Alle wetboeken › Bankwet

BOEK XI - HERSTEL EN AFWIKKELING VAN GROEPEN › TITEL V - Afwikkeling van groepen

HOOFDSTUK II - Doelstellingen, voorwaarden en algemene beginselen van de afwikkeling

454–456

Art. 454

§ 1.De afwikkelingsautoriteit kan een afwikkelingsinstrument of -bevoegdheid toepassen op een in artikel 424, 4° bedoelde financiële instelling naar Belgisch recht indien aan de in artikel 244, § 1 bedoelde voorwaarden is voldaan, zowel in hoofde van de financiële instelling als in hoofde van de moederonderneming ervan waarop toezicht op geconsolideerde basis wordt uitgeoefend.

§ 2.De afwikkelingsautoriteit kan een afwikkelingsinstrument of -bevoegdheid toepassen op een in artikel 424, 2° of 3° bedoelde entiteit naar Belgisch recht indien die entiteit aan de in artikel 244, § 1 bedoelde voorwaarden voldoet.

Indien de dochterkredietinstellingen van een gemengde holding evenwel direct of indirect in handen zijn van een financiële tussenholding naar Belgisch recht, mag de gemengde holding niet als af te wikkelen entiteit aangemerkt worden. In dat geval oefent de afwikkelingsautoriteit de afwikkelingsinstrumenten en -bevoegdheden uitsluitend uit op het niveau van de financiële tussenholding of van de dochterkredietinstellingen zelf.

§ 3.Zelfs indien een in artikel 424, 2° of 3° bedoelde entiteit naar Belgisch recht niet voldoet aan de in artikel 244, § 1 bedoelde voorwaarden, kan de afwikkelingsautoriteit een afwikkelingsinstrument of -bevoegdheid toepassen op deze entiteit indien aan alle volgende voorwaarden is voldaan:

1°de entiteit is een af te wikkelen entiteit;

2°één of meer dochterondernemingen die kredietinstellingen zijn maar geen af te wikkelen entiteiten, voldoen aan de voorwaarden bedoeld in artikel 244, § 1;

3°de onder 2°, bedoelde dochterondernemingen verkeren in een dusdanige vermogenssituatie dat het in gebreke blijven een bedreiging vormt voor de af te wikkelen groep als geheel en het is noodzakelijk om op de entiteit afwikkelingsinstrumenten toe te passen voor hetzij de afwikkeling van de af te wikkelen groep als geheel dan wel voor de afwikkeling van de dochterondernemingen die kredietinstellingen zijn.

§ 4.Voor de toepassing van de paragrafen 2 en 3 kan de afwikkelingsautoriteit beslissen om een eventuele overdracht van kapitaal of verliezen tussen de entiteiten binnen een Belgische groep die niet grensoverschrijdend is, met inbegrip van de uitoefening van afschrijvings- of omzettingsbevoegdheden, te negeren wanneer zij beoordeelt of aan de in artikel 244, § 1 bedoelde voorwaarden is voldaan met betrekking tot één of meer dochterondernemingen die kredietinstellingen zijn.

Art. 455

Bij het nemen van besluiten of het toepassen van maatregelen op grond van deze Titel, die in een of meer lidstaten effect kunnen hebben, neemt de afwikkelingsautoriteit, in voorkomend geval in haar hoedanigheid van afwikkelingsautoriteit op groepsniveau en in voorkomend geval samen met de andere bevoegde autoriteiten, bijkomend de volgende algemene beginselen in acht:

1°de besluitvorming is doeltreffend en de afwikkelingskosten worden zo laag mogelijk gehouden bij het nemen van afwikkelingsmaatregelen;

2°besluiten en maatregelen moeten tijdig en met gepaste spoed worden genomen en toegepast indien zulks is vereist;

3°de afwikkelingsautoriteit en de bevoegde autoriteiten werken samen om ervoor te zorgen dat besluiten en maatregelen gecoördineerd en efficiënt worden genomen;

4°de belangen van België worden zorgvuldig meegewogen en in het bijzonder het effect van een besluit of maatregel, of het uitblijven daarvan, op de financiële stabiliteit, de begrotingsmiddelen, het afwikkelingsfonds, het depositogarantiestelsel of het beleggerscompensatiestelsel van België;

5°de belangen van elke individuele lidstaat waar een dochteronderneming is gevestigd, worden zorgvuldig meegewogen en in het bijzonder het effect van een besluit of maatregel, of het uitblijven daarvan, op de financiële stabiliteit, de begrotingsmiddelen, het afwikkelingsfonds, het depositogarantiestelsel of het beleggerscompensatiestelsel van die lidstaat;

6°de belangen van elke lidstaat waar zich significante bijkantoren bevinden, worden zorgvuldig meegewogen en in het bijzonder het effect van een besluit of maatregel, of het uitblijven daarvan, op de financiële stabiliteit van die lidstaat;

7°de doelstelling die erin bestaat de belangen van de verschillende betrokken lidstaten af te wegen en te voorkomen dat de belangen van een specifieke lidstaat worden geschaad of onbillijk worden beschermd, en dat de lasten oneerlijk worden verdeeld tussen de lidstaten, wordt naar behoren in acht genomen;

8°wanneer uit hoofde van deze Titel een autoriteit moet worden geraadpleegd alvorens een besluit of maatregel te nemen, heeft de raadpleging ten minste betrekking op die elementen van het voorgestelde besluit of de voorgestelde maatregel die waarschijnlijk een effect hebben op:

i)de EER-moederonderneming, de dochteronderneming of het bijkantoor; en

ii) de stabiliteit van de lidstaat waar de EER-moederonderneming, de dochteronderneming of het bijkantoor gevestigd is;

9°de afwikkelingsautoriteit houdt bij het nemen van afwikkelingsmaatregelen rekening met, en geeft gevolg aan de in artikel 226 of artikel 439 bedoelde afwikkelingsplannen, tenzij de afwikkelingsautoriteit, rekening houdend met de omstandigheden van de zaak, van oordeel is dat de afwikkelingsdoelstellingen op doeltreffender wijze kunnen worden verwezenlijkt door maatregelen waarin de afwikkelingsplannen niet voorzien;

10°het transparantievereiste, indien een voorgesteld besluit of een voorgestelde maatregel waarschijnlijk gevolgen heeft voor de financiële stabiliteit, de begrotingsmiddelen, het afwikkelingsfonds, het depositogarantiestelsel of het beleggerscompensatiestelsel van elke betrokken lidstaat; en

11°coördinatie en samenwerking tot een resultaat leiden waarbij de totale afwikkelingskosten lager uitvallen.

Art. 456

Bij de afwikkeling van een groepsentiteit levert de afwikkelingsautoriteit redelijke inspanningen om de afwikkelingsinstrumenten op zodanige wijze toe te passen en de afwikkelingsbevoegdheden op zodanige wijze uit te oefenen dat het effect ervan op andere groepsentiteiten en op de groep als geheel zo beperkt mogelijk blijft, en dat de nadelige gevolgen ervan voor de financiële stabiliteit van de Europese Economische Ruimte en haar lidstaten, en met name in de landen waar de groep actief is, eveneens zo beperkt mogelijk blijven.