Alle wetboeken › Bankwet

BOEK II - KREDIETINSTELLINGEN NAAR BELGISCH RECHT › TITEL II - Bedrijfsuitoefeningsvoorwaarden

HOOFDSTUK IV - Bijzondere verrichtingen

76–93

Art. 76

Elke wijziging in de werkzaamheden van de instelling moet voorafgaandelijk, vóór de tenuitvoerlegging ervan, worden meegedeeld aan de toezichthouder.

Onverminderd het eerste lid dient een kredietinstelling in de zin van artikel 1, § 3, eerste lid, 1°, wanneer de wijzigingen in de werkzaamheden tot doel hebben haar werkzaamheden te beperken tot de werkzaamheden bedoeld in artikel 1, § 3, eerste lid, 2°, een aanvraag tot wijziging van haar vergunning in overeenkomstig artikel 8. De artikelen 10 tot 14 zijn van toepassing.

Onverminderd het eerste lid dient een kredietinstelling in de zin van artikel 1, § 3, eerste lid, 2 °, wanneer de wijzigingen in de werkzaamheden tot doel hebben haar werkzaamheden uit te breiden om de werkzaamheden bedoeld in artikel 1, § 3, eerste lid, 1°, te kunnen uitoefenen, een aanvraag tot wijziging van haar vergunning in overeenkomstig artikel 8. De artikelen 10 tot 14 zijn van toepassing.

Art. 77

Voor de volgende beslissingen is de voorafgaande toestemming van de toezichthouder vereist:

1°strategische beslissingen...;

2°beslissingen om kapitaalvertegenwoordigende of stemrechtverlenende effecten te verwerven van een onderneming waarvan de werkzaamheden niet zijn opgenomen in artikel 4, voor een bedrag van minstens 250 000 000 euro of een bedrag van 5 % van het eigen vermogen van de kredietinstelling;

3°fusies van kredietinstellingen of van dergelijke instellingen en andere in de financiële sector bedrijvige instellingen, evenals splitsingen van kredietinstellingen;

4°wanneer tussen kredietinstellingen of tussen dergelijke instellingen en andere in de financiële sector bedrijvige instellingen, het bedrijf of het net integraal of gedeeltelijk wordt overgedragen.

De toezichthouder moet beslissen binnen twee maanden na ontvangst van een volledig dossier van het project. Hij mag zijn toestemming enkel weigeren om redenen die verband houden met het vermogen van de instelling om te voldoen aan de bepalingen die door of krachtens deze wet zijn vastgelegd of die verband houden met een gezond en voorzichtig beleid van de instelling of indien de beslissing de stabiliteit van het financiële stelsel ernstig zou kunnen aantasten. Als hij niet binnen de voornoemde termijn optreedt, dan wordt de toestemming geacht te zijn verkregen.

Art. 78

Iedere gehele of gedeeltelijke overdracht tussen kredietinstellingen of tussen dergelijke instellingen en andere in de financiële sector bedrijvige instellingen, van rechten en verplichtingen die voortkomen uit verrichtingen van de betrokken instellingen of ondernemingen, waarvoor toestemming is verleend overeenkomstig artikel 77, is tegenstelbaar aan derden, met inbegrip van iedere derde die een recht van voorkoop heeft of de begunstigde is van een goedkeuringsclausule ten aanzien van een actief dat het voorwerp uitmaakt van een dergelijke overdracht, ongeacht of dit recht of deze clausule is vastgelegd in een overeenkomst, in statuten of in de wet, zodra die toestemming is bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad.

Het is niet mogelijk om de overdrachten waarvoor toestemming is verleend overeenkomstig artikel 77, nietig of niet-tegenwerpbaar te verklaren, met name krachtens artikel 5.243 van het Burgerlijk Wetboek of de artikelen XX.111, XX.112 of XX.114 van het Wetboek van economisch recht.

Niettegenstaande elke strijdige contractuele bepaling mogen de in het eerste lid bedoelde gehele of gedeeltelijke overdrachten niet leiden tot het rechtvaardigen van een wijziging van de bepalingen van een overeenkomst die werd afgesloten tussen de kredietinstelling en een of meer derden, en geen einde stellen aan een dergelijke overeenkomst, noch aan enige partij het recht geven om deze eenzijdig te beëindigen of een schuld van de kredietinstelling opeisbaar maken.

Art. 79

Belgische covered bonds mogen enkel worden uitgegeven door kredietinstellingen in de zin van artikel 1, § 3, eerste lid, 1°, en mits de toezichthouder hiervoor voorafgaandelijk zijn toestemming heeft gegeven.

Deze voorafgaande toestemmingen hebben enerzijds betrekking op de organisatorische capaciteit van de instelling om Belgische covered bonds uit te geven en op te volgen, en anderzijds op de mate waarin voor een bepaalde uitgifte of een bepaald uitgifteprogramma wordt voldaan aan de door of op grond van deze Afdeling en Bijlage III vastgestelde bepalingen.

Art. 80

§ 1.Om van de toezichthouder de toestemming te verkrijgen met betrekking tot haar organisatorische capaciteit om Belgische covered bonds uit te geven en op te volgen, moet de kredietinstelling die van plan is Belgische covered bonds uit te geven, voorafgaandelijk een dossier voorleggen aan de toezichthouder met haar programma van werkzaamheden waarin de uitgifte van Belgische covered bonds wordt beschreven, en informatie over de wijze waarop zij de voorgenomen verrichtingen zal omkaderen. Deze informatie heeft minstens betrekking op:

1°een beschrijving van de financiële positie van de instelling en met name van haar kredietvooruitzichten, waaruit blijkt dat zij voldoende solvabel is om de belangen van andere schuldeisers dan houders van Belgische covered bonds te vrijwaren;

2°een beschrijving van de langetermijnstrategie van de instelling, met bijzondere aandacht voor de liquiditeit van de instelling en voor de plaats die de Belgische covered bonds in die strategie innemen;

3°een beschrijving van de taken en verantwoordelijkheden binnen de instelling met betrekking tot de uitgifte van Belgische covered bonds;

4°een beschrijving van het risicobeheerbeleid dat de instelling met betrekking tot de Belgische covered bonds voert, met bijzondere aandacht voor het renterisico, het wisselkoersrisico, het krediet- en wederpartijrisico, het liquiditeitsrisico en het operationeel risico;

5°een beschrijving van de betrokkenheid van de interne audit bij de procedure voor de uitgifte van Belgische covered bonds, met inbegrip van de frequentie van de controle en de toepasselijke controleprocedures;

6°een beschrijving van de besluitvormings- en rapporteringsprocedures met betrekking tot de uitgifte van Belgische covered bonds;

7°een beschrijving van de informaticasystemen die nodig zijn voor de uitgifte van Belgische covered bonds.

...

§ 2.De in paragraaf 1 bedoelde algemene toestemming met betrekking tot de capaciteit om Belgische covered bonds uit te geven wordt enkel verleend als de toezichthouder van oordeel is dat:

1°de instelling over een administratieve en boekhoudkundige organisatie beschikt die haar in staat stelt te voldoen aan de door of op grond van deze Afdeling en Bijlage III vastgestelde bepalingen, en inzonderheid te voldoen aan het in artikel 6 van Bijlage III bedoelde vereiste om de dekkingsactiva af te zonderen;

2°de financiële positie van de instelling, inzonderheid haar solvabiliteit, voldoende is om de belangen van andere schuldeisers dan de houders van Belgische covered bonds te vrijwaren; en

3°de persoon die binnen de effectieve leiding van de instelling verantwoordelijk is voor de uitgifte en het beheer van de Belgische covered bonds over de vereiste deskundigheid beschikt en voldoende beschikbaar is om deze verantwoordelijkheid uit te oefenen en de instelling de nodige middelen toewijst om het goede verloop van de uitgifte en het beheer van deze covered bonds te verzekeren.

Vooraleer hij zijn toestemming verleent als bedoeld in paragraaf 1, vraagt de toezichthouder van de erkend commissaris een verslag over de organisatorische capaciteit van de instelling met betrekking tot haar verplichtingen die voortvloeien uit deze Afdeling en uit Bijlage III van deze wet.

§ 3.De toezichthouder spreekt zich uit over een aanvraag binnen 4 maanden na indiening van een volledig dossier en uiterlijk binnen 6 maanden na ontvangst van de aanvraag.

De beslissing van de toezichthouder wordt binnen tien dagen met een aangetekende brief ter kennis gebracht van de kredietinstelling.

Art. 81

§ 1.Om de toestemming te verkrijgen van de Bank voor een bepaalde uitgifte of een bepaald uitgifteprogramma, moet de instelling die van plan is Belgische covered bonds uit te geven, voorafgaandelijk een dossier voorleggen aan de Bank met informatie over de voorgenomen verrichting. De Bank bepaalt welke informatie verstrekt moet worden bij de indiening van de aanvraag. Deze informatie heeft minstens betrekking op:

1°de impact van de uitgifte of van het programma op de liquiditeitspositie van de instelling;

2°de kwaliteit van de dekkingsactiva, in het bijzonder met betrekking tot de aard van de schuldenaars van deze activa en van de zakelijke of persoonlijke zekerheden, waarborgen of voorrechten waardoor deze activa gedekt zijn, de beleidslijnen, processen en methodes die gevolgd worden voor de goedkeuring, wijziging, verlenging en herfinanciering van de kredieten die deel uitmaken van de dekkingsactiva, evenals de diversificatie van de dekkingsactiva en hun looptijden;

3°de mate waarin de looptijden van de Belgische covered bonds overeenstemmen met die van de dekkingsactiva en het eventuele bestaan van een verlengbare-looptijdstructuur in de zin van artikel 1, 12°, van Bijlage III; en

4°de identificatie van de portefeuillesurveillant die de instelling voorstelt aan te stellen met toepassing van artikel 16 van Bijlage III.

Het in het eerste lid bedoelde dossier mag enkel worden ingediend door instellingen die de in artikel 80, § 1, bedoelde algemene toestemming hebben verkregen.

§ 2.De Bank bevestigt de ontvangst van het dossier bedoeld in paragraaf 1 en laat de instelling uiterlijk vijftien werkdagen na ontvangst van het dossier weten dat het dossier volledig is en onderzocht kan worden, of dat aanvullende informatie moet worden verstrekt.

§ 3.De specifieke toestemming om Belgische covered bonds uit te geven of om een uitgifteprogramma voor Belgische covered bonds te lanceren, wordt maar verleend als de volgende voorwaarden vervuld zijn:

1°de instelling beschikt over de in artikel 80, § 1, bedoelde algemene toestemming;

2°de dekkingsactiva die de instelling voornemens is ter beschikking te stellen om haar betalingsverplichtingen die verbonden zijn aan de Belgische covered bonds te waarborgen, voldoen aan de door of krachtens deze wet vastgestelde vereisten;

3°zij beschikt over een passende organisatie om de naleving te waarborgen van de wettelijke en reglementaire bepalingen betreffende de uitgifte van Belgische covered bonds.

§ 4.De Koning bepaalt bij een besluit vastgelegd na overleg in de Ministerraad:

1°de minimumvoorwaarden waaraan de dekkingsactiva moeten voldoen, in het bijzonder voor wat betreft:

a)de criteria voor de beleenbaarheid van de dekkingsactiva, zoals:

-de aard van de schuldenaar van de dekkingsactiva en de plaats waar hij zich bevindt, evenals de munteenheid waarin de dekkingsactiva zijn uitgedrukt;

-de aard en de geografische ligging van de zekerheden ter waarborging van de dekkingsactiva, in voorkomend geval met inbegrip van het percentage van het krediet dat door een dergelijke zekerheid moet worden gedekt, de rang ervan en de voorwaarden met betrekking tot de waardering van het voorwerp ervan;

b)de methodes en de criteria voor de waardering van de dekkingsactiva die bepalen tot beloop van welk bedrag de dekkingsactiva in aanmerking mogen worden genomen;

2°voor elk betrokken bijzonder vermogen, de vereisten inzake de overeenstemming tussen de looptijden van de dekkingsactiva en de door de uitgevende kredietinstelling uitgegeven Belgische covered bonds;

3°de beperkingen tot een of meer categorieën van dekkingsactiva waaraan een uitgifte van Belgische covered bonds moet voldoen en, in voorkomend geval, de na te leven verhouding tussen de verschillende categorieën van dekkingsactiva;

4°de maatregelen die door de uitgevende kredietinstelling moeten worden genomen om het kredietrisico, liquiditeitsrisico en het wisselkoers- en renterisico die verbonden zijn aan de uitgifte van Belgische covered bonds, alsook de risico's die verbonden zijn aan de vervroegde terugbetaling van de dekkingsactiva, te identificeren en te beheren; en

5°de criteria waarop de Bank zich kan baseren om aan elke uitgevende kredietinstelling een maximumpercentage aan Belgische covered bonds op te leggen dat zij mag uitgeven ten opzichte van haar balanstotaal.

§ 5.De Bank spreekt zich uit over een aanvraag voor de uitgifte van Belgische covered bonds binnen 3 maanden na indiening van een volledig dossier en uiterlijk binnen 9 maanden na ontvangst van de aanvraag.

De beslissing van de Bank wordt binnen tien dagen met een aangetekende zending ter kennis gebracht van de instelling.

Art. 82

De Bank stelt een lijst op van de kredietinstellingen die met toepassing van artikel 80 de toestemming hebben verkregen om Belgische covered bonds uit te geven.

Zij stelt ook een lijst op waarin voor elke instelling die met toepassing van artikel 80 de toestemming heeft verkregen om Belgische covered bonds uit te geven, de uitgiften van Belgische covered bonds en de uitgifteprogramma's zijn opgenomen waarvoor een bijzondere toestemming als bedoeld in artikel 81 werd verleend. Deze lijst is nog verder onderverdeeld op basis van de in artikel 6 bedoelde termen.

Deze lijsten worden op de website van de Bank gepubliceerd en geactualiseerd, en worden jaarlijks aan de EBA meegedeeld.

Art. 83

De lijsten bedoeld in artikel 82 en de wijzigingen die erin worden aangebracht, worden door de Bank meegedeeld aan de Europese Commissie, met het oog op de toepassing van artikel 52, § 4, van Richtlijn 2009/65/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende bepaalde instellingen voor collectieve belegging in effecten, zoals gewijzigd.

Art. 84

Bijlage III bij deze wet bevat met name de samenstelling en het juridisch stelsel van de dekkingsactiva, de rechten van de houders van covered bonds, de voorwaarden voor de uitgifte van die effecten en de verplichtingen die gelden voor emittenten van covered bonds.

Art. 84/1

Iedere instelling die Belgische covered bonds heeft uitgegeven moet blijvend voldoen aan de door of krachtens de bepalingen van deze afdeling vastgelegde voorwaarden.

Art. 85

Iedere kredietinstelling die voornemens is om rechtstreeks of via de tussenkomst van een financiële holding of van een gemengde financiële holding in het buitenland een dochteronderneming te verwerven of op te richten die een werkzaamheid als bedoeld in artikel 4 uitoefent, stelt de toezichthouder daarvan in kennis. Bij deze kennisgeving wordt informatie gevoegd over de werkzaamheden, de organisatie, de aandeelhoudersstructuur en de leiding van de betrokken onderneming.

Art. 86

Iedere kredietinstelling die op het grondgebied van een andere lidstaat een bijkantoor wenst te openen om er alle of een deel van de in artikel 4 opgesomde werkzaamheden te verrichten die haar in België zijn toegestaan, stelt de toezichthouder daarvan in kennis.

Bij deze kennisgeving wordt een programma van werkzaamheden gevoegd waarin met name de aard van de voorgenomen werkzaamheden wordt vermeld, evenals gegevens over de organisatiestructuur van het bijkantoor, de domiciliëring van de correspondentie in de betrokken lidstaat en de naam van de effectieve leiders van het bijkantoor en, in voorkomend geval, van de verantwoordelijken voor de onafhankelijke controlefuncties van het bijkantoor, alsook, voor de kredietinstellingen als bedoeld in artikel 1, § 3, eerste lid, 2°, de financiële instrumenten, de beleggingsdiensten en/of -activiteiten en de nevendiensten die het bijkantoor voornemens is te verrichten, en of het bijkantoor van plan is een beroep te doen op verbonden agenten.

De effectieve leiders van het bijkantoor en de verantwoordelijken voor de onafhankelijke controlefuncties van het bijkantoor moeten permanent over de voor de uitoefening van hun functie vereiste professionele betrouwbaarheid en passende deskundigheid beschikken. De artikelen 60 en 61 zijn van overeenkomstige toepassing op de benoeming van de effectieve leiders van het bijkantoor en, in voorkomend geval, van de verantwoordelijken voor de onafhankelijke controlefuncties van het bijkantoor.

De toezichthouder kan zich verzetten tegen de uitvoering van het project bij beslissing die is ingegeven door de nadelige gevolgen van de opening van een bijkantoor op de organisatie, de financiële positie of het toezicht van de kredietinstelling.

De beslissing van de toezichthouder moet uiterlijk drie maanden na ontvangst van het volledige dossier met alle in het tweede lid bedoelde gegevens, met een aangetekende brief of een brief met ontvangstbewijs ter kennis worden gebracht van de kredietinstelling. Indien de toezichthouder zijn beslissing niet binnen deze termijn ter kennis heeft gebracht, wordt hij geacht geen bezwaar te maken tegen het project van de instelling.

De toezichthouder geeft de Europese Commissie en de Europese Bankautoriteit, volgens de frequentie die de laatstgenoemden bepalen, kennis van het aantal en de motivering van de krachtens het vierde lid genomen definitieve beslissingen tot verzet tegen de geplande opening van een bijkantoor in een lidstaat of tegen wijzigingen in de in het tweede lid bedoelde gegevens.

Dit artikel geldt, met uitzondering van het zesde lid, voor de opening van bijkantoren in een derde land.

Art. 87

Wanneer het vestigingsland van het bijkantoor een lidstaat is, deelt de toezichthouder, indien hij zich niet heeft verzet tegen de uitvoering van het project overeenkomstig artikel 86, vierde of vijfde lid, aan de bevoegde autoriteit van de betrokken staat, binnen drie maanden na ontvangst van alle door artikel 86, tweede lid vereiste gegevens, de overeenkomstig deze bepalingen ontvangen gegevens mee, alsook het peil en de samenstelling van het eigen vermogen van de kredietinstelling, het totaal van de risicoposten berekend in overeenstemming met artikel 92, leden 3 en 4, van Verordening nr. 575/2013, de identiteit van haar leiders en de regels voor eventuele tegemoetkoming, ten gunste van de spaarders bij het bijkantoor, van de voor de kredietinstelling geldende depositobeschermingsregeling.

De Bank brengt de FSMA binnen dezelfde termijn op de hoogte van deze kennisgeving, voor zover de werkzaamheden in het buitenland betrekking hebben op het verrichten van beleggingsdiensten.

Art. 88

Wanneer het vestigingsland van het bijkantoor geen lidstaat is, kan de toezichthouder in overleg met de betrokken autoriteit van een derde land, regels vaststellen voor de opening van en het toezicht op het bijkantoor alsook voor de wenselijke informatie-uitwisseling, in voorkomend geval met naleving van het bepaalde in Hoofdstuk IV/1, afdeling 4 van de wet van 22 februari 1998.

Art. 88/1

Indien de kredietinstelling een beroep wenst te doen op verbonden agenten die op het grondgebied van een andere lidstaat zijn gevestigd, om in die lidstaat beleggingsdiensten en/of -activiteiten alsmede nevendiensten te verrichten, stelt zij de toezichthouder daarvan in kennis en verstrekt zij hem een programma van werkzaamheden, de domiciliëring van de correspondentie in de betrokken lidstaat, de identiteitsgegevens van de verbonden agenten waarop zij van plan is een beroep te doen, evenals een beschrijving van het beoogde gebruik van die verbonden agenten en van de organisatiestructuur, waarbij wordt aangegeven hoe de verbonden agenten hierin passen, met opgave van de rapportagelijnen en de namen van de personen die rechtstreeks verantwoordelijk zijn voor de verbonden agenten.

Artikel 86, vierde en vijfde lid, is van toepassing.

Tenzij de toezichthouder zich verzet tegen de uitvoering van het project, deelt hij alle in het eerste lid bedoelde gegevens mee aan de bevoegde autoriteit van de betrokken lidstaat binnen drie maanden na ontvangst van het volledige dossier met de in het eerste lid bedoelde gegevens. De bepalingen van Titel I van Boek III van deze wet die betrekking hebben op de bijkantoren, zijn op de verbonden agenten van toepassing.

Art. 89

Iedere kredietinstelling die in het buitenland een bijkantoor heeft geopend, stelt de toezichthouder en de bevoegde autoriteiten van de staat van ontvangst ten minste één maand op voorhand in kennis van alle wijzigingen in de conform artikel 86, tweede lid verstrekte gegevens.

Artikel 86, vierde en vijfde lid, is in voorkomend geval van toepassing, alsook artikel 87, naar gelang van de wijzigingen in de in artikel 86, tweede lid bedoelde gegevens of in de geldende depositobeschermingsregeling.

Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing voor wat betreft de wijzigingen in de gegevens bedoeld in artikel 88/1, eerste lid.

Art. 90

§ 1.Iedere kredietinstelling die voornemens is op het grondgebied van een andere lidstaat, zonder er een bijkantoor te vestigen, alle of een deel van de in artikel 4 opgesomde werkzaamheden te verrichten die haar in België zijn toegestaan, stelt de toezichthouder hiervan in kennis en geeft op welke werkzaamheden zij wenst uit te oefenen en op welke wijze zij de uitoefening van deze werkzaamheden zal omkaderen.

De toezichthouder kan zich verzetten tegen de uitvoering van het project bij beslissing die is ingegeven door de nadelige gevolgen van de grensoverschrijdende dienstverlening op de organisatie, de financiële positie of het toezicht van de kredietinstelling.

De beslissing van de toezichthouder moet uiterlijk binnen een maand na ontvangst van het volledige dossier met alle in het eerste lid bedoelde gegevens, met een aangetekende brief of een brief met ontvangstbewijs ter kennis worden gebracht van de kredietinstelling. Indien de toezichthouder zijn beslissing niet binnen deze termijn ter kennis heeft gebracht, wordt hij geacht geen bezwaar te maken tegen het project van de instelling.

§ 2.Indien de kredietinstelling van plan is een beroep te doen op in België gevestigde verbonden agenten om op het grondgebied van een andere lidstaat beleggingsdiensten en/of -activiteiten alsmede nevendiensten te verrichten, deelt zij de identiteitsgegevens van deze agenten mee aan de Bank.

De Bank deelt deze gegevens uiterlijk een maand na ontvangst ervan mee aan de bevoegde autoriteit van de lidstaat van ontvangst.

§ 3.Dit artikel is van toepassing op de uitoefening van werkzaamheden in een derde land.

Art. 91

Indien hij zich niet heeft verzet tegen de uitvoering van het project overeenkomstig artikel 90, deelt de toezichthouder aan de bevoegde autoriteit van de betrokken staat van ontvangst onverwijld de in dit artikel bedoelde kennisgeving mee.

Binnen dezelfde termijn doet de Bank tevens mededeling van de betrokken informatie aan de FSMA, voor zover de werkzaamheden in het buitenland betrekking hebben op het verrichten van beleggingsdiensten.

Art. 92

Financiële instellingen naar Belgisch recht die, rechtstreeks of onrechtstreeks, een dochteronderneming zijn van een of meer kredietinstellingen naar Belgisch recht en ertoe gerechtigd zijn in België geregeld de werkzaamheden uit te oefenen zoals opgesomd in punt 2 en volgende van de lijst in artikel 4, mogen voor de uitoefening van deze werkzaamheden bijkantoren vestigen in andere lidstaten volgens de bij de artikelen 86, 87 en 89 bepaalde regels of er hun bedrijf uitoefenen zonder vestiging van een bijkantoor volgens de bij de artikelen 90 en 91 bepaalde regels, indien zij aan de volgende voorwaarden voldoen:

1°aan de kredietinstelling(en) die moeder-onderneming(en) is (zijn) van deze financiële instellingen is overeenkomstig dit Boek een vergunning verleend als kredietinstelling;

2°de financiële instellingen oefenen de voornoemde werkzaamheden daadwerkelijk uit op het Belgische grondgebied;

3°de kredietinstelling(en) die de moeder-onderneming(en) is (zijn) van deze financiële instellingen bezit(ten) ten minste 90 pct. van de aan de aandelen van deze financiële instellingen verbonden stemrechten;

4°de moederondernemingen moeten de toezichthouder aantonen dat het beleid van de financiële instellingen gezond en voorzichtig is;

5°de moederondernemingen moeten zich volgens de door de toezichthouder goedgekeurde regels hoofdelijk borg stellen voor de verplichtingen van de financiële instellingen;

6°de financiële instellingen worden opgenomen in het toezicht op geconsolideerde basis op de moederinstellingen, overeenkomstig Titel III, Hoofdstuk IV, Afdeling II van dit Boek, inzonderheid wat de geldende vereisten betreft voor het eigen vermogen, het toezicht op de grote risico's en de beperking van het aandelenbezit, als bepaald in Verordening nr. 575/2013.

Vooraleer de in de artikelen 86 of 90 bedoelde beslissing te nemen, gaat de toezichthouder na of deze voorwaarden zijn vervuld. Daartoe voegt hij een attest bij de bij de artikelen 87 of 90 voorgeschreven mededeling. In afwijking van deze bepalingen deelt de toezichthouder mee welk het eigenvermogenspeil van de betrokken financiële instelling is, alsook het bedrag van de geconsolideerde solvabiliteitscoëfficiënt en het totaal van de risicoposten berekend in overeenstemming met artikel 92, leden 3 en 4, van Verordening nr. 575/2013 van de kredietinstelling(en) waarvan de financiële instelling een dochteronderneming is..

Indien de in dit artikel bedoelde financiële instelling niet langer aan de hierin gestelde voorwaarden voldoet, meldt de toezichthouder dit onmiddellijk aan de bevoegde autoriteiten van de lidstaat of de lidstaten waar deze financiële instelling bedrijvig is via een bijkantoor of een vorm van dienstverrichting.

De in deze Afdeling bedoelde financiële instellingen worden vermeld in een bijlage bij de lijst van de kredietinstellingen als bedoeld in artikel 14.

Art. 93

Voor wat betreft de aangelegenheden die aan de Europese Centrale Bank zijn toevertrouwd met toepassing van artikel 4 van de GTM-verordening, zijn de bepalingen met betrekking tot de procedures tussen de bevoegde autoriteiten en de desbetreffende bevoegdheden niet van toepassing ingeval de kredietinstelling of haar gespecialiseerde dochteronderneming als bedoeld in artikel 92 voornemens is op het grondgebied van een andere deelnemende lidstaat een bijkantoor te vestigen of werkzaamheden uit te oefenen in het kader van het vrij verrichten van diensten.