Voor de toepassing van de artikelen 1 en 5 van deze wet kan de Koning de criteria vastleggen op grond waarvan het openbaar karakter van de in deze bepalingen bedoelde verrichtingen kan worden bepaald.
BOEK IX - SLOT-, WIJZIGINGS-,
TITEL I - Slotbepalingen en diverse bepalingen
385–389/1
Art. 386
Bij een in Ministerraad overlegd besluit, genomen op advies van de afwikkelingsautoriteit, kan de Koning alle nuttige maatregelen nemen om de financieringsregelingen in te richten die nodig zijn voor de effectieve aanwending van de instrumenten en afwikkelingsbevoegdheden door de afwikkelingsautoriteit.
Art. 387
Bij een in Ministerraad overlegd besluit, genomen op advies van de afwikkelingsautoriteit, kan de Koning de toepassing van alle of een deel van de bepalingen van Boek II, Titel II, Hoofdstuk VII en van de Titels IV en VIII uitbreiden tot financiële holdings en gemengde financiële holdings en er de nadere regels van vaststellen.
Art. 388
De in artikels 386 en 387 aan de Koning verleende machten verstrijken op 31 december 2015.
De koninklijke besluiten genomen krachtens de artikelen 386 of 387 kunnen de van kracht zijnde wettelijke bepalingen wijzigen, aanvullen, vervangen of opheffen.
Deze besluiten worden van rechtswege opgeheven indien zij niet bij wet worden bekrachtigd binnen twaalf maanden volgend op hun bekendmaking in het Belgisch Staatsblad.
Art. 389
§ 1.De gewaarborgde deposito's en de vorderingen van het Garantiefonds op een kredietinstelling, in hoofdsom, interesten en bijkomstigheden, zijn bevoorrecht op alle roerende goederen van deze kredietinstelling.
Het in het eerste lid bedoelde voorrecht neemt rang onmiddellijk na de voorrechten bedoeld in artikel 19, 4° nonies, van de hypotheekwet van 16 december 1851.
§ 2.Voor het deel dat het dekkingsniveau bepaald in artikel 382 overschrijdt, zijn de in aanmerking komende deposito's van natuurlijke personen en van de kleine en middelgrote ondernemingen bevoorrecht op alle roerende goederen van de kredietinstelling.
Het voorrecht bedoeld in het eerste lid neemt rang onmiddellijk na het voorrecht bedoeld in paragraaf 1.
Voor de toepassing van het eerste lid zijn kleine en middelgrote ondernemingen de ondernemingen waarvan de jaarlijkse omzet niet hoger is dan 50 miljoen euro.
Art. 389/1
Wanneer ten aanzien van een entiteit bedoeld in artikel 424 een liquidatieprocedure wordt geopend, kunnen de volgende schuldeisers bij de verdeling gelijktijdig aanspraken doen gelden naar verhouding van hun toegelaten schuldvorderingen, waarbij zij rang nemen na de schuldeisers die houders zijn van zakelijke zekerheden of voorrechten:
1°in de eerste plaats, de chirografaire schuldeisers die niet vermeld zijn in 2°;
2°in de tweede plaats, de chirografaire schuldeisers die houders zijn van schuldinstrumenten:
a)die geen verankerde derivaten bevatten en zelf geen derivaten zijn. Schuldinstrumenten met een variabele rente afgeleid van een algemeen gebruikte referentierente en schuldinstrumenten die niet luiden in de nationale valuta van de emittent, mits hoofdsom, terugbetaling en rente in dezelfde valuta zijn uitgedrukt, mogen niet louter op basis van deze kenmerken worden beschouwd als schuldinstrumenten die verankerde derivaten bevatten;;
b)waarvan de oorspronkelijke looptijd niet korter is dan een jaar; en
c)op voorwaarde dat de regels inzake de uitgifte ervan bepalen dat de schuldvordering een chirografaire schuldvordering is overeenkomstig punt 2°,
voor de hoofdsommen en interesten die hen verschuldigd zijn uit hoofde van die schuldinstrumenten;
3°in de derde plaats, de achtergestelde schuldeisers;
4°in de vierde plaats, de schuldeisers die houders zijn van eigenvermogensbestanddelen, met inbegrip van instrumenten die slechts gedeeltelijk als een eigenvermogensbestanddeel worden erkend, die in hun geheel behandeld worden als schulden die voortvloeien uit een eigenvermogensbestanddeel. Voor de toepassing van dit punt 4° worden enkel instrumenten die eigenvermogensbestanddelen vormen op het ogenblik van de opening van de liquidatieprocedure behandeld als schulden die voortvloeien uit een eigenvermogensbestanddeel, niettegenstaande enige andersluidende contractuele clausule.
Voor de toepassing van dit artikel wordt onder "schuldinstrumenten" verstaan, obligaties en andere vormen van overdraagbare schuld en instrumenten die een schuld creëren of erkennen.