Alle wetboeken › Bankwet

BOEK II - KREDIETINSTELLINGEN NAAR BELGISCH RECHT › TITEL III - Toezicht op de kredietinstellingen

HOOFDSTUK II - Procedure van prudentieel toezicht

141–154

Art. 141

§ 1.Naargelang van de resultaten van de procedure van toetsing en evaluatie van de kredietinstellingen die met toepassing van artikel 142 wordt uitgevoerd, stelt de toezichthouder jaarlijks zijn toezichtsprogramma op. Dit toezichtsprogramma bepaalt:

1°de wijze waarop de toezichthouder voornemens is zijn taken uit te voeren en zijn middelen toe te wijzen;

2°welke kredietinstellingen aan verscherpt toezicht zullen worden onderworpen en welke maatregelen hiervoor zullen worden genomen overeenkomstig paragraaf 3;

3°het programma voor de controles ter plaatse, ook voor de bijkantoren en dochterondernemingen van de instellingen die in een andere lidstaat zijn gevestigd, respectievelijk overeenkomstig artikel 140 en/of 162, 183, § 2 en 214;

§ 2.Het toezichtsprogramma wordt opgesteld voor de kredietinstellingen waarvoor de in artikel 142 bedoelde toetsings- en evaluatieprocedure, of de resultaten van de stresstests bedoeld in de artikelen 143, § 1, 1° en 7°, en 148, duiden op significante risico's voor hun financiële soliditeit of op inbreuken op de bepalingen van deze wet, haar uitvoeringsbesluiten of -reglementen of de rechtstreeks toepasbare Europese verordeningen.

Het toezichtsprogramma geldt ook voor mondiaal systeemrelevante kredietinstellingen (MSI's) of binnenlandse systeemrelevante kredietinstellingen (BSI's) als bedoeld in artikel 12 van Bijlage IV.

De toezichthouder kan te allen tijde in zijn toezichtsprogramma ook alle andere kredietinstellingen opnemen waarvoor hij het noodzakelijk acht de naleving door die instelling van deze wet, haar uitvoeringsbesluiten en -reglementen en de rechtstreeks toepasbare Europese verordeningen, specifiek op te volgen.

§ 3.De maatregelen bedoeld in paragraaf 1, 2° kunnen met name het volgende inhouden

1°het aantal of de frequentie van de inspecties ter plaatse bij een kredietinstelling verhogen;

2°thematische inspecties verrichten voor specifieke risico's;

3°aanvullende of frequentere rapportering eisen;

4°aanvullende of frequentere toetsingen verrichten van de operationele, strategische of ontwikkelingsplannen van een kredietinstelling;

5°zijn permanente aanwezigheid bij een kredietinstelling opleggen.

§ 4.Wanneer de omstandigheden zulks vereisen, past de toezichthouder de inhoud van zijn toezichtsprogramma als bedoeld in paragraaf 1 aan.

Art. 142

Aan de hand van de criteria van artikel 143 gaat de toezichthouder na of de bepalingen van deze wet, van haar uitvoeringsbesluiten en -reglementen en van Verordening nr. 575/2013 zijn nageleefd. Hij evalueert de risico's waaraan de kredietinstelling blootgesteld is of zou kunnen zijn, de risico's die in voorkomend geval aan het licht zijn gekomen tijdens stresstests die met toepassing van artikel 148 zijn uitgevoerd en tijdens tests van digitale operationele weerbaarheid die met toepassing van hoofdstuk IV van Verordening 2022/2554 zijn uitgevoerd, en het passende karakter, in het licht van de genoemde risico's, van het prospectieve beheer van het eigen vermogen en van de liquiditeit, als bedoeld in artikel 94.

De toezichthouder stelt de frequentie en de reikwijdte van die evaluatie vast, rekening houdend met de omvang en de systeemrelevantie van de betrokken instelling, evenals met de aard, de omvang en de complexiteit van haar werkzaamheden. Voor de instellingen die met toepassing van artikel 141 onder zijn toezichtsprogramma vallen, wordt de evaluatie minstens eenmaal per jaar geactualiseerd.

De toezichthouder brengt de Europese Bankautoriteit onverwijld op de hoogte van de resultaten van de in het eerste lid bedoelde evaluatie, indien uit die evaluatie blijkt dat een kredietinstelling een systeemrisico kan opleveren, met toepassing van de criteria bedoeld in artikel 23 van Verordening nr. 1093/2010.

Bij die evaluatie houdt de toezichthouder rekening met het evenredigheidsbeginsel volgens de criteria die overeenkomstig artikel 36/6, § 2, 2°, van de wet van 22 februari 1998 zijn bekendgemaakt.

Art. 142/1

De toezichthouder kan de in artikel 142 bedoelde evaluatieprocedure aanpassen voor kredietinstellingen die een vergelijkbaar risicoprofiel hebben doordat hun bedrijfsmodellen of de geografische locatie van hun risicoblootstellingen vergelijkbaar zijn. Bij deze aanpassing, die kan inhouden dat gebruik wordt gemaakt van risicogeoriënteerde referentie-indicatoren en kwantitatieve indicatoren, dient niettemin rekening te worden gehouden met de specifieke risico's waaraan elke kredietinstelling blootgesteld is of zou kunnen zijn en wordt geen afbreuk gedaan aan het bijzondere karakter van de betrokken instelling wat de krachtens artikel 149 opgelegde maatregelen betreft.

Wanneer de toezichthouder gebruik maakt van de in het eerste lid bepaalde mogelijkheid, stelt hij de EBA daarvan in kennis.

Art. 142/2

Wanneer de toezichthouder op grond van de in artikel 142 bedoelde toetsing en evaluatie, in het bijzonder van de governanceregeling, het bedrijfsmodel en de werkzaamheden, goede redenen heeft om te vermoeden dat er in verband met de kredietinstelling sprake is van witwassen van geld of terrorismefinanciering, van een poging daartoe of van een verhoogd risico daarop, stelt hij de EBA en, wanneer de toezichthouder niet de Bank is, de Bank in haar hoedanigheid van bevoegde autoriteit voor het toezicht op de naleving door de kredietinstelling van de wet van 18 september 2017, onverwijld in kennis daarvan.

In geval van een mogelijk verhoogd risico op witwassen van geld of financiering van terrorisme, stellen de toezichthouder en, in voorkomend geval, de Bank, zich met elkaar in verbinding en stellen zij de EBA onverwijld in kennis van hun gemeenschappelijke beoordeling, onverminderd de toepassing van om het even welke maatregel waarin deze wet of de wet van 18 september 2017 voorziet.

Art. 143

§ 1.De toetsing en de evaluatie die met toepassing van artikel 142 door de toezichthouder worden verricht, hebben niet alleen tot doel na te gaan of de krediet- en marktrisico's en de operationele risico's als bedoeld in de artikelen 5 tot 7 van Bijlage I worden beheerst, maar hebben met name ook betrekking op de volgende aspecten:

1°de resultaten van de stresstests die overeenkomstig artikel 177 van Verordening nr. 575/2013 zijn uitgevoerd door de kredietinstelling die de interneratingbenadering toepast;

2°de blootstelling aan en de beheersing door de instelling van het concentratierisico, met inbegrip van de naleving van de vereisten die vastgelegd zijn in artikel 3 van Bijlage I, in Deel 4 van Verordening nr. 575/2013 en in de reglementen die door de Bank zijn vastgesteld met toepassing van artikel 98;

3°de degelijkheid, het passende karakter en de wijze van toepassing van de beleidslijnen en procedures die door de instelling worden gevolgd met het oog op de beheersing van het restrisico dat verbonden is aan het gebruik van erkende kredietrisicomatigingstechnieken;

4°de mate waarin het eigen vermogen dat de kredietinstelling aanhoudt met betrekking tot de activa die zij geëffectiseerd heeft, toereikend is in het licht van het economische belang van de transactie, met inbegrip van de mate waarin er sprake is van risico-overdracht.

De toezichthouder gaat na of de betrokken instelling, door stilzwijgende steun te verlenen, een deel behoudt van het risico dat verbonden is aan de actiefbestanddelen die het voorwerp uitmaken van een effectiseringsverrichting. Indien blijkt dat een instelling meer dan eens stilzwijgende steun heeft verleend, kan de toezichthouder de maatregelen nemen die hij nodig acht, rekening houdend met het feit dat de kans in dit geval groter is dat de instelling ook in de toekomst dergelijke steun zal verlenen in het kader van een effectiseringsverrichting;

5°de blootstelling aan en de meting en de beheersing van het liquiditeitsrisico door de instelling, met inbegrip van:

-het opstellen van analyses op grond van andere scenario's dan deze waarin voorzien is door Verordening nr. 575/2013 en door de reglementen die door de Bank zijn vastgesteld met toepassing van artikel 98;

-het beheer van de factoren die het liquiditeitsrisico kunnen matigen (met name de omvang, samenstelling en kwaliteit van de liquiditeitsbuffers);

-de invoering van doeltreffende noodplannen.

De toezichthouder onderwerpt het globale liquiditeitsrisicobeheer van de instelling regelmatig aan een grondige evaluatie en ziet erop toe dat de interne methodes voor de evaluatie van het liquiditeitsrisico solide zijn. De toezichthouder houdt daarbij rekening met de rol die de instelling op de financiële markten speelt en met de impact die zijn beslissingen kunnen hebben op de stabiliteit van het financiële stelsel in de andere betrokken lidstaten;

6°de impact van de diversificatie-effecten van de risico's en/of risicoblootstellingen en de wijze waarop die effecten in het risico-evaluatiesysteem worden verwerkt;

7°de resultaten van de stresstests die zijn uitgevoerd door de instelling die een intern model gebruikt voor de berekening van de eigenvermogensvereisten voor het marktrisico, overeenkomstig Deel 3, Titel IV, Hoofdstuk 5 van Verordening nr. 575/2013, en de reglementen die door de Bank zijn vastgesteld met toepassing van artikel 5, § 5 van Bijlage I;

8°de geografische locatie van de blootstellingen van de instelling;

9°het bedrijfsmodel van de instelling;

10°...

11°het passende en voorzichtige karakter van de evaluatieregels die door de kredietinstelling worden gebruikt. De waardeverminderingen die overeenkomstig artikel 105 van Verordening nr. 575/2013 worden doorgevoerd, moeten de instelling in staat stellen haar posities in normale marktomstandigheden op korte tijd te verkopen of af te dekken zonder dat zij significante verliezen lijdt;

12°de blootstelling van de instelling aan het renterisico dat voortvloeit uit activiteiten buiten de handelsportefeuille.

Onverminderd artikel 149 legt de toezichthouder ten minste in de volgende gevallen maatregelen op om de vastgestelde situatie te verhelpen:

-indien de in artikel 6, § 1 van Bijlage I bedoelde economische waarde van het eigen vermogen met meer dan 15 % van het tier 1-kapitaal van de instelling afneemt ten gevolge van een plotselinge en onverwachte verandering in de rentetarieven als omschreven in een van de zes op de rentetarieven toegepaste crisisscenario's die overeenkomstig de technische normen van de EBA zijn vastgesteld;

-indien een instelling te maken heeft met een grote daling van haar in artikel 6, § 1 van Bijlage I bedoelde nettorentebaten als gevolg van een plotselinge en onverwachte verandering in de rentetarieven als omschreven in een van de twee op de rentetarieven toegepaste crisisscenario's die overeenkomstig de technische normen van de EBA zijn vastgesteld.

Niettegenstaande het tweede lid is de toezichthouder niet verplicht prudentiële of herstelmaatregelen te nemen als hij op basis van de in deze paragraaf bedoelde toetsing en evaluatie van oordeel is dat de instelling het renterisico voortvloeiend uit activiteiten buiten de handelsportefeuille op adequate wijze beheert en dat de instelling niet overmatig is blootgesteld aan dit risico.

Voor de toepassing van dit punt 12° beschikt de toezichthouder ook over de mogelijkheid tot het nader bepalen van hypothesen voor modellering en parameters, behalve die welke zijn vastgelegd door de EBA op grond van artikel 98, lid 5bis, onder b), van Richtlijn 2013/36/EU, die de instellingen in aanmerking moeten nemen bij hun berekening van de economische waarde van het eigen vermogen krachtens artikel 6, paragraaf 1 van Bijlage I;

13°de blootstelling van de instelling aan het risico van hefboomwerking, zoals weergegeven door indicatoren van buitensporige hefboomwerking, in het bijzonder de overeenkomstig artikel 429 van Verordening nr. 575/2013 vastgestelde hefboomratio;

Bij zijn beoordeling van de adequaatheid van de hefboomratio van de instelling en van het passende karakter van de voorschriften, strategieën, procedures en mechanismen die met het oog op de beheersing van het hefboomrisico worden toegepast, houdt de toezichthouder rekening met het bedrijfsmodel van de betrokken instelling;

14°de organisatieregeling van de kredietinstelling als bedoeld in artikel 21 en het vermogen van de leden van het wettelijk bestuursorgaan en van het directiecomité om hun taken te vervullen.

§ 2.De toezichthouder kan de kwantitatieve en kwalitatieve criteria vaststellen waarop hij zich baseert voor de beoordeling van de omvang van de risico's en van het passende karakter van hun behandeling door de kredietinstellingen, in voorkomend geval bij reglement vastgesteld met toepassing van artikel 12bis, § 2 van de wet van 22 februari 1998.

Art. 144

§ 1.De toezichthouder onderzoekt regelmatig en minstens om de drie jaar, of de interne benaderingen voor de berekening van de reglementaire eigenvermogensvereisten voldoen aan Verordening nr. 575/2013 en aan de reglementen die met toepassing van de artikelen 1, § 6 en 5, § 5 van Bijlage I zijn vastgesteld. Hij onderzoekt ook of de kredietinstellingen die de toestemming hebben verkregen om deze benaderingen te gebruiken, voldoen aan de voorwaarden voor dit gebruik die voorafgaandelijk werden vastgesteld door de toezichthouder. Hij houdt in het bijzonder rekening met veranderingen in de werkzaamheden van de instelling en met de toepassing van deze benaderingen op nieuwe producten.

§ 2.De toezichthouder toetst en evalueert met name of de instellingen die interne benaderingen gebruiken als bedoeld in paragraaf 1, gebruikmaken van goed ontwikkelde technieken en praktijken die geactualiseerd worden.

Art. 145

§ 1.Wanneer de toezichthouder vaststelt dat de interne benadering die door een kredietinstelling wordt gebruikt, wezenlijke tekortkomingen vertoont in het vatten van de risico's, eist hij dat de instelling de passende maatregelen neemt om deze situatie te verhelpen en de gevolgen ervan te beperken, en legt hij in voorkomend geval een verhoging van de vermenigvuldigingscoëfficiënten op, of van de specifieke eigenvermogensvereisten met toepassing van artikel 149.

§ 2.Indien een groot aantal overschrijdingen, in de zin van artikel 366 van Verordening nr. 575/2013, erop wijst dat een intern model voor het marktrisico onvoldoende accuraat is, kan de toezichthouder de toestemming om dit interne model te gebruiken intrekken of concrete maatregelen opleggen om ervoor te zorgen dat dit model zo spoedig mogelijk wordt verbeterd.

§ 3.Wanneer hij vaststelt dat een kredietinstelling die de toestemming heeft verkregen om een interne benadering te gebruiken voor de berekening van de reglementaire eigenvermogensvereisten, niet langer voldoet aan de voorwaarden voor het gebruik van deze benadering, eist de toezichthouder dat de instelling een plan voorlegt om opnieuw te voldoen aan de voorwaarden, met een tijdschema, of dat de instelling aantoont dat het effect van de niet-naleving van de voorwaarden te verwaarlozen is, gelet op Verordening nr. 575/2013.

De toezichthouder eist dat het plan om opnieuw te voldoen aan de voorwaarden wordt gewijzigd indien hij van oordeel is dat de uitvoering ervan niet kan leiden tot de naleving van de voorwaarden of indien hij van oordeel is dat de termijn om opnieuw te voldoen aan de voorwaarden die door de kredietinstelling wordt voorgesteld, inadequaat of irrealistisch is. Indien de toezichthouder van oordeel is dat de instelling niet zal kunnen voldoen aan de voorwaarden voor het gebruik van de interne benadering binnen de termijn die hij passend acht, trekt hij de toestemming om de genoemde interne benadering te gebruiken in of beperkt hij dit gebruik tot de domeinen waarvoor wel voldaan is aan de voorwaarden of eraan voldaan kan worden binnen een termijn die de toezichthouder passend acht.

Art. 146

<Opgeheven bij W 2021-07-11/08, art. 73, 027; Inwerkingtreding: 23-07-2021>

Art. 147

§ 1.De kredietinstellingen die de toestemming hebben verkregen om interne benaderingen te gebruiken voor de berekening van het risicovolume of van de eigenvermogensvereisten, met uitzondering van het operationeel risico, delen jaarlijks, of op verzoek van de toezichthouder, de resultaten mee van de berekeningen betreffende hun interne benaderingen voor hun in de benchmarkportefeuilles opgenomen blootstellingen of posities. Bij deze gegevens voegen zij uitleg over de gebruikte methodes.

§ 2.Voor de in paragraaf 1 bedoelde mededeling maken de kredietinstellingen gebruik van het door de Europese Bankautoriteit opgestelde model, behalve voor de mededeling van de resultaten van de berekeningen voor specifieke portefeuilles die de toezichthouder in voorkomend geval kan vragen, die apart worden meegedeeld.

§ 2/1.De toezichthouder controleert, op basis van de informatie die de kredietinstellingen overeenkomstig paragraaf 1 hebben ingediend, het bereik van de risicogewogen posten of, in voorkomend geval, van de eigenvermogensvereisten, behalve voor operationeel risico, voor de blootstellingen of transacties die het resultaat zijn van de interne benaderingen van de betrokken kredietinstellingen.

Aan de hand van het verslag dat op grond van artikel 78, lid 3 van Richtlijn 2013/36/EU door de EBA wordt opgesteld, wordt ten minste eenmaal per jaar een vergelijkende analyse van de kwaliteit van deze benaderingen uitgevoerd, waarbij bijzondere aandacht wordt geschonken aan:

1°benaderingen die significante verschillen in de eigenvermogensvereisten voor dezelfde blootstelling vertonen;

2°benaderingen met een bijzonder hoge of bijzonder lage diversificatie, alsook benaderingen met een significante en systematische onderwaardering van de eigenvermogensvereisten.

§ 3.De toezichthouder eist corrigerende maatregelen indien hij vaststelt dat de interne benadering die door een kredietinstelling wordt gebruikt, significant afwijkt van de andere benaderingen waarvan gebruik wordt gemaakt in de sector en indien hij aantoont dat deze benadering tot onderwaardering leidt van de eigenvermogensvereisten voor de betrokken instelling, die niet toegeschreven kan worden aan verschillen in de onderliggende risico's waaraan deze instelling is blootgesteld.

4.De toezichthouder ziet erop toe dat de in paragraaf 3 bedoelde corrigerende maatregelen niet leiden tot standaardisering of een neiging om bepaalde methoden te gebruiken, geen ongerechtvaardigde prikkels creëren en geen imitatiegedrag uitlokken.

Art. 148

Indien hij van oordeel is dat de stresstests die overeenkomstig artikel 23 van Verordening nr. 1093/2010 worden uitgevoerd, onvoldoende resultaten opleveren, onderwerpt de toezichthouder de kredietinstellingen aan specifieke prudentiële stresstests, rekening houdend met de bijzondere kenmerken van de bank- en financiële sector in België, om de in artikel 142 bedoelde toetsings- en evaluatieprocedure te vergemakkelijken.

Art. 149

Op grond van de resultaten van de procedure van toetsing en evaluatie die overeenkomstig artikel 142 wordt verricht, alsook in geval van toepassing van artikel 143, § 1, 11° of 12° of artikel 145, § 3 kan de toezichthouder volgens de in artikel 150 bepaalde modaliteiten aan de betrokken kredietinstelling een specifiek eigenvermogensvereiste opleggen bovenop de eigenvermogensvereisten die opgelegd zijn door of krachtens Verordening nr. 575/2013, de met toepassing van artikel 98 vastgestelde reglementen en artikel 95, om rekening te houden met de risico's waaraan die kredietinstelling blootgesteld is of kan zijn. De toezichthouder bepaalt hoe de betrokken kredietinstelling aan dit specifiek eigenvermogensvereiste moet voldoen.

Daartoe kan de toezichthouder ook alle andere in artikel 234, § 2 bedoelde maatregelen opleggen.

Onverminderd artikel 18 van Verordening nr. 575/2013 kan de toezichthouder bovendien eisen dat een gereglementeerde of niet-gereglementeerde onderneming in de consolidatieperimeter wordt opgenomen wanneer het risicoprofiel van de kredietinstelling op geconsolideerde of, in voorkomend geval, gesubconsolideerde basis, zoals dat uit de consolidatieperimeter blijkt, niet adequaat is.

Art. 150

§ 1.Op grond van de resultaten van de procedure van toetsing en evaluatie die overeenkomstig artikel 142 wordt verricht en van het in de artikelen 144 en 145 bedoelde onderzoek van de interne benaderingen legt de toezichthouder in de volgende gevallen het in artikel 149, eerste lid bedoeld specifiek eigenvermogensvereiste op:

1°de kredietinstelling houdt risico's in die niet of onvoldoende gedekt zijn door de eigenvermogensvereisten bedoeld in de delen drie, vier en zeven van Verordening nr. 575/2013 en in Hoofdstuk 2 van Verordening nr. 2017/2402, zoals gespecificeerd in artikel 150/1, in de met toepassing van artikel 98 vastgestelde reglementen en in artikel 95;

2°de in artikel 143, § 1, 11° bedoelde waardeverminderingen zijn onvoldoende om de kredietinstelling in staat te stellen haar posities onder normale marktomstandigheden op korte tijd te verkopen of af te dekken zonder dat wezenlijke verliezen worden geleden;

3°uit het overeenkomstig artikel 145, § 3 verrichte onderzoek blijkt dat de niet-naleving van de voorwaarden voor de toepassing van een toegestane interne benadering als gevolg kan hebben dat de betrokken instelling niet langer voldoet aan de toepasselijke reglementaire eigenvermogensvereisten;

4°de kredietinstelling heeft herhaaldelijk nagelaten een toereikend niveau van aanvullend eigen vermogen vast te stellen of te handhaven om te voldoen aan de overeenkomstig artikel 150/5, § 3 meegedeelde aanbevelingen voor aanvullend eigen vermogen;

5°elke andere kredietinstellingsspecifieke situatie die volgens de beoordeling van de toezichthouder aanleiding geeft tot materiële risico's.

§ 2.De in artikel 149, eerste lid bedoelde maatregel wordt alleen opgelegd ter dekking van de risico's die de betrokken kredietinstelling door haar activiteiten loopt, met inbegrip van het effect van veranderingen in de economische situatie en ontwikkelingen op de financiële markten op haar risicoprofiel.

Art. 150/1

§ 1.Voor de toepassing van artikel 150, § 1, 1°, worden risico's of aspecten van risico's alleen geacht niet of niet voldoende door de eigenvermogensvereisten bedoeld in de delen drie, vier en zeven van Verordening nr. 575/2013 en in Hoofdstuk 2 van Verordening nr. 2017/2402 te zijn gedekt, wanneer de bedragen, de categorieën, de verdeling en/of de kwaliteit van het eigen vermogen dat nodig is om aan deze eigenvermogensvereisten te voldoen, van een lager niveau zijn dan deze die de toezichthouder toereikend acht, rekening houdend met het in artikel 94 bedoelde prospectieve beheer van de eigenvermogensvereisten.

Het eigen vermogen dat door de toezichthouder toereikend wordt geacht dekt alle risico's of aspecten van risico's die op grond van de in paragraaf 2 bedoelde beoordeling als wezenlijk zijn aangemerkt en die niet of niet voldoende door de eigenvermogensvereisten bedoeld in de delen drie, vier en zeven van Verordening nr. 575/2013 en in Hoofdstuk 2 van Verordening nr. 2017/2402 zijn gedekt.

§ 2.Voor de toepassing van paragraaf 1 beoordeelt de toezichthouder, rekening houdend met het risicoprofiel van elke individuele instelling, de risico's waaraan de kredietinstelling is blootgesteld, met inbegrip van:

1°de kredietinstellingsspecifieke risico's of aspecten van zulke risico's die uitdrukkelijk niet in aanmerking worden genomen voor de berekening van de eigenvermogensvereisten bedoeld in de delen drie, vier en zeven van Verordening nr. 575/2013 en in Hoofdstuk 2 van Verordening nr. 2017/2402 of die niet uitdrukkelijk aan bod komen in deze vereisten;

2°de kredietinstellingsspecifieke risico's of aspecten van zulke risico's die wellicht worden onderschat niettegenstaande het feit dat de toepasselijke vereisten bedoeld in de delen drie, vier en zeven van Verordening nr. 575/2013 en in Hoofdstuk 2 van Verordening nr. 2017/2402 worden nageleefd, en dit onverminderd het genot van door of krachtens deze wet en door de rechtstreeks toepasbare Europese verordeningen vastgestelde overgangsbepalingen waarbij vroegere bepalingen van toepassing worden verklaard of nieuwe bepalingen van deze wet of van de voornoemde verordeningen geleidelijk van toepassing worden verklaard.

§ 3.Uit activiteiten buiten de handelsportefeuille voortvloeiende renterisico's kunnen wezenlijk worden geacht, ten minste in de gevallen bedoeld in artikel 143, § 1, 12°, tenzij de toezichthouder na de overeenkomstig artikel 142 verrichte procedure van toetsing en evaluatie tot de conclusie komt dat de kredietinstelling het renterisico voortvloeiend uit haar activiteiten buiten de handelsportefeuille op adequate wijze beheert en dat de kredietinstelling niet overmatig is blootgesteld aan het renterisico dat zij loopt bij activiteiten buiten de handelsportefeuille.

Art. 150/2

Wanneer aanvullend eigen vermogen is vereist om andere risico's dan het risico van buitensporige hefboomwerking te ondervangen, bepaalt de toezichthouder het niveau van het aanvullend eigen vermogen dat vereist is om aan het uit hoofde van artikel 149, eerste lid opgelegde specifiek eigenvermogensvereiste te voldoen in de in artikel 150, § 1, 1°, bedoelde situaties, als het verschil tussen het eigen vermogen dat de toezichthouder toereikend acht overeenkomstig artikel 150/1, § 1 en het eigen vermogen dat voortvloeit uit de vereisten die van toepassing zijn op grond van de delen drie en vier van Verordening nr. 575/2013 en Hoofdstuk 2 van Verordening nr. 2017/2402.

Wanneer aanvullend eigen vermogen is vereist om het risico van buitensporige hefboomwerking te ondervangen dat niet voldoende wordt gedekt door het in artikel 92, lid 1, onder d), van Verordening nr. 575/2013 bedoelde hefboomratiovereiste, bepaalt de toezichthouder het niveau van het aanvullend eigen vermogen zoals dat vereist is om te voldoen aan het uit hoofde van artikel 149, eerste lid opgelegde specifiek eigenvermogensvereiste in de in artikel 150, § 1, 1°, bedoelde situaties, als het verschil tussen het eigen vermogen dat de toezichthouder toereikend acht op grond van artikel 150/1, § 1 en het eigen vermogen dat voortvloeit uit de eigenvermogensvereisten die van toepassing zijn op grond van de delen drie en zeven van Verordening nr. 575/2013.

Art. 150/3

§ 1.Een kredietinstelling moet voldoen aan het uit hoofde van artikel 149, eerste lid opgelegde specifiek- eigenvermogensvereiste om andere risico's dan het risico van buitensporige hefboomwerking te ondervangen met een eigen vermogen dat voldoet aan de volgende voorwaarden:

1°ten minste drie vierde van het specifiek eigenvermogensvereiste wordt voldaan met tier 1-kapitaal;

2°ten minste drie vierde van het in punt 1°, bedoelde tier 1-kapitaal bestaat uit tier 1-kernkapitaal.

Een kredietinstelling moet voldoen aan het uit hoofde van artikel 149, eerste lid opgelegde specifiek- eigenvermogensvereiste met het oog op het ondervangen van het risico van buitensporige hefboomwerking met tier 1-kapitaal.

§ 2.In afwijking van paragraaf 1 kan de toezichthouder eisen dat met een hoger percentage tier 1-kapitaal of tier 1-kernkapitaal aan het specifiek eigenvermogensvereiste wordt voldaan, indien hij dit nodig acht gelet op de specifieke omstandigheden van een kredietinstelling.

§ 3.Eigen vermogen dat reeds wordt gebruikt om te voldoen aan het specifiek eigenvermogensvereiste dat op grond van artikel 149, eerste lid wordt opgelegd om andere risico's dan het risico van buitensporige hefboomwerking te ondervangen, mag door de kredietinstelling niet in aanmerking worden genomen om te voldoen aan:

1°de eigenvermogensvereisten bedoeld in artikel 92, lid 1, onder a), b) en c), van Verordening nr. 575/2013;

2°het globaal kapitaalbuffervereiste bedoeld in artikel 96;

3°de richtsnoeren inzake aanvullend eigen vermogen als bedoeld in artikel 150/5 wanneer die richtsnoeren andere risico's dan het risico van buitensporige hefboomwerking ondervangen.

§ 4.Eigen vermogen dat reeds wordt gebruikt om te voldoen aan het specifiek eigenvermogensvereiste dat op grond van artikel 149, eerste lid wordt opgelegd met het oog op het ondervangen van het risico van buitensporige hefboomwerking dat niet voldoende door het in artikel 92, lid 1, onder d), van Verordening nr. 575/2013 bedoelde hefboomratiovereiste wordt gedekt, mag door de kredietinstelling niet in aanmerking worden genomen om te voldoen aan:

1°het eigenvermogensvereiste bedoeld in artikel 92, lid 1, onder d), van Verordening nr. 575/2013;

2°het hefboomratiobuffervereiste bedoeld in artikel 92, lid 1bis, van Verordening nr. 575/2013;

3°de richtsnoeren inzake aanvullend eigen vermogen als bedoeld in artikel 150/5 wanneer die richtsnoeren het risico van buitensporige hefboomwerking ondervangen.

Art. 150/4

In het kader van zijn motiveringsplicht motiveert de toezichthouder het besluit om overeenkomstig artikel 149, eerste lid een specifiek eigenvermogensvereiste op te leggen schriftelijk, ten minste door duidelijk de volledige beoordeling van de in de artikelen 150 tot 150/3 bedoelde gegevens uiteen te zetten. In de situatie bedoeld in artikel 150, § 1, 4° omvat dit document een specifieke opgave van de redenen waarom de richtsnoeren inzake aanvullend eigen vermogen niet langer toereikend worden geacht.

Art. 150/5

§ 1.Op grond van het in artikel 94 bedoelde prospectieve beheer van de eigenvermogensvereisten stelt een kredietinstelling haar intern eigen vermogen vast op een passend niveau dat voldoende hoog ligt om alle risico's waaraan zij blootstaat te dekken en om de potentiële verliezen ten gevolge van crisisscenario's te absorberen, met inbegrip van die welke in het kader van de in artikel 148 bedoelde prudentiële stresstests zijn aangewezen.

§ 2.De toezichthouder toetst regelmatig het niveau van het in paragraaf 1 bedoeld intern eigen vermogen als onderdeel van de procedure van prudentiële toetsing en evaluatie en van de onderzoeken die overeenkomstig de artikelen 142, 144 en 145 worden uitgevoerd, met inbegrip van de resultaten van de in artikel 148 bedoelde stresstests.

§ 3.Op grond van dat onderzoek bepaalt de toezichthouder voor elke kredietinstelling het algemene niveau van eigen vermogen dat hij passend vindt.

Hij deelt aan de betrokken instelling de daaruit voortvloeiende richtsnoeren inzake het bedrag aan aanvullend eigen vermogen dat vereist is om dit algemene niveau te bereiken mee.

§ 4.Het bedrag aan aanvullend eigen vermogen als bedoeld in paragraaf 3, tweede lid is het bedrag aan eigen vermogen boven het bedrag aan eigen vermogen dat is vereist op grond van de delen drie, vier en zeven van Verordening nr. 575/2013, Hoofdstuk 2 van Verordening nr. 2017/2402, de artikelen 96 en 149, eerste lid, en, naargelang het geval, op grond van artikel 92, lid 1bis van Verordening nr. 575/2013, dat nodig is om het algemene niveau van eigen vermogen te bereiken dat de toezichthouder passend vindt op grond van paragraaf 3, eerste lid.

§ 5.De richtsnoeren inzake aanvullend eigen vermogen bedoeld in paragraaf 3, tweede lid zijn kredietinstellingsspecifiek. Deze richtsnoeren kunnen betrekking hebben op risico's die worden ondervangen door het specifiek eigenvermogensvereiste dat op grond van artikel 149, eerste lid is opgelegd voor zover zij betrekking hebben op aspecten van die risico's die nog niet ondervangen worden door dat specifiek eigenvermogensvereiste.

§ 6.Eigen vermogen dat reeds wordt gebruikt om te voldoen aan de richtsnoeren inzake aanvullend eigen vermogen voor het ondervangen van andere risico's dan het risico van buitensporige hefboomwerking, mag door de kredietinstelling niet in aanmerking worden genomen om te voldoen aan:

1°de eigenvermogensvereisten bedoeld in artikel 92, lid 1, onder a), b) en c), van Verordening nr. 575/2013;

2°het specifiek vereiste dat op grond van artikel 149 wordt opgelegd om andere risico's dan het risico van buitensporige hefboomwerking te ondervangen;

3°het globaal vereiste van een tier 1-kernkapitaalbuffer als bedoeld in artikel 96.

§ 7.Eigen vermogen dat reeds wordt gebruikt om te voldoen aan de richtsnoeren inzake aanvullend eigen vermogen die bedoeld zijn om het risico van buitensporige hefboomwerking te ondervangen, mag door de kredietinstelling niet in aanmerking worden genomen om te voldoen aan:

1°het eigenvermogensvereiste bedoeld in artikel 92, lid 1, onder d), van Verordening nr. 575/2013;

2°het specifiek vereiste dat op grond van artikel 149 wordt opgelegd om het risico van buitensporige hefboomwerking te ondervangen;

3°in voorkomend geval, het hefboomratiobuffervereiste bedoeld in artikel 92, lid 1bis, van Verordening nr. 575/2013.

§ 8.Indien de kredietinstelling voldoet aan de toepasselijke eigenvermogensvereisten als bedoeld in de delen drie, vier en zeven van Verordening nr. 575/2013 en in Hoofdstuk 2 van Verordening nr. 2017/2402, in artikel 149, eerste lid, in artikel 96 en, in voorkomend geval, aan het vereiste bedoeld in artikel 92, lid 1bis van Verordening nr. 575/2013, geeft de niet-naleving van de richtsnoeren inzake aanvullend eigen vermogen geen aanleiding tot de in artikel 99 of 102/2 bedoelde beperkingen.

Art. 150/6

De toezichthouder stelt de betrokken afwikkelingsautoriteiten in kennis van het op grond van artikel 149, eerste lid aan een kredietinstelling opgelegde specifiek eigenvermogensvereiste en van de overeenkomstig artikel 150/5, § 3, tweede lid aan een instelling meegedeelde richtsnoeren inzake aanvullend eigen vermogen.

Art. 151

Wanneer hij van oordeel is dat het liquiditeitsrisico waaraan een kredietinstelling blootgesteld is of kan zijn, dit rechtvaardigt, kan de toezichthouder aan die instelling specifieke liquiditeitsnormen opleggen bovenop de liquiditeitsnormen die zijn vastgesteld in Verordening nr. 575/2013 en in de met toepassing van artikel 98 vastgestelde reglementen. De toezichthouder houdt daarbij rekening met het volgende:

1°het bedrijfsmodel van de instelling;

2°het resultaat van de in artikel 142 bedoelde toetsings- en evaluatieprocedure, met name wanneer de toezichthouder besluit dat de minimumliquiditeitsvereisten die zijn vastgesteld in Verordening nr. 575/2013 en in de met toepassing van artikel 98 vastgestelde reglementen, of die door de instelling zelf zijn vastgesteld met toepassing van artikel 94, de werkelijke risico's die de instelling loopt of waarvan gevreesd kan worden dat ze zich zullen voordoen, onderschatten;

3°de organisatieregeling en de maatregelen die de instelling heeft ingevoerd om te garanderen dat de risico's worden beheerst, in het bijzonder het liquiditeitsrisico bedoeld in artikel 8 van Bijlage I;

4°...

Art. 152

De toezichthouder kan beslissen om voor de maatregelen die overeenkomstig de artikelen 149 en 151 worden opgelegd, een termijn vast te leggen. De toepassing van deze bepalingen doet geen afbreuk aan de toepassing van andere bepalingen van deze wet, met name artikel 234, noch aan de toepassing van maatregelen die in andere wetten, besluiten of reglementen zijn vastgelegd.

Art. 153

De toezichthouder informeert de Europese Bankautoriteit over:

1°de werking van zijn toetsings- en evaluatieprocedure als bedoeld in artikel 142;

2°de methode die gebruikt wordt om ervoor te zorgen dat de beslissingen die met toepassing van de artikelen 143 tot 151, en 234 worden genomen, gebaseerd zijn op de toetsings- en evaluatieprocedure die overeenkomstig artikel 142 wordt verricht.

Art. 154

<Opgeheven bij W 2021-07-11/08, art. 85, 027; Inwerkingtreding: 23-07-2021>