Alle wetboeken › Bankwet

BOEK XI - HERSTEL EN AFWIKKELING VAN GROEPEN › TITEL V - Afwikkeling van groepen

HOOFDSTUK VI - Afwikkeling van grensoverschrijdende groepen

465–477

Art. 465

§ 1.Wanneer met toepassing van dit Hoofdstuk een groepsafwikkelingsregeling wordt opgesteld:

1°wordt rekening gehouden met en gevolg gegeven aan de in artikel 439 bedoelde groepsafwikkelingsplannen, tenzij de afwikkelingsautoriteiten, rekening houdend met de omstandigheden van de zaak, van oordeel zijn dat de doelstellingen op doeltreffender wijze kunnen worden verwezenlijkt door maatregelen waarin de groepsafwikkelingsplannen niet voorzien;

2°worden de afwikkelingsmaatregelen geschetst die door de betrokken afwikkelingsautoriteiten moeten worden genomen met betrekking tot de EER-moederonderneming of bepaalde groepsentiteiten, teneinde tegemoet te komen aan de in de artikelen 243, 245, 454, 455 en 456 bedoelde afwikkelingsdoelstellingen en -beginselen;

3°wordt beschreven hoe deze afwikkelingsmaatregelen moeten worden gecoördineerd;

4°wordt een financieringsplan vastgesteld waarin rekening wordt gehouden met het groepsafwikkelingsplan en de overeenkomstig artikel 441, § 1, 5°, vastgestelde beginselen voor de verdeling van de verantwoordelijkheid.

§ 2.Tenzij hierna anders bepaald, neemt de groepsafwikkelingsregeling de vorm aan van een gezamenlijk besluit van de afwikkelingsautoriteit op groepsniveau en de afwikkelingsautoriteiten die bevoegd zijn voor de onder de groepsafwikkelingsregeling vallende dochterondernemingen.

De EBA kan, op verzoek van een afwikkelingsautoriteit, overeenkomstig artikel 31, onder c), van Verordening nr. 1093/2010 de afwikkelingsautoriteiten bijstaan bij het bereiken van een gezamenlijk besluit.

Art. 465/1

§ 1.Het in artikel 465, § 1, 4°, bedoelde financieringsplan omvat:

1°een waardering als bedoeld in artikel 246 ten aanzien van de betroffen groepsentiteiten;

2°de verliezen die elke getroffen groepsentiteit moet onderkennen op het ogenblik waarop de afwikkelingsinstrumenten worden toegepast;

3°voor elke getroffen groepsentiteit, de verliezen die elke categorie van aandeelhouders en schuldeisers zou lijden;

4°elke bijdrage die het Garantiefonds en de andere nationale depositogarantiestelsels moeten leveren krachtens artikel 384/1 of krachtens artikel 109, lid 1, van Richtlijn 2014/59/EU;

5°de totale bijdrage door financieringsregelingen voor de afwikkeling en het doel en de vorm van de bijdrage;

6°de basis voor de berekening van het bedrag dat elke nationale financieringsregeling van de lidstaten waar de getroffen groepsentiteiten gevestigd zijn, moet bijdragen aan de financiering van de groepsafwikkeling tot opbouw van de in punt 5° bedoelde bijdrage;

7°het bedrag dat de nationale financieringsregeling van elke getroffen groepsentiteit moet bijdragen aan de financiering van de groepsafwikkeling, evenals de vorm van die bijdragen;

8°het bedrag aan leningen dat de financieringsregelingen van de lidstaten waar de getroffen groepsentiteiten gevestigd zijn, zullen betrekken van kredietinstellingen, financiële instellingen en andere partijen, overeenkomstig artikel 6/3, § 1, van de wet van 28 december 2011 op het Afwikkelingsfonds of artikel 105 van Richtlijn 2014/59/EU;

9°de termijn voor het gebruik van de financieringsregelingen van de lidstaten waar de getroffen entiteiten gevestigd zijn, welke in voorkomend geval verlengd moet kunnen worden.

§ 2.De basis voor het verdelen van de in paragraaf 1, punt 5°, bedoelde bijdrage dient te stroken met het bepaalde in artikel 3, 9°, van het koninklijk besluit van 5 maart 2017 tot uitvoering van de wet van 25 april 2014 op het statuut van en het toezicht op kredietinstellingen en beursvennootschappen, wat de opmaak van afwikkelingsplannen en groepsafwikkelingsplannen en de beoordeling van de afwikkelbaarheid betreft, tenzij in het financieringsplan anders is bepaald.

De berekening van de bijdrage van elke nationale financieringsregeling is, tenzij anders in het financieringsplan is bepaald, met name gebaseerd op:

1°de omvang van de risicogewogen activa van de groep aangehouden door de entiteiten als bedoeld in artikel 424, 1° tot 4°, die gevestigd zijn in de lidstaat van die afwikkelingsfinancieringsregeling;

2°de omvang van de activa van de groep aangehouden door de entiteiten als bedoeld in artikel 424, 1° tot 4°, die gevestigd zijn in de lidstaat van die afwikkelingsfinancieringsregeling;

3°de omvang van de verliezen die geleid hebben tot de noodzaak van een groepsafwikkeling die haar oorsprong vindt in groepsentiteiten onder toezicht van de bevoegde autoriteiten in de lidstaat van die afwikkelingsfinancieringsregeling; en

4°de omvang van de middelen van de financieringsregeling van de groep die in het kader van het financieringsplan naar verwachting rechtstreeks gebruikt zullen worden voor groepsentiteiten die gevestigd zijn in de lidstaat van die afwikkelingsfinancieringsregeling.

Art. 466

§ 1.De afwikkelingsautoriteit voert alle in dit Hoofdstuk bedoelde handelingen onverwijld uit, met inachtneming van het spoedeisende karakter van de situatie.

§ 2.Indien een groepsafwikkelingsregeling niet is uitgevoerd en de afwikkelingsautoriteit afwikkelingsmaatregelen treft met betrekking tot een groepsentiteit, werkt zij hoe dan ook nauw samen met het afwikkelingscollege om een gecoördineerde afwikkelingsstrategie te verwezenlijken voor alle groepsentiteiten die in gebreke blijven of waarschijnlijk in gebreke zullen blijven.

§ 3.Wanneer de afwikkelingsautoriteit een afwikkelingsmaatregel met betrekking tot een groepsentiteit treft, houdt zij de leden van het afwikkelingscollege regelmatig en volledig op de hoogte van deze maatregelen en van de bij de uitvoering daarvan gemaakte vorderingen.

Art. 467

Wanneer met toepassing van de artikelen 472 tot 477 een gezamenlijk besluit dan wel een besluit bij ontstentenis van een gezamenlijk besluit wordt genomen, erkent de afwikkelingsautoriteit deze besluiten als definitief en past zij deze in voorkomend geval toe in België.

Art. 468

§ 1.Onverminderd artikel 470 richt de afwikkelingsautoriteit, in haar hoedanigheid van afwikkelingsautoriteit op groepsniveau, afwikkelingscolleges op om de taken bedoeld in de artikelen 439, 449, 450, 459 tot en met 462, en in Afdeling IV van dit Hoofdstuk uit te voeren en om, in voorkomend geval, de samenwerking en coördinatie met afwikkelingsautoriteiten van derde landen te verzekeren.

In haar hoedanigheid van afwikkelingsautoriteit op groepsniveau is de afwikkelingsautoriteit niet verplicht een afwikkelingscollege op te richten indien andere groepen of colleges dezelfde functies vervullen en dezelfde taken uitvoeren als die welke in dit artikel zijn vermeld en alle in dit artikel en artikel 471 vastgelegde voorwaarden en procedures, met inbegrip van die inzake het lidmaatschap van en de deelname aan afwikkelingscolleges, in acht nemen. In een dergelijk geval worden alle in deze wet voorkomende verwijzingen naar afwikkelingscolleges tevens beschouwd als verwijzingen naar deze andere groepen of colleges.

§ 2.Binnen de afwikkelingscolleges verricht de afwikkelingsautoriteit, in haar hoedanigheid van afwikkelingsautoriteit op groepsniveau, samen met de andere leden van het college de volgende taken:

1°uitwisselen van informatie die relevant is voor de opstelling van groepsafwikkelingsplannen, voor de uitoefening op groepen van voorbereidende en preventiebevoegdheden en voor groepsafwikkeling;

2°opstellen van groepsafwikkelingsplannen;

3°beoordelen van de afwikkelbaarheid van groepen;

4°uitoefenen van bevoegdheden om belemmeringen voor de afwikkelbaarheid van groepen te verminderen of op te heffen;

5°beslissingen nemen inzake de noodzaak van het opzetten van een groepsafwikkelingsregeling als bedoeld in Afdeling IV van dit Hoofdstuk;

6°akkoorden sluiten over een overeenkomstig Afdeling IV van dit Hoofdstuk voorgestelde groepsafwikkelingsregeling;

7°coördineren van de openbare communicatie van groepsafwikkelingsstrategieën en -plannen;

8°coördineren van het gebruik van financieringsregelingen;

9°vaststellen van de minimumvereisten voor groepen op geconsolideerd en subsidiair niveau overeenkomstig de artikelen 459 en 460.

Afwikkelingscolleges kunnen aangewend worden als discussieforum voor vraagstukken betreffende grensoverschrijdende groepsafwikkeling.

§ 3.De afwikkelingsautoriteit, in haar hoedanigheid van afwikkelingsautoriteit op groepsniveau, en de andere leden van het college werken nauw samen.

§ 4.De afwikkelingsautoriteit is, in haar hoedanigheid van afwikkelingsautoriteit op groepsniveau, voorzitter van het afwikkelingscollege. In die hoedanigheid:

1°stelt zij schriftelijke regelingen en procedures op voor de werking van het afwikkelingscollege, na raadpleging van de andere leden van het afwikkelingscollege;

2°coördineert zij alle werkzaamheden van het afwikkelingscollege;

3°roept zij alle vergaderingen bijeen en zit deze voor, en informeert zij alle leden van het afwikkelingscollege vooraf volledig over de organisatie van vergaderingen van het afwikkelingscollege, de voornaamste agendapunten en de in overweging te nemen punten;

4°houdt zij de leden van het afwikkelingscollege op de hoogte van geplande vergaderingen zodat zij om deelname kunnen verzoeken;

5°beslist zij, op basis van de specifieke behoeften, welke leden en waarnemers voor bepaalde vergaderingen van het afwikkelingscollege moeten worden uitgenodigd, met inachtneming van het belang van het te bespreken punt voor die leden en waarnemers, in het bijzonder de gevolgen daarvan op de financiële stabiliteit in de betrokken lidstaten, en rekening houdend met het recht van de afwikkelingsautoriteiten om aan vergaderingen deel te nemen wanneer er punten op de agenda staan waarover een gezamenlijk besluit moet worden genomen of die een in hun lidstaat gelegen groepsentiteit betreffen;

6°informeert zij alle leden van het college tijdig over de besluiten en resultaten van die vergaderingen.

§ 5.In haar hoedanigheid van afwikkelingsautoriteit op groepsniveau, nodigt de afwikkelingsautoriteit de volgende autoriteiten uit tot deelname aan een door haar opgericht afwikkelingscollege:

1°de buitenlandse afwikkelingsautoriteiten van elke lidstaat waarin een aan toezicht op geconsolideerde basis onderworpen dochteronderneming is gevestigd;

2°de buitenlandse afwikkelingsautoriteiten van de lidstaten waar een moederonderneming van een of meer instellingen van de groep, die een in artikel 424, 3° bedoelde entiteit is, gevestigd is;

3°de buitenlandse afwikkelingsautoriteiten van lidstaten waar significante bijkantoren zijn gevestigd;

4°de consoliderende toezichthouder en de bevoegde autoriteiten van de lidstaten waarvan de afwikkelingsautoriteit een lid van het afwikkelingscollege is;

5°de bevoegde ministeries, indien de afwikkelingsautoriteiten die lid zijn van het afwikkelingscollege, niet de bevoegde ministeries zijn;

6°de voor de depositogarantiestelsels bevoegde overheidsinstantie van een lidstaat, indien de afwikkelingsautoriteit van die lidstaat lid is van een afwikkelingscollege;

7°de EBA;

8°op hun verzoek en uitsluitend als waarnemer, de afwikkelingsautoriteiten van derde landen, indien een moederonderneming of een in de EER gevestigde kredietinstelling een zich in die landen bevindende dochterkredietinstelling of een bijkantoor heeft dat als significant zou worden beschouwd indien het zich in de EER bevond, en mits zij onderworpen zijn aan vertrouwelijkheidsvereisten die naar het oordeel van de afwikkelingsautoriteit, in haar hoedanigheid van afwikkelingsautoriteit op groepsniveau, gelijkwaardig zijn aan deze die van toepassing zijn op de afwikkelingsautoriteit.

Art. 469

In haar hoedanigheid van afwikkelingsautoriteit die bevoegd is voor de afwikkeling van groepsentiteiten naar Belgisch recht die dochterondernemingen zijn van een EER-moederonderneming, neemt de afwikkelingsautoriteit deel aan de afwikkelingscolleges die opgericht zijn door de buitenlandse afwikkelingsautoriteit op groepsniveau.

Art. 470

§ 1.Indien een kredietinstelling die onder het recht van een derde land ressorteert of een moederonderneming die onder het recht van een derde land ressorteert, dochterondernemingen of EER-moederondernemingen heeft in België en in een of meer andere lidstaten of twee of meer bijkantoren heeft die in het licht van de beoordelingscriteria van artikel 51, lid 1, tweede alinea van Richtlijn 2013/36//EU als significant worden aangemerkt door België en door een of meer andere lidstaten, richt de afwikkelingsautoriteit samen met de betrokken buitenlandse afwikkelingsautoriteiten één enkel Europees afwikkelingscollege op.

§ 2.Het Europees afwikkelingscollege voert met betrekking tot de entiteiten bedoeld in paragraaf 1 en hun bijkantoren, indien relevant voor hen, de taken uit als bedoeld in artikel 468, § 2. Tenzij hierna anders bepaald, functioneert het Europees afwikkelingscollege zoals beschreven in artikel 468.

Een van de taken bedoeld in het voorgaande lid is het vaststellen van de in de artikelen 459 en 460 bedoelde vereisten.

Bij het vaststellen van het in de artikelen 459 en 460 bedoelde vereisten houden de leden van het Europees afwikkelingscollege, in voorkomend geval, rekening met de mondiale afwikkelingsstrategie die door de autoriteiten van derde landen is goedgekeurd.

Indien in de EER gevestigde dochterondernemingen of een EER-moederonderneming en haar dochterinstellingen volgens de mondiale afwikkelingsstrategie geen af te wikkelen entiteiten zijn en de leden van het Europees afwikkelingscollege het eens zijn met die strategie, voldoen in de EER gevestigde dochterondernemingen of, op geconsolideerde basis, de EER-moederonderneming aan het vereiste van artikel 267/5/4, § 1, door de in artikel 267/5/4, § 2, 1° en 2°, bedoelde instrumenten uit te geven aan hun uiteindelijke in een derde land gevestigde moederonderneming of aan de in datzelfde derde land gevestigde dochterondernemingen van die uiteindelijke moederonderneming of aan andere entiteiten overeenkomstig de voorwaarden van artikel 267/5/4, § 2, 1°, onder a), en 2°, onder b).

§ 3.Indien slechts één EER-moederonderneming alle EER-dochterondernemingen van een kredietinstelling van een derde land of moederonderneming van een derde land bezit, wordt het Europees afwikkelingscollege voorgezeten door de afwikkelingsautoriteit van de lidstaat waar de EER-moederonderneming is gevestigd.

Indien het voorgaande lid niet van toepassing is, wordt het Europees afwikkelingscollege voorgezeten door de afwikkelingsautoriteit van een EER-moederonderneming of een EER-dochteronderneming met het hoogste totaalbedrag aan in haar balans opgenomen activa.

§ 4.Na onderlinge overeenstemming tussen alle betrokken partijen zijn de afwikkelingsautoriteiten niet verplicht een Europees afwikkelingscollege op te richten indien een andere groep of een ander college dezelfde functies vervult en dezelfde taken uitvoert als die welke in dit artikel zijn vermeld en alle in dit artikel en artikel 471 vastgelegde voorwaarden en procedures, met inbegrip van die inzake het lidmaatschap van en de deelname aan Europese afwikkelingscolleges, in acht neemt. In een dergelijk geval worden alle in deze wet voorkomende verwijzingen naar Europese afwikkelingscolleges tevens beschouwd als verwijzingen naar deze andere groepen of colleges.

§ 5.Onder voorbehoud van de paragrafen 3 en 4 functioneert het Europees afwikkelingscollege voor het overige overeenkomstig artikel 468.

Art. 471

§ 1.De afwikkelingsautoriteit werkt voor de afwikkeling van grensoverschrijdende groepen nauw samen met de afwikkelingsautoriteiten die bevoegd zijn voor de afwikkeling van groepsentiteiten naar buitenlands recht. Daartoe verstrekken zij elkaar op verzoek alle relevante informatie en delen elkaar uit eigen beweging alle essentiële informatie mee.

In haar hoedanigheid van afwikkelingsautoriteit op groepsniveau, coördineert de afwikkelingsautoriteit de stroom van alle relevante informatie tussen de betrokken afwikkelingsautoriteiten en toezichthouders. Zij verstrekt de buitenlandse afwikkelingsautoriteiten en toezichthouders met name tijdig alle relevante informatie met het oog op het vergemakkelijken van de uitoefening van de taken van het afwikkelingscollege als bedoeld in artikel 468, § 2.

§ 2.De afwikkelingsautoriteit deelt met de minister van Financiën informatie over de afwikkeling van grensoverschrijdende groepen indien deze informatie verband houdt met een besluit of aangelegenheid zoals bedoeld in artikel 268, § 2 en artikel 292, 5°, of die mogelijk gevolgen heeft voor de overheidsmiddelen.

Art. 472

§ 1.Wanneer de afwikkelingsautoriteit besluit dat een kredietinstelling naar Belgisch recht of een groepsentiteit naar Belgisch recht als bedoeld in artikel 424, 2°, 3° of 4° die dochteronderneming van een Belgische EER-moederonderneming is, voldoet aan de voorwaarden bedoeld in artikel 244 of 454, stelt zij de toezichthouder en de leden van het relevante afwikkelingscollege onverwijld in kennis van het volgende:

1°het besluit dat de kredietinstelling of de betrokken groepsentiteit aan de in artikel 244 of 454 gestelde voorwaarden voldoet; en

2°de afwikkelingsmaatregelen of de liquidatieprocedure die de afwikkelingsautoriteit voor die kredietinstelling of groepsentiteit passend acht.

§ 2.In haar hoedanigheid van afwikkelingsautoriteit op groepsniveau beoordeelt de afwikkelingsautoriteit na overleg met de andere leden van het afwikkelingscollege de waarschijnlijke invloed van de overeenkomstig paragraaf 1 ter kennis gebrachte maatregelen op de groep en op groepsentiteiten in andere lidstaten, en met name of de betrokken maatregelen de kans doen toenemen dat een groepsentiteit in een andere lidstaat aan de afwikkelingsvoorwaarden zal voldoen.

§ 3.Indien de afwikkelingsautoriteit, in haar hoedanigheid van afwikkelingsautoriteit op groepsniveau, oordeelt dat de overeenkomstig paragraaf 1 ter kennis gebrachte maatregelen de kans niet doen toenemen dat een groepsentiteit in een andere lidstaat aan de in artikel 244 of 454 gestelde afwikkelingsvoorwaarden zal voldoen, kan zij de aldus ter kennis gebrachte of andere maatregelen toepassen.

§ 4.Indien de afwikkelingsautoriteit, in haar hoedanigheid van afwikkelingsautoriteit op groepsniveau, oordeelt dat de overeenkomstig paragraaf 1 ter kennis gebrachte maatregelen de kans doen toenemen dat een groepsentiteit in een andere lidstaat aan de in artikel 244 of 454 gestelde afwikkelingsvoorwaarden zal voldoen, stelt zij uiterlijk 24 uur na ontvangst van de kennisgeving op grond van paragraaf 1, een groepsafwikkelingsregeling voor die beantwoordt aan de vereisten van artikel 465, § 1, en die zij aan het afwikkelingscollege voorlegt. Zij kan de termijn van 24 uur evenwel verlengen met de instemming van de afwikkelingsautoriteit die de in paragraaf 1 bedoelde kennisgeving heeft verricht.

§ 5.In haar hoedanigheid van afwikkelingsautoriteit op groepsniveau neemt de afwikkelingsautoriteit samen met de buitenlandse afwikkelingsautoriteiten die het niet oneens zijn een gezamenlijk besluit over een groepsafwikkelingsregeling die de relevante groepsentiteiten bestrijkt, overeenkomstig artikel 465, § 2.

Art. 473

§ 1.Wanneer de afwikkelingsautoriteit besluit dat een kredietinstelling naar Belgisch recht of een groepsentiteit naar Belgisch recht als bedoeld in artikel 424, 2°, 3° of 4° die dochteronderneming van een EER-moederonderneming in een andere lidstaat is, voldoet aan de voorwaarden bedoeld in artikel 244 of 454, stelt zij de buitenlandse afwikkelingsautoriteit op groepsniveau, de consoliderende toezichthouder en de leden van het relevante afwikkelingscollege onverwijld in kennis van:

1°het besluit dat de kredietinstelling of de betrokken groepsentiteit aan de in artikel 244 of 454 gestelde voorwaarden voldoet; en

2°de afwikkelings- of vereffeningsmaatregelen die de afwikkelingsautoriteit voor die kredietinstelling of groepsentiteit passend acht.

§ 2.De afwikkelingsautoriteit overlegt met de buitenlandse afwikkelingsautoriteit op groepsniveau over de waarschijnlijke invloed van de overeenkomstig paragraaf 1 ter kennis gebrachte maatregelen op de groep en op groepsentiteiten in andere lidstaten, en met name of de betrokken maatregelen de kans doen toenemen dat een groepsentiteit in een andere lidstaat aan de afwikkelingsvoorwaarden zal voldoen.

§ 3.Indien de buitenlandse afwikkelingsautoriteit op groepsniveau oordeelt dat de overeenkomstig paragraaf 1 ter kennis gebrachte maatregelen de kans niet doen toenemen dat een groepsentiteit in een andere lidstaat aan de in artikel 244 of 454 gestelde afwikkelingsvoorwaarden zal voldoen, kan de afwikkelingsautoriteit de aldus ter kennis gebrachte of andere maatregelen treffen.

§ 4.Indien de buitenlandse afwikkelingsautoriteit op groepsniveau oordeelt dat de overeenkomstig paragraaf 1 ter kennis gebrachte maatregelen de kans doen toenemen dat een groepsentiteit in een andere lidstaat aan de in artikel 244 of 454 gestelde afwikkelingsvoorwaarden zal voldoen, is het volgende van toepassing:

1°de afwikkelingsautoriteit kan instemming verlenen voor het verlengen van de termijn waarbinnen de buitenlandse afwikkelingsautoriteit op groepsniveau een groepsafwikkelingsregeling dient voor te leggen aan het afwikkelingscollege;

2°indien de buitenlandse afwikkelingsautoriteit op groepsniveau binnen een termijn van 24 uur, of een langere termijn indien dat is overeengekomen, na ontvangst van de kennisgeving bedoeld in paragraaf 1 geen beoordeling heeft verricht, kan de afwikkelingsautoriteit de overeenkomstig paragraaf 1 ter kennis gebrachte afwikkelingsmaatregelen of andere maatregelen treffen;

3°indien de buitenlandse afwikkelingsautoriteit op groepsniveau een groepsafwikkelingsregeling heeft voorgesteld en de afwikkelingsautoriteit het daarmee eens is, treft zij samen met de buitenlandse afwikkelingsautoriteit op groepsniveau en de buitenlandse afwikkelingsautoriteiten een gezamenlijk besluit over de afwikkelingsregeling;

4°indien de afwikkelingsautoriteit het niet eens is met de groepsafwikkelingsregeling voorgesteld door de buitenlandse afwikkelingsautoriteit op groepsniveau, of om redenen van financiële stabiliteit meent onafhankelijke afwikkelingsmaatregelen ten aanzien van de betrokken Belgische kredietinstelling of groepsentiteit te moeten nemen die verschillen van die welke in het kader van de regeling zijn voorgesteld, motiveert zij in detail waarom zij het daar niet mee eens is, brengt zij deze motivering ter kennis van de buitenlandse afwikkelingsautoriteit op groepsniveau en de betrokken buitenlandse afwikkelingsautoriteiten, en deelt zij mee welke maatregelen zij voornemens is te nemen. De afwikkelingsautoriteit houdt in haar motivering rekening met de groepsafwikkelingsplannen bedoeld in artikel 439, de mogelijke gevolgen voor de financiële stabiliteit in de betrokken lidstaten en de mogelijke gevolgen van de maatregelen op de andere groepsentiteiten.

Art. 474

§ 1.Wanneer de afwikkelingsautoriteit, in haar hoedanigheid van afwikkelingsautoriteit op groepsniveau, kennis krijgt van een besluit als bedoeld in artikel 91, lid 1 van Richtlijn 2014/59/EU over een kredietinstelling of een groepsentiteit naar buitenlands recht als bedoeld in artikel 424, 2°, 3° of 4° die dochteronderneming van een Belgische EER-moederonderneming is, beoordeelt zij, na overleg met de andere leden van het betrokken afwikkelingscollege, de waarschijnlijke invloed van de aldus ter kennis gebrachte afwikkelings- of insolventiemaatregelen op de groep en op groepsentiteiten in andere lidstaten, en met name of de betrokken maatregelen de kans doen toenemen dat een groepsentiteit in een andere lidstaat aan de afwikkelingsvoorwaarden zal voldoen.

§ 2.Indien de afwikkelingsautoriteit, in haar hoedanigheid van afwikkelingsautoriteit op groepsniveau, na overleg met de andere leden van het afwikkelingscollege oordeelt dat de overeenkomstig paragraaf 1 ter kennis gebrachte maatregelen de kans niet doen toenemen dat een groepsentiteit in een andere lidstaat aan de in artikel 244 of 454 gestelde afwikkelingsvoorwaarden zal voldoen, brengt zij de buitenlandse afwikkelingsautoriteit die de kennisgeving heeft gedaan daar onverwijld van op de hoogte.

Indien de afwikkelingsautoriteit, in haar hoedanigheid van afwikkelingsautoriteit op groepsniveau, na overleg met de andere leden van het afwikkelingscollege oordeelt dat de overeenkomstig paragraaf 1 ter kennis gebrachte maatregelen de kans doen toenemen dat een groepsentiteit in een andere lidstaat aan de in artikel 244 of 454 gestelde afwikkelingsvoorwaarden zal voldoen, stelt zij uiterlijk 24 uur na ontvangst van de kennisgeving op grond van paragraaf 1, een groepsafwikkelingsregeling voor die beantwoordt aan de vereisten van artikel 465, § 1, en die zij aan het afwikkelingscollege voorlegt. Zij kan de termijn van 24 uur verlengen met instemming van de buitenlandse afwikkelingsautoriteit die de kennisgeving bedoeld in paragraaf 1 heeft gedaan.

§ 3.In haar hoedanigheid van afwikkelingsautoriteit op groepsniveau neemt de afwikkelingsautoriteit samen met de buitenlandse afwikkelingsautoriteiten die het niet oneens zijn een gezamenlijk besluit over een groepsafwikkelingsregeling die de relevante groepsentiteiten bestrijkt, overeenkomstig artikel 465, § 2.

Art. 475

§ 1.Wanneer de afwikkelingsautoriteit, in haar hoedanigheid van lid van een afwikkelingscollege, kennis krijgt van een besluit als bedoeld in artikel 91, lid 1 van Richtlijn 2014/59/EU over een kredietinstelling of een groepsentiteit naar buitenlands recht als bedoeld in artikel 424, 2°, 3° of 4° die dochteronderneming is van een EER-moederonderneming in een andere lidstaat, overlegt zij met de andere leden van het afwikkelingscollege over de waarschijnlijke invloed van de aldus ter kennis gebrachte afwikkelings- of vereffeningsmaatregelen op de groep en op groepsentiteiten in andere lidstaten, en met name of de betrokken maatregelen de kans doen toenemen dat een groepsentiteit in een andere lidstaat aan de afwikkelingsvoorwaarden zal voldoen.

§ 2.Indien de buitenlandse afwikkelingsautoriteit op groepsniveau oordeelt dat de overeenkomstig paragraaf 1 ter kennis gebrachte maatregelen de kans doen toenemen dat een groepsentiteit in een andere lidstaat aan de afwikkelings-voorwaarden zal voldoen en binnen de termijn van 24 uur na ontvangst van de kennisgeving bedoeld in § 1 een groepsafwikkelingsregeling heeft voorgesteld, is het volgende van toepassing:

1°indien de afwikkelingsautoriteit het eens is met de voorgestelde groepsafwikkelingsregeling, treft zij samen met de buitenlandse afwikkelingsautoriteit op groepsniveau en de buitenlandse afwikkelingsautoriteiten een gezamenlijk besluit over de afwikkelingsregeling;

2°indien de afwikkelingsautoriteit het niet eens is met de groepsafwikkelingsregeling voorgesteld door de buitenlandse afwikkelingsautoriteit op groepsniveau, of om redenen van financiële stabiliteit meent onafhankelijke afwikkelingsmaatregelen ten aanzien van een Belgische kredietinstelling of groepsentiteit naar Belgisch recht te moeten nemen die verschillen van die welke in het kader van de regeling zijn voorgesteld, motiveert zij in detail waarom zij het daar niet mee eens is, brengt zij deze motivering ter kennis van de buitenlandse afwikkelingsautoriteit op groepsniveau en de betrokken buitenlandse afwikkelingsautoriteiten, en deelt zij mee welke maatregelen zij voornemens is te nemen. De afwikkelingsautoriteit houdt in haar motivering rekening met de groepsafwikkelingsplannen bedoeld in artikel 439, de mogelijke gevolgen voor de financiële stabiliteit in de betrokken lidstaten en de mogelijke gevolgen van de maatregelen op de andere groepsentiteiten.

Art. 476

§ 1.Indien de afwikkelingsautoriteit, in haar hoedanigheid van afwikkelingsautoriteit op groepsniveau, besluit dat een Belgische EER-moederonderneming voldoet aan de voorwaarden gesteld in artikel 244 of 454, stelt zij de toezichthouder en de andere leden van het betrokken afwikkelingscollege onverwijld in kennis van het volgende:

1°het besluit dat de moederonderneming aan de in artikel 244 of 454 gestelde voorwaarden voldoet; en

2°de afwikkelings- of vereffeningsmaatregelen die de afwikkelingsautoriteit voor die moederonderneming passend acht.

§ 2.De in paragraaf 1 bedoelde afwikkelings- of insolventiemaatregelen kunnen een groepsafwikkelingsregeling omvatten in één of meer van de volgende omstandigheden:

1°de overeenkomstig paragraaf 1 ter kennis gebrachte maatregelen op het niveau van de moederonderneming maken het aannemelijk dat een groepsentiteit in een andere lidstaat aan de afwikkelingsvoorwaarden zal voldoen;

2°de maatregelen op het niveau van de moederonderneming volstaan niet om de situatie stabiel te maken of zullen wellicht geen optimaal resultaat opleveren;

3°een of meer dochterondernemingen voldoen naar het oordeel van de voor deze dochterondernemingen bevoegde afwikkelingsautoriteiten aan de afwikkelingsvoorwaarden; of

4°de maatregelen op groepsniveau komen de dochterondernemingen van de groep op zodanige wijze ten goede dat een groepsafwikkelingsregeling passend wordt.

§ 3.Indien de maatregelen die de afwikkelingsautoriteit, in haar hoedanigheid van afwikkelingsautoriteit op groepsniveau, krachtens paragraaf 1 heeft voorgesteld, geen groepsafwikkelingsplan omvatten, neemt zij haar besluit na raadpleging van de leden van het afwikkelingscollege.

Dit besluit houdt rekening met de financiële stabiliteit van de betrokken lidstaten en met en geeft gevolg aan de in artikel 439 bedoelde groepsafwikkelingsplannen, tenzij de afwikkelingsautoriteiten, rekening houdend met de omstandigheden van de zaak, van oordeel zijn dat de doelstellingen op doeltreffender wijze kunnen worden verwezenlijkt door maatregelen waarin de afwikkelingsplannen niet voorzien.;

§ 4.Indien de maatregelen die de afwikkelingsautoriteit, in haar hoedanigheid van afwikkelingsautoriteit op groepsniveau, krachtens paragraaf 1 heeft voorgesteld, een groepsafwikkelingsregeling omvatten, neemt zij samen met de buitenlandse afwikkelingsautoriteiten die het niet oneens zijn een gezamenlijk besluit, overeenkomstig artikel 465, § 2.

Art. 477

Wanneer een buitenlandse afwikkelingsautoriteit op groepsniveau de afwikkelingsautoriteit ervan in kennis stelt dat een EER-moederonderneming in een andere lidstaat aan de voorwaarden voor afwikkeling voldoet, is het volgende van toepassing:

1°de afwikkelingsautoriteit kan de buitenlandse afwikkelingsautoriteit op groepsniveau en de andere leden van het afwikkelingscollege ervan in kennis stellen dat, naar haar oordeel, een of meer Belgische dochterondernemingen van dezelfde groep eveneens aan de in artikel 244 of 454 gestelde afwikkelingsvoorwaarden voldoen;

2°indien de door de buitenlandse afwikkelingsautoriteit op groepsniveau voorgestelde maatregel geen groepsafwikkelingsregeling omvat, neemt de buitenlandse afwikkelingsautoriteit op groepsniveau haar besluit na overleg met de leden van het afwikkelingscollege;

3°indien de door de buitenlandse afwikkelingsautoriteit op groepsniveau voorgestelde maatregel een groepsafwikkelingsregeling omvat, treft de afwikkelingsautoriteit samen met de buitenlandse afwikkelingsautoriteit op groepsniveau en de buitenlandse afwikkelingsautoriteiten die het daarmee eens zijn een gezamenlijk besluit over de afwikkelingsregeling;

4°indien de afwikkelingsautoriteit het niet eens is met de groepsafwikkelingsregeling voorgesteld door de buitenlandse afwikkelingsautoriteit op groepsniveau, of om redenen van financiële stabiliteit meent onafhankelijke afwikkelingsmaatregelen ten aanzien van de betrokken kredietinstelling naar Belgisch recht of groepsentiteit te moeten nemen die verschillen van die welke in het kader van de regeling zijn voorgesteld, motiveert zij in detail waarom zij het daar niet mee eens is, brengt zij deze motivering ter kennis van de buitenlandse afwikkelingsautoriteit op groepsniveau en de betrokken buitenlandse afwikkelingsautoriteiten, en deelt zij mee welke maatregelen zij voornemens is te nemen. De afwikkelingsautoriteit houdt in haar motivering rekening met de groepsafwikkelingsplannen bedoeld in artikel 439, de mogelijke gevolgen voor de financiële stabiliteit in de betrokken lidstaten en de mogelijke gevolgen van de maatregelen op de andere groepsentiteiten.