In de mate en op de wijze bepaald in dit Boek, zijn de bepalingen van Boek II, Titel II, Hoofdstuk VII en van Titels IV en VIII van toepassing op:
1°kredietinstellingen die onder het recht van een lidstaat ressorteren;
1°/1 beursvennootschappen die onder het recht van een lidstaat ressorteren en die overeenkomstig artikel 28, lid 2 van Richtlijn 2013/36/EU een minimumkapitaal hebben van 730 000 euro;
2°in de EER gevestigde financiële holdings, gemengde financiële holdings en gemengde holdings;
3°financiële moederholdings in een lidstaat, financiële EER-moederholdings, gemengde financiële moederholdings in een lidstaat, gemengde financiële EER-moederholdings;
4°in de EER gevestigde financiële instellingen indien zij dochteronderneming zijn van een kredietinstelling dan wel van een in punt 3° of 4° bedoelde onderneming, en onder het toezicht op geconsolideerde basis op de moederonderneming vallen;
5°in een lidstaat gevestigde bijkantoren van kredietinstellingen of beursvennootschappen die onder het recht van een derde land ressorteren.