§ 1.In afwijking van artikel 267/3, bepaalt de afwikkelingsautoriteit geschikte overgangsperiodes, die ten laatste op 1 januari 2024 eindigen, voor kredietinstellingen en entiteiten als bedoeld in artikel 424, 2°, tot en met 4°, om te voldoen aan de vereisten in artikel 267/5/3 of artikel 267/5/4, of aan vereisten die voortvloeien uit de toepassing van artikel 267/5, §§ 4, 5 of 7, naargelang het geval.
De afwikkelingsautoriteit bepaalt tussentijdse streefniveaus voor de vereisten bedoeld in het eerste lid, waaraan de kredietinstellingen en entiteiten als bedoeld in artikel 424, 2° tot en met 4°, op 1 januari 2022 moet voldoen. Die tussentijdse streefniveaus zorgen in de regel voor een lineaire opbouw van eigen vermogen en in aanmerking komende schulden naar die vereisten toe.
De afwikkelingsautoriteit kan, indien naar behoren gerechtvaardigd en passend op basis van de in paragraaf 7 bedoelde criteria, voorzien in een overgangsperiode die na 1 januari 2024 verstrijkt, waarbij rekening wordt gehouden met het volgende:
1°de ontwikkeling van de financiële situatie van de entiteit;
2°het vooruitzicht dat de entiteit in staat zal zijn binnen een redelijke termijn te voldoen aan de vereisten in het eerste lid; en
3°of de entiteit in staat is te zorgen voor vervanging van schulden die niet langer voldoen aan de criteria om in aanmerking te komen of de criteria inzake looptijd die zijn vastgesteld in de artikelen 72ter en 72quater van Verordening nr. 575/2013 en artikel 267/5 of artikel 267/5/4, § 2, en indien niet, dat onvermogen eigen aan de entiteit is dan wel te wijten is aan marktbrede verstoring.
§ 2.Af te wikkelen entiteiten voldoen uiterlijk op 1 januari 2022 aan het minimumniveau van de in artikel 267/5/1, § 4 of § 5, bedoelde vereisten.
§ 3.De minimumniveaus van de in artikel 267/5/1, § 4 en § 5, bedoelde vereisten zijn niet van toepassing binnen de periode van twee jaar die volgt op de datum waarop:
1°de afwikkelingsautoriteit het instrument van interne versterking heeft toegepast; of
2°de af te wikkelen entiteit een in artikel 244, § 1, 2°, bedoelde private maatregel heeft doorgevoerd waarmee kapitaalinstrumenten en andere verplichtingen zijn afgeschreven of in tier 1-kernkapitaalinstrumenten omgezet, of ten aanzien van die af te wikkelen entiteit overeenkomstig de artikelen 250 of 457 afschrijvings- of omzettingsbevoegdheden zijn uitgeoefend, teneinde de af te wikkelen entiteit te herkapitaliseren zonder dat afwikkelingsinstrumenten werden toegepast.
§ 4.De vereisten, bedoeld in artikel 267/5, § 4 en § 7, alsmede artikel 267/5/1, § 4 en § 5, naargelang het geval, gelden niet binnen de periode van drie jaar die volgt op de datum waarop de af te wikkelen entiteit of de groep waartoe de af te wikkelen entiteit behoort, als MSI is aangemerkt, of de datum vanaf welke de af te wikkelen entiteit zich in de in artikel 267/5/1, § 4 of § 5, bedoelde situatie bevindt.
§ 5.In afwijking van artikel 267/3, bepaalt de afwikkelingsautoriteit een geschikte overgangsperiode om te voldoen aan de vereisten van artikel 267/5/3 of artikel 267/5/4 of aan een vereiste die voortvloeit uit de toepassing van artikel 267/5, § 4, § 5 of § 7, naargelang het geval, voor kredietinstellingen of entiteiten bedoeld in artikel 424, 2° tot en met 4°, ten aanzien waarvan de afwikkelingsinstrumenten of de bevoegdheid tot afschrijving of omzetting bedoeld in de artikelen 250 of 457 zijn toegepast.
§ 6.Voor de toepassing van de paragrafen 1 tot en met 5 deelt de afwikkelingsautoriteit de kredietinstelling of entiteit als bedoeld in artikel 424, 2° tot en met 4°, een gepland minimumvereiste voor eigen vermogen en in aanmerking komende schulden mee voor elke periode van 12 maanden gedurende de overgangsperiode, teneinde een geleidelijke opbouw van haar verliesabsorptie- en herkapitalisatiecapaciteit te faciliteren. Aan het eind van de overgangsperiode is het minimumvereiste voor eigen vermogen en in aanmerking komende schulden gelijk aan het bedrag dat is vastgesteld op grond van artikel 267/5, §§ 4, 5 of 7, artikel 267/5/1, §§ 4 of 5, artikel 267/5/3 of artikel 267/5/4, naargelang het geval.
§ 7.Bij het bepalen van een overgangsperiode overeenkomstig dit artikel, houdt de afwikkelingsautoriteit rekening met:
1°het overwicht van deposito's en het ontbreken van schuldinstrumenten in het financieringsmodel;
2°de toegang tot de kapitaalmarkten voor in aanmerking komende schulden;
3°de mate waarin de af te wikkelen entiteit een beroep moet doen op tier 1-kernkapitaal voor het voldoen aan het in artikel 267/5/3 bedoelde vereiste.
§ 8.Onder voorbehoud van paragraaf 1 kan de afwikkelingsautoriteit de overgangsperiode of een gepland minimumvereiste voor eigen vermogen en in aanmerking komende schulden zoals meegedeeld krachtens paragraaf 6 later herzien.