Alle wetboeken › Bankwet

BOEK II - KREDIETINSTELLINGEN NAAR BELGISCH RECHT › TITEL VIII - Afwikkeling van kredietinstellingen

HOOFDSTUK IV - Afschrijving of omzetting van relevante kapitaalinstrumenten en in aanmerking komende schulden

250–254

Art. 250

§ 1.De afwikkelingsautoriteit is bevoegd om de relevante kapitaalinstrumenten en in aanmerking komende schulden bedoeld in paragraaf 2 af te schrijven of ze om te zetten in aandelen of andere eigendomsinstrumenten van de kredietinstelling overeenkomstig de bepalingen van dit hoofdstuk.

Deze bevoegdheid kan worden uitgeoefend hetzij afzonderlijk van enige afwikkelingsmaatregel, hetzij, indien de voorwaarden voor het initiëren van een afwikkelingsprocedure bedoeld in de artikelen 244, § 1, 244/1 of 454 zijn vervuld, in combinatie met een afwikkelingsmaatregel.

Indien relevante kapitaalinstrumenten en in aanmerking komende schulden indirect door de af te wikkelen entiteit zijn aangekocht via andere entiteiten in dezelfde af te wikkelen groep, wordt de afschrijvings- of omzettingsbevoegdheid uitgeoefend ten aanzien van die relevante kapitaalinstrumenten en in aanmerking komende schulden samen met dezelfde bevoegdheid op het niveau van de moederonderneming van de betrokken entiteit of op het niveau van andere moederondernemingen die geen af te wikkelen entiteiten zijn, zodat de verliezen daadwerkelijk worden doorgeschoven naar, en de betrokken entiteit wordt geherkapitaliseerd door, de af te wikkelen entiteit.

Nadat de bevoegdheid tot afschrijving of omzetting van relevante kapitaalinstrumenten en in aanmerking komende schulden onafhankelijk van afwikkelingsmaatregelen is uitgeoefend, wordt de in artikel 283 bedoelde waardering uitgevoerd, en is artikel 284 van toepassing.

§ 2.De bevoegdheid om in aanmerking komende schulden, onafhankelijk van het nemen van afwikkelingsmaatregelen, af te schrijven of om te zetten kan alleen worden uitgeoefend met betrekking tot in aanmerking komende schulden die voldoen aan de in artikel 267/5/4, § 2, 1°, genoemde voorwaarden, met uitzondering van de voorwaarde betreffende de resterende looptijd van schulden als bepaald in artikel 72quater, lid 1, van Verordening nr. 575/2013.

Indien die bevoegdheid wordt uitgeoefend, wordt de afschrijving of omzetting verricht overeenkomstig het in artikel 245, § 1, 8°, bedoelde beginsel.

§ 3.Indien een afwikkelingsmaatregel wordt genomen ten aanzien van een af te wikkelen entiteit of, in uitzonderlijke omstandigheden, in afwijking van het afwikkelingsplan, ten aanzien van een entiteit die geen af te wikkelen entiteit is, wordt het bedrag dat overeenkomstig artikel 252 op het niveau van een dergelijke entiteit is verminderd, afgeschreven of omgezet, meegeteld voor de drempels die op de betrokken entiteit van toepassing zijn overeenkomstig artikel 255, § 6, 3° en van artikel 6/1, § 2, eerste lid, 1°, en § 3 van de wet van 28 december 2011 op het Afwikkelingsfonds.

§ 4.De afwikkelingsautoriteit oefent de bevoegdheid bedoeld in paragraaf 1 onverwijld uit van zodra een of meer van de volgende voorwaarden zijn vervuld:

1°de afwikkelingsautoriteit heeft vastgesteld dat de voorwaarden voor het initiëren van een afwikkelingsprocedure bedoeld in artikel 244, § 1, verenigd zijn, vooraleer enige afwikkelingsmaatregel is genomen;

2°de afwikkelingsautoriteit stelt vast dat de kredietinstelling niet langer levensvatbaar zal zijn tenzij zij die bevoegdheid uitoefent; of

3°de kredietinstelling vraagt uitzonderlijke overheidssteun aan.

§ 5.Voor de toepassing van paragraaf 4, 3° wordt onder de voorwaarden bepaald door de Koning geen rekening gehouden met steunmaatregelen ten gunste van solvabele kredietinstellingen teneinde een ernstige verstoring van de economie te verhelpen en de financiële stabiliteit te vrijwaren.

Art. 251

Voor de toepassing van artikel 250, § 4, 2° wordt een kredietinstelling of haar groep enkel geacht niet langer levensvatbaar te zijn indien de twee volgende voorwaarden zijn vervuld:

1°de kredietinstelling of haar groep blijft in gebreke of dit is nakend; en

2°gezien de timing en andere ter zake doende omstandigheden valt het redelijkerwijze niet te verwachten dat een andere maatregel dan de afschrijving of omzetting van relevante kapitaalinstrumenten en in aanmerking komende schulden bedoeld in artikel 250, § 2, hetzij afzonderlijk, hetzij in combinatie met een afwikkelingsmaatregel of een of meer van de maatregelen bedoeld in Titel VII, binnen een redelijk tijdsbestek voorkomt dat de kredietinstelling of haar groep in gebreke blijft.

Voor de toepassing van het eerste lid, 1°:

1°wordt een kredietinstelling geacht in gebreke te blijven of wordt dit geacht nakend te zijn indien zij zich in een van de in artikel 244, § 2, bedoelde omstandigheden bevindt;

2°wordt een groep geacht in gebreke te blijven of wordt dit geacht nakend te zijn indien hij de geconsolideerde prudentiële vereisten op zodanige wijze overtreedt, of er objectieve aanwijzingen bestaan dat hij dat in de nabije toekomst zal doen, dat een optreden door de toezichthouder gerechtvaardigd is, inzonderheid omwille van het feit dat de groep verliezen heeft geleden of kan lijden die haar eigen vermogen in aanzienlijke mate aantasten.

Art. 252

De afwikkelingsautoriteit gaat over tot de afschrijving of omzetting van de relevante kapitaalinstrumenten en in aanmerking komende schulden met inachtneming van hun rangorde in een liquidatieprocedure, in dier voege dat:

1°de tier 1-kernkapitaalbestanddelen eerst worden verlaagd in verhouding tot de verliezen en tot de volledige omvang ervan; en

2°de hoofdsom van de relevante kapitaalinstrumenten vervolgens wordt afgeschreven of omgezet in tier 1-kernkapitaalinstrumenten voor zover noodzakelijk en tot de volledige omvang van de relevante kapitaalinstrumenten;

3°de hoofdsom van de in artikel 250, § 2, bedoelde in aanmerking komende schulden afgeschreven of omgezet wordt in tier 1-kernkapitaalinstrumenten, of beide, voor zover dat nodig is om de in artikel 243 bedoelde afwikkelingsdoelstellingen te verwezenlijken of tot de volledige omvang van de relevante in aanmerking komende schulden, indien die lager is.

Art. 253

Bij afschrijving van de hoofdsom van de relevante kapitaalinstrumenten of in aanmerking komende schulden bedoeld in artikel 250, § 2:

1°is de uitwerking van de verlaging permanent, behoudens een opwaardering overeenkomstig artikel 267/6, § 3;

2°blijft tegenover de houder van het relevante kapitaalinstrument of de in aanmerking komende schuld geen enkele verplichting bestaan uit hoofde van of in verband met het afgeschreven bedrag, met uitzondering van de reeds opeisbare verplichtingen en de aansprakelijkheid die kan voortvloeien uit een rechterlijke toetsing van de rechtmatigheid van de uitoefening van de afschrijvingsbevoegdheid;

3°wordt aan de houders van relevante kapitaalinstrumenten en in aanmerking komende schulden geen compensatie betaald buiten hetgeen is bepaald in artikel 254.

Art. 254

§ 1.Met het oog op de omzetting van de relevante kapitaalinstrumenten en in aanmerking komende schulden bedoeld in artikel 250, § 2, overeenkomstig artikel 252, 2° en 3°, kan de afwikkelingsautoriteit van de kredietinstelling eisen dat zij tier 1-kernkapitaalinstrumenten uitgeeft ten behoeve van de houders van de relevante kapitaalinstrumenten en in aanmerking komende schulden.

§ 2.De relevante kapitaalinstrumenten en in aanmerking komende schulden kunnen enkel worden omgezet in tier 1-kernkapitaal-instrumenten indien de volgende voorwaarden zijn vervuld:

1°deze tier 1-kernkapitaalinstrumenten zijn door de kredietinstelling of door haar moederonderneming uitgegeven met de instemming van de afwikkelingsautoriteit;

2°deze instrumenten zijn uitgegeven voordat de kredietinstelling enige aandelen of andere eigendomsinstrumenten heeft uitgegeven met het oog op een kapitaalinbreng door de Staat of een overheidsentiteit;

3°zij worden onverwijld na de uitoefening van de omzettingsbevoegdheid aan de betrokken houders van de relevante kapitaalinstrumenten en in aanmerking komende schulden toegekend en overgedragen;

4°de omzettingskoers wordt bepaald met inachtneming van de volgende beginselen:

a)de koers vertegenwoordigt een gepaste schadeloosstelling voor de betrokken houders van de relevante kapitaalinstrumenten en in aanmerking komende schulden; en

b)de koers toepasselijk op de niet-achtergestelde schulden is hoger dan deze op de achtergestelde schulden.

§ 3.Voor de toepassing van paragraaf 1, kan de afwikkelingsautoriteit van de kredietinstellingen eisen dat zij te allen tijde over de vereiste voorafgaande machtiging beschikken voor de uitgifte van het gepaste aantal tier 1-kernkapitaalinstrumenten.