Alle wetboeken › Bankwet

BOEK II - KREDIETINSTELLINGEN NAAR BELGISCH RECHT

TITEL IV - Afwikkelingsplannen

226–232/1

Art. 226

§ 1.Na overleg met de toezichthouder stelt de afwikkelingsautoriteit een afwikkelingsplan op voor elke kredietinstelling die geen deel uitmaakt van een groep waarvoor een groepsherstelplan wordt opgesteld.

§ 2.De afwikkelingsautoriteit kan van de kredietinstelling eisen dat zij assistentie verleent bij het opstellen en actualiseren van het afwikkelingsplan, en dat zij haar alle daarvoor noodzakelijke informatie verstrekt. De afwikkelingsautoriteit kan de kredietinstelling in het bijzonder verplichten om gedetailleerde gegevens bij te houden aangaande financiële contracten waarbij zij partij is. Indien alle of een deel van deze informatie reeds beschikbaar is bij de toezichthouder, maakt deze die informatie over aan de afwikkelingsautoriteit.

§ 3.De afwikkelingsautoriteit deelt een samenvatting van de sleutelelementen van het afwikkelingsplan mee aan de kredietinstelling.

§ 4.De afwikkelingsautoriteit schort de opmaak van het afwikkelingsplan op zolang de maatregelen tot vermindering of opheffing van belemmeringen voor de afwikkelbaarheid niet zijn vastgesteld overeenkomstig artikel 231, 231/1 en 232.

§ 5.De afwikkelingsautoriteit maakt het afwikkelingsplan en eventuele wijzigingen daarvan over aan de toezichthouder.

Art. 227

§ 1.Het afwikkelingsplan bepaalt de maatregelen die door de afwikkelingsautoriteit ten aanzien van de kredietinstelling kunnen worden genomen indien de voorwaarden bepaald in artikel 244, § 1, voor deze instelling zijn vervuld, inzonderheid teneinde de continuïteit van haar kritieke functies te waarborgen, te vermijden dat de stabiliteit van het Belgische en het internationale financiële stelsel wordt aangetast en de gewaarborgde deposito's te beschermen.

In het afwikkelingsplan wordt rekening gehouden met verschillende scenario's, waaronder de mogelijkheid dat het in gebreke blijven van de kredietinstelling idiosyncratisch is dan wel zich voordoet in een context van algemene financiële instabiliteit of systeembrede gebeurtenissen.

Het afwikkelingsplan houdt geen rekening met enige uitzonderlijke overheidssteun, onverminderd de interventies van het Afwikkelingsfonds, en evenmin met enige noodfinanciering door centrale banken of enig beroep op andere faciliteiten voor liquiditeitsverstrekking door centrale banken onder voorwaarden inzake zekerheden, duur of interest die afwijken van standaardvoorwaarden. Het plan bevat niettemin een analyse van hoe en wanneer de kredietinstelling een beroep zou kunnen doen op de faciliteiten van centrale banken, en geeft aan welke activa daarvoor als zekerheid in aanmerking kunnen komen.

§ 2.Bij een in Ministerraad overlegd besluit, genomen op advies van de afwikkelingsautoriteit, kan de Koning het volgende nader bepalen:

1°de minimuminhoud van het afwikkelingsplan; en

2°de informatie die door de kredietinstellingen aan de afwikkelingsautoriteit moet worden meegedeeld, en de frequentie waarmee dit dient te gebeuren.

Art. 228

De afwikkelingsautoriteit actualiseert het afwikkelingsplan ten minste eenmaal per jaar en in ieder geval na elke wijziging in de juridische of organisatiestructuur van de kredietinstelling, haar werkzaamheden of haar financiële positie, die een significante invloed kan hebben op het plan of wijziging ervan vergt.

Met het oog op de toepassing van het eerste lid brengen de kredietinstellingen en de toezichthouder de afwikkelingsautoriteit onverwijld op de hoogte van alle veranderingen die een actualisering of een herziening van het afwikkelingsplan nodig maken.

De in het eerste lid bedoelde actualisering wordt tevens verricht na het uitvoeren van een afwikkelingsmaatregel of het uitoefenen van de in de artikel 250 bedoelde bevoegdheid tot afschrijving of omzetting van relevante kapitaalinstrumenten en in aanmerking komende schulden.

Art. 229

§ 1.De afwikkelingsautoriteit kan de kredietinstellingen bedoeld in artikel 239, § 1, vrijstellen van de verplichtingen van dit Hoofdstuk.

§ 2.Wanneer de afwikkelingsautoriteit een vrijstelling verleent met toepassing van paragraaf 1, past zij de in dit Hoofdstuk bepaalde vereisten toe op basis van de algemene situatie van de centrale instelling en de bij deze instelling aangesloten kredietinstellingen als bedoeld in artikel 239.

§ 3.De instellingen die krachtens artikel 6, leden 4 en 5, onder b), van de GTM-verordening onder het rechtstreeks toezicht van de Europese Centrale Bank staan of waarvan de werkzaamheden een belangrijk deel van het Belgische financiële stelsel uitmaken, kunnen niet worden vrijgesteld uit hoofde van paragraaf 1. Voor de toepassing van deze paragraaf worden de werkzaamheden van een instelling geacht een belangrijk deel van het Belgische financiële stelsel uit te maken indien voldaan is aan een van de volgende voorwaarden:

1°de totale waarde van haar activa is groter dan 30.000.000.000 EUR; of

2°de verhouding tussen haar totale activa en het bruto binnenlands product is groter dan 20 %.

§ 4.De afwikkelingsautoriteit kan afwijken van de verplichtingen krachtens dit Hoofdstuk inzake de inhoud van het afwikkelingsplan, de frequentie van actualisering van het plan of de informatieverstrekking door de kredietinstelling, voor zover een dergelijke afwijking verantwoord is in het licht van de impact die het in gebreke blijven en de vereffening van de kredietinstelling in het kader van een vereffeningsprocedure kunnen hebben op de financiële markten, op andere kredietinstellingen, op de financieringsvoorwaarden en op de economie in het algemeen. Hierbij houdt de afwikkelingsautoriteit in het bijzonder rekening met de aard van de werkzaamheden van de kredietinstelling, haar aandeelhoudersstructuur, rechtsvorm, risicoprofiel, omvang en juridisch statuut, verwevenheid met andere kredietinstellingen of het financiële stelsel in het algemeen, de perimeter en complexiteit van haar werkzaamheden en de eventuele uitoefening van beleggingsdiensten- of activiteiten. De afwikke-lingsautoriteit verricht deze beoordeling na raadpleging, indien passend, van de Bank in haar hoedanigheid van macroprudentiële autoriteit.

§ 5.De afwikkelingsautoriteit stelt de EBA in kennis van de wijze waarop zij de bepalingen van dit artikel heeft toegepast.

Art. 230

Bij de opstelling en actualisering van het afwikkelingsplan beoordeelt de afwikkelingsautoriteit, na overleg met de toezichthouder, de afwikkelbaarheid van de kredietinstelling.

De kredietinstelling wordt geacht afwikkelbaar te zijn indien de afwikkelingsautoriteit op geloofwaardige wijze hetzij de kredietinstelling in vereffening kan stellen, hetzij haar kan afwikkelen door toepassing van een of meer afwikkelingsinstrumenten en -bevoegdheden, waarbij in de mate van het mogelijke significante nadelige gevolgen voor de financiële stelsels van België of andere lidstaten worden vermeden, mede in geval van algemene financiële instabiliteit of systeembrede gebeurtenissen, en met als doelstelling om de continuïteit van de kritieke functies van de kredietinstelling te waarborgen.

Bij een in Ministerraad overlegd besluit, genomen op advies van de afwikkelingsautoriteit, kan de Koning de elementen nader bepalen die de afwikkelingsautoriteit dient te onderzoeken om de afwikkelbaarheid van een kredietinstelling overeenkomstig dit artikel te beoordelen.

Bij de beoordeling van de afwikkelbaarheid van een kredietinstelling gaat de afwikkelingsautoriteit niet uit van enige uitzonderlijke overheidssteun, onverminderd de interventies van het Afwikkelingsfonds, noch van enige noodfinanciering door centrale banken of enig beroep op andere faciliteiten voor liquiditeitsverstrekking door centrale banken onder voorwaarden inzake zekerheden, duur of interest die afwijken van standaardvoorwaarden.

Art. 230/1

§ 1.Indien een kredietinstelling zich in een situatie bevindt waarin zij volgens de modaliteiten van artikel 98/1 voldoet aan het globaal vereiste van een tier 1-kernkapitaalbuffer bedoeld in artikel 95, maar niet voldoet aan het globaal vereiste van een tier 1-kernkapitaalbuffer wanneer het in beschouwing wordt genomen naast de in de artikelen 267/5/1 en 267/5/2 bedoelde vereisten als berekend overeenkomstig artikel 267/3, § 2, 1°, is de afwikkelingsautoriteit bevoegd die kredietinstelling te verbieden uitkeringen, voor een bedrag dat hoger is dan het maximaal uitkeerbare bedrag, berekend overeenkomstig artikel 230/4, te verrichten door:

1°uitkeringen te verrichten in verband met tier 1- kernkapitaal;

2°een verplichting aan te gaan tot het betalen van variabele beloning of van uitkeringen uit hoofde van discretionair pensioen, of tot het betalen van variabele beloning als de verplichting tot betalen werd aangegaan of dient te worden uitgevoerd op het ogenblik dat de kredietinstelling niet aan het globaal vereiste van een tier 1-kernkapitaalbuffer voldeed; of

3°betalingen te verrichten op aanvullend tier 1- instrumenten.

§ 2.Een kredietinstelling meldt onverwijld aan de afwikkelingsautoriteit dat zij zich in de in dit artikel bedoelde situatie bevindt.

Art. 230/2

§ 1.De afwikkelingsautoriteit beoordeelt zonder vertraging en na raadpleging van de toezichthouder, of zij de in artikel 230/1 bedoelde bevoegdheid zal uitoefenen, rekening houdend met elk van de volgende elementen:

1°de reden, de duur en de omvang van de niet-naleving en de gevolgen ervan voor de afwikkelbaarheid;

2°de wijze waarop de financiële situatie van de kredietinstelling evolueert en de waarschijnlijkheid dat zij aan de in artikel 244, § 1, 1°, bedoelde voorwaarde voldoet;

3°het vooruitzicht dat de kredietinstelling in staat zal zijn binnen een redelijke termijn de in artikel 230/1 bedoelde vereisten na te leven;

4°indien de kredietinstelling niet in staat is te zorgen voor vervanging van schulden die niet langer voldoen aan de criteria om in aanmerking te komen of de criteria inzake looptijd die zijn vastgesteld in de artikelen 72ter en 72quater van Verordening nr. 575/2013, of in artikel 267/5 of artikel 267/5/4, § 2, indien dat onvermogen eigen aan de kredietinstelling is dan wel te wijten is aan marktbrede verstoring;

5°of de uitoefening van die bevoegdheid het meest geschikte en evenredige middel is om de situatie van de kredietinstelling aan te pakken, gelet op de mogelijke gevolgen ervan voor zowel de financieringsvoorwaarden als de afwikkelbaarheid van de betrokken kredietinstelling.

§ 2.Zolang de kredietinstelling zich in de in artikel 230/1 bedoelde situatie bevindt, beoordeelt de afwikkelingsautoriteit op zijn minst iedere maand opnieuw of zij de in dat artikel bedoelde bevoegdheid uitoefent.

Art. 230/3

§ 1.Indien de afwikkelingsautoriteit vaststelt dat de kredietinstelling zich negen maanden nadat zij de in artikel 230/1 bedoelde situatie heeft gemeld, nog steeds in die situatie bevindt, oefent de afwikkelingsautoriteit, na raadpleging van de toezichthouder, de in artikel 230/1 bedoelde bevoegdheid uit, behalve indien de afwikkelingsautoriteit na een beoordeling vaststelt dat ten minste twee van de volgende voorwaarden vervuld zijn:

1°de niet-naleving is toe te schrijven aan een ernstige verstoring van de werking van de financiële markten, die aanleiding geeft tot algemene spanning in verschillende segmenten van de financiële markten;

2°de in punt 1°, bedoelde verstoring leidt niet alleen tot de grotere prijsvolatiliteit van de eigenvermogensinstrumenten en in aan-merking komende schulden van de kredietinstelling of hogere kosten, maar ook tot een gehele of gedeeltelijke sluiting van de markten, die de kredietinstelling belet eigenvermogensinstrumenten en in aanmerking komende schulden uit te geven op die markten;

3°de in punt 2°, bedoelde sluiting van de markt valt niet alleen voor de betrokken kredietinstelling, maar ook voor diverse andere kredietinstellingen of entiteiten bedoeld in artikel 424 waar te nemen;

4°de in punt 1°, bedoelde verstoring belet de betrokken kredietinstelling eigenvermogensinstrumenten en in aanmerking komende schulden uit te geven die toereikend zijn om de niet-naleving te verhelpen; of

5°de uitoefening van de in artikel 230/1 bedoelde bevoegdheid kan tot negatieve spillover-effecten leiden voor de gehele of een deel van de bankensector, die de financiële stabiliteit dreigen te ondermijnen.

§ 2.Indien de in paragraaf 1 bedoelde uitzondering van toepassing is, brengt de afwikkelingsautoriteit haar besluit ter kennis van de toezichthouder en licht zij haar oordeel schriftelijk toe. De afwikkelingsautoriteit beoordeelt elke maand opnieuw of de in para-graaf 1 genoemde uitzondering van toepassing is.

Art. 230/4

§ 1.Het maximaal uitkeerbare bedrag met betrekking tot het minimumvereiste voor eigen vermogen en in aanmerking komende schulden wordt berekend door het overeenkomstig paragraaf 2 berekende bedrag te vermenigvuldigen met de overeenkomstig paragraaf 3 bepaalde factor. Het maximaal uitkeerbare bedrag met betrekking tot het minimumvereiste voor eigen vermogen en in aanmerking komende schulden wordt verminderd met ieder bedrag dat voortvloeit uit elk van de in artikel 230/1 bedoelde handelingen.

§ 2.Het in paragraaf 1 bedoelde te vermenigvuldigen bedrag bestaat uit:

1°alle tussentijdse winsten die niet in het tier 1- kernkapitaal overeenkomstig artikel 26, lid 2, van Verordening nr. 575/2013 zijn opgenomen, exclusief alle winstuitkeringen of betalingen die voortvloeien uit de in artikel 230/1 bedoelde handelingen;

vermeerderd met

2°alle eindejaarswinsten die niet in het tier 1- kernkapitaal overeenkomstig artikel 26, lid 2, van Verordening nr. 575/2013 zijn op-genomen, exclusief alle winstuitkeringen of betalingen die voortvloeien uit de in artikel 230/1 bedoelde handelingen;

en verminderd met

3°bedragen die als belasting verschuldigd zouden zijn als de in de punten 1° en 2°, genoemde elementen werden ingehouden.

§ 3.De in paragraaf 1 bedoelde factor wordt als volgt bepaald:

1°indien het door de kredietinstelling aangehouden tier 1-kernkapitaal dat niet wordt gebruikt om te voldoen aan een van de in ar-tikel 92bis van Verordening nr. 575/2013 en in artikel 267/5/1 en artikel 267/5/2 vastgestelde vereisten, uitgedrukt als percentage van het totaal van de risicoposten, berekend overeenkomstig artikel 92, lid 3, van Verordening nr. 575/2013, binnen het eerste (dat wil zeggen het laagste) kwartiel van het globaal vereiste van een tier 1-kernkapitaalbuffer ligt, is de factor 0;

2°indien het door de kredietinstelling aangehouden tier 1-kernkapitaal dat niet wordt gebruikt om te voldoen aan een van de in ar-tikel 92bis van Verordening nr. 575/2013 en in artikel 267/5/1 en artikel 267/5/2 vastgestelde vereisten, uitgedrukt als percentage van het totaal van de risicoposten, berekend overeenkomstig artikel 92, lid 3, van Verordening nr. 575/2013, binnen het tweede kwartiel van het globaal vereiste van een tier 1-kernkapitaalbuffer ligt, is de factor 0,2;

3°indien het door de kredietinstelling aangehouden tier 1-kernkapitaal dat niet wordt gebruikt om te voldoen aan de in artikel 92bis van Verordening nr. 575/2013 en in artikel 267/5/1 en artikel 267/5/2 vastgestelde vereisten, uitgedrukt als percentage van het totaal van de risicoposten, berekend overeenkomstig artikel 92, lid 3, van Verordening nr. 575/2013, binnen het derde kwartiel van het globaal vereiste van een tier 1 -kernkapitaalbuffer ligt, is de factor 0,4;

4°indien het door de kredietinstelling aangehouden tier 1-kernkapitaal dat niet wordt gebruikt om te voldoen aan het in artikel 92bis van Verordening nr. 575/2013 en in artikel 267/5/1 en artikel 267/5/2 vastgestelde vereisten, uitgedrukt als percentage van het totaal van de risicoposten, berekend overeenkomstig artikel 92, lid 3, van Verordening nr. 575/2013, binnen het vierde (dit wil zeggen het hoogste) kwartiel van het globaal vereiste van een tier 1-kernkapitaalbuffer ligt, is de factor 0,6.

De ondergrens en de bovengrens van elk kwartiel van het globaal vereiste van een tier 1-kernkapitaalbuffer worden als volgt berekend:

ondergrens van kwartiel = (globaal vereiste van een tier 1-kernkapitaalbuffer / 4) x (Qn - 1);

bovengrens van kwartiel = (globaal vereiste van een tier 1-kernkapitaalbuffer / 4) x Qn;

waarbij "Qn" = het volgnummer van het desbetreffende kwartiel.

Art. 231

Indien na beoordeling van de afwikkelbaarheid van een kredietinstelling overeenkomstig artikel 230, de afwikkelingsautoriteit, na overleg met de toezichthouder, oordeelt dat er belangrijke belemmeringen bestaan voor de afwikkelbaarheid van de kredietinstelling, stelt zij de betrokken kredietinstelling, de afwikkelingsautoriteiten in de jurisdicties waar significante bijkantoren gevestigd zijn en de toezichthouder daarvan schriftelijk in kennis, met beschrijving van de vastgestelde belemmeringen. De afwikkelingsautoriteit stelt bovendien de EBA tijdig in kennis hiervan.

Binnen vier maanden na de datum van ontvangst van de in het eerste lid bedoelde kennisgeving, stelt de kredietinstelling aan de afwikkelingsautoriteit maatregelen voor om de vastgestelde belemmeringen te verminderen of op te heffen.

Art. 231/1

Binnen twee weken na de datum van ontvangst van een overeenkomstig artikel 231 gedane kennisgeving, deelt de kredietinstelling aan de afwikkelingsautoriteit mogelijke maatregelen en het tijdpad ter uitvoering ervan mee om te verzekeren dat de kredietinstelling voldoet aan artikel 267/5/3 of 267/5/4 en aan het globaal vereiste van een tier 1-kernkapitaalbuffer, indien een wezenlijke belemmering voor de afwikkelbaarheid te wijten is aan een van de volgende situaties:

1°de kredietinstelling bevindt zich in de situatie bedoeld in artikel 230/1; of

2°de kredietinstelling voldoet niet aan de in de artikel 92bis en artikel 494 van Verordening nr. 575/2013 bedoelde vereisten, noch aan de in de artikelen 267/5/1 en artikel 267/5/2 bedoelde vereisten.

In het tijdpad voor de uitvoering van de in het eerste lid voorgestelde maatregelen wordt rekening gehouden met de redenen voor de wezenlijke belemmering.

De afwikkelingsautoriteit beoordeelt, na raadpleging van de toezichthouder, of de krachtens dit artikel voorgestelde maatregelen de betrokken wezenlijke belemmering daadwerkelijk aanpakken of wegnemen.

Art. 232

Indien de afwikkelingsautoriteit, na overleg met de toezichthouder, oordeelt dat de maatregelen voorgesteld door de kredietinstelling overeenkomstig artikel 231, tweede lid, of artikel 231/1 de voor de afwikkelbaarheid van de kredietinstelling vastgestelde belemmeringen niet opheffen of deze onvoldoende verminderen, eist zij van de kredietinstelling dat zij andere maatregelen neemt. Bij het vaststellen van die andere maatregelen toont de afwikkelingsautoriteit aan waarom de door de kredietinstelling voorgestelde maatregelen de belemmeringen voor de afwikkelbaarheid niet zouden kunnen wegnemen en waarom de andere maatregelen voor het wegnemen van de belemmeringen evenredig zijn. De afwikkelingsautoriteit houdt rekening met de bedreiging welke van die belemmeringen voor de afwikkelbaarheid uitgaat voor de financiële stabiliteit, en met de gevolgen van de maatregelen voor de bedrijfsactiviteiten van de kredietinstelling, haar stabiliteit en haar vermogen om een bijdrage te leveren aan de economie. Na raadpleging van de toezichthouder en van de Bank in haar hoedanigheid van macroprudentiële autoriteit, houdt de afwikkelingsautoriteit daarenboven rekening met het potentiële effect van die maatregelen op de betreffende kredietinstelling, op de interne markt voor financiële diensten en op de financiële stabiliteit in andere lidstaten en in de Unie als geheel.

De afwikkelingsautoriteit kan inzonderheid van de kredietinstelling eisen dat zij:

1°akkoorden van financiële steunverlening binnen de groep aanpast, het ontbreken van dergelijke akkoorden evalueert, of dienstverleningsovereenkomsten sluit, binnen de groep of met derden, om de uitoefening of de levering van een of meer kritieke functies te waarborgen;

2°het maximumbedrag van haar individuele en totale risicoblootstellingen beperkt;

3°op ad-hoc of regelmatige basis bijkomende informatie meedeelt die relevant is voor de afwikkeling;

4°bepaalde activa overdraagt;

5°bepaalde bestaande of voorgenomen activiteiten beperkt, opschort of staakt;

6°de ontwikkeling van bepaalde activiteiten of de verkoop van bepaalde producten vermindert of stopzet;

7°haar juridische of operationele structuren of deze van een of meer entiteiten waarover zij rechtstreeks of onrechtstreeks controle heeft, wijzigt om de complexiteit ervan te verminderen en ervoor te zorgen dat kritieke functies juridisch en operationeel van de andere functies kunnen worden afgesplitst door toepassing van de afwikkelingsinstrumenten;

8°zorgt voor de oprichting van een financiële holding die de controle neemt over de betrokken kredietinstelling of, in geval deze een dochteronderneming is van een gemengde financiële holding, ervoor zorgt dat deze laatste een afzonderlijke financiële holding opricht om de controle over de kredietinstelling uit te oefenen, indien dit noodzakelijk is om haar afwikkeling te vergemakkelijken en te vermijden dat de toepassing van de afwikkelingsinstrumenten en de uitoefening van de afwikkelingsbevoegdheden een negatieve weerslag hebben op het niet-financiële gedeelte van de groep;

9°de voorwaarden heronderhandelt van de door haar uitgegeven aanvullend-tier 1-instrumenten of aanvullend-tier 2-instrumenten om ervoor te zorgen dat een beslissing van de afwikkelingsautoriteit om deze instrumenten af te schrijven of om te zetten, uitvoerbaar is volgens het op deze instrumenten toepasselijke recht;

10°een plan indient om de naleving te herstellen van de vereisten van de artikelen 267/5/3 of 267/5/4, uitgedrukt als een percentage van het totaal van de risicoposten, berekend overeenkomstig artikel 92, lid 3, van Verordening nr. 575/2013, en, waar van toepassing, aan het globaal vereiste van een tier 1-kernkapitaalbuffer en aan de vereisten bedoeld in de artikelen 267/5/3 of 267/5/4, uitgedrukt als een percentage van de totale blootstellingsmaatstaf als bedoeld in artikel 429 en artikel 429bis van Verordening nr. 575/2013;

11°in aanmerking komende schulden in de zin van artikel 242, 10/1°, uitgeeft om aan de vereisten van de artikelen 267/5/3 of artikel 267/5/4 te voldoen;

12°andere maatregelen neemt om aan de minimumvereisten voor eigen vermogen en in aanmerking komende schulden te voldoen overeenkomstig de artikelen 267/5/3 of 267/5/4, en er met name naar streeft opnieuw te onderhandelen over elk daarvoor in aanmerking komend passief, aanvullend-tier 1-kapitaalinstrument of tier 2-kapitaalinstrument dat zij heeft uitgegeven, om ervoor te zorgen dat een eventueel besluit van de afwikkelingsautoriteit om dat passief of kapitaalinstrument af te schrijven of om te zetten, wordt uitgevoerd krachtens het recht van het rechtsgebied dat op dat passi 00d0 00b5 f of kapitaalinstrument van toepassing is;

13°om de voortdurende naleving van de artikelen 267/5/3 of 267/5/4 te waarborgen, het looptijdprofiel wijzigt van:

-de aanvullend-tier 1-kapitaalinstrumenten of tier 2-kapitaalinstrumenten, na de instemming van de toezichthouder te hebben verkregen, en

-de in aanmerking komende schulden, bedoeld in de artikelen 267/5 en 267/5/4, § 2, 1°.

De beslissing van de afwikkelingsautoriteit wordt afdoende gemotiveerd, in het bijzonder wat betreft de toepassing van de in het eerste lid bedoelde vereiste van evenredigheid, en schriftelijk ter kennis gebracht van de kredietinstelling. Deze dient binnen een maand een plan in voor de uitvoering van die beslissing.

Art. 232/1

Indien de afwikkelingsautoriteit, wanneer zij de afwikkelbaarheid van een kredietinstelling of entiteit als bedoeld in artikel 424, 2°, tot en met 4°, beoordeelt, of op ongeacht welk ander tijdstip vaststelt dat binnen een categorie verplichtingen die in aanmerking komende schulden omvat, het bedrag aan schulden zonder het contractueel beding bedoeld in artikel 267/15, § 1, samen met de schulden die zijn uitgesloten van de toepassing van het instrument van interne versterking overeenkomstig artikel 242, 10°, of die waarschijnlijk zullen worden uitgesloten overeenkomstig artikel 267/2, § 2, meer bedraagt dan 10 % van die categorie, beoordeelt zij onmiddellijk welke gevolgen dit bijzondere feit heeft voor de afwikkelbaarheid van die kredietinstelling of entiteit, waaronder de gevolgen voor de afwikkelbaarheid die voortvloeien uit het risico op inbreuken op de in artikel 282, § 2 geregelde waarborgen voor schuldeisers bij de uitoefening van afschrijvings- en omzettingsbevoegdheden op in aanmerking komende schulden.

Indien de afwikkelingsautoriteit op basis van de in het voorgaande lid bedoelde beoordeling concludeert dat de schulden die overeenkomstig artikel 267/15, § 2, eerste lid niet de contractuele bepaling bedoeld in artikel 267/15, § 1 bevatten, een substantiële belemmering voor de afwikkelbaarheid vormen, past zij in voorkomend geval de in de artikelen 231 tot 232 en 449 tot 451 bedoelde bevoegdheden zodanig toe dat de belemmering voor de afwikkelbaarheid wordt weggenomen.