Alle wetboeken › Bankwet

BOEK IX - SLOT-, WIJZIGINGS-,

TITEL III - Overgangsbepalingen

406–420/2

Art. 406

De kredietinstellingen die op de datum van inwerkingtreding van deze wet zijn opgenomen in de lijst van de kredietinstellingen als bedoeld in artikel 13 van de wet van 22 maart 1993 op het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen, verkrijgen voor de toepassing van deze wet van rechtswege een vergunning.

De kredietinstellingen die onder een lidstaat ressorteren en die opgenomen zijn in de lijsten bedoeld in de artikelen 65 en 66 van de wet van 22 maart 1993 op het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen, worden van rechtswege opgenomen in de lijst bedoeld in de artikelen 312, § 2 en 314.

De vertegenwoordigingskantoren van de buitenlandse kredietinstellingen die met toepassing van artikel 85, eerste lid van de wet van 22 maart 1993 op het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen zijn ingeschreven, worden van rechtswege ingeschreven met toepassing van deze wet.

Art. 407

§ 1.De koninklijke besluiten en reglementen van de Bank en alle andere handelingen van reglementaire aard die in uitvoering van de wet van 22 maart 1993 op het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen zijn vastgesteld, blijven van toepassing in de mate dat de bepalingen van deze wet voorzien in de algemene of specifieke juridische machtigingen die nodig zijn voor deze reglementaire handelingen en dat hun inhoud niet in strijd is met deze wet.

§ 2.De machtigingen en afwijkingen die door de Bank zijn verleend en alle handelingen met individuele draagwijdte die eerder zijn vastgesteld op grond van de voornoemde wet van 22 maart 1993 op het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen of van de reglementaire handelingen die ter uitvoering ervan zijn vastgesteld, blijven geldig, tenzij zij overeenkomstig deze wet worden herroepen of gewijzigd.

Art. 408

Artikel 20, § 1, 3° is enkel van toepassing voor wat betreft definitieve administratieve boetes die na de inwerkingtreding van deze wet worden opgelegd.

Art. 409

Onverminderd artikel 26 moeten de kredietinstellingen die op de datum van inwerkingtreding van deze wet een vergunning bezitten, een directiecomité oprichten dat uiterlijk op 1 januari 2016 voldoet aan de artikelen 24 of 25.

Art. 410

De leningen, kredieten of borgstellingen die vóór de inwerkingtreding van deze wet zijn verleend en die niet voldoen aan de voorschriften van artikel 72, § 2, moeten uiterlijk op 1 januari 2016 worden beëindigd.

Art. 411

Artikel 1 van Bijlage II is enkel van toepassing voor wat betreft de prestaties die vanaf 1 januari 2014 worden geleverd.

Art. 412

Voor de periode gaande van de datum van inwerkingtreding van deze wet tot 31 december 2018 is artikel 1 van Bijlage IV van toepassing volgens de in dit artikel bepaalde modaliteiten.

Het percentage van de tier 1-kernkapitaalconserveringsbuffer, uitgedrukt als percentage van het totale bedrag van de risicoblootstelling van een kredietinstelling, berekend overeenkomstig artikel 92, lid 3 van Verordening nr. 575/2013, is gelijk aan:

1) 0 % voor de periode gaande van de datum van inwerkingtreding van deze wet tot 31 december 2015;

2) 0,625 % voor de periode van 1 januari 2016 tot 31 december 2016;

3) 1,25 % voor de periode van 1 januari 2017 tot 31 december 2017;

4) 1,875 % voor de periode van 1 januari 2018 tot 31 december 2018.

Art. 413

De artikelen 13 en 14 van Bijlage IV treden in werking op 1 januari 2016, onder voorbehoud van de volgende modaliteiten:

1) op 1 januari 2016 moeten de instellingen voldoen aan 25 % van het vereiste dat is vastgesteld overeenkomstig artikel 13, § 2 van Bijlage IV;

2) op 1 januari 2017 moeten de instellingen voldoen aan 50 % van het vereiste dat is vastgesteld overeenkomstig artikel 13, § 2 van Bijlage IV;

3) op 1 januari 2018 moeten de instellingen voldoen aan 75 % van het vereiste dat is vastgesteld overeenkomstig artikel 13, § 2 van Bijlage IV;

4) op 1 januari 2019 moeten de instellingen voldoen aan 100 % van het vereiste dat is vastgesteld overeenkomstig artikel 13, § 2 van Bijlage IV.

Art. 414

De artikelen 18 tot 20 van Bijlage IV treden in werking op 1 januari 2015.

Tot 31 december 2014, indien het in artikel 17, § 1 van Bijlage IV bedoelde percentage vastgesteld wordt of gebracht wordt op een percentage tussen 3 en 5 %, zonder dat dit percentage meer mag bedragen dan 5 %, kan de Bank de vaststelling van het in artikel 16, § 1 van Bijlage IV bedoelde reglement slechts afronden indien de Europese Commissie een uitvoeringshandeling vaststelt die de Bank de toestemming verleent om deze maatregel te nemen.

Art. 415

De rechtspersonen die op de datum van inwerkingtreding van deze wet een functie uitoefenen van lid van het wettelijk bestuursorgaan van een kredietinstelling, mogen hun lopend mandaat blijven uitoefenen tot het verstrijkt. Tot het verstrijken van de in dit artikel bedoelde mandaten is artikel 19, § 1, tweede lid van toepassing op de vaste vertegenwoordiger van de rechtspersoon.

Art. 416

De verplichting om een herstelpan op te stellen als bedoeld in artikel 108, moet vervuld zijn binnen een termijn van vijftien maanden te rekenen vanaf de inwerkingtreding van deze wet. Bij wijze van uitzondering beschikken de kredietinstellingen die reeds vóór de inwerkingtreding van deze wet een herstelplan hebben opgesteld en meegedeeld aan de Bank, over een termijn van zes maanden te rekenen vanaf de inwerkingtreding van deze wet, om te voldoen aan de verplichting om een herstelplan op te stellen overeenkomstig artikel 108.

Art. 417

De afwikkelingsautoriteit overhandigt aan de minister van Financiën vóór 31 december 2015 een verslag over de vorderingen die geboekt zijn bij het opstellen van de afwikkelingsplannen en het wegnemen van de belemmeringen voor de afwikkelbaarheid als bedoeld in de artikelen 226 tot 232.

Art. 418

§ 1.In afwijking van artikel 267/3, bepaalt de afwikkelingsautoriteit geschikte overgangsperiodes, die ten laatste op 1 januari 2024 eindigen, voor kredietinstellingen en entiteiten als bedoeld in artikel 424, 2°, tot en met 4°, om te voldoen aan de vereisten in artikel 267/5/3 of artikel 267/5/4, of aan vereisten die voortvloeien uit de toepassing van artikel 267/5, §§ 4, 5 of 7, naargelang het geval.

De afwikkelingsautoriteit bepaalt tussentijdse streefniveaus voor de vereisten bedoeld in het eerste lid, waaraan de kredietinstellingen en entiteiten als bedoeld in artikel 424, 2° tot en met 4°, op 1 januari 2022 moet voldoen. Die tussentijdse streefniveaus zorgen in de regel voor een lineaire opbouw van eigen vermogen en in aanmerking komende schulden naar die vereisten toe.

De afwikkelingsautoriteit kan, indien naar behoren gerechtvaardigd en passend op basis van de in paragraaf 7 bedoelde criteria, voorzien in een overgangsperiode die na 1 januari 2024 verstrijkt, waarbij rekening wordt gehouden met het volgende:

1°de ontwikkeling van de financiële situatie van de entiteit;

2°het vooruitzicht dat de entiteit in staat zal zijn binnen een redelijke termijn te voldoen aan de vereisten in het eerste lid; en

3°of de entiteit in staat is te zorgen voor vervanging van schulden die niet langer voldoen aan de criteria om in aanmerking te komen of de criteria inzake looptijd die zijn vastgesteld in de artikelen 72ter en 72quater van Verordening nr. 575/2013 en artikel 267/5 of artikel 267/5/4, § 2, en indien niet, dat onvermogen eigen aan de entiteit is dan wel te wijten is aan marktbrede verstoring.

§ 2.Af te wikkelen entiteiten voldoen uiterlijk op 1 januari 2022 aan het minimumniveau van de in artikel 267/5/1, § 4 of § 5, bedoelde vereisten.

§ 3.De minimumniveaus van de in artikel 267/5/1, § 4 en § 5, bedoelde vereisten zijn niet van toepassing binnen de periode van twee jaar die volgt op de datum waarop:

1°de afwikkelingsautoriteit het instrument van interne versterking heeft toegepast; of

2°de af te wikkelen entiteit een in artikel 244, § 1, 2°, bedoelde private maatregel heeft doorgevoerd waarmee kapitaalinstrumenten en andere verplichtingen zijn afgeschreven of in tier 1-kernkapitaalinstrumenten omgezet, of ten aanzien van die af te wikkelen entiteit overeenkomstig de artikelen 250 of 457 afschrijvings- of omzettingsbevoegdheden zijn uitgeoefend, teneinde de af te wikkelen entiteit te herkapitaliseren zonder dat afwikkelingsinstrumenten werden toegepast.

§ 4.De vereisten, bedoeld in artikel 267/5, § 4 en § 7, alsmede artikel 267/5/1, § 4 en § 5, naargelang het geval, gelden niet binnen de periode van drie jaar die volgt op de datum waarop de af te wikkelen entiteit of de groep waartoe de af te wikkelen entiteit behoort, als MSI is aangemerkt, of de datum vanaf welke de af te wikkelen entiteit zich in de in artikel 267/5/1, § 4 of § 5, bedoelde situatie bevindt.

§ 5.In afwijking van artikel 267/3, bepaalt de afwikkelingsautoriteit een geschikte overgangsperiode om te voldoen aan de vereisten van artikel 267/5/3 of artikel 267/5/4 of aan een vereiste die voortvloeit uit de toepassing van artikel 267/5, § 4, § 5 of § 7, naargelang het geval, voor kredietinstellingen of entiteiten bedoeld in artikel 424, 2° tot en met 4°, ten aanzien waarvan de afwikkelingsinstrumenten of de bevoegdheid tot afschrijving of omzetting bedoeld in de artikelen 250 of 457 zijn toegepast.

§ 6.Voor de toepassing van de paragrafen 1 tot en met 5 deelt de afwikkelingsautoriteit de kredietinstelling of entiteit als bedoeld in artikel 424, 2° tot en met 4°, een gepland minimumvereiste voor eigen vermogen en in aanmerking komende schulden mee voor elke periode van 12 maanden gedurende de overgangsperiode, teneinde een geleidelijke opbouw van haar verliesabsorptie- en herkapitalisatiecapaciteit te faciliteren. Aan het eind van de overgangsperiode is het minimumvereiste voor eigen vermogen en in aanmerking komende schulden gelijk aan het bedrag dat is vastgesteld op grond van artikel 267/5, §§ 4, 5 of 7, artikel 267/5/1, §§ 4 of 5, artikel 267/5/3 of artikel 267/5/4, naargelang het geval.

§ 7.Bij het bepalen van een overgangsperiode overeenkomstig dit artikel, houdt de afwikkelingsautoriteit rekening met:

1°het overwicht van deposito's en het ontbreken van schuldinstrumenten in het financieringsmodel;

2°de toegang tot de kapitaalmarkten voor in aanmerking komende schulden;

3°de mate waarin de af te wikkelen entiteit een beroep moet doen op tier 1-kernkapitaal voor het voldoen aan het in artikel 267/5/3 bedoelde vereiste.

§ 8.Onder voorbehoud van paragraaf 1 kan de afwikkelingsautoriteit de overgangsperiode of een gepland minimumvereiste voor eigen vermogen en in aanmerking komende schulden zoals meegedeeld krachtens paragraaf 6 later herzien.

Art. 419

Voor de periode gaande van de datum van inwerkingtreding van artikel 419/2 tot 31 december 2023, bedraagt de terugbetalingstermijn bepaald in artikel 381, derde lid:

a)20 werkdagen voor de periode gaande van de datum van inwerkingtreding van artikel 419/2 tot 31 december 2018;

b)15 werkdagen voor de periode van 1 januari 2019 tot 31 december 2020;

c)10 werkdagen voor de periode van 1 januari 2021 tot 31 december 2023."

De Koning kan, in afwijking van het voorgaande lid, bepalen dat de terugbetalingstermijn reeds voor 31 december 2023 wordt verkort tot de termijn vermeld in artikel 381, derde lid.

Art. 419/1

Gedurende de overgangsperiode tot 31 december 2023 bepaald in artikel 419, zorgt de depositobeschermingsregeling ingesteld door het Garantiefonds ervoor dat wanneer het Fonds het terugbetaalbare bedrag niet binnen zeven werkdagen beschikbaar kan stellen, de deposanten binnen vijf werkdagen na hun verzoek toegang krijgen tot een passend bedrag van hun gewaarborgde deposito's om in de kosten van levensonderhoud te kunnen voorzien.

Dit bedrag kan nooit hoger zijn dan het bedrag van de gewaarborgde deposito's en wordt van het in artikel 382 bedoelde terugbetaalbare bedrag afgetrokken. De Koning stelt het bedrag en de modaliteiten en voorwaarden voor de toekenning van deze betaling vast.

Art. 419/2

Voor de toepassing van artikel 382, worden de obligaties en andere bancaire schuldvorderingsbewijzen die, vóór de datum van inwerkingtreding van artikel 419/2, door het depositogarantiestelsel werden gewaarborgd en die een oorspronkelijke vervaldatum hebben, gedekt door het depositogarantiestelsel tot en met hun oorspronkelijke vervaldatum indien zij vóór 2 juli 2014 zijn gestort of uitgegeven. Deze bescherming kan geen aanleiding geven tot een overschrijding van de limiet gesteld in artikel 382, eerste lid, en geldt enkel in hoofde van deposanten die in aanmerking kwamen voor terugbetaling vóór de datum van inwerkingtreding van de bepaling die artikel 419/2 invoegt in deze wet. De Koning kan de modaliteiten en voorwaarden vaststellen voor deze overgangsregeling.

Art. 419/3

Voor de toepassing van de artikelen 384/2 tot 384/6 dienen de woorden "het Garantiefonds" begrepen te worden als het Beschermingsfonds voor deposito's en financiële instrumenten dat optreedt krachtens de wet van 17 december 1998 tot oprichting van een beschermingsfonds voor deposito's en financiële instrumenten en tot reorganisatie van de beschermingsregelingen voor deposito's en financiële instrumenten, tot op de datum waarop zijn opdrachten aan het Garantiefonds worden overgedragen.

Art. 420

In afwachting van de aanpassing van de toelichting bij de jaarrekening van de kredietinstellingen, maken de kredietinstellingen uiterlijk op 1 juli 2014 de volgende informatie, uitgesplitst naar lidstaat of naar derde land waarin zij gevestigd zijn, op geconsolideerde basis bekend:

a)hun naam, de aard van hun werkzaamheden en hun geografische locatie;

b)hun omzet;

c)het aantal werknemers in voltijdequivalenten.

Art. 420/1

In afwachting van de inwerkingtreding van de artikelen 11 tot 15 van Bijlage IV wordt onder "binnenlandse systeemrelevante kredietinstelling" verstaan de kredietinstellingen, de financiële holdings en de gemengde financiële holdings die voorheen door de Bank als systeemrelevante instellingen werden beschouwd met toepassing van artikel 36/3, § 2 van de wet van 22 februari 1998 zoals die bepaling bestond onmiddellijk voor de wijziging ervan bij artikel 64 van de wet van 25 april 2014 houdende diverse bepalingen.

Bovendien kan de Bank, eveneens in afwachting van de inwerkingtreding van de artikelen 11 tot 15 van Bijlage IV, andere kredietinstellingen, financiële holdings en gemengde financiële holdings als mondiaal systeemrelevante instellingen (MSI's) of binnenlandse systeemrelevante instellingen (BSI's) beschouwen op grond van de criteria die respectievelijk bedoeld zijn in de artikelen 13, § 1, en 14, § 1, van Bijlage IV.

Art. 420/2

Tot 1 januari 2016 vormt de vaststelling van het percentage van de kredietinstellingspecifieke contracyclische tier 1-kernkapitaalbuffer voor de relevante risicoblootstellingen op tegenpartijen die op het Belgische grondgebied zijn gevestigd, waarin voorzien is in artikel 5 van Bijlage IV, een mogelijkheid in hoofde van de Bank.