§ 1.Onverminderd artikel 470 richt de afwikkelingsautoriteit, in haar hoedanigheid van afwikkelingsautoriteit op groepsniveau, afwikkelingscolleges op om de taken bedoeld in de artikelen 439, 449, 450, 459 tot en met 462, en in Afdeling IV van dit Hoofdstuk uit te voeren en om, in voorkomend geval, de samenwerking en coördinatie met afwikkelingsautoriteiten van derde landen te verzekeren.
In haar hoedanigheid van afwikkelingsautoriteit op groepsniveau is de afwikkelingsautoriteit niet verplicht een afwikkelingscollege op te richten indien andere groepen of colleges dezelfde functies vervullen en dezelfde taken uitvoeren als die welke in dit artikel zijn vermeld en alle in dit artikel en artikel 471 vastgelegde voorwaarden en procedures, met inbegrip van die inzake het lidmaatschap van en de deelname aan afwikkelingscolleges, in acht nemen. In een dergelijk geval worden alle in deze wet voorkomende verwijzingen naar afwikkelingscolleges tevens beschouwd als verwijzingen naar deze andere groepen of colleges.
§ 2.Binnen de afwikkelingscolleges verricht de afwikkelingsautoriteit, in haar hoedanigheid van afwikkelingsautoriteit op groepsniveau, samen met de andere leden van het college de volgende taken:
1°uitwisselen van informatie die relevant is voor de opstelling van groepsafwikkelingsplannen, voor de uitoefening op groepen van voorbereidende en preventiebevoegdheden en voor groepsafwikkeling;
2°opstellen van groepsafwikkelingsplannen;
3°beoordelen van de afwikkelbaarheid van groepen;
4°uitoefenen van bevoegdheden om belemmeringen voor de afwikkelbaarheid van groepen te verminderen of op te heffen;
5°beslissingen nemen inzake de noodzaak van het opzetten van een groepsafwikkelingsregeling als bedoeld in Afdeling IV van dit Hoofdstuk;
6°akkoorden sluiten over een overeenkomstig Afdeling IV van dit Hoofdstuk voorgestelde groepsafwikkelingsregeling;
7°coördineren van de openbare communicatie van groepsafwikkelingsstrategieën en -plannen;
8°coördineren van het gebruik van financieringsregelingen;
9°vaststellen van de minimumvereisten voor groepen op geconsolideerd en subsidiair niveau overeenkomstig de artikelen 459 en 460.
Afwikkelingscolleges kunnen aangewend worden als discussieforum voor vraagstukken betreffende grensoverschrijdende groepsafwikkeling.
§ 3.De afwikkelingsautoriteit, in haar hoedanigheid van afwikkelingsautoriteit op groepsniveau, en de andere leden van het college werken nauw samen.
§ 4.De afwikkelingsautoriteit is, in haar hoedanigheid van afwikkelingsautoriteit op groepsniveau, voorzitter van het afwikkelingscollege. In die hoedanigheid:
1°stelt zij schriftelijke regelingen en procedures op voor de werking van het afwikkelingscollege, na raadpleging van de andere leden van het afwikkelingscollege;
2°coördineert zij alle werkzaamheden van het afwikkelingscollege;
3°roept zij alle vergaderingen bijeen en zit deze voor, en informeert zij alle leden van het afwikkelingscollege vooraf volledig over de organisatie van vergaderingen van het afwikkelingscollege, de voornaamste agendapunten en de in overweging te nemen punten;
4°houdt zij de leden van het afwikkelingscollege op de hoogte van geplande vergaderingen zodat zij om deelname kunnen verzoeken;
5°beslist zij, op basis van de specifieke behoeften, welke leden en waarnemers voor bepaalde vergaderingen van het afwikkelingscollege moeten worden uitgenodigd, met inachtneming van het belang van het te bespreken punt voor die leden en waarnemers, in het bijzonder de gevolgen daarvan op de financiële stabiliteit in de betrokken lidstaten, en rekening houdend met het recht van de afwikkelingsautoriteiten om aan vergaderingen deel te nemen wanneer er punten op de agenda staan waarover een gezamenlijk besluit moet worden genomen of die een in hun lidstaat gelegen groepsentiteit betreffen;
6°informeert zij alle leden van het college tijdig over de besluiten en resultaten van die vergaderingen.
§ 5.In haar hoedanigheid van afwikkelingsautoriteit op groepsniveau, nodigt de afwikkelingsautoriteit de volgende autoriteiten uit tot deelname aan een door haar opgericht afwikkelingscollege:
1°de buitenlandse afwikkelingsautoriteiten van elke lidstaat waarin een aan toezicht op geconsolideerde basis onderworpen dochteronderneming is gevestigd;
2°de buitenlandse afwikkelingsautoriteiten van de lidstaten waar een moederonderneming van een of meer instellingen van de groep, die een in artikel 424, 3° bedoelde entiteit is, gevestigd is;
3°de buitenlandse afwikkelingsautoriteiten van lidstaten waar significante bijkantoren zijn gevestigd;
4°de consoliderende toezichthouder en de bevoegde autoriteiten van de lidstaten waarvan de afwikkelingsautoriteit een lid van het afwikkelingscollege is;
5°de bevoegde ministeries, indien de afwikkelingsautoriteiten die lid zijn van het afwikkelingscollege, niet de bevoegde ministeries zijn;
6°de voor de depositogarantiestelsels bevoegde overheidsinstantie van een lidstaat, indien de afwikkelingsautoriteit van die lidstaat lid is van een afwikkelingscollege;
7°de EBA;
8°op hun verzoek en uitsluitend als waarnemer, de afwikkelingsautoriteiten van derde landen, indien een moederonderneming of een in de EER gevestigde kredietinstelling een zich in die landen bevindende dochterkredietinstelling of een bijkantoor heeft dat als significant zou worden beschouwd indien het zich in de EER bevond, en mits zij onderworpen zijn aan vertrouwelijkheidsvereisten die naar het oordeel van de afwikkelingsautoriteit, in haar hoedanigheid van afwikkelingsautoriteit op groepsniveau, gelijkwaardig zijn aan deze die van toepassing zijn op de afwikkelingsautoriteit.