Alle wetboeken › Bankwet

BOEK XI - HERSTEL EN AFWIKKELING VAN GROEPEN › TITEL V - Afwikkeling van groepen

HOOFDSTUK IV - Afwikkelingsinstrumenten

459–463

Art. 459

Het minimumvereiste voor eigen vermogen en in aanmerking komende schulden voor kredietinstellingen en entiteiten bedoeld in artikel 424, 2° tot en met 4°, die deel uitmaken van een groep, wordt vastgesteld met inachtneming van het bepaalde in de artikelen 267/3 tot en met 267/5/5.

Art. 460

§ 1.De afwikkelingsautoriteit, al naar gelang het geval in haar hoedanigheid van autoriteit van de af te wikkelen entiteit, van autoriteit op groepsniveau dan wel van autoriteit die verantwoordelijk is voor de dochterondernemingen van een af te wikkelen groep waarop het in artikel 267/5/4 bedoelde vereiste op individuele basis van toepassing is, spant zich in om, op basis van de mededeling van een ontwerp van gezamenlijk besluit, samen met de betrokken buitenlandse afwikkelingsautoriteiten tot een gezamenlijk besluit te komen over:

1°het bedrag van het op het geconsolideerde niveau van de af te wikkelen groep toegepaste vereiste voor elke af te wikkelen entiteit; en

2°het bedrag van het op individuele basis toe te passen vereiste op elke entiteit van een af te wikkelen groep die geen af te wikkelen entiteit is.

§ 2.Het gezamenlijke besluit bedoeld in paragraaf 1 verzekert de naleving van de artikelen 267/5/3 en 267/5/4 en wordt volledig gemotiveerd en meegedeeld aan:

1°iedere af te wikkelen entiteit door haar afwikkelingsautoriteit;

2°iedere entiteit van een af te wikkelen groep die geen af te wikkelen entiteit zijn, door de afwikkelingsautoriteit van die entiteit;

3°de EER-moederonderneming van de groep door de afwikkelingsautoriteit van de af te wikkelen entiteit, indien die EER-moederonderneming zelf geen af te wikkelen entiteit van dezelfde af te wikkelen groep is.

In het gezamenlijke besluit kan worden bepaald dat, indien zulks in overeenstemming is met de afwikkelingsstrategie en de af te wikkelen entiteit niet voldoende instrumenten direct of indirect heeft aangekocht die aan artikel 267/5/4, § 2, beantwoorden, de dochteronderneming overeenkomstig artikel 267/5/4, § 2, gedeeltelijk aan de in artikel 267/5/1, § 6, bedoelde vereisten voldoet met instrumenten die zijn uitgegeven aan en gekocht door entiteiten die geen deel uitmaken van de af te wikkelen groep.

§ 3.Indien twee of meer MSI-entiteiten die tot dezelfde MSI behoren af te wikkelen entiteiten zijn of entiteiten uit derde landen die af te wikkelen entiteiten zouden zijn indien ze in de Unie waren gevestigd, bespreken de in paragraaf 1 bedoelde afwikkelingsautoriteiten en, indien passend en in overeenstemming met de afwikkelingsstrategie van de MSI's, maken ze afspraken over de toepassing van artikel 72 sexies van Verordening nr. 575/2013 en een eventuele aanpassing om het verschil tussen de som van de in artikel 267/5/2, § 4, 1°, en artikel 12 bis, punt a) van Verordening nr. 575/2013 bedoelde bedragen voor individuele af te wikkelen entiteiten of entiteiten uit derde landen en de som van de in artikel 267/5/2, § 4, 2°, en artikel 12bis, punt b) van Verordening nr. 575/2013 bedoelde bedragen tot een minimum te beperken of te elimineren.

Een dergelijke aanpassing kan onder voorbehoud van het volgende worden toegepast:

1°de aanpassing kan worden toegepast met betrekking tot verschillen in de berekening van het totaal van de risicoposten tussen de betrokken lidstaten of derde landen door de hoogte van het vereiste aan te passen;

2°de aanpassing wordt niet toegepast om verschillen als gevolg van blootstellingen tussen af te wikkelen groepen te elimineren.

De som van de in artikel 267/5/2, § 4, 1°, en artikel 12bis, punt a) van Verordening nr. 575/2013 bedoelde bedragen voor individuele af te wikkelen entiteiten of entiteiten uit derde landen die af te wikkelen entiteiten zouden zijn indien ze in de Unie waren gevestigd, mag niet lager zijn dan de som van de in artikel 267/5/2, § 4, 2°, en artikel 12bis, punt b) van Verordening nr. 575/2013 bedoelde bedragen.

Art. 461

§ 1.Indien binnen vier maanden te rekenen vanaf de mededeling van een ontwerp van gezamenlijk besluit door de afwikkelingsautoriteit aan de betrokken buitenlandse afwikkelingsautoriteiten, geen gezamenlijk besluit wordt genomen overeenkomstig artikel 460 wegens een meningsverschil met betrekking tot een geconsolideerd vereiste voor de af te wikkelen groep als bedoeld in artikel 267/5/3, neemt de afwikkelingsautoriteit van de af te wikkelen entiteit een besluit over dat vereiste na terdege rekening te hebben gehouden met:

1°de door de betrokken afwikkelingsautoriteiten uitgevoerde beoordeling van entiteiten van de af te wikkelen groep die geen af te wikkelen entiteit zijn;

2°het advies van de afwikkelingsautoriteit op groepsniveau, indien verschillend van de afwikkelingsautoriteit van de af te wikkelen entiteit.

Indien een betrokken afwikkelingsautoriteit aan het eind van de periode van vier maanden bedoeld in het eerste lid de zaak krachtens artikel 19 van Verordening nr. 1093/2010 aan de EBA heeft voorgelegd, stelt de afwikkelingsautoriteit van de af te wikkelen entiteit haar besluit uit in afwachting van een eventueel door de EBA genomen besluit. De EBA houdt bij het nemen van haar besluit rekening met de punten 1°, en 2°, van het eerste lid. De afwikkelingsautoriteit neemt haar besluit in overeenstemming met het besluit van de EBA.

De periode van vier maanden bedoeld in het eerste lid wordt beschouwd als verzoeningsfase in de zin van Verordening nr. 1093/2010. De zaak wordt niet meer aan de EBA voorgelegd na afloop van die periode van vier maanden of nadat een gezamenlijk besluit is genomen. Indien de EBA niet binnen één maand tot een besluit komt nadat de zaak haar is voorgelegd, is het besluit van de afwikkelingsautoriteit van de af te wikkelen entiteit van toepassing.

§ 3.Indien binnen vier maanden te rekenen vanaf de mededeling van een ontwerp van gezamenlijk besluit door de afwikkelingsautoriteit aan de betrokken buitenlandse afwikkelingsautoriteiten, geen gezamenlijk besluit wordt genomen wegens een meningsverschil met betrekking tot het in artikel 267/5/4 bedoelde niveau van het vereiste dat op individuele basis op een entiteit van een af te wikkelen groep moet worden toegepast, neemt de afwikkelingsautoriteit van die entiteit het besluit, mits aan alle volgende voorwaarden is voldaan:

1°er is terdege rekening gehouden met de schriftelijke standpunten en voorbehouden die de afwikkelingsautoriteit van de af te wikkelen entiteit kenbaar heeft gemaakt; en

2°indien een afwikkelingsautoriteit op groepsniveau verschilt van de afwikkelingsautoriteit van de af te wikkelen entiteit, is er terdege rekening gehouden met de schriftelijke standpunten en voorbehouden door de afwikkelingsautoriteit op groepsniveau.

Indien de afwikkelingsautoriteit van de af te wikkelen entiteit of de afwikkelingsautoriteit op groepsniveau binnen de periode van vier maanden bedoeld in het eerste lid de zaak krachtens artikel 19 van Verordening nr. 1093/2010 aan de EBA voorlegt, stellen de afwikkelingsautoriteiten die bevoegd zijn voor de dochterondernemingen op individuele basis hun besluit uit in afwachting van een eventueel door de EBA genomen besluit. De EBA houdt bij het nemen van haar besluit rekening met de punten 1° en 2°, van het eerste lid. De afwikkelingsautoriteiten nemen hun besluit in overeenstemming met het besluit van de EBA.

De periode van vier maanden bedoeld in het eerste lid wordt beschouwd als verzoeningsfase in de zin van Verordening nr. 1093/2010. De zaak wordt niet meer aan de EBA voorgelegd na afloop van de periode van vier maanden of nadat een gezamenlijk besluit is genomen.

De afwikkelingsautoriteit van de af te wikkelen entiteit of de afwikkelingsautoriteit op groepsniveau legt de zaak niet voor bindende bemiddeling aan de EBA voor indien het niveau dat is vastgesteld door de afwikkelingsautoriteit van de dochteronderneming:

1°met betrekking tot het vereiste als bedoeld in artikel 267/5/3 binnen een bandbreedte ligt van 2 % van het totaal van de risicoposten, berekend overeenkomstig artikel 92, lid 3, van Verordening nr. 575/2013; en

2°voldoet aan artikel 267/5/1, § 6.

Indien de EBA niet binnen één maand tot een besluit komt nadat de zaak haar is voorgelegd, zijn de besluiten van de afwikkelingsautoriteiten van de dochterondernemingen van toepassing.

§ 4.Indien er niet binnen vier maanden te rekenen vanaf de mededeling van een ontwerp van gezamenlijk besluit door de afwikkelingsautoriteit aan de betrokken buitenlandse afwikkelingsautoriteiten, een gezamenlijk besluit wordt genomen wegens een meningsverschil met betrekking tot de hoogte van het geconsolideerde vereiste voor de af te wikkelen groep en de hoogte van de op individuele basis op de entiteiten van de af te wikkelen groep toe te passen vereiste, geldt het volgende:

1°er wordt een besluit genomen over het niveau van het op individuele basis op de dochterondernemingen van de af te wikkelen groep toe te passen vereiste overeenkomstig paragraaf 3;

2°er wordt een besluit genomen over het niveau van geconsolideerde vereiste voor de af te wikkelen groep overeenkomstig paragraaf 2.

Art. 462

§ 1.Het in artikel 460, § 1 bedoelde gezamenlijke besluit en alle in artikel 461, § 2, § 3 en § 4 bedoelde besluiten die de afwikkelingsautoriteiten bij ontstentenis van een gezamenlijk besluit hebben genomen, zijn bindend voor de betrokken afwikkelingsautoriteiten.

Het gezamenlijke besluit en alle besluiten die bij ontstentenis van een gezamenlijk besluit zijn genomen, worden regelmatig geëvalueerd en indien nodig geactualiseerd.

§ 2.In afstemming met de bevoegde autoriteiten verlangen de afwikkelingsautoriteiten dat, en verifiëren ze of, de entiteiten voldoen aan het in artikel 267/3 bedoelde vereiste en nemen ze elk besluit op grond van dit artikel parallel met het opstellen en bijhouden van afwikkelingsplannen.

Art. 463

Binnen een maand na de toepassing van het instrument van interne versterking op verschillende rechtspersonen die deel uitmaken van een Belgische groep om de doelstellingen vermeld in artikel 267/1, § 1, 1° te verwezenlijken, moet de Belgische EER-moederonderneming voor alle kredietinstellingen van die groep een bedrijfssaneringsplan als bedoeld in artikel 267/11 opstellen en ter goedkeuring voorleggen aan de afwikkelingsautoriteit, in haar hoedanigheid van afwikkelingsautoriteit op groepsniveau, overeenkomstig de in artikel 267/12 bedoelde procedure.

In haar hoedanigheid van afwikkelingsautoriteit op groepsniveau deelt de afwikkelingsautoriteit het bedrijfssaneringsplan mee aan de afwikkelingsautoriteiten van de dochterondernemingen van de Belgische EER-moederonderneming en aan de EBA.