Alle wetboeken › Bankwet

BOEK II - KREDIETINSTELLINGEN NAAR BELGISCH RECHT › TITEL VIII - Afwikkeling van kredietinstellingen › HOOFDSTUK V - Afwikkelingsinstrumenten

Afdeling V - Gemeenschappelijke bepalingen betreffende de afwikkelingsinstrumenten

268–275

Art. 268

§ 1.Onverminderd enige andersluidende bepaling van deze wet, is de toepassing van afwikkelingsmaatregelen of het uitoefenen van afwikkelingsbevoegdheden niet onderworpen aan:

1°de goedkeuring van enige publieke of private persoon, met inbegrip van het wettelijk bestuursorgaan of de algemene vergadering van de aandeelhouders van de kredietinstelling of van een derde die geen ontvanger is, niettegenstaande elke strijdige wettelijke, statutaire of contractuele bepaling;

2°de inachtneming van enige procedurele vereisten van economisch, vennootschaps- of effectenrecht andere dan deze die voorvloeien uit dwingende bepalingen van internationale verdragen of internationale akten genomen krachtens dergelijke verdragen.

§ 2.De afwikkelingsautoriteit stelt de minister van Financiën in kennis van elke beschikkingsbeslissing die zij van plan is te nemen. De minister kan zich hiertegen verzetten gedurende een termijn van achtenveertig uur indien hij oordeelt dat de beoogde handeling een rechtstreeks fiscaal effect of systemische gevolgen heeft.

Art. 269

§ 1.Bij de toepassing van afwikkelingsmaatregelen of het uitoefenen van afwikkelingsbevoegdheden, mag de afwikkelingsautoriteit de overdrachtsbevoegdheid meerdere malen uitoefenen om aanvullende overdrachten van aandelen of andere eigendomsinstrumenten, activa, rechten of verbintenissen aan de ontvanger te verrichten.

§ 2.Onder de voorwaarden bepaald door de Koning op advies van de afwikkelingsautoriteit, kan de afwikkelingsautoriteit de aandelen, andere eigendomsinstrumenten, activa, rechten of verbintenissen die aan een ontvanger werden overgedragen met toepassing van een van de afwikkelingsinstrumenten bedoeld in paragraaf 1, opnieuw aan de kredietinstelling of aan hun oorspronkelijke eigenaars, naargelang het geval, doen overdragen.

§ 3.Bij toepassing van de afwikkelingsinstrumenten bedoeld in paragraaf 1, en onverminderd het bepaalde in Hoofdstuk VII van deze Titel, hebben aandeelhouders of schuldeisers van de kredietinstelling in afwikkeling en andere derden wier activa, rechten of verbintenissen niet zijn overgedragen, geen rechten op of met betrekking tot de overdragen activa, rechten of verbintenissen.

Art. 269/1

§ 1.Indien de toepassing van een afwikkelingsmaatregel leidt tot de verwerving van een gekwalificeerde deelneming in de kredietinstelling of tot een verhoging van een dergelijke deelneming waardoor een van de in artikel 46 bepaalde drempels wordt bereikt of overschreden, stellen de kandidaat-overnemers of aandeelhouders de toezichthouder daarvan in kennis zoals bepaald in artikel 46, meteen nadat zij zich van dit feit bewust zijn geworden, zelfs wanneer zij voornemens zijn het niveau van hun deelneming te verlagen zodat deze weer onder de drempelwaarde valt.

Op basis van de kennisgeving bedoeld in artikel 46, gaat de toezichthouder zo snel mogelijk over tot de beoordeling bedoeld in artikel 48, eerste lid, om de uitvoering van de afwikkelingsmaatregel niet te vertragen en om niet te verhinderen dat met deze maatregel de doelstellingen van de afwikkeling worden verwezenlijkt. De afwikkelingsautoriteit past de afwikkelingsmaatregel toe in afwachting van de beoordeling door de toezichthouder.

§ 2.De toezichthouder zendt de in paragraaf 1 bedoelde kandidaat-verwerver of aandeelhouder een geschreven ontvangstbevestiging, zo snel mogelijk na ontvangst van de kennisgeving en de informatie bedoeld in artikel 46, alsook na de eventuele ontvangst, op een later tijdstip, van de in paragraaf 3 bedoelde informatie.

§ 3.De toezichthouder kan bij de kandidaat-verwerver of de aandeelhouder in geval van onvrijwillige verwerving aanvullende informatie opvragen die noodzakelijk is om de beoordeling af te ronden. Dit verzoek wordt schriftelijk gedaan en vermeldt welke aanvullende informatie nodig is.

§ 4.Voor het verrichten van de in artikel 48, lid 1 bedoelde beoordeling, is de samenwerking en informatie-uitwisseling als bedoeld in artikel 49 van toepassing.

§ 5.De toezichthouder neemt zo snel mogelijk een gemotiveerd besluit en brengt dit ter kennis van (i) de in paragraaf 1 bedoelde kandidaat-verwerver of aandeelhouder en (ii) de afwikkelingsautoriteit. Het verzet van de toezichthouder mag enkel berusten op gegronde redenen om aan te nemen, op grond van de criteria van artikel 18, tweede lid, dat de kandidaat-verwerver of aandeelhouder niet geschikt is om een gezond en voorzichtig beleid van de kredietinstelling te waarborgen.

Art. 270

Onverminderd artikel 278 en de bepalingen van Hoofdstuk VII en niettegenstaande elke strijdige contractuele bepaling, kunnen de overdrachten bevolen door de afwikkelingsautoriteit... geen wijziging tot gevolg hebben van de bepalingen van overeenkomsten met betrekking tot de overgedragen activiteiten, of een einde stellen aan dergelijke overeenkomsten, noch aan enige partij het recht geven om deze eenzijdig te beëindigen, de uitvoering ervan op te schorten, over te gaan tot schuldvergelijking van de daaruit voortvloeiende vorderingen en schulden of ontbindende voorwaarden of verval van de termijnbepaling in te roepen.

Art. 271

De ontvanger wordt geacht de voortzetting te zijn van de kredietinstelling en mag alle rechten blijven uitoefenen die door de kredietinstelling werden uitgeoefend met betrekking tot de overgedragen activa, rechten of verbintenissen, inclusief de rechten van lidmaatschap van en toegang tot betalings-, clearing- en afwikkelingssystemen, tot gereglementeerde markten en tot beleggerscompensatiestelsels en depositogarantiestelsels.

De toegang tot de in het eerste lid bedoelde systemen en markten mag de ontvanger niet worden geweigerd omdat hij niet over een rating van een kredietratingbureau beschikt, of omdat die rating niet overeenstemt met de ratingniveaus die zijn vereist om toegang tot de betreffende systemen en markten te krijgen.

Indien de ontvanger niet voldoet aan de lidmaatschaps- of deelnemingscriteria van een betalings-, clearing- of afwikkelingssysteem, een gereglementeerde markt of een depositogarantiestelsel, bepaalt de afwikkelingsautoriteit de overgangsperiode tijdens dewelke hij de rechten bedoeld in het eerste lid kan uitoefenen. Deze periode mag niet langer zijn dan 24 maanden doch kan door de afwikkelingsautoriteit worden verlengd op verzoek van de ontvanger.

Art. 272

§ 1.De afwikkelingsautoriteit en het Afwikkelingsfonds kunnen redelijke uitgaven die zij rechtmatig hebben gedaan bij het gebruik van de afwikkelingsinstrumenten, bij de uitoefening van afwikkelingsbevoegdheden, bij de interventies van het Afwikkelingsfonds of bij het gebruik van overheidsinstrumenten voor financiële stabilisatie, verhalen op een of meer van de volgende wijzen:

1°van de kredietinstelling in afwikkeling;

2°door het bedrag af te houden op de vergoedingen die een ontvanger aan de kredietinstelling of, in voorkomend geval, aan de eigenaars van aandelen of andere eigendomsinstrumenten betaalt;

3°door het bedrag af te houden op de opbrengsten die voortvloeien uit de beëindiging van de activiteiten van de overbruggingsinstelling of van het vehikel voor activabeheer.

§ 2.De vorderingen van de afwikkelingsautoriteit en het Afwikkelingsfonds ten aanzien van de kredietinstelling voor kosten die zij hebben opgelopen in het kader van de procedure voor de afwikkeling van een kredietinstelling, zijn bevoorrecht op alle roerende goederen van deze kredietinstelling.

Het in het eerste lid bedoelde voorrecht neemt rang onmiddellijk na het voorrecht bepaald in artikel 19, 1° van de hypotheekwet van 16 december 1851.

Art. 273

§ 1.Elke kredietinstelling die is onderworpen aan de toepassing van een afwikkelingsinstrument of waarvoor de afwikkelingsautoriteit oordeelt dat is voldaan aan de voorwaarden voor het initiëren van een afwikkelingsprocedure bedoeld in artikel 244, § 1, kan enkel failliet worden verklaard op verzoek of met toestemming van de afwikkelingsautoriteit.

§ 2.De griffie van de bevoegde insolventierechtbank stelt de afwikkelingsautoriteit onverwijld in kennis van elke aanvraag tot opening van een faillissementsprocedure met betrekking tot een kredietinstelling.

Over een dergelijke aanvraag kan enkel worden beslist indien de afwikkelingsautoriteit overeenkomstig het eerste lid in kennis werd gesteld en indien, binnen een termijn van zeven dagen na deze kennisgeving, de afwikkelingsautoriteit de bevoegde insolventierechtbank niet heeft gemeld dat zij een afwikkelingsinstrument toepast op de betreffende kredietinstelling of oordeelt dat de kredietinstelling voldoet aan de voorwaarden voor het initiëren van een afwikkelingsprocedure.

Art. 273/1

Onverminderd een krachtens artikel 280, § 1, 2° opgelegde maatregel, kan de afwikkelingsautoriteit de rechtbank waarbij de zaak aanhangig is gemaakt verzoeken om gedurende een in het licht van de nagestreefde doelstellingen passende termijn opschorting te verlenen van een gerechtelijke maatregel of procedure waarbij een kredietinstelling in afwikkeling partij is of wordt, indien zulks voor de doeltreffende toepassing van de afwikkelingsinstrumenten en -bevoegdheden noodzakelijk is.

Art. 274

De daden van beschikking bevolen door de afwikkelingsautoriteit in het kader van een afwikkelingsmaatregel kunnen niet op grond van de artikelen XX.111, XX.112 of XX.114 van het Wetboek van economisch recht of artikel 5.243 van het Burgerlijk Wetboek niet-tegenstelbaar worden verklaard aan de schuldeisers.

Art. 275

<Opgeheven bij W 2019-05-02/25, art. 44, 019; Inwerkingtreding: 31-05-2019>