Alle wetboeken › Bankwet

BOEK II - KREDIETINSTELLINGEN NAAR BELGISCH RECHT › TITEL VIII - Afwikkeling van kredietinstellingen

HOOFDSTUK II - Doelstellingen, voorwaarden en algemene beginselen van de afwikkeling

243–245

Art. 243

§ 1.De afwikkeling is de herstructurering van een in gebreke blijvende kredietinstelling met toepassing van een of meer afwikkelingsinstrumenten, met als doel, naargelang het geval:

1°de continuïteit van de kritieke functies van de kredietinstelling te waarborgen;

2°ernstige nadelige gevolgen voor de financiële stabiliteit te vermijden, inzonderheid door het voorkomen van besmetting, inclusief van de marktinfrastructuren, en daarbij de marktdiscipline te handhaven;

3°de overheidsmiddelen te beschermen door het beroep op uitzonderlijke overheidssteun zoveel mogelijk te beperken; en

4°de gewaarborgde deposito's en de gelden en activa van de cliënten van de kredietinstelling te beschermen.

Bij het nastreven van deze doelstellingen tracht de afwikkelingsautoriteit de afwikkelingskosten zoveel mogelijk te beperken en waardevernietiging te vermijden, tenzij die noodzakelijk is om de afwikkelingsdoelstellingen te verwezenlijken.

§ 2.Onder voorbehoud van de uitzonderingen bepaald in deze wet, staan de in paragraaf 1 bedoelde doelstellingen op gelijke voet en bepaalt de afwikkelingsautoriteit het juiste evenwicht tussen deze doelstellingen volgens de aard en de omstandigheden van elk geval.

Art. 244

§ 1.De afwikkelingsautoriteit past een afwikkelingsinstrument enkel toe op een kredietinstelling wanneer zij oordeelt dat aan elk van de volgende voorwaarden is voldaan:

1°de toezichthouder, na raadpleging van de afwikkelingsautoriteit, of de afwikkelingsautoriteit, na raadpleging van de toezichthouder, heeft vastgesteld dat de kredietinstelling in gebreke blijft of dat dit nakend is;

2°gezien de timing en andere ter zake doende omstandigheden valt het redelijkerwijze niet te verwachten dat enige andere private of prudentiële maatregel ten aanzien van de kredietinstelling, inzonderheid maatregelen bedoeld in artikel 232 of de afschrijving of omzetting van kapitaalinstrumenten en in aanmerking komende schulden overeenkomstig Hoofdstuk IV, binnen een redelijk tijdsbestek voorkomt dat de kredietinstelling in gebreke blijft; en

3°een afwikkelingsmaatregel is noodzakelijk in het algemeen belang.

Voor de toepassing van 1° dient de toezichthouder op verzoek van de afwikkelingsautoriteit na te gaan of een kredietinstelling in gebreke blijft of dit nakend is.

§ 2.Voor de toepassing van paragraaf 1, 1° wordt een kredietinstelling geacht in gebreke te blijven of wordt dit geacht nakend te zijn indien zij zich in een of meer van de volgende omstandigheden bevindt:

1°de kredietinstelling maakt op zodanige wijze inbreuk op de vereisten voor het behoud van de vergunning, of er bestaan objectieve aanwijzingen dat zij dit in de nabije toekomst zal doen, dat intrekking van de vergunning door de toezichthouder gerechtvaardigd is, inzonderheid omwille van het feit dat de kredietinstelling verliezen heeft geleden of kan lijden die haar eigen vermogen in aanzienlijke mate aantasten;

2°het nettoactief van de kredietinstelling is negatief, of er bestaan objectieve aanwijzingen dat dit in de nabije toekomst het geval zal zijn;

3°de kredietinstelling is niet in staat haar schulden te voldoen wanneer deze opeisbaar worden, of er bestaan objectieve aanwijzingen dat dit in de nabije toekomst het geval zal zijn; of

4°er is uitzonderlijke overheidssteun aan de kredietinstelling nodig.

§ 3.Voor de toepassing van paragraaf 1, 3° wordt een afwikkelingsmaatregel geacht noodzakelijk te zijn in het algemeen belang indien zij noodzakelijk is om een of meer van de in artikel 243, § 1, vermelde doelstellingen te verwezenlijken en indien deze met een vereffening van de kredietinstelling niet in dezelfde mate zouden worden bereikt.

§ 4.Voor de toepassing van paragraaf 2, 4° wordt, onder de voorwaarden bepaald door de Koning, geen rekening gehouden met steunmaatregelen ten gunste van solvabele kredietinstellingen teneinde een ernstige verstoring van de economie te verhelpen en de financiële stabiliteit te vrijwaren.

§ 5.Het nemen van herstelmaatregelen als bedoeld in artikel 234 of 236 is geen voorwaarde voor het nemen van een afwikkelingsmaatregel.

Art. 244/1

De afwikkelingsautoriteit kan een afwikkelingsmaatregel nemen ten aanzien van een in artikel 239, § 1 bedoelde centrale instelling en één of meer van de daarbij blijvend aangesloten kredietinstellingen die deel uitmaken van dezelfde af te wikkelen groep, indien die af te wikkelen groep als geheel voldoet aan de in artikel 244, § 1 gestelde voorwaarden.

Art. 244/2

§ 1.De afwikkelingsautoriteit is bevoegd om, na raadpleging van de bevoegde autoriteiten, die tijdig antwoorden, betalings- of leveringsverplichtingen uit hoofde van elke overeenkomst waarbij een kredietinstelling partij is, op te schorten indien aan elk van de volgende voorwaarden is voldaan:

1°er is overeenkomstig artikel 244, § 1, 1°, vastgesteld dat de kredietinstelling in gebreke blijft of dat dit nakend is;

2°er is geen onmiddellijk beschikbare private maatregel voorhanden als bedoeld in artikel 244, § 1, 2°, die het in gebreke blijven van de kredietinstelling zou voorkomen;

3°de uitoefening van de opschortingsbevoegdheid wordt noodzakelijk geacht om te voorkomen dat de financiële toestand van de kredietinstelling verder verslechtert; en

4°de uitoefening van de opschortingsbevoegdheid is:

-noodzakelijk om tot de in artikel 244, § 1, 3°, bedoelde vaststelling te komen; of

-noodzakelijk om de passende afwikkelingsmaatregelen te bepalen of om de doeltreffende toepassing van een of meer afwikkelingsinstrumenten te waarborgen.

§ 2.De opschortingsbevoegdheid is niet van toepassing op betalings- of leveringsverplichtingen ten aanzien van (i) systemen en exploitanten van systemen die zijn aangewezen voor de toepassing van Richtlijn 98/26/EG, (ii) overeenkomstig de artikelen 14 en 25 van Verordening nr. 648/2012 vergunde of erkende centrale tegenpartijen en (iii) centrale banken.

De afwikkelingsautoriteit bepaalt de reikwijdte van de opschortingsbevoegdheid, rekening houdend met de omstandigheden van elk geval. De afwikkelingsautoriteit gaat met name zorgvuldig na of de toepassing van de opschorting naar in aanmerking komende, en in het bijzonder gewaarborgde, deposito's gepast is.

§ 3.Indien de bevoegdheid tot opschorting van betalings- of leveringsverplichtingen wordt uitgeoefend ten aanzien van in aanmerking komende, en in het bijzonder gewaarborgde, deposito's, zorgt de afwikkelingsautoriteit ervoor dat deposanten toegang hebben tot een passend bedrag per dag van deze deposito's.

§ 4.De periode van opschorting is zo kort mogelijk en niet langer dan de minimumperiode die de afwikkelingsautoriteit noodzakelijk acht voor de in paragraaf 1, onder 3° en 4° genoemde doeleinden, en duurt in ieder geval niet langer dan de tijdspanne vanaf de bekendmaking van een bericht tot opschorting uit hoofde van paragraaf 8 tot middernacht aan het eind van de werkdag die volgt op de dag van de bekendmaking.

§ 5.Bij de uitoefening van de opschortingsbevoegdheid houdt de afwikkelingsautoriteit rekening met de gevolgen die de uitoefening van die bevoegdheid kan hebben voor het ordelijke functioneren van de financiële markten. Wanneer de opschorting noodzakelijk is om tot de vaststelling te komen bedoeld in artikel 244, § 1, 3° houdt zij eveneens rekening met de toepasselijke regels ter vrijwaring van de rechten van de schuldeisers en de gelijke behandeling van schuldeisers in liquidatieprocedures. De afwikkelingsautoriteit houdt met name rekening met de mogelijke toepassing van liquidatieprocedures op de kredietinstelling of entiteit als gevolg van de vaststelling in artikel 244, § 1, 3°, en treft de regelingen die zij passend acht voor een adequate coördinatie met de rechterlijke instanties, in voorkomend geval overeenkomstig de artikelen 273, 273/1 en 291/1.

§ 6.Indien betalings- of leveringsverplichtingen uit hoofde van een contract worden opgeschort, worden de uit hoofde van dat contract voor de tegenpartijen geldende betalings- of leveringsverplichtingen voor dezelfde periode opgeschort.

§ 7.Een betalings- of leveringsverplichting die tijdens de periode van opschorting had moeten worden nagekomen, moet onmiddellijk na het verstrijken van die periode worden nagekomen.

§ 8.De afwikkelingsautoriteit brengt de in paragraaf 1 bedoelde kredietinstelling en de in artikel 292, 1° tot en met 6° bedoelde autoriteiten onverwijld op de hoogte wanneer zij de opschortingsbevoegdheid uitoefent nadat op grond van artikel 244, § 1, 1°, is vastgesteld dat de kredietinstelling gebreke blijft of dat dit nakend is, en voordat een afwikkelingsmaatregel wordt genomen.

De afwikkelingsautoriteit maakt de maatregel of het instrument door middel waarvan de verplichtingen uit hoofde van dit artikel worden opgeschort en de voorwaarden voor en de periode van opschorting bekend of laat deze bekendmaken op de wijze bedoeld in artikel 295.

§ 9.Dit artikel geldt onverminderd artikel 236, § 1, 4° en de andere bepalingen waarbij bevoegdheden tot het opschorten van betalings- of leveringsverplichtingen van de in paragraaf 1 bedoelde kredietinstellingen worden verleend voordat uit hoofde van artikel 244, § 1, 1°, is vastgesteld dat die kredietinstellingen in gebreke blijven of dit nakend is, of tot het opschorten van betalings- of leveringsverplichtingen van kredietinstellingen of entiteiten bedoeld in paragraaf 1 die volgens een liquidatieprocedure moeten worden vereffend, en de in dit artikel bepaalde omvang en duur overschrijden. Dergelijke bevoegdheden worden uitgeoefend overeenkomstig de in die bepalingen vastgelegde omvang, duur en voorwaarden. De in dit artikel bepaalde voorwaarden laten de voorwaarden in verband met die bevoegdheid tot opschorting van betalings- of leveringsverplichtingen onverlet.

§ 10.Wanneer de afwikkelingsautoriteit de bevoegdheid tot het opschorten van betalings- of leveringsverplichtingen ten aanzien van een kredietinstelling bedoeld in paragraaf 1 uitoefent, kan de afwikkelingsautoriteit gedurende die opschorting ook de bevoegdheid uitoefenen om:

1°schuldeisers met een zekerheid van die kredietinstelling of entiteit te beperken in de tenuitvoerlegging van zekerheidsrechten met betrekking tot ongeacht welke activa van die kredietinstelling voor dezelfde duur, onder voorbehoud van de beperkingen bedoeld in artikel 280, § 2, 2°; en

2°beëindigingsrechten van ongeacht welke partij bij een contract met die kredietinstelling op te schorten voor dezelfde duur, in welk geval artikel 280 van toepassing is.

§ 11.Indien de afwikkelingsautoriteit de bevoegdheid tot opschorting van betalings- of leveringsverplichtingen heeft uitgeoefend overeenkomstig dit artikel, en indien vervolgens ten aanzien van die kredietinstelling afwikkelingsmaatregelen worden genomen, ziet de afwikkelingsautoriteit af van uitoefening van haar bevoegdheden uit hoofde van artikel 280, § 1 ten aanzien van die kredietinstelling.

Art. 245

§ 1.De afwikkelingsautoriteit neemt bij de toepassing van de afwikkelingsinstrumenten en de uitoefening van de afwikkelingsbevoegdheden alle passende maatregelen opdat de afwikkelingsmaatregel in overeenstemming is met de volgende beginselen:

1°de aandeelhouders van de kredietinstelling staan in eerste lijn om de verliezen te dragen;

2°de schuldeisers van de kredietinstelling dragen verliezen na de aandeelhouders volgens de rangorde van hun vorderingen in geval van samenloop van schuldeisers, onder voorbehoud van de uitzonderingen bepaald door deze wet;

3°het wettelijk bestuursorgaan en de leiding van de kredietinstelling worden vervangen, tenzij in de gevallen waarin de afwikkelingsautoriteit oordeelt dat het aanblijven van het volledige bestuursorgaan of de volledige directie of een deel ervan, naargelang de omstandigheden, noodzakelijk is voor het verwezenlijken van de afwikkelingsdoelstellingen;

4°het wettelijk bestuursorgaan en de directie van de kredietinstelling verstrekken alle vereiste bijstand voor het verwezenlijken van de afwikkelingsdoeleinden;

5°de oorzaken van en de verantwoordelijkheid voor het in gebreke blijven van de kredietinstelling worden onderzocht;

6°overeenkomstig de beginselen van eerlijke rechtsbedeling, geven de personen en entiteiten rekenschap voor het in gebreke blijven van de kredietinstelling binnen de grenzen van hun verantwoordelijkheid;

7°onder voorbehoud van de uitzonderingen bepaald door deze wet, worden schuldeisers van dezelfde categorie van de kredietinstelling op gelijke voet behandeld;

8°geen enkele schuldeiser lijdt grotere verliezen dan hij zou hebben geleden indien de kredietinstelling zou zijn vereffend volgens een liquidatieprocedure;

9°de gewaarborgde deposito's worden volledig beschermd; en

10°de afwikkelingsmaatregel wordt genomen met inachtneming van de vrijwaringsmaatregelen bepaald in Hoofdstuk VII.

§ 2.Het onderzoek bedoeld in paragraaf 1, 5° wordt uitgevoerd door een college van deskundigen aangesteld door de rechtbank op verzoek van de afwikkelingsautoriteit.

De artikelen 972 tot 976, 978, 984 en 987 tot 991bis van het Gerechtelijk Wetboek zijn van toepassing op het onderzoek, met dien verstande dat:

1°de afwikkelingsautoriteit en de betrokken kredietinstelling worden geacht de partijen te zijn bij de onderzoeksprocedure; en

2°de kosten en erelonen van de deskundigen afwikkelingskosten zijn als bedoeld in artikel 272.

§ 3.Bij de toepassing van de afwikkelingsinstrumenten en de uitoefening van de afwikkelingsbevoegdheden waakt de afwikkelingsautoriteit erover dat de werknemersvertegenwoordigers ingelicht en geraadpleegd worden.

§ 4.In de besluiten die zij overeenkomstig deze titel nemen, houden de afwikkelingsautoriteit en de toezichthouder rekening met de mogelijke gevolgen van het besluit in alle lidstaten waar de kredietinstelling of de groep waarvan zij deel uitmaakt actief is en beperken zij zoveel mogelijk de negatieve gevolgen voor de financiële stabiliteit en negatieve economische en sociale gevolgen in die lidstaten.