd in deel tien, titel I, hoofdstukken 1, 2 en 4 van Verordening nr. 575/2013 en in de reglementen van de toezichthouder waarbij de door die verordening verleende opties worden uitgeoefend.

Art. 267/5/2

§ 1.Het in artikel 267/3 bedoelde vereiste voor een af te wikkelen entiteit die een MSI of een deel van een MSI is, bestaat uit het volgende:

1°de in artikel 92bis en artikel 494 van Verordening nr. 575/2013 bedoelde vereisten; en

2°eventuele aanvullende vereisten voor eigen vermogen en in aanmerking komende schulden die door de afwikkelingsautoriteit specifiek met betrekking tot die entiteit zijn vastgesteld overeenkomstig paragraaf 3.

§ 2.Het in artikel 267/3 bedoelde vereiste voor een dochteronderneming van wezenlijk belang van een niet-EU MSI in de EER, bestaat uit:

1°de in de artikelen 92ter en 494 van Verordening nr. 575/2013 bedoelde vereisten; en

2°een eventueel aanvullend vereiste voor eigen vermogen en in aanmerking komende schulden dat door de afwikkelingsautoriteit specifiek met betrekking tot die dochteronderneming van wezenlijk belang is vastgesteld overeenkomstig paragraaf 3 en waaraan wordt voldaan met gebruik van eigen vermogen en schulden die de voorwaarden van artikel 267/5/4 en artikel 470, § 2, vervullen.

§ 3.De afwikkelingsautoriteit legt een in paragraaf 1, 2°, en paragraaf 2, 2° bedoeld aanvullend vereiste voor eigen vermogen en in aanmerking komende schulden op:

1°indien het vereiste als bedoeld in paragraaf 1, 1°, of paragraaf 2, 1°, niet volstaat om aan de in artikel 267/5/1 gestelde voorwaarden te voldoen; en

2°voor zover dit ervoor zorgt dat de voorwaarden van artikel 267/5/1 zijn vervuld.

§ 4.Voor de toepassing van artikel 460, § 2, indien twee of meer MSI-entiteiten die onderdeel zijn van dezelfde MSI af te wikkelen entiteiten zijn of entiteiten uit derde landen die af te wikkelen entiteiten zouden zijn indien ze in de Unie waren gevestigd, berekenen de betrokken afwikkelingsautoriteiten het in paragraaf 3 bedoelde bedrag:

1°voor elke af te wikkelen entiteit en voor elke entiteit uit een derde land die een af te wikkelen entiteit zou zijn indien zij in de Europese Unie was gevestigd;

2°voor de EER-moederonderneming alsof ze de enige af te wikkelen entiteit van de MSI was.

§ 5.Een besluit van de afwikkelingsautoriteit om op grond van paragraaf 1, 2°, of paragraaf 2, 2° een aanvullend vereiste voor eigen vermogen en in aanmerking komende schulden op te leggen, wordt zonder onnodige vertraging geëvalueerd door de afwikkelingsautoriteit om rekening te houden met eventuele veranderingen in het niveau van het vereiste als bedoeld in artikel 149, eerste lid dat op de af te wikkelen groep of de dochteronderneming van wezenlijk belang van een niet-EER MSI in de EER van toepassing is.

Art. 267/5/3

§ 1.Af te wikkelen entiteiten voldoen op geconsolideerde basis op het niveau van de af te wikkelen groep aan de in de artikelen 267/5 tot en met 267/5/2 neergelegde vereisten.

§ 2.De afwikkelingsautoriteit bepaalt het in artikel 267/3 bedoelde vereiste voor een af te wikkelen entiteit op het geconsolideerde niveau van de af te wikkelen groep overeenkomstig artikel 460 op basis van de in de artikelen 267/5 tot en met 267/5/2 neergelegde vereisten en op basis van de vraag of de in derde landen gevestigde dochterondernemingen van de groep volgens het afwikkelingsplan afzonderlijk moeten worden afgewikkeld.

§ 3.Voor overeenkomstig artikel 242, 13° /2, b) aangewezen af te wikkelen groepen, besluit de afwikkelingsautoriteit, afhankelijk van de kenmerken van het solidariteitsmechanisme en de voorkeursafwikkelingsstrategie, welke entiteiten van de af te wikkelen groep aan artikel 267/5/1, § 3 en § 4, en artikel 267/5/2, § 1, moeten voldoen om ervoor te zorgen dat de af te wikkelen groep in haar geheel voldoet aan de paragrafen 1 en 2, en hoe dergelijke entiteiten dat dienen te doen overeenkomstig het afwikkelingsplan.

Art. 267/5/4

§ 1.Kredietinstellingen die dochterondernemingen van een af te wikkelen entiteit of een entiteit van een derde land zijn maar zelf geen af te wikkelen entiteiten zijn, voldoen op individuele basis aan de in artikel 267/5/1 neergelegde vereisten.

De afwikkelingsautoriteit kan, na raadpleging van de toezichthouder, besluiten om het in het voorgaande lid neergelegde vereiste toe te passen op een in artikel 424, 2°, tot en met 4° bedoelde entiteit die een dochteronderneming van een af te wikkelen entiteit is maar zelf geen af te wikkelen entiteit is.

De voorgaande alinea is niet van toepassing op EER-moederondernemingen die zelf geen af te wikkelen entiteiten zijn, maar die dochterondernemingen van entiteiten van derde landen zijn. Deze moederondernemingen voldoen op geconsolideerde basis aan de in de artikelen 267/5/1 en 267/5/2 neergelegde vereisten.

In afwijking van het eerste en het tweede lid kan een afwikkelingsautoriteit besluiten om het in artikel 267/5/1 bedoelde vereiste op geconsolideerde basis te bepalen voor een in deze paragraaf bedoelde dochteronderneming indien de afwikkelingsautoriteit besluit dat aan elk van de volgende voorwaarden is voldaan:

1°de dochteronderneming voldoet aan een van de volgende voorwaarden:

a)de dochteronderneming is direct in handen van de af te wikkelen entiteit en

-de af te wikkelen entiteit is een financiële EER-moederholding of een gemengde financiële EER-moederholding,

-de dochteronderneming en de af te wikkelen entiteit zijn in dezelfde lidstaat gevestigd en maken deel uit van dezelfde af te wikkelen groep,

-de af te wikkelen entiteit heeft behalve de betrokken dochteronderneming geen andere dochterinstelling of dochterentiteit direct in bezit die onderworpen is aan de vereisten van dit artikel of aan het in artikel 267/5/1 bedoelde vereiste, en

-de dochteronderneming zou onevenredig zwaar getroffen worden door de op grond van artikel 72sexies, lid 5, van Verordening nr. 575/2013 voorgeschreven aftrekkingen;

b)de dochteronderneming is uitsluitend op geconsolideerde basis onderworpen aan het in artikel 149, eerste lid bedoelde vereiste en de vaststelling op geconsolideerde basis van het in artikel 267/5/1 bedoelde vereiste zou er niet toe leiden dat de herkapitalisatiebehoeften, voor de toepassing van artikel 267/5/1, § 1, 2°, van de subgroep bestaande uit entiteiten binnen de betrokken consolidatieperimeter worden overschat, met name wanneer er binnen dezelfde consolidatieperimeter sprake is van een prevalentie van liquidatie-entiteiten;

2°de naleving van het in artikel 267/5/1 neergelegde vereiste op geconsolideerde basis ter vervanging van de naleving van dat vereiste op individuele basis, doet geen wezenlijke afbreuk aan een van de volgende elementen:

a)de geloofwaardigheid en haalbaarheid van de afwikkelingsstrategie van de groep;

b)het vermogen van de dochteronderneming om aan haar eigenvermogensvereiste te voldoen na uitoefening van de afschrijvings- of omzettingsbevoegdheid; en

c)de toereikendheid van het interne verliesoverdracht- en herkapitalisatiemechanisme, met inbegrip van de afschrijving of omzetting van relevante kapitaalinstrumenten en in aanmerking komende schulden van de betrokken dochteronderneming of van andere entiteiten in de af te wikkelen groep.

Voor overeenkomstig artikel 242, 13° /2, b), aangewezen af te wikkelen groepen, voldoen blijvend bij een centrale instelling aangesloten kredietinstellingen maar die zelf geen af te wikkelen entiteiten zijn, een centrale instelling die zelf geen af te wikkelen entiteit is, en af te wikkelen entiteiten die niet onder een vereiste uit hoofde van artikel 267/5/3, § 3, vallen, op individuele basis aan artikel 267/5/1, § 6.

Het in artikel 267/3 bedoelde vereiste voor een in deze paragraaf bedoelde entiteit wordt bepaald overeenkomstig de artikelen 459, 460 en, waar toepasselijk, 470, § 2, en op basis van de in artikel 267/5/1 neergelegde vereisten.

§ 2.Aan het in artikel 267/3 bedoelde vereiste voor in paragraaf 1 bedoelde entiteiten wordt voldaan met een of meer van de volgende elementen:

1°schulden:

a)die zijn uitgegeven aan en gekocht door de af te wikkelen entiteit, direct dan wel indirect via andere entiteiten in dezelfde af te wikkelen groep, of zijn uitgegeven aan en gekocht door een bestaande aandeelhouder die geen deel uitmaakt van dezelfde af te wikkelen groep, zolang de uitoefening van afschrijvings- of omzettingsbevoegdheden overeenkomstig de artikelen 250 tot en met 254 en 458 geen afbreuk doet aan de zeggenschap van de af te wikkelen entiteit over de dochteronderneming;

b)die voldoen aan de in artikel 72bis van Verordening nr. 575/2013 genoemde criteria om in aanmerking te komen, met uitzondering van artikel 72ter, lid 2, punten b), c), k), l) en m), en artikel 72ter, leden 3, 4 en 5, van die verordening;

c)die in liquidatieprocedures van lagere rang zijn dan schulden die niet voldoen aan de in onder a) bedoelde voorwaarde en niet in aanmerking komen voor eigenvermogensvereisten;

d)die onderworpen zijn aan afschrijvings- of omzettingsbevoegdheden overeenkomstig de artikelen 250 tot en met 254 en 458 op een wijze die in overeenstemming is met de afwikkelingsstrategie van de af te wikkelen groep, met name door de zeggenschap van de af te wikkelen entiteit over de dochteronderneming niet nadelig te beïnvloeden;

e)waarvan de verwerving direct noch indirect gefinancierd wordt door de entiteit waarop dit artikel van toepassing is;

f)waarvan in de geldende bepalingen expliciet noch impliciet vermeld wordt dat de schulden door de onder dit artikel vallende entiteit zouden worden opgevraagd, afgelost, vervroegd terugbetaald of opnieuw ingekocht, naargelang het geval, behalve bij insolventie of liquidatie van die entiteit, en die entiteit dit niet anderszins vermeldt;

g)waarvan de geldende bepalingen de houder ervan niet het recht geven de voor de toekomst geplande betaling van de rente of van de hoofdsom te versnellen, behalve in het geval van de insolventie of liquidatie van de onder dit artikel vallende entiteit;

h)waarvoor het niveau van de daarover verschuldigde rentebetalingen of dividenduitkeringen, naargelang het geval, niet wijzigt op basis van de kredietwaardigheid van de entiteit waarop dit artikel van toepassing is of van de moederonderneming daarvan;

2°eigen vermogen, als volgt:

a)tier 1-kernkapitaal, en

b)ander eigen vermogen dat (i) is uitgegeven aan en gekocht door entiteiten die tot dezelfde af te wikkelen groep behoren, of (ii) is uitgegeven aan en gekocht door entiteiten die niet tot dezelfde af te wikkelen groep behoren, zolang de uitoefening van afschrijvings- of omzettingsbevoegdheden overeenkomstig de artikelen 250 tot en met 254 en 458 geen afbreuk doet aan de zeggenschap van de af te wikkelen entiteit over de dochteronderneming.

§ 2/1.Indien een entiteit zoals bedoeld in paragraaf 1 op geconsolideerde basis voldoet aan het in artikel 267/3 bedoelde vereiste, omvat het bedrag aan eigen vermogen en in aanmerking komende schulden van die entiteit de volgende schulden die overeenkomstig paragraaf 2, 1° zijn uitgegeven door een in de EER gevestigde dochteronderneming die in de consolidatie van die entiteit is opgenomen:

1°schulden die zijn uitgegeven aan en gekocht door de af te wikkelen entiteit, hetzij direct, hetzij indirect via andere entiteiten in dezelfde af te wikkelen groep, die niet zijn opgenomen in de consolidatie van de entiteit die op geconsolideerde basis voldoet aan het in artikel 267/3 bedoelde vereiste;

2°schulden die zijn uitgegeven aan een bestaande aandeelhouder die geen deel uitmaakt van dezelfde af te wikkelen groep.

§ 2/2.De in paragraaf 2/1, 1° en 2° bedoelde schulden bedragen niet meer dan het bedrag dat wordt vastgesteld door het bedrag van het in artikel 267/3 bedoelde vereiste dat van toepassing is op de in de consolidatie opgenomen dochteronderneming, te verminderen met het totaal van alle volgende elementen:

1°de schulden die zijn uitgegeven aan en gekocht door de entiteit die op geconsolideerde basis voldoet aan het in artikel 267/3 bedoelde vereiste, hetzij direct, hetzij indirect via andere entiteiten in dezelfde af te wikkelen groep, die in de consolidatie van die entiteit zijn opgenomen;

2°het bedrag aan eigen vermogen dat is uitgegeven overeenkomstig paragraaf 2, 2°.

§ 3.Indien een dochteronderneming geen af te wikkelen entiteit is, kan de afwikkelingsautoriteit afzien van de toepassing van dit artikel op die dochteronderneming indien:

1°zowel de dochteronderneming als de af te wikkelen entiteit in België zijn gevestigd en deel uitmaken van dezelfde af te wikkelen groep;

2°de af te wikkelen entiteit voldoet aan het in artikel 267/5/3 bedoelde vereiste;

3°er geen bestaande of te voorziene wezenlijke, praktische of juridische belemmering is voor de onmiddellijke overdracht van eigen vermogen of onmiddellijke terugbetaling van schulden door de af te wikkelen entiteit aan de dochteronderneming waarvoor een vaststelling is gedaan overeenkomstig artikel 250, § 1 in combinatie met artikel 457, in het bijzonder indien ten aanzien van de af te wikkelen entiteit afwikkelingsmaatregelen worden genomen;

4°de af te wikkelen entiteit de toezichthouder ervan overtuigt dat de dochteronderneming zorgvuldig wordt beheerd en, met instemming van de toezichthouder, heeft verklaard dat zij garant staat voor de door de dochteronderneming aangegane verplichtingen, ofwel de risico's in de dochteronderneming van geen belang zijn;

5°de dochteronderneming in de risicobeoordelings-, meet- en controleprocedures van de af te wikkelen entiteit wordt betrokken;

6°de af te wikkelen entiteit meer dan 50 % van de stemrechten bezit die verbonden zijn aan de aandelen in het kapitaal van de dochteronderneming of het recht heeft om een meerderheid van de leden van het wettelijk bestuursorgaan van de dochteronderneming te benoemen of te ontslaan.

§ 4.Indien een dochteronderneming geen af te wikkelen entiteit is, kan de afwikkelingsautoriteit eveneens afzien van de toepassing van dit artikel op die dochteronderneming indien:

1°zowel de dochteronderneming als haar moederonderneming in België zijn gevestigd en deel uitmaken van dezelfde af te wikkelen groep;

2°de moederonderneming voldoet op geconsolideerde basis aan het in artikel 267/3 bedoelde vereiste;

3°er geen bestaande of te voorziene wezenlijke, praktische of juridische belemmering is voor de onmiddellijke overdracht van eigen vermogen of onmiddellijke terugbetaling van schulden door de moederonderneming aan de dochteronderneming waarvoor een vaststelling is gedaan overeenkomstig artikel 250, § 1 in combinatie met artikel 457, met name indien ten aanzien van de moederonderneming afwikkelingsmaatregelen worden genomen of de bevoegdheid als bedoeld in artikel 250, § 1, wordt uitgeoefend;

4°de moederonderneming de toezichthouder ervan overtuigt dat de dochteronderneming zorgvuldig wordt beheerd en, met instemming van de toezichthouder, heeft verklaard dat zij garant staat voor de door de dochteronderneming aangegane verplichtingen, ofwel de risico's in de dochteronderneming van geen betekenis zijn;

5°de dochteronderneming in de risicobeoordelings-, meet- en controleprocedures van de moederonderneming wordt betrokken;

6°de moederonderneming meer dan 50 % van de stemrechten bezit die verbonden zijn aan aandelen in het kapitaal van de dochteronderneming, of het recht heeft om een meerderheid van de leden van het wettelijk bestuursorgaan van de dochteronderneming te benoemen of te ontslaan.

§ 5.Indien de in paragraaf 3, punten 1° en 2°, neergelegde voorwaarden zijn vervuld, kan de afwikkelingsautoriteit van een dochteronderneming toestaan dat aan het in artikel 267/3 bedoelde vereiste geheel of gedeeltelijk wordt voldaan met een door de af te wikkelen entiteit verstrekte garantie, die aan de volgende voorwaarden voldoet:

1°de garantie wordt verstrekt voor een bedrag dat op zijn minst gelijk is aan het bedrag van het vereiste dat ze vervangt;

2°de garantie wordt geactiveerd ingeval de dochteronderneming niet in staat is haar schulden of andere verplichtingen te betalen op het moment dat deze opeisbaar worden of ingeval ten aanzien van de dochteronderneming een vaststelling is gedaan overeenkomstig artikel 250, § 1 in combinatie met artikel 457, indien dat eerder is;

3°de garantie voor ten minste 50 % van haar bedrag wordt gedekt door middel van een zakelijke-zekerheidsovereenkomst als gedefinieerd in artikel 3, 3° van de wet van 15 december 2004 betreffende financiële zekerheden en houdende diverse fiscale bepalingen inzake zakelijke-zekerheidsovereenkomsten en leningen met betrekking tot financiële instrumenten en gevestigd overeenkomstig die wet;

4°de zekerheid bedoeld in 3° voldoet aan de vereisten van artikel 197 van Verordening nr. 575/2013 en volstaat, na gepaste conservatieve "haircuts", om het met zekerheden gedekte bedrag als bedoeld in punt 3° te dekken;

5°de zekerheid bedoeld in 3°, evenals de activa die er het voorwerp van maken, is onbezwaard en wordt met name niet gebruikt als zekerheid om een andere garantie te dekken;

6°de zekerheid bedoeld in 3° heeft een effectieve looptijd die aan de looptijdvoorwaarde in artikel 72quater, lid 1, van Verordening nr. 575/2013 voldoet; en

7°er zijn geen wettelijke, regelgevende of operationele belemmeringen voor de overdracht van de activa die het voorwerp zijn de zekerheid bedoeld in 3° van de af te wikkelen entiteit aan de desbetreffende dochteronderneming, ook niet indien ten aanzien van de af te wikkelen entiteit afwikkelingsmaatregelen worden genomen.

Voor de toepassing van het eerste lid, punt 7°, verstrekt de af te wikkelen entiteit op verzoek van de afwikkelingsautoriteit een onafhankelijk schriftelijk en met redenen omkleed juridisch advies of toont ze anderszins op een bevredigende wijze aan dat er geen dergelijke wettelijke, regelgevende of operationele belemmeringen zijn.

Art. 267/5/5

De afwikkelingsautoriteit kan een centrale instelling of een kredietinstelling die blijvend bij een centrale instelling is aangesloten, geheel of gedeeltelijk ontheffing verlenen van de toepassing van artikel 267/5/4 indien aan alle volgende voorwaarden is voldaan:

1°de kredietinstelling en de centrale instelling vallen onder het toezicht van de toezichthouder, zijn gevestigd in België en maken deel uit van dezelfde af te wikkelen groep;

2°de verplichtingen van de centrale instelling en zijn blijvend aangesloten kredietinstellingen zijn hoofdelijke verplichtingen, of de verplichtingen van de blijvend aangesloten kredietinstellingen worden volledig door de centrale instelling gegarandeerd;

3°het minimumvereiste voor eigen vermogen en in aanmerking komende schulden, en de solvabiliteit en liquiditeit van de centrale instelling en van alle blijvend aangesloten kredietinstellingen worden in hun totaliteit gemonitord op basis van de geconsolideerde jaarrekening van die instellingen;

4°in het geval van een ontheffing voor een blijvend bij een centrale instelling aangesloten kredietinstelling, is de leiding van de centrale instelling bevoegd om instructies te geven aan de leiding van de blijvend aangesloten instelling;

5°de betrokken af te wikkelen groep voldoet aan het in artikel 267/5/3, § 3, bedoelde vereiste; en

6°er is geen bestaande of voorziene wezenlijke, praktische of juridische belemmering voor de onmiddellijke overdracht van eigen vermogen of terugbetaling van schulden tussen de centrale instelling en de blijvend aangesloten kredietinstellingen in geval van afwikkeling.

Art. 267/5/6

§ 1.De kredietinstellingen en in artikel 424, 2° tot en met 4° bedoelde entiteiten waarop het in artikel 267/3 bedoelde vereiste van toepassing is, rapporteren aan hun bevoegde autoriteiten en afwikkelingsautoriteiten over het volgende:

1°de bedragen aan eigen vermogen dat waar toepasselijk voldoet aan de voorwaarden van artikel 267/5/4, § 2, 2° en de bedragen aan in aanmerking komende schulden en diezelfde bedragen in percentage, uitgedrukt overeenkomstig artikel 267/3, lid 2, na enige toepasselijke inhoudingen overeenkomstig de artikelen 72sexies tot en met 72undecies van Verordening nr. 575/2013;

2°de bedragen van andere bail-inbare schulden;

3°voor de in de punten 1° en 2°, bedoelde bestanddelen:

-hun samenstelling, waaronder hun looptijdprofiel,

-de rang ervan in liquidatieprocedures, en

-of de in aanmerking komende schulden onder de wetgeving van een derde land vallen, en of zij de in artikel 267/15, § 1 van deze wet en in artikel 52, lid 1, punten p) en q) en artikel 63, punten n) en o), van Verordening nr. 575/2013 bedoelde contractuele voorwaarden bevatten.

De verplichting om verslag uit te brengen over de in punt 2°, van het eerste lid bedoelde bedragen aan andere bail-inbare schulden is niet van toepassing op entiteiten die op de datum van de rapportage van die informatie bedragen aan eigen vermogen en in aanmerking komende schulden aanhouden die minstens 150 % bedragen van het in artikel 267/3 bedoelde vereiste, als berekend overeenkomstig punt 1°, van het eerste lid.

§ 2.De in paragraaf 1 bedoelde entiteiten rapporteren ten minste halfjaarlijks de informatie, bedoeld in paragraaf 1, punt 1°, en ten minste jaarlijks de informatie, bedoeld in paragraaf 1, punten 2° en 3°. De in paragraaf 1 bedoelde entiteiten rapporteren echter de in die paragraaf bedoelde informatie frequenter indien de toezichthouder of de afwikkelingsautoriteit daarom verzoekt.

§ 3.De in paragraaf 1 bedoelde entiteiten maken de volgende informatie ten minste jaarlijks publiek beschikbaar:

1°de bedragen aan eigen vermogen dat, waar toepasselijk, voldoet aan de voorwaarden van artikel 267/5/4, § 2, 2°, en in aanmerking komende schulden;

2°de samenstelling van de in punt 1°, bedoelde bestanddelen, met inbegrip van hun looptijdprofiel en rang in een liquidatieprocedure;

3°het toepasselijke vereiste als bedoeld in artikel 267/5/3 of artikel 267/5/4, uitgedrukt in percentage overeenkomstig artikel 267/3, § 2.

§ 4.Paragrafen 1 en 3 zijn niet van toepassing op een liquidatie-entiteit tenzij de afwikkelingsautoriteit het in artikel 267/3 bedoelde vereiste voor die entiteit heeft vastgesteld overeenkomstig artikel 267/5/1, § 2/1, tweede lid. In dat geval bepaalt de afwikkelingsautoriteit de inhoud en frequentie van de rapportage- en openbaarmakingsverplichtingen voor die entiteit. De afwikkelingsautoriteit deelt die rapportage- en openbaarmakingsverplichtingen mee aan de betrokken liquidatie-entiteit. Die rapportage- en openbaarmakingsverplichtingen gaan niet verder dan wat nodig is voor het toezicht op de naleving van het op grond van artikel 267/5/1, § 2/1, tweede lid vastgestelde vereiste.

§ 5.Indien afwikkelingsmaatregelen zijn uitgevoerd of de in de artikelen 250 of 457 bedoelde afschrijvings- of omzettingsbevoegdheden zijn uitgeoefend, gelden de in paragraaf 3 bedoelde openbaarmakingsvereisten vanaf de in artikel 418 bedoelde datum waarop aan de vereisten van artikel 267/5/3 of artikel 267/5/4 moet zijn voldaan.

Art. 267/5/7

De afwikkelingsautoriteit stelt de EBA in kennis van het overeenkomstig artikel 267/5/3 of artikel 267/5/4 vastgestelde minimumvereiste voor eigen vermogen en in aanmerking komende schulden, met inbegrip van op grond van artikel 267/5/4, § 1, vierde lid genomen besluiten, voor elke entiteit in hun rechtsgebied.

Art. 267/5/8

§ 1.Elke schending van het in artikel 267/5/3 of artikel 267/5/4 bedoelde minimumvereiste voor eigen vermogen en in aanmerking komende schulden wordt door de afwikkelingsautoriteit of de toezichthouder aangepakt met behulp van ten minste één van het volgende:

1°de bevoegdheid om belemmeringen voor de afwikkelbaarheid aan te pakken of weg te nemen overeenkomstig de artikelen 231 tot en met 232, en 449 tot en met 451;

2°de bevoegdheden tot het verbieden van bepaalde uitkeringen bedoeld in de artikelen 230/1 tot en met 230/4;

3°herstelmaatregelen overeenkomstig de artikelen 234 en 236;

4°de maatregelen en sancties bedoeld in de artikelen 345 tot en met 347.

De afwikkelingsautoriteit en de toezichthouder kunnen ook beoordelen of de kredietinstelling of entiteit bedoeld in artikel 424, 2° tot en met 4°, in gebreke blijft of dit nakend is, overeenkomstig artikel 244, 244/1, of 454, naar gelang het geval.

§ 2.De afwikkelingsautoriteit en de toezichthouder raadplegen elkaar wanneer ze hun respectieve in paragraaf 1 bedoelde bevoegdheden uitoefenen.

Art. 267/5/9

De afwikkelingsautoriteit en de toezichthouder verlenen de EBA bijstand bij het voorbereiden en indienen van het jaarlijks verslag bedoeld in artikel 45terdecies, lid 1 van Richtlijn 2014/59/EU.

Art. 267/6

§ 1.Wanneer zij het instrument van interne versterking toepast, raamt de afwikkelingsautoriteit op basis van een waardering die aan de artikelen 246 tot 248 voldoet, het totaal van:

1°indien van toepassing, het bedrag waarvoor de bail-inbare schulden moeten worden afgeschreven om ervoor te zorgen dat de nettowaarde van de activa van de kredietinstelling in afwikkeling gelijk is aan nul; en

2°in voorkomend geval, het bedrag waarvoor de bail-inbare schulden in aandelen of andere kapitaalinstrumenten moeten worden omgezet om de tier 1-kernkapitaalratio van de kredietinstelling in afwikkeling te herstellen of om een overbruggingsinstelling in staat te stellen eraan te voldoen.

§ 2.Bij de in § 1 bedoelde raming wordt rekening gehouden met de inbreng van kapitaal door het Afwikkelingsfonds. Het in § 1 bedoelde totaal moet het mogelijk maken voldoende marktvertrouwen in de kredietinstelling in afwikkeling of de overbruggingsinstelling te handhaven en moet haar in staat stellen gedurende ten minste een jaar aan de vergunningsvoorwaarden te blijven voldoen en de werkzaamheden te blijven uitoefenen waarvoor zij een vergunning heeft verkregen.

Indien de afwikkelingsautoriteit voornemens is gebruik te maken van het instrument van afsplitsing van activa als bedoeld in artikel 265, houdt het bedrag waarmee de bail-inbare schulden moeten worden verminderd voor zover nodig rekening met een prudente raming van de kapitaalbehoeften van het vehikel voor activabeheer.

§ 3.Indien de relevante kapitaalinstrumenten overeenkomstig de artikelen 250 tot 254 zijn afgeschreven en het instrument van interne versterking overeenkomstig artikel 267/1, § 1 is toegepast en als gebleken is dat het niveau van de afschrijvingen op basis van de voorlopige waardering krachtens artikel 248, § 2 hoger is dan de vereisten wanneer dit niveau wordt vergeleken met dat van de definitieve waardering krachtens artikel 248, § 3, worden regelingen getroffen om de schuldeisers en vervolgens de aandeelhouders voor zover dat nodig is terug te betalen.

§ 4.De afwikkelingsautoriteit stelt regelingen vast en houdt deze in stand om ervoor te zorgen dat de beoordeling en de waardering gebaseerd zijn op informatie over de activa en passiva van de kredietinstelling in afwikkeling die zo actueel en zo uitvoerig is als redelijkerwijs mogelijk is.

Art. 267/7

§ 1.Wanneer de afwikkelings-autoriteit het instrument van interne versterking toepast of kapitaalinstrumenten afschrijft of omzet, treft zij ten aanzien van de aandeelhouders en houders van andere eigendomsinstrumenten een of beide van de volgende maatregelen:

1°het intrekken van bestaande aandelen of andere eigendomsinstrumenten, of de overdracht ervan op schuldeisers waarop het instrument van interne versterking is toegepast;

2°mits de nettowaarde van de kredietinstelling in afwikkeling volgens de waardering krachtens de artikelen 246 tot 248 positief is, het doen verwateren van bestaande aandelenpakketten en andere eigendomsinstrumenten als gevolg van de omzetting in aandelen of andere eigendomsinstrumenten van:

a)relevante kapitaalinstrumenten die door de kredietinstelling zijn uitgegeven op grond van de in artikel 250, § 1 bedoelde bevoegdheid; of

b)bail-inbare schulden die door de kredietinstelling in afwikkeling zijn uitgegeven op grond van de in artikel 276, § 2, 4° /2 vermelde bevoegdheid.

Voor de toepassing van punt 2° hanteert de afwikkelingsautoriteit een omzettingskoers die bestaande aandelenpakketten of andere eigendomsinstrumenten sterk verwatert.

§ 2.De in § 1 bedoelde maatregelen worden ook genomen ten aanzien van aandeelhouders en houders van andere eigendomsinstrumenten wier aandelen of andere eigendomsinstrumenten in de volgende omstandigheden werden uitgegeven of aan hen werden toegekend:

1°naar aanleiding van de omzetting van schuldinstrumenten in aandelen of andere eigendomsinstrumenten overeenkomstig de contractuele voorwaarden waaraan deze schuldinstrumenten onderworpen zijn, bij een gebeurtenis die voorafging aan of zich tezelfdertijd voordeed als de beoordeling door de afwikkelingsautoriteit waarbij deze heeft vastgesteld dat de kredietinstelling voldeed aan de voorwaarden voor het initiëren van een afwikkelingsprocedure;

2°naar aanleiding van de omzetting van relevante kapitaalinstrumenten in tier 1-kernkapitaalinstrumenten overeenkomstig artikel 250.

§ 3.Wanneer de afwikkelingsautoriteit overweegt welke maatregelen krachtens § 1 moeten worden genomen, houdt zij rekening met:

1°de waardering krachtens de artikelen 246 tot 248;

2°het bedrag waarmee de nominale waarde van tier 1-kernkapitaalinstrumenten verminderd moet worden en waarmee relevante kapitaalinstrumenten afgeschreven of omgezet moeten worden; en

3°het met toepassing van artikel 267/6 vastgestelde totaal.

§ 4.Indien de toepassing van het instrument van interne versterking leidt tot de verwerving van een gekwalificeerde deelneming in de kredietinstelling of tot een verhoging van een dergelijke deelneming waardoor een van de in artikel 46 bepaalde drempels wordt bereikt of overschreden, is artikel 269/1 van toepassing.

§ 5.Bij een besluit genomen op advies van de afwikkelingsautoriteit regelt de Koning de rechtsgevolgen van de toepassing van het instrument van interne versterking en van de omzetting van kapitaal als bedoeld in paragraaf 1 en de uitoefening van de rechten verbonden aan de toegewezen aandelen of andere eigendomsinstrumenten tijdens de periode van beoordeling van de overnemer door de toezichthouder, alsook de gevolgen van een eventueel verzet door de toezichthouder. Het besluit dat krachtens deze paragraaf wordt genomen, mag afwijken van artikel 51 voor zover toegelaten door de dwingende bepalingen van internationale verdragen of internationale akten genomen krachtens dergelijke verdragen.

Art. 267/8

§ 1.Wanneer de afwikkelingsautoriteit het instrument van interne versterking toepast, oefent zij de afschrijvings- en omzettingsbevoegdheden uit onder voorbehoud van de uitsluitingen bedoeld in artikel 242, 10° en in artikel 267/2, § 2, met inachtneming van de volgende vereisten:

1°tier 1-kernkapitaalinstrumenten worden verlaagd overeenkomstig artikel 252, 1°;

2°indien de verlaging overeenkomstig punt 1° hierboven minder dan de som van de in artikel 267/7, § 3, 2° en 3° vermelde bedragen is, verlaagt de afwikkelingsautoriteit de hoofdsom van de aanvullend-tier 1-instrumenten;

3°indien de verlaging overeenkomstig de punten 1° en 2° hierboven minder dan de som van de in artikel 267/7, § 3, 2° en 3° vermelde bedragen is, verlaagt de afwikkelingsautoriteit de hoofdsom van de tier 2-instrumenten;

4°indien de vermindering overeenkomstig de punten 1°, 2° en 3° hierboven minder dan de som van de in artikel 267/7, § 3, 2° en 3° vermelde bedragen is, verlaagt de afwikkelingsautoriteit, met inachtneming van de rangorde van vorderingen die in een liquidatieprocedure wordt toegepast, de hoofdsom van de achtergestelde vorderingen die geen aanvullend-tier 1-instrumenten of tier 2-instrumenten zijn;

5°indien de vermindering overeenkomstig de punten 1° tot en met 4° hierboven minder dan de som van de in artikel 267/7, § 3, 2° en 3° vermelde bedragen is, verlaagt de afwikkelingsautoriteit de hoofdsom van, of het verschuldigde bedrag met betrekking tot, de rest van de bail-inbare schulden, met inbegrip van de schuldinstrumenten bedoeld in artikel 389/1, 2°, met inachtneming van de rangorde van vorderingen die in een liquidatieprocedure wordt toegepast, in de mate die noodzakelijk is om de som van de in artikel 267/7, § 3, 2° en 3° bedoelde bedragen te verkrijgen.

§ 2.Wanneer de afwikkelingsautoriteit de afschrijvings- of omzettingsbevoegdheden uitoefent, verdeelt zij de verliezen die vertegenwoordigd worden door de som van de in artikel 267/7, § 3, 2° en 3° vermelde bedragen over elke categorie van kapitaal en bail-inbare schulden naargelang van hun rang in de rangorde van vorderingen die in een liquidatieprocedure wordt toegepast, en binnen elke categorie naar evenredigheid van de nominale waarde van die instrumenten en schulden of van het uitstaande verschuldigde bedrag met betrekking tot die instrumenten en schulden, onverminderd een andere verdeling van de verliezen over bail-inbare schulden van dezelfde rang, met toepassing van artikel 267/2, § 2.

§ 3.Een afschrijvings- of omzettingsmaatregel als vermeld in § 1 wordt in voorkomend geval onder dezelfde voorwaarden toegepast op de restwaarde van een in § 1, 2° tot 4° vermeld instrument waarop reeds een afschrijving werd toegepast op grond van contractuele bepalingen.

§ 4.Onverminderd de in de artikelen 242, 10° en 267/2, § 2 bedoelde uitsluitingen mag de afwikkelingsautoriteit een verplichting niet afschrijven of omzetten terwijl andere verplichtingen die aan die verplichting zijn achtergesteld, grotendeels niet worden omgezet of afgeschreven.

Art. 267/9

§ 1.De afwikkelingsautoriteit oefent de afschrijvings- en omzettingsbevoegdheden met betrekking tot een verplichting die uit derivaten voortvloeit uit wanneer de derivatenposities gesloten zijn. Bij de opening van de afwikkelingsprocedure kan de afwikkelingsautoriteit de derivatencontracten opzeggen of de derivatenposities sluiten.

Indien een uit derivaten voortvloeiende verplichting van de toepassing van de maatregel van interne versterking met toepassing van artikel 267/2, § 2, is uitgesloten, is de afwikkelingsautoriteit niet verplicht de voornoemde derivatencontracten te beëindigen of de derivatenposities te sluiten.

In het kader van de waardering krachtens de artikelen 246 tot 248 houdt de afwikkelingsautoriteit of de onafhankelijke persoon rekening met de bestaande verrekeningsovereenkomsten en bepaalt zij de respectieve verplichtingen van de partijen op nettobasis overeenkomstig de bepalingen van deze overeenkomsten.

§ 2.De afwikkelingsautoriteit bepaalt de waarde van uit derivaten voortvloeiende verplichtingen op basis van het volgende:

1°passende methodes voor het bepalen van de waarde van de categorieën van derivaten, met inbegrip van de transacties die aan salderingsovereenkomsten zijn onderworpen;

2°beginselen voor het bepalen van het tijdstip waarop de waarde van een derivatenpositie moet worden vastgelegd; en

3°passende methodologieën voor het vergelijken van de waardevernietiging die het gevolg zou zijn van het afsluiten van de derivatenposities en de interne versterking voor derivaten, met het bedrag van de verliezen die door deze derivaten zouden worden gedragen in geval van interne versterking.

Art. 267/10

Bij het uitoefenen van de omzettingsbevoegdheid als bedoeld in artikel 250, § 2 en in artikel 276, § 2, 4° /2, mag de afwikkelingsautoriteit verschillende omzettingskoersen op verschillende categorieën van kapitaalinstrumenten en verplichtingen toepassen. Bij de bepaling van deze omzettingskoersen wordt rekening gehouden met de rangorde van de categorieën van passiva die in een liquidatieprocedure wordt toegepast.

De omzettingskoers biedt de getroffen schuldeiser een passende vergoeding voor het als gevolg van de uitoefening van de afschrijvings- en omzettingsbevoegdheden geleden verlies.

Art. 267/11

§ 1.Binnen een maand na de toepassing van het instrument van interne versterking op een kredietinstelling om de doelstellingen vermeld in artikel 267/1, § 1, 1° te verwezenlijken, moet het wettelijk bestuursorgaan van de kredietinstelling of de met toepassing van artikel 281, § 2 aangestelde persoon of personen voor de betrokken kredietinstelling een bedrijfssaneringsplan opstellen en ter goedkeuring aan de afwikkelingsautoriteit voorleggen.

§ 2.In buitengewone omstandigheden en indien dit nodig is voor het verwezenlijken van de afwikkelingsdoelstellingen, of indien het bedrijfssaneringsplan in het kader van de toepassing van de regels van de Europese Unie inzake staatssteun moet worden ingediend, kan de afwikkelingsautoriteit de in § 1 vermelde termijn van een maand verlengen met ten hoogste een maand.

§ 3.In het bedrijfssaneringsplan worden overeenkomstig de doelstellingen en de richtsnoeren van de afwikkelingsautoriteit maatregelen vastgelegd die erop gericht zijn de levensvatbaarheid op lange termijn van de kredietinstelling of een deel van haar werkzaamheden binnen een redelijk tijdsbestek te herstellen. Het bevat ten minste de volgende elementen:

1°een gedetailleerde diagnose van de factoren en problemen waardoor de kredietinstelling in gebrek blijft of waarschijnlijk in gebreke zal blijven, en de omstandigheden die ten grondslag liggen aan de moeilijkheden waarmee de kredietinstelling te kampen heeft;

2°een beschrijving van de te nemen maatregelen die gericht zijn op het herstellen van de levensvaatbaarheid op lange termijn van de kredietinstelling;

3°een tijdschema voor de tenuitvoerlegging van die maatregelen.

In het bedrijfssaneringsplan wordt onder meer rekening gehouden met de actuele stand van en toekomstige vooruitzichten voor de financiële markten, op basis van optimistische en pessimistische hypothesen, zoals een combinatie van situaties op grond waarvan de belangrijkste zwakke punten van de kredietinstelling kunnen worden vastgesteld. De hypothesen worden vergeleken met passende sectorbrede benchmarks.

Dit plan moet in voorkomend geval verenigbaar zijn met het herstructureringsplan dat in het kader van de toepassing van de regels van de Europese Unie inzake staatssteun wordt opgesteld.

§ 4.Maatregelen gericht op het herstel van de levensvatbaarheid op lange termijn als bedoeld in paragraaf 3 zijn onder meer:

1°de reorganisatie van de werkzaamheden van de kredietinstelling;

2°wijzigingen in de operationele systemen en de infrastructuur in de kredietinstelling;

3°het staken van verliesgevende activiteiten;

4°de herstructurering van bestaande activiteiten die winstgevend kunnen worden gemaakt;

5°de verkoop van activa of van bedrijfsonderdelen.

Art. 267/12

§ 1.Binnen een maand te rekenen vanaf de datum van voorlegging van het in artikel 267/11 vermelde bedrijfssaneringsplan beoordeelt de afwikkelingsautoriteit de geschiktheid van dat plan om de levensvatbaarheid op lange termijn van de betrokken kredietinstelling te herstellen. Deze beoordeling wordt in overleg met de bevoegde autoriteit verricht.

Indien de afwikkelingsautoriteit en de bevoegde autoriteit van oordeel zijn dat die doelstelling kan worden verwezenlijkt met de uitvoering van het plan, keurt de afwikkelingsautoriteit het plan goed.

§ 2.Indien de afwikkelingsautoriteit van oordeel is dat de in § 1 bedoelde doelstelling niet kan worden verwezenlijkt met de uitvoering van het plan, stelt zij in overleg met de bevoegde autoriteit het wettelijk bestuursorgaan van de kredietinstelling of de overeenkomstig artikel 281, § 2 aangestelde persoon of personen in kennis van de door haar vastgestelde tekortkomingen en eist zij dat het plan zodanig wordt gewijzigd dat deze tekortkomingen worden verholpen.

§ 3.Binnen twee weken te rekenen vanaf de datum van ontvangst van de in § 2 bedoelde kennisgeving legt het wettelijk bestuursorgaan van de kredietinstelling of de overeenkomstig artikel 281, § 2 aangestelde persoon of personen aan de afwikkelingsautoriteit een gewijzigd plan ter goedkeuring voor. De afwikkelingsautoriteit beoordeelt het gewijzigde plan en laat het wettelijk bestuursorgaan van de kredietinstelling of de overeenkomstig artikel 281, § 2 aangestelde persoon of personen binnen een week weten of zij van oordeel is dat de vastgestelde tekortkomingen verholpen zijn of dat verdere wijzigingen zijn vereist.

§ 4.Het wettelijk bestuursorgaan van de kredietinstelling of de overeenkomstig artikel 281, § 2 aangestelde persoon of personen voeren het saneringsplan zoals goedgekeurd door de afwikkelingsautoriteit en de bevoegde autoriteit uit en leggen ten minste om de zes maanden een verslag voor aan de afwikkelingsautoriteit over de gemaakte vorderingen bij de uitvoering van het plan.

§ 5.Het wettelijk bestuursorgaan van de kredietinstelling of de overeenkomstig artikel 281, § 2 aangestelde persoon of personen herzien het plan indien dat naar het inzicht van de afwikkelingsautoriteit, met de instemming van de bevoegde autoriteit, nodig is om de in artikel 267/11, § 3 bedoelde doelstelling te verwezenlijken, en leggen elke wijziging van dit plan ter goedkeuring voor aan de afwikkelingsautoriteit.

Art. 267/13

§ 1.Wanneer de afwikkelingsautoriteit de hoofdsom of het uitstaande verschuldigde bedrag van een verplichting met gebruikmaking van de in artikel 267, § 2, 4° /1 bedoelde bevoegdheid tot nul verlaagt, worden die verplichting en eventuele verplichtingen of vorderingen die daaruit voortvloeien en die niet vorderbaar waren op het moment waarop de maatregel ten uitvoer werd gelegd, als tenietgegaan beschouwd in hoofdsom en in rente en kunnen zij niet worden ingebracht in het kader van eventuele latere procedures met betrekking tot de kredietinstelling in afwikkeling of een eventuele opvolgende entiteit bij een latere liquidatie.

§ 2.Indien de afwikkelingsautoriteit de hoofdsom of het uitstaande verschuldigde bedrag van een verplichting met gebruikmaking van de in artikel 276, § 2, 4° /1 bedoelde bevoegdheid gedeeltelijk verlaagt:

1°wordt de verplichting als tenietgedaan beschouwd ten belope van het verminderde bedrag;

2°blijft het instrument of de overeenkomst waarop de oorspronkelijke verplichting is gebaseerd, van toepassing op het resterende bedrag van de hoofdsom of het uitstaande verschuldigde bedrag van de verplichting, behoudens een eventuele wijziging van het verschuldigde rentebedrag om rekening te houden met de verlaging van het bedrag van de hoofdsom, en een eventuele verdere wijziging van de voorwaarden die de afwikkelingsautoriteit zou kunnen aanbrengen met toepassing van artikel 276, § 2, 4° /4.

Art. 267/14

De omzetting van bail-inbare schulden of van aanvullend-tier 1- of -tier 2-instrumenten van een kredietinstelling in aandelen of andere eigendomsinstrumenten heeft van rechtswege uitwerking overeenkomstig artikel 295/1, niettegenstaande enige wettelijke of contractuele bepaling of enig andersluidend beding in haar statuten of in haar oprichtingsakte, met inbegrip van enig voorkeurrecht voor aandeelhouders of enig beding dat inhoudt dat aandeelhouders toestemming moeten verlenen voor een kapitaalverhoging.

Art. 267/15

§ 1.Kredietinstellingen en entiteiten bedoeld in artikel 424, 2° tot en met 4° nemen in de overeenkomsten waarbij bail-inbare schulden worden aangegaan, een bepaling op waarbij de schuldeiser erkent dat de schuld onderworpen is aan de afschrijvings- of omzettingsbevoegdheden en er in toestemt gebonden te zijn door elke door de afwikkelingsautoriteit krachtens haar bevoegdheden uitgeoefende maatregel tot omzetting of tot verlaging van de hoofdsom of van het uitstaande verschuldigde bedrag, mits die schulden:

-niet uitgesloten zijn op grond van artikel 242, 10°;

-onderworpen zijn aan de wetgeving van een derde land;

-geen deposito vormen als vermeld in artikel 389, § 2; en

-zijn aangegaan vanaf 1 januari 2016.

De afwikkelingsautoriteit kan verlangen dat de betrokken kredietinstelling of entiteit bedoeld in artikel 424, 2° tot en met 4° haar een juridisch advies verstrekt over de afdwingbaarheid en de doeltreffendheid van een dergelijke clausule.

De afwikkelingsautoriteit kan besluiten dat de verplichting bedoeld in het eerste lid niet van toepassing is op kredietinstellingen of entiteiten waarvoor het vereiste op grond van artikel 267/3 gelijk is aan het verliesabsorptiebedrag als gedefinieerd in artikel 267/5/1, § 2, 1°, mits schulden die voldoen aan de in het eerste lid bedoelde voorwaarden, en ten aanzien waarvan het in dat lid bedoelde contractuele beding niet is opgenomen, niet nodig zijn om aan dit vereiste te voldoen.

Het eerste lid is niet van toepassing indien de afwikkelingsautoriteit van oordeel is dat de verplichtingen of instrumenten onderworpen kunnen zijn aan haar afschrijvings- of omzettingsbevoegdheden krachtens de wetgeving van een derde land of een met dat derde land gesloten bindende overeenkomst.

Het ontbreken van de in het eerste lid bedoelde bepaling in de overeenkomst belet niet dat de afwikkelingsautoriteit haar prerogatieven uitoefent.

§ 2.Indien een kredietinstelling of entiteit als bedoeld in artikel 424, 2° tot en met 4°, tot de vaststelling komt dat het onuitvoerbaar is om een overeenkomstig paragraaf 1 vereist beding op te nemen in de contractuele bepalingen, stelt die kredietinstelling of entiteit de afwikkelingsautoriteit daarvan in kennis, samen met de vermelding van de categorie schulden en de rechtvaardiging van die vaststelling. De kredietinstelling of entiteit verstrekt de afwikkelingsautoriteit alle informatie waarom de afwikkelingsautoriteit binnen een redelijke termijn na ontvangst van de kennisgeving verzoekt, zodat de afwikkelingsautoriteit kan beoordelen welke gevolgen die vastgestelde onuitvoerbaarheid heeft op de afwikkelbaarheid van die kredietinstelling of entiteit.

In geval van een kennisgeving op grond van het voorgaande lid, wordt de verplichting om een overeenkomstig paragraaf 1 vereist beding in de contractuele bepalingen op te nemen, automatisch opgeschort zodra de afwikkelingsautoriteit de kennisgeving heeft ontvangen.

Indien de afwikkelingsautoriteit besluit dat het niet onuitvoerbaar is om een overeenkomstig paragraaf 1 vereist beding op te nemen in de voor een betrokken verplichting geldende contractuele bepalingen, mag zij eisen, rekening houdend met de plicht om de afwikkelbaarheid van de kredietinstelling of entiteit te waarborgen, dat een dergelijk contractueel beding binnen een redelijke termijn na de in het eerste lid bedoelde kennisgeving wordt opgenomen. De afwikkelingsautoriteit mag eisen dat de kredietinstelling of entiteit haar praktijken inzake de toepassing van de vrijstelling van de contractuele erkenning van het instrument van interne versterking wijzigt.

De schulden bedoeld in het eerste lid omvatten geen aanvullend-tier 1-instrumenten, tier 2- instrumenten en schuldinstrumenten als bedoeld in artikel 242, 21°, indien die instrumenten ongedekte schulden zijn. Bovendien zijn de in het eerste lid bedoelde schulden van een hogere rang dan de schulden bedoeld in artikel 389/1, 2°.

De schulden waarvoor de kredietinstelling of entiteit nalaat het overeenkomstig paragraaf 1 vereiste beding in de contractuele bepalingen op te nemen of waarvoor dat vereiste overeenkomstig de huidige paragraaf niet geldt, worden niet meegerekend voor het minimumvereiste voor eigen vermogen en in aanmerking komende schulden.

§ 3.De afwikkelingsautoriteit vermeldt, indien zij dat noodzakelijk acht, de categorieën schulden ten aanzien waarvan een kredietinstelling of entiteit tot de vaststelling kan komen dat het onuitvoerbaar is om het in paragraaf 1 bedoelde contractueel beding op te nemen op basis van de krachtens artikel 55, lid 6 van Richtlijn 2014/59/EU nader bepaalde voorwaarden.