§ 1.De afwikkelingsautoriteit is bevoegd om, na raadpleging van de bevoegde autoriteiten, die tijdig antwoorden, betalings- of leveringsverplichtingen uit hoofde van elke overeenkomst waarbij een kredietinstelling partij is, op te schorten indien aan elk van de volgende voorwaarden is voldaan:
1°er is overeenkomstig artikel 244, § 1, 1°, vastgesteld dat de kredietinstelling in gebreke blijft of dat dit nakend is;
2°er is geen onmiddellijk beschikbare private maatregel voorhanden als bedoeld in artikel 244, § 1, 2°, die het in gebreke blijven van de kredietinstelling zou voorkomen;
3°de uitoefening van de opschortingsbevoegdheid wordt noodzakelijk geacht om te voorkomen dat de financiële toestand van de kredietinstelling verder verslechtert; en
4°de uitoefening van de opschortingsbevoegdheid is:
-noodzakelijk om tot de in artikel 244, § 1, 3°, bedoelde vaststelling te komen; of
-noodzakelijk om de passende afwikkelingsmaatregelen te bepalen of om de doeltreffende toepassing van een of meer afwikkelingsinstrumenten te waarborgen.
§ 2.De opschortingsbevoegdheid is niet van toepassing op betalings- of leveringsverplichtingen ten aanzien van (i) systemen en exploitanten van systemen die zijn aangewezen voor de toepassing van Richtlijn 98/26/EG, (ii) overeenkomstig de artikelen 14 en 25 van Verordening nr. 648/2012 vergunde of erkende centrale tegenpartijen en (iii) centrale banken.
De afwikkelingsautoriteit bepaalt de reikwijdte van de opschortingsbevoegdheid, rekening houdend met de omstandigheden van elk geval. De afwikkelingsautoriteit gaat met name zorgvuldig na of de toepassing van de opschorting naar in aanmerking komende, en in het bijzonder gewaarborgde, deposito's gepast is.
§ 3.Indien de bevoegdheid tot opschorting van betalings- of leveringsverplichtingen wordt uitgeoefend ten aanzien van in aanmerking komende, en in het bijzonder gewaarborgde, deposito's, zorgt de afwikkelingsautoriteit ervoor dat deposanten toegang hebben tot een passend bedrag per dag van deze deposito's.
§ 4.De periode van opschorting is zo kort mogelijk en niet langer dan de minimumperiode die de afwikkelingsautoriteit noodzakelijk acht voor de in paragraaf 1, onder 3° en 4° genoemde doeleinden, en duurt in ieder geval niet langer dan de tijdspanne vanaf de bekendmaking van een bericht tot opschorting uit hoofde van paragraaf 8 tot middernacht aan het eind van de werkdag die volgt op de dag van de bekendmaking.
§ 5.Bij de uitoefening van de opschortingsbevoegdheid houdt de afwikkelingsautoriteit rekening met de gevolgen die de uitoefening van die bevoegdheid kan hebben voor het ordelijke functioneren van de financiële markten. Wanneer de opschorting noodzakelijk is om tot de vaststelling te komen bedoeld in artikel 244, § 1, 3° houdt zij eveneens rekening met de toepasselijke regels ter vrijwaring van de rechten van de schuldeisers en de gelijke behandeling van schuldeisers in liquidatieprocedures. De afwikkelingsautoriteit houdt met name rekening met de mogelijke toepassing van liquidatieprocedures op de kredietinstelling of entiteit als gevolg van de vaststelling in artikel 244, § 1, 3°, en treft de regelingen die zij passend acht voor een adequate coördinatie met de rechterlijke instanties, in voorkomend geval overeenkomstig de artikelen 273, 273/1 en 291/1.
§ 6.Indien betalings- of leveringsverplichtingen uit hoofde van een contract worden opgeschort, worden de uit hoofde van dat contract voor de tegenpartijen geldende betalings- of leveringsverplichtingen voor dezelfde periode opgeschort.
§ 7.Een betalings- of leveringsverplichting die tijdens de periode van opschorting had moeten worden nagekomen, moet onmiddellijk na het verstrijken van die periode worden nagekomen.
§ 8.De afwikkelingsautoriteit brengt de in paragraaf 1 bedoelde kredietinstelling en de in artikel 292, 1° tot en met 6° bedoelde autoriteiten onverwijld op de hoogte wanneer zij de opschortingsbevoegdheid uitoefent nadat op grond van artikel 244, § 1, 1°, is vastgesteld dat de kredietinstelling gebreke blijft of dat dit nakend is, en voordat een afwikkelingsmaatregel wordt genomen.
De afwikkelingsautoriteit maakt de maatregel of het instrument door middel waarvan de verplichtingen uit hoofde van dit artikel worden opgeschort en de voorwaarden voor en de periode van opschorting bekend of laat deze bekendmaken op de wijze bedoeld in artikel 295.
§ 9.Dit artikel geldt onverminderd artikel 236, § 1, 4° en de andere bepalingen waarbij bevoegdheden tot het opschorten van betalings- of leveringsverplichtingen van de in paragraaf 1 bedoelde kredietinstellingen worden verleend voordat uit hoofde van artikel 244, § 1, 1°, is vastgesteld dat die kredietinstellingen in gebreke blijven of dit nakend is, of tot het opschorten van betalings- of leveringsverplichtingen van kredietinstellingen of entiteiten bedoeld in paragraaf 1 die volgens een liquidatieprocedure moeten worden vereffend, en de in dit artikel bepaalde omvang en duur overschrijden. Dergelijke bevoegdheden worden uitgeoefend overeenkomstig de in die bepalingen vastgelegde omvang, duur en voorwaarden. De in dit artikel bepaalde voorwaarden laten de voorwaarden in verband met die bevoegdheid tot opschorting van betalings- of leveringsverplichtingen onverlet.
§ 10.Wanneer de afwikkelingsautoriteit de bevoegdheid tot het opschorten van betalings- of leveringsverplichtingen ten aanzien van een kredietinstelling bedoeld in paragraaf 1 uitoefent, kan de afwikkelingsautoriteit gedurende die opschorting ook de bevoegdheid uitoefenen om:
1°schuldeisers met een zekerheid van die kredietinstelling of entiteit te beperken in de tenuitvoerlegging van zekerheidsrechten met betrekking tot ongeacht welke activa van die kredietinstelling voor dezelfde duur, onder voorbehoud van de beperkingen bedoeld in artikel 280, § 2, 2°; en
2°beëindigingsrechten van ongeacht welke partij bij een contract met die kredietinstelling op te schorten voor dezelfde duur, in welk geval artikel 280 van toepassing is.
§ 11.Indien de afwikkelingsautoriteit de bevoegdheid tot opschorting van betalings- of leveringsverplichtingen heeft uitgeoefend overeenkomstig dit artikel, en indien vervolgens ten aanzien van die kredietinstelling afwikkelingsmaatregelen worden genomen, ziet de afwikkelingsautoriteit af van uitoefening van haar bevoegdheden uit hoofde van artikel 280, § 1 ten aanzien van die kredietinstelling.