§ 1.De afwikkelingsautoriteit stelt het in artikel 267/3 bedoelde vereiste vast, na raadpleging van de toezichthouder, op basis van de volgende criteria:
1°de noodzaak om ervoor te zorgen dat de af te wikkelen groep door toepassing van de afwikkelingsinstrumenten op de af te wikkelen entiteit, indien passend met inbegrip van het instrument van interne versterking, kan worden afgewikkeld op een wijze die in overeenstemming is met de afwikkelingsdoelstellingen;
2°de noodzaak om er, waar passend, voor te zorgen dat de af te wikkelen entiteit en haar dochterondernemingen die kredietinstellingen of entiteiten als bedoeld in artikel 424, 2° tot en met 4°, maar geen af te wikkelen entiteiten zijn, over voldoende eigen vermogen en in aanmerking komende schulden beschikken om te waarborgen dat, indien het instrument van interne versterking of de afschrijvings- en omzettingsbevoegdheden op hen zou worden toegepast, de verliezen zouden kunnen worden geabsorbeerd en dat het mogelijk is de totale kapitaalratio en, in voorkomend geval, de hefboomratio van de betrokken entiteiten weer op het niveau te brengen dat nodig is om hen in staat te stellen aan de vergunningsvoorwaarden te blijven voldoen en de activiteiten waarvoor hen overeenkomstig deze wet of de wet van 2 augustus 2002 een vergunning is verleend, verder uit te oefenen;
3°de noodzaak om ervoor te zorgen dat, indien er in het afwikkelingsplan rekening wordt gehouden met de mogelijkheid dat bepaalde categorieën in aanmerking komende schulden van het instrument van interne versterking worden uitgesloten op grond van de artikelen 242, 10° en 267/2, § 2, of volledig aan een ontvanger worden overgedragen bij een gedeeltelijke overdracht, de af te wikkelen entiteit voldoende eigen vermogen en andere in aanmerking komende schulden heeft om de verliezen te absorberen en de totale kapitaalratio en, in voorkomend geval, de hefboomratio weer op het niveau te brengen dat nodig is om aan de vergunningsvoorwaarden te blijven voldoen en de activiteiten waarvoor haar overeenkomstig deze wet of de wet van 2 augustus 2002 een vergunning is verleend, verder uit te oefenen;
4°de grootte, het bedrijfsmodel, het financieringsmodel en het risicoprofiel van de af te wikkelen entiteit;
5°de mate waarin het falen van de af te wikkelen entiteit nadelige gevolgen voor de financiële stabiliteit zou hebben, onder meer via besmetting van andere kredietinstellingen of entiteiten bedoeld in artikel 424, 2° tot en met 4° wegens de verwevenheid van de af te wikkelen entiteit met die andere kredietinstellingen of entiteiten of met de rest van het financiële stelsel.
§ 2.Indien het afwikkelingsplan in één van de scenario's bedoeld in artikel 227, § 1, tweede lid of 440, § 2 bepaalt dat een afwikkelingsmaatregel moet worden genomen of dat de in artikel 250 of 457 bedoelde bevoegdheid om relevante kapitaalinstrumenten en in aanmerking komende schulden af te schrijven of om te zetten moet worden uitgeoefend, is het in artikel 267/3 bedoelde vereiste gelijk aan een bedrag dat volstaat om te verzekeren dat:
1°de verliezen die de af te wikkelen entiteit naar verwachting zal lijden, volledig worden geabsorbeerd ("verliesabsorptie");
2°de af te wikkelen entiteit en haar dochterondernemingen die kredietinstellingen of entiteiten, als bedoeld in artikel 424, 2°, tot en met 4°, maar geen af te wikkelen entiteiten zijn, worden geherkapitaliseerd tot een niveau dat nodig is om hen in staat te stellen aan de vergunningsvoorwaarden te blijven voldoen en de activiteiten waarvoor hen overeenkomstig deze wet, de wet van 2 augustus 2002 of een gelijkwaardige wetgevingshandeling een vergunning is verleend verder uit te oefenen voor een toereikende periode van maximaal één jaar ("herkapitalisatie").
....
§ 2/1.De afwikkelingsautoriteit stelt het in artikel 267/3 bedoelde vereiste niet vast voor liquidatie-entiteiten.
In afwijking van het eerste lid beoordeelt de afwikkelingsautoriteit of het gerechtvaardigd is om het in artikel 267/3 bedoelde vereiste voor een liquidatie-entiteit op individuele basis vast te stellen op een bedrag dat groter is dan het bedrag dat nodig is om de verliezen te absorberen in overeenstemming met paragraaf 2. De afwikkelingsautoriteit houdt bij haar beoordeling met name rekening met eventuele gevolgen van het in gebreke blijven van de liquidatie-entiteit voor de financiële stabiliteit en voor het risico van besmetting van het financiële stelsel, onder meer met betrekking tot de beschikbare financiële middelen van het Garantiefonds. Indien de afwikkelingsautoriteit het in artikel 267/3 bedoelde vereiste vaststelt, voldoet de liquidatie-entiteit aan dat vereiste met een of meer van de volgende elementen:
1°eigen vermogen;
2°schulden die voldoen aan de criteria om in aanmerking te komen zoals bedoeld in artikel 72bis van Verordening nr. 575/2013, met uitzondering van artikel 72ter, lid 2, punten b) en d), van die verordening;
3°schulden bedoeld in artikel 267/5, § 2.
Artikel 77, lid 2, en artikel 78bis van Verordening nr. 575/2013 zijn niet van toepassing op liquidatie-entiteiten waarvoor de afwikkelingsautoriteit het in artikel 267/3 bedoelde vereiste niet heeft vastgesteld.
Bezit van eigenvermogensinstrumenten en in aanmerking komende schuldinstrumenten uitgegeven door dochterinstellingen die liquidatie-entiteiten zijn waarvoor de afwikkelingsautoriteit het in artikel 267/3 bedoelde vereiste niet heeft vastgesteld, wordt niet afgetrokken uit hoofde van artikel 72sexies, lid 5, van Verordening nr. 575/2013.
In afwijking van het vierde lid trekt een kredietinstelling of een entiteit zoals bedoeld in artikel 424, 2° tot en met 4° die zelf geen af te wikkelen entiteit is, maar een dochteronderneming is van een af te wikkelen entiteit of van een entiteit uit een derde land die een af te wikkelen entiteit zou zijn indien zij in de Unie zou zijn gevestigd, haar bezit van eigenvermogensinstrumenten in dochterinstellingen die tot dezelfde af te wikkelen groep behoren en die liquidatie-entiteiten zijn waarvoor de afwikkelingsautoriteit het in artikel 267/3 bedoelde vereiste niet heeft vastgesteld, af indien het totaalbedrag van dat bezit gelijk is aan of groter is dan 7 % van het totale bedrag van haar eigen vermogen en schulden die voldoen aan de in artikel 267/5/4, § 2 bedoelde criteria om in aanmerking te komen, jaarlijks berekend op 31 december als een gemiddelde over de voorgaande twaalf maanden.
§ 3.Voor af te wikkelen entiteiten is het in paragraaf 2... bedoelde bedrag het volgende:
1°voor de berekening van het vereiste uitgedrukt als percentage van het totaal van de risicoposten bedoeld in artikel 267/3, tweede lid, 1°, de som van:
-een verliesabsorptiebedrag dat overeenkomt met de in artikel 92, lid 1, punt c), van Verordening nr. 575/2013 en artikel 149, eerste lid bedoelde vereisten van de af te wikkelen entiteit op het geconsolideerde niveau van de af te wikkelen groep; en
-een herkapitalisatiebedrag dat de uit de afwikkeling voortvloeiende af te wikkelen groep in staat stelt na de toepassing van de voorkeursafwikkelingsstrategie de naleving te herstellen van haar in artikel 92, lid 1, punt c), van Verordening nr. 575/2013 bedoelde totale kapitaalratio-vereiste en haar in artikel 149, eerste lid bedoelde vereiste op het geconsolideerde niveau van de af te wikkelen groep;
gedeeld door het totaal van de risicoposten; en
2°voor de berekening van het vereiste uitgedrukt als percentage van de totale risicoblootstellingsmaatstaf bedoeld in artikel 267/3, tweede lid, 2°, de som van:
-een verliesabsorptiebedrag dat overeenstemt met het in artikel 92, lid 1, punt d), van Verordening nr. 575/2013 bedoelde hefboomratiovereiste van de af te wikkelen entiteit op het geconsolideerde niveau van de af te wikkelen groep; en
-een herkapitalisatiebedrag dat de uit de afwikkeling voortvloeiende af te wikkelen groep in staat stelt na de toepassing van de voorkeursafwikkelingsstrategie de naleving te herstellen van haar in artikel 92, lid 1, punt d), van Verordening nr. 575/2013 bedoelde hefboomratiovereiste op het geconsolideerde niveau van de af te wikkelen groep;
gedeeld door de totale blootstellingsmaatstaf.
Bij het vaststellen van het in het voorgaande lid, punt 2°, bedoelde vereiste op individuele basis uitgedrukt als percentage van de totale risicoblootstellingsmaatstaf, houdt de afwikkelingsautoriteit rekening met de vereisten bedoeld in artikel 255, § 6, 3° en 4°, in artikel 6/1, § 2, eerste lid of § 3 van de wet van 28 december 2011 op het Afwikkelingsfonds en in artikel 27, lid 7, a) van Verordening nr. 806/2014.
Bij het vaststellen van de in de voorgaande leden bedoelde herkapitalisatiebedragen:
1°maakt de afwikkelingsautoriteit gebruik van de meest recentelijk gerapporteerde waarden voor het betrokken totaal van de risicoposten of de totale blootstellingsmaatstaf, aangepast om rekening te houden met eventuele wijzigingen die voortvloeien uit in het afwikkelingsplan vastgestelde afwikkelingsmaatregelen; en
2°stelt de afwikkelingsautoriteit, na raadpleging van de toezichthouder, het bedrag dat overeenkomt met het geldende in artikel 149, eerste lid bedoelde vereiste naar beneden of naar boven bij om het vereiste te bepalen dat na de uitvoering van de voorkeursafwikkelingsstrategie van toepassing is op de af te wikkelen entiteit.
De afwikkelingsautoriteit kan het in het eerste lid, punt 1°, tweede streepje, bedoelde vereiste verhogen met een passend bedrag dat nodig is om te waarborgen dat, na afwikkeling, de entiteit voldoende marktvertrouwen kan behouden voor een toereikende periode van ten hoogste één jaar.
Indien het voorgaande lid van deze paragraaf van toepassing is, is het in dat lid bedoelde bedrag gelijk aan het globaal vereiste van een tier 1-kernkapitaalbuffer dat van toepassing moet zijn na de toepassing van de afwikkelingsinstrumenten, verminderd met het bedrag van de kredietinstellingsspecifieke contracyclische tier 1-kernkapitaalbuffer bedoeld in artikel 16 van Bijlage IV.
Na raadpleging van de toezichthouder past de afwikkelingsautoriteit het in het vierde lid bedoelde bedrag als volgt aan:
-zij stelt het bedrag naar beneden bij wanneer zij vaststelt dat een lager bedrag volstaat om, na uitvoering van de afwikkelingsstrategie, op geloofwaardige wijze voor een periode van ten hoogste één jaar het marktvertrouwen te behouden en ervoor te zorgen dat de kredietinstelling of entiteit bedoeld in artikel 424, 2° tot en met 4°, zowel kritieke functies blijft vervullen als toegang heeft tot financiering zonder dat een beroep wordt gedaan op andere uitzonderlijke overheidssteun dan bijdragen uit hoofde van afwikkelingsfinancieringsregelingen, overeenkomstig artikel 6/1, § 1, derde en vierde lid, § 2, eerste lid en § 3 van de wet van 28 december 2011 op het Afwikkelingsfonds of artikel 27, leden 6 tot en met 10 van Verordening nr. 806/2014; of
-zij stelt het bedrag naar boven bij wanneer zij vaststelt dat een hoger bedrag noodzakelijk is om op geloofwaardige wijze voor een periode van ten hoogste één jaar het marktvertrouwen te behouden en ervoor te zorgen dat de kredietinstelling of entiteit bedoeld in artikel 424, 2° tot en met 4°, zowel kritieke economische functies blijft vervullen als toegang heeft tot financiering zonder dat een beroep wordt gedaan op andere uitzonderlijke overheidssteun dan bijdragen uit hoofde van afwikkelingsfinancieringsregelingen, overeenkomstig artikel 6/1, § 1, derde en vierde lid, § 2, eerste lid en § 3 van de wet van 28 december 2011 op het Afwikkelingsfonds of artikel 27, leden 6 tot en met 10 van Verordening nr. 806/2014.
§ 4.Voor af te wikkelen entiteiten die niet onder artikel 92bis van Verordening nr. 575/2013 vallen en die deel uitmaken van een af te wikkelen groep waarvan de totale activa meer dan 100 miljard euro bedragen, is het niveau van het in paragraaf 3 bedoelde vereiste ten minste gelijk aan:
1°13,5 % indien berekend volgens artikel 267/3, tweede lid, 1°; en
2°5 % indien berekend volgens artikel 267/3, tweede lid, 2°.
In afwijking van artikel 267/5 voldoen de in het eerste lid bedoelde af te wikkelen entiteiten aan het in dat lid bedoelde vereiste, met gebruik van eigen vermogen, achtergestelde in aanmerking komende instrumenten, of van in artikel 267/5, § 3, bedoelde schulden.
§ 5.De afwikkelingsautoriteit kan, na raadpleging van de toezichthouder, besluiten het in paragraaf 4 vastgestelde vereiste toe te passen op een af te wikkelen entiteit die niet onder artikel 92bis van Verordening nr. 575/2013 valt en die deel uitmaakt van een af te wikkelen groep waarvan de totale activa minder dan 100 miljard euro bedragen wanneer zij oordeelt dat diens in gebreke blijven redelijk waarschijnlijk een systeemrisico oplevert.
Bij het nemen van een in het voorgaande lid bedoeld besluit houdt de afwikkelingsautoriteit rekening met:
1°het overwicht van deposito's, en het ontbreken van schuldinstrumenten, in het financieringsmodel;
2°de mate waarin de toegang tot de kapitaalmarkten voor in aanmerking komende schulden beperkt is;
3°de mate waarin de af te wikkelen entiteit een beroep moet doen op tier 1-kernkapitaal voor het voldoen aan het in artikel 267/5/3 bedoelde vereiste.
Het ontbreken van een besluit op grond van het eerste lid laat een besluit uit hoofde van artikel 267/5, § 5, onverlet.
§ 6.Voor entiteiten die zelf geen af te wikkelen entiteiten zijn, is het in paragraaf 2... bedoelde bedrag het volgende:
1°voor de berekening van het vereiste uitgedrukt als percentage van het totaal van de risicoposten bedoeld inartikel 267/3, tweede lid, 1°, de som van:
-een verliesabsorptiebedrag dat overeenstemt met de in artikel 92, lid 1, punt c) van Verordening nr. 575/2013 en artikel 149, eerste lid bedoelde vereisten van de entiteit; en
-een herkapitalisatiebedrag dat de entiteit in staat stelt na de uitoefening van de bevoegdheid tot afschrijving of omzetting van relevante kapitaalinstrumenten en in aanmerking komende schulden overeenkomstig de artikelen 250 of 457 of na de afwikkeling van de af te wikkelen groep, de naleving te herstellen van haar in artikel 92, lid 1, punt c), van Verordening nr. 575/2013 bedoelde vereiste inzake totale kapitaalratio en haar in artikel 149, eerste lid bedoelde vereiste;
gedeeld door het totaal van de risicoposten; en
2°voor de berekening van het vereiste uitgedrukt als percentage van de totale risicoblootstellingsmaatstaf bedoeld in artikel 267/3, tweede lid, 2°, de som van:
-een verliesabsorptiebedrag dat overeenstemt met het in artikel 92, lid 1, punt d), van Verordening nr. 575/2013 bedoelde hefboomratiovereiste van de entiteit; en
-een herkapitalisatiebedrag dat de entiteit in staat stelt na de uitoefening van de bevoegdheid tot afschrijving of omzetting van relevante kapitaalinstrumenten en in aanmerking komende schulden overeenkomstig de artikelen 250 of 457 of na de afwikkeling van de af te wikkelen groep, de naleving te herstellen van haar in artikel 92, lid 1, punt d), van Verordening nr. 575/2013 bedoelde hefboomratiovereiste;
gedeeld door de totale blootstellingsmaatstaf.
Bij het vaststellen van het in het voorgaande lid, punt 2°, bedoelde vereiste op individuele basis uitgedrukt als percentage van de totale risicoblootstellingsmaatstaf, houdt de afwikkelingsautoriteit rekening met de vereisten bedoeld in artikel 255, § 6, 3° en 4°, in artikel 6/1, § 2, eerste lid of § 3 van de wet van 28 december 2011 op het Afwikkelingsfonds en in artikel 27, lid 7, a) van Verordening nr. 806/2014.
Bij het vaststellen van de in de voorgaande leden bedoelde herkapitalisatiebedragen:
1°maakt de afwikkelingsautoriteit gebruik van de meest recentelijk gerapporteerde waarden voor het betrokken totaal van de risicoposten of de totale blootstellingsmaatstaf, aangepast om rekening te houden met eventuele veranderingen die voortvloeien uit in het afwikkelingsplan vastgestelde maatregelen; en
2°stelt de afwikkelingsautoriteit na raadpleging van de toezichthouder, het bedrag dat overeenkomt met het huidige in artikel 149, eerste lid bedoelde vereiste naar beneden of naar boven bij om het vereiste te bepalen dat van toepassing is op de betrokken entiteit na uitoefening van de bevoegdheid om relevante kapitaalinstrumenten en in aanmerking komende schulden af te schrijven of om te zetten overeenkomstig de artikelen 250 of 457 of na de afwikkeling van de af te wikkelen groep.
De afwikkelingsautoriteit kan het in het eerste lid, punt 1°, tweede streepje van deze paragraaf bedoelde vereiste verhogen met een passend bedrag dat nodig is om te waarborgen dat de entiteit, na de uitoefening van de bevoegdheid tot afschrijving of omzetting van relevante kapitaalinstrumenten en in aanmerking komende schulden overeenkomstig de artikelen 250 of 457, voldoende marktvertrouwen kan behouden voor een toereikende periode van ten hoogste één jaar.
Wanneer de afwikkelingsautoriteit het in het eerste lid, punt 1°, tweede streepje van deze paragraaf bedoelde vereiste verhoogt in overeenstemming met het voorgaande lid van deze paragraaf, is het in dat lid bedoelde bedrag gelijk aan het globaal vereiste van een tier 1-kernkapitaalbuffer dat van toepassing moet zijn na de uitoefening van de in de artikelen 250 of 457 bedoelde bevoegdheid of na de afwikkeling van de af te wikkelen groep, verminderd met het bedrag van de kredietinstellingsspecifieke contracyclische tier 1-kernkapitaalbuffer bedoeld in artikel 16 van Bijlage IV.
Na raadpleging van de toezichthouder past de afwikkelingsautoriteit het in het vierde lid bedoelde bedrag als volgt aan:
-zij stelt het bedrag naar beneden bij wanneer zij vaststelt dat een lager bedrag volstaat om, na het uitoefenen van de in de artikelen 250 of 457 bedoelde bevoegdheid of na de afwikkeling van de af te wikkelen groep, op geloofwaardige wijze voor een periode van ten hoogste één jaar het marktvertrouwen te behouden en ervoor te zorgen dat de kredietinstelling of entiteit bedoeld in artikel 424, 2° tot en met 4°, zowel kritieke functies blijft vervullen als toegang heeft tot financiering zonder dat een beroep wordt gedaan op andere uitzonderlijke overheidssteun dan bijdragen uit hoofde van afwikkelingsfinancieringsregelingen, overeenkomstig artikel 6/1, § 1, derde en vierde lid, § 2, eerste lid en § 3 van de wet van 28 december 2011 op het Afwikkelingsfonds of artikel 27, leden 6 tot en met 10 van Verordening nr. 806/2014; of
-zij stelt het bedrag naar boven bij wanneer zij vaststelt dat een hoger bedrag noodzakelijk is om op geloofwaardige wijze voor een periode van ten hoogste één jaar het marktvertrouwen te behouden en ervoor te zorgen dat de kredietinstelling of entiteit bedoeld in artikel 424, 2° tot en met 4°, zowel kritieke economische functies blijft vervullen als toegang heeft tot financiering zonder dat een beroep wordt gedaan op andere uitzonderlijke overheidssteun dan bijdragen uit hoofde van afwikkelingsfinancieringsregelingen, overeenkomstig artikel 6/1, § 1, derde en vierde lid, § 2, eerste lid en § 3 van de wet van 28 december 2011 op het Afwikkelingsfonds of artikel 27, leden 6 tot 10 van Verordening nr. 806/2014.
§ 7.Indien de afwikkelingsautoriteit verwacht dat bepaalde categorieën van in aanmerking komende schulden met een redelijke waarschijnlijkheid geheel of gedeeltelijk van het instrument van interne versterking zullen worden uitgesloten op grond van artikel 267/2, § 2, of mogelijk volledig aan een ontvanger worden overgedragen bij een gedeeltelijke overdracht, wordt aan het in artikel 267/3 bedoelde vereiste voldaan met gebruik van eigen vermogen of andere in aanmerking komende schulden die volstaan om:
1°het bedrag van die in aanmerking komende schulden te dekken;
2°te verzekeren dat aan de in paragraaf 2 bedoelde voorwaarden is voldaan.
§ 8.Een besluit van de afwikkelingsautoriteit om op grond van dit artikel een minimumvereiste voor eigen vermogen en in aanmerking komende schulden op te leggen, wordt zonder onnodige vertraging geëvalueerd door de afwikkelingsautoriteit om rekening te houden met eventuele veranderingen in het niveau van het vereiste als bedoeld in artikel 149, eerste lid.
§ 9.Voor de toepassing van de paragrafen 3 en 6 van dit artikel worden de kapitaalvereisten geïnterpreteerd in overeenstemming met de toepassing door de toezichthouder van de overgangsbepalingen die zijn neergelegd in deel tien, titel I, hoofdstukken 1, 2 en 4 van Verordening nr. 575/2013 en in de reglementen van de toezichthouder waarbij de door die verordening verleende opties worden uitgeoefend.