§ 1.De toetsing en de evaluatie die met toepassing van artikel 142 door de toezichthouder worden verricht, hebben niet alleen tot doel na te gaan of de krediet- en marktrisico's en de operationele risico's als bedoeld in de artikelen 5 tot 7 van Bijlage I worden beheerst, maar hebben met name ook betrekking op de volgende aspecten:
1°de resultaten van de stresstests die overeenkomstig artikel 177 van Verordening nr. 575/2013 zijn uitgevoerd door de kredietinstelling die de interneratingbenadering toepast;
2°de blootstelling aan en de beheersing door de instelling van het concentratierisico, met inbegrip van de naleving van de vereisten die vastgelegd zijn in artikel 3 van Bijlage I, in Deel 4 van Verordening nr. 575/2013 en in de reglementen die door de Bank zijn vastgesteld met toepassing van artikel 98;
3°de degelijkheid, het passende karakter en de wijze van toepassing van de beleidslijnen en procedures die door de instelling worden gevolgd met het oog op de beheersing van het restrisico dat verbonden is aan het gebruik van erkende kredietrisicomatigingstechnieken;
4°de mate waarin het eigen vermogen dat de kredietinstelling aanhoudt met betrekking tot de activa die zij geëffectiseerd heeft, toereikend is in het licht van het economische belang van de transactie, met inbegrip van de mate waarin er sprake is van risico-overdracht.
De toezichthouder gaat na of de betrokken instelling, door stilzwijgende steun te verlenen, een deel behoudt van het risico dat verbonden is aan de actiefbestanddelen die het voorwerp uitmaken van een effectiseringsverrichting. Indien blijkt dat een instelling meer dan eens stilzwijgende steun heeft verleend, kan de toezichthouder de maatregelen nemen die hij nodig acht, rekening houdend met het feit dat de kans in dit geval groter is dat de instelling ook in de toekomst dergelijke steun zal verlenen in het kader van een effectiseringsverrichting;
5°de blootstelling aan en de meting en de beheersing van het liquiditeitsrisico door de instelling, met inbegrip van:
-het opstellen van analyses op grond van andere scenario's dan deze waarin voorzien is door Verordening nr. 575/2013 en door de reglementen die door de Bank zijn vastgesteld met toepassing van artikel 98;
-het beheer van de factoren die het liquiditeitsrisico kunnen matigen (met name de omvang, samenstelling en kwaliteit van de liquiditeitsbuffers);
-de invoering van doeltreffende noodplannen.
De toezichthouder onderwerpt het globale liquiditeitsrisicobeheer van de instelling regelmatig aan een grondige evaluatie en ziet erop toe dat de interne methodes voor de evaluatie van het liquiditeitsrisico solide zijn. De toezichthouder houdt daarbij rekening met de rol die de instelling op de financiële markten speelt en met de impact die zijn beslissingen kunnen hebben op de stabiliteit van het financiële stelsel in de andere betrokken lidstaten;
6°de impact van de diversificatie-effecten van de risico's en/of risicoblootstellingen en de wijze waarop die effecten in het risico-evaluatiesysteem worden verwerkt;
7°de resultaten van de stresstests die zijn uitgevoerd door de instelling die een intern model gebruikt voor de berekening van de eigenvermogensvereisten voor het marktrisico, overeenkomstig Deel 3, Titel IV, Hoofdstuk 5 van Verordening nr. 575/2013, en de reglementen die door de Bank zijn vastgesteld met toepassing van artikel 5, § 5 van Bijlage I;
8°de geografische locatie van de blootstellingen van de instelling;
9°het bedrijfsmodel van de instelling;
10°...
11°het passende en voorzichtige karakter van de evaluatieregels die door de kredietinstelling worden gebruikt. De waardeverminderingen die overeenkomstig artikel 105 van Verordening nr. 575/2013 worden doorgevoerd, moeten de instelling in staat stellen haar posities in normale marktomstandigheden op korte tijd te verkopen of af te dekken zonder dat zij significante verliezen lijdt;
12°de blootstelling van de instelling aan het renterisico dat voortvloeit uit activiteiten buiten de handelsportefeuille.
Onverminderd artikel 149 legt de toezichthouder ten minste in de volgende gevallen maatregelen op om de vastgestelde situatie te verhelpen:
-indien de in artikel 6, § 1 van Bijlage I bedoelde economische waarde van het eigen vermogen met meer dan 15 % van het tier 1-kapitaal van de instelling afneemt ten gevolge van een plotselinge en onverwachte verandering in de rentetarieven als omschreven in een van de zes op de rentetarieven toegepaste crisisscenario's die overeenkomstig de technische normen van de EBA zijn vastgesteld;
-indien een instelling te maken heeft met een grote daling van haar in artikel 6, § 1 van Bijlage I bedoelde nettorentebaten als gevolg van een plotselinge en onverwachte verandering in de rentetarieven als omschreven in een van de twee op de rentetarieven toegepaste crisisscenario's die overeenkomstig de technische normen van de EBA zijn vastgesteld.
Niettegenstaande het tweede lid is de toezichthouder niet verplicht prudentiële of herstelmaatregelen te nemen als hij op basis van de in deze paragraaf bedoelde toetsing en evaluatie van oordeel is dat de instelling het renterisico voortvloeiend uit activiteiten buiten de handelsportefeuille op adequate wijze beheert en dat de instelling niet overmatig is blootgesteld aan dit risico.
Voor de toepassing van dit punt 12° beschikt de toezichthouder ook over de mogelijkheid tot het nader bepalen van hypothesen voor modellering en parameters, behalve die welke zijn vastgelegd door de EBA op grond van artikel 98, lid 5bis, onder b), van Richtlijn 2013/36/EU, die de instellingen in aanmerking moeten nemen bij hun berekening van de economische waarde van het eigen vermogen krachtens artikel 6, paragraaf 1 van Bijlage I;
13°de blootstelling van de instelling aan het risico van hefboomwerking, zoals weergegeven door indicatoren van buitensporige hefboomwerking, in het bijzonder de overeenkomstig artikel 429 van Verordening nr. 575/2013 vastgestelde hefboomratio;
Bij zijn beoordeling van de adequaatheid van de hefboomratio van de instelling en van het passende karakter van de voorschriften, strategieën, procedures en mechanismen die met het oog op de beheersing van het hefboomrisico worden toegepast, houdt de toezichthouder rekening met het bedrijfsmodel van de betrokken instelling;
14°de organisatieregeling van de kredietinstelling als bedoeld in artikel 21 en het vermogen van de leden van het wettelijk bestuursorgaan en van het directiecomité om hun taken te vervullen.
§ 2.De toezichthouder kan de kwantitatieve en kwalitatieve criteria vaststellen waarop hij zich baseert voor de beoordeling van de omvang van de risico's en van het passende karakter van hun behandeling door de kredietinstellingen, in voorkomend geval bij reglement vastgesteld met toepassing van artikel 12bis, § 2 van de wet van 22 februari 1998.