Alle wetboeken › Bankwet

BOEK IV - DWANGSOMMEN EN ANDERE DWANGMAATREGELEN

345–346/1

Art. 345

Onverminderd de andere bij deze wet voorgeschreven maatregelen, kan de toezichthouder of de afwikkelingsautoriteit, naargelang het geval, bekendmaken dat een kredietinstelling, financiële holding, gemengde financiële holding of gemengde holding naar Belgisch of buitenlands recht, geen gevolg heeft gegeven aan haar aanmaningen om zich binnen de termijn die zij bepaalt te conformeren aan:

1°de bepalingen van deze wet of haar uitvoeringsbesluiten en -reglementen;

2°de bepalingen van Verordening nr. 575/2013, Verordening nr. 600/2014, Verordening 2017/565, titel II van Verordening nr. 648/2012 of Verordening 2022/2554;

3°de artikelen 5 tot 9 en 18 tot 27 van Verordening 2017/2402 of de artikelen 4 en 15 van Verordening 2015/2365;

4°de bepalingen van de gedelegeerde handelingen die zijn vastgesteld overeenkomstig de in de punten 2° of 3° bedoelde bepalingen of overeenkomstig de Europese richtlijnen die bij deze wet worden omgezet; of

5°de bepalingen van de uitvoeringsbesluiten die zijn vastgesteld overeenkomstig de in de punten 2° of 3° bedoelde bepalingen, overeenkomstig de Europese richtlijnen die bij deze wet worden omgezet of overeenkomstig de in punt 4° bedoelde gedelegeerde handelingen.

In dat geval stelt de toezichthouder of de afwikkelingsautoriteit, naargelang het geval, de Europese Autoriteit voor Effecten en Markten tezelfdertijd in kennis van deze openbaarmaking, indien het een kredietinstelling betreft die één of meer beleggingsdiensten en/of beleggingsactiviteiten in de zin van Richtlijn 2014/65/EU verricht.

Art. 346

§ 1.Onverminderd de andere bij deze wet voorgeschreven maatregelen, kan de toezichthouder voor een kredietinstelling, financiële holding, gemengde financiële holding of gemengde holding naar Belgisch of buitenlands recht, een termijn bepalen:

1°waarbinnen zij zich moet conformeren aan welbepaalde voorschriften van:

a)deze wet of haar uitvoeringsbesluiten en -reglementen;

b)Verordening nr. 575/2013, Verordening nr. 600/2014, Verordening 2017/565, titel II van Verordening nr. 648/2012 of Verordening 2022/2554;

c)de artikelen 5 tot 9 en 18 tot 27 van Verordening 2017/2402 of de artikelen 4 en 15 van Verordening 2015/2365;

d)de gedelegeerde handelingen die zijn vastgesteld overeenkomstig de in de punten b) of c) bedoelde bepalingen of overeenkomstig de Europese richtlijnen die bij deze wet worden omgezet;

e)de uitvoeringsbesluiten die zijn vastgesteld overeenkomstig de in de punten b) of c) bedoelde bepalingen, overeenkomstig de Europese richtlijnen die bij deze wet worden omgezet of overeenkomstig de in punt d) bedoelde gedelegeerde handelingen;

2°waarbinnen zij de nodige aanpassingen moet aanbrengen in haar regeling voor de bedrijfsorganisatie of haar beleid inzake eigenvermogensbehoeften en het beheer van haar liquiditeit. Deze aanmaning geldt voor de bijkantoren van kredietinstellingen die onder een andere lidstaat ressorteren enkel voor wat betreft de niet-nakoming van een van de in de artikel 315 bedoelde verplichtingen;

3°waarbinnen zij zich moet conformeren aan een vereiste dat door de toezichthouder is opgelegd met toepassing van de in punt 1° bedoelde bepalingen;

4°waarbinnen zij zich moet conformeren aan de vereisten die door de toezichthouder zijn vastgesteld als voorwaarden voor een besluit genomen met toepassing van de in punt 1° bedoelde bepalingen, met name het verlenen van toestemming of van een afwijking.

5°waarbinnen zij zich moeten conformeren aan welbepaalde voorschriften van de wet van 27 maart 2020 tot machtiging van de Koning om een staatswaarborg te verstrekken voor bepaalde kredieten in de strijd tegen de gevolgen van het coronavirus en tot wijziging van de wet van 25 april 2014 op het statuut en toezicht op kredietinstellingen en beursvennootschappen en de maatregelen genomen ter uitvoering ervan of van artikel 27 van de wet van 20 juli 2020 tot verstrekking van een staatswaarborg voor bepaalde kredieten aan kmo's in de strijd tegen de gevolgen van het coronavirus en tot wijziging van de wet van 25 april 2014 op het statuut en toezicht op kredietinstellingen en beursvennootschappen en de maatregelen genomen ter uitvoering ervan.

§ 2.Indien de onderneming in gebreke blijft bij het verstrijken van de termijn, kan de Bank, in voorkomend geval op verzoek van de Europese Centrale Bank, na de onderneming gehoord of tenminste opgeroepen te hebben, haar een dwangsom opleggen van maximum 2 500 000 euro per overtreding en maximum 50 000 euro per dag vertraging.

§ 3.Bij de vaststelling van het bedrag van de dwangsom wordt met name rekening gehouden met

a)de ernst van de vastgestelde tekortkomingen en, in voorkomend geval, de potentiële impact van die tekortkomingen op de stabiliteit van het financiële stelsel;

b)de financiële draagkracht van de betrokken onderneming, zoals die met name blijkt uit haar omzet.

§ 4.De dwangsommen die met toepassing van paragraaf 2 worden opgelegd, worden ingevorderd ten bate van de Schatkist door de Algemene Administratie van de Inning en de Invordering van de Federale Overheidsdienst Financiën.

§ 4/1.Wanneer de in dit artikel bedoelde dwangsommen worden opgelegd wegens niet-naleving van de verplichtingen die door of krachtens deze wet zijn vastgesteld ter omzetting van Richtlijn 2014/65/EU en Richtlijn 2019/2162/EU, maakt de Bank de oplegging van die dwangsommen bekend overeenkomstig, respectievelijk, de artikelen 71 en 24 van die richtlijnen.

Overeenkomstig de voornoemde artikelen 71 en 24 kan de toezichthouder, wanneer tegen beslissingen tot oplegging van dergelijke dwangsommen beroep wordt ingesteld, deze beslissingen bekendmaken rekening houdend met de omstandigheden. In dat geval maakt hij tevens onverwijld de status en het resultaat van het beroep bekend.

In gevallen waarin de toezichthouder dergelijke beslissingen zonder vermelding van namen bekendmaakt, kunnen de geanonimiseerde gegevens openbaar worden gemaakt zodra de redenen die de anonimiteit rechtvaardigen, ophouden te bestaan.

§ 5.Wanneer de Bank maatregelen die zij overeenkomstig paragraaf 2 oplegt, openbaar maakt, stelt zij de Europese Autoriteit voor Effecten en Markten tezelfdertijd in kennis, indien het een kredietinstelling betreft die één of meer beleggingsdiensten en/of beleggingsactiviteiten in de zin van Richtlijn 2014/65/EU verricht.

Art. 346/1

De Bank stelt de Europese Bankautoriteit onverwijld in kennis van de maatregelen die zij overeenkomstig artikel 345 of 346, § 2, toepast evenals van de status van eventueel ingestelde beroepen en het resultaat daarvan.

De Bank stelt de Europese Autoriteit voor Effecten en Markten eveneens in kennis van de maatregelen die zij overeenkomstig artikel 346, § 2 oplegt in geval van een inbreuk op de artikelen 4 en 15 van Verordening nr. 2015/2365, wanneer die maatregelen niet openbaar worden gemaakt.