Alle wetboeken › Bankwet

BOEK II - KREDIETINSTELLINGEN NAAR BELGISCH RECHT › TITEL VIII - Afwikkeling van kredietinstellingen

HOOFDSTUK VI - Afwikkelingsbevoegdheden

276–281/1

Art. 276

§ 1.De afwikkelingsautoriteit kan van een kredietinstelling, indien nodig door inspecties ter plaatse, eisen dat zij alle informatie overlegt die de afwikkelingsautoriteit nodig heeft om te beslissen over een afwikkelingsmaatregel of om haar bevoegdheid tot afschrijving of omzetting van kapitaalinstrumenten uit te oefenen.

§ 2.Zodra de afwikkelingsautoriteit besluit dat een kredietinstelling voldoet aan de voorwaarden voor het initiëren van een afwikkelingsprocedure bedoeld in artikel 244, § 1, heeft zij de volgende afwikkelingsbevoegdheden die zij, met inachtneming van artikel 255, § 3, tweede lid, afzonderlijk of in combinatie met elkaar kan uitoefenen:

1°de bevoegdheid om de controle over de kredietinstelling over te nemen en alle rechten en bevoegdheden van de algemene vergadering van aandeelhouders en van het wettelijk bestuursorgaan van de kredietinstelling uit te oefenen, overeenkomstig artikel 281;

2°de bevoegdheid om de overdracht te bevelen van door de kredietinstelling uitgegeven aandelen of andere eigendomsinstrumenten aan een overnemer of een overbruggingsinstelling, met diens toestemming, overeenkomstig artikel 256 of 260;

3°de bevoegdheid om de overdracht te bevelen van alle of een deel van de rechten, activa en verbintenissen van de kredietinstelling aan een ontvanger, met diens toestemming, overeenkomstig artikel 256, 260 of 265;

4°de bevoegdheid om de overdracht te bevelen van alle of een deel van de aandelen, andere eigendomsinstrumenten, activa, rechten of verbintenissen van de overbruggingsinstelling aan een derde, overeenkomstig artikel 261;

4°/1 de bevoegdheid om de hoofdsom of het uitstaande verschuldigde bedrag met betrekking tot bail-inbare schulden van een kredietinstelling (tot nul) te verlagen;

4°/2 de bevoegdheid om de bail-inbare schulden van een kredietinstelling om te zetten in aandelen of andere eigendomsinstrumenten van die kredietinstelling, haar moederonderneming of een overbruggingsinstelling;

4°/3 de bevoegdheid om door een kredietinstelling uitgegeven schuldinstrumenten in te trekken, tenzij het gaat om door zekerheid gedekte verplichtingen als bedoeld in artikel 242, 10°, b);

4°/4 de bevoegdheid om de looptijd van de schuldinstrumenten en andere bail-inbare schulden van een kredietinstelling te wijzigen of het bedrag van de in het kader van deze schuldinstrumenten en bail-inbare schulden verschuldigde rente of de datum waarop de rente moet worden betaald te wijzigen, met inbegrip van een tijdelijke opschorting van betaling, tenzij het gaat om door zekerheid gedekte verplichtingen als bedoeld in artikel 242, 10°, b);

4°/5 de bevoegdheid om financiële contracten of derivatencontracten overeenkomstig artikel 267/9 te vereffenen of te beëindigen;

5°de bevoegdheid om de nominale waarde van de aandelen of andere eigendomsinstrumenten van een kredietinstelling te verminderen of tot nul te herleiden en deze aandelen of andere eigendomsinstrumenten te vernietigen;

6°de bevoegdheid om een kredietinstelling of haar moederonderneming te verplichten tot uitgifte van nieuwe aandelen, andere eigendomsinstrumenten of andere kapitaalinstrumenten, met inbegrip van preferente aandelen en voorwaardelijk converteerbare instrumenten, overeenkomstig de artikelen 232, tweede lid, 10° en 254, § 1;

7°de bevoegdheid om de leden van het wettelijk bestuursorgaan en van de effectieve leiding van de kredietinstelling uit hun functies te ontheffen of te vervangen; en

8°de bevoegdheid om de toezichthouder opdracht te geven de verwerver van een gekwalificeerde deelneming in de kredietinstelling tijdig en in overeenstemming met artikel 259, § 1 en artikel 267/7, § 4 te beoordelen, in voorkomend geval in afwijking van de in de artikelen 47 en 48 vastgestelde termijnen.

Art. 277

Met inachtneming van de beperkingen bepaald in Hoofdstuk VII, beschikt de afwikkelingsautoriteit, in het kader van de uitoefening van de afwikkelingsbevoegdheden, over de bevoegdheid om:

1°maatregelen te nemen om overgedragen aandelen, andere eigendomsinstrumenten, activa, rechten of verbintenissen vrij te maken van rechten of zekerheden;

2°rechten op te heffen van aandeelhouders of derden om aandelen of andere eigendomsinstrumenten uitgegeven door de kredietinstelling te verwerven;

3°de betrokken autoriteit op te dragen om de toelating tot de verhandeling op een gereglementeerde markt of de officiële notering van financiële instrumenten uitgegeven door een kredietinstelling in te trekken of op te schorten;

3°/1 de betrokken autoriteit op te dragen om nieuw uitgegeven financiële instrumenten toe te laten tot de verhandeling op een gereglementeerde markt of een officiële notering;

3°/2 de betrokken autoriteit op te dragen om afgeschreven financiële instrumenten van een kredietinstelling opnieuw toe te laten tot de verhandeling op een gereglementeerde markt of een officiële notering, zonder dat een prospectus moet worden uitgegeven;

4°maatregelen te nemen opdat de ontvanger wordt behandeld als de kredietinstelling voor de uitoefening van haar rechten en verplichtingen, met inbegrip van rechten of verplichtingen verbonden aan de deelneming in een marktinfrastructuur;

5°de kredietinstelling of de ontvanger te verplichten de andere partij informatie en bijstand te verstrekken;

6°de bedingen van een overeenkomst waarbij de kredietinstelling partij is, te annuleren of te wijzigen;

7°alle nodige en nuttige maatregelen te nemen om de continuïteit van de door de kredietinstelling aangegane overeenkomsten te verzekeren overeenkomstig artikel 270, en om de ontvanger toe te laten de rechten en verplichtingen uit hoofde van de overeenkomsten en financiële instrumenten verbonden aan de activiteiten die hem werden overgedragen, volledig uit te oefenen; en

8°te bevelen dat de ontvanger de kredietinstelling vervangt als partij bij de overeenkomsten en financiële instrumenten verbonden aan de activiteiten die hem werden overgedragen, en in elke gerechtelijke procedure betreffende enige overgedragen activa of passiva, overeenkomsten of rechten of verbintenissen.

Art. 278

De bevoegdheden bedoeld in artikel 277 doen geen afbreuk:

1°aan het recht van een werknemer van de kredietinstelling om zijn arbeidscontract te beëindigen;

2°onder voorbehoud van artikel 280, § 1, aan het recht van een partij bij een overeenkomst om rechten op grond van de overeenkomst uit te oefenen, met inbegrip van het recht tot beëindiging, wegens een handeling of nalatigheid van de kredietinstelling vóór de overdracht of van de ontvanger na de overdracht.

Art. 279

§ 1.Onder voorbehoud van de beperkingen bepaald in Hoofdstuk VII, mag de afwikkelingsautoriteit, in het kader van de uitoefening van de afwikkelingsbevoegdheden, de kredietinstelling of een enige entiteit van haar groep ertoe verplichten om aan de ontvanger alle diensten en operationele faciliteiten, met uitzondering van elke vorm van financiële bijstand, te verstrekken die nodig zijn om hem in staat te stellen de aan hem overgedragen activiteiten effectief uit te oefenen.

De afwikkelingsautoriteit is bevoegd om de nakoming af te dwingen van de verplichtingen die met toepassing van artikel 65, lid 1 van Richtlijn 2014/59/EU door afwikkelingsautoriteiten in andere lidstaten zijn opgelegd aan in België gevestigde groepsentiteiten.

§ 2.Indien de diensten en faciliteiten bedoeld in paragraaf 1 in het kader van een overeenkomst aan de kredietinstelling werden verstrekt onmiddellijk voordat de afwikkelingsmaatregel is genomen, verstrekt de kredietinstelling deze diensten en faciliteiten onder dezelfde voorwaarden en voor de duur van die overeenkomst. Bij gebrek daaraan verstrekt zij deze onder redelijke voorwaarden.

§ 3.De afwikkelingsautoriteit kan de minimumlijst van diensten en operationele faciliteiten nader bepalen die nodig zijn om de ontvanger in staat te stellen de aan hem overgedragen activiteiten uit te oefenen.

Art. 280

§ 1.Onder voorbehoud van de beperkingen bepaald in Hoofdstuk VII, kan de afwikkelingsautoriteit, in het kader van de uitoefening van de afwikkelingsbevoegdheden:

1°elke betalings- of leveringsverplichting ingevolge een overeenkomst waarbij de kredietinstelling partij is, opschorten vanaf de bekendmaking vereist door artikel 295, 1° tot middernacht op de werkdag volgend op die bekendmaking, met dien verstande dat de betalings- of leveringsverplichtingen van de tegenpartijen van de kredietinstelling ingevolge dezelfde overeenkomst voor dezelfde periode worden opgeschort;

2°het recht van schuldeisers van de kredietinstelling tot uitwinning van hun zekerheden te beperken voor de duur bepaald in 1°;

3°de beëindigingsrechten van een partij bij een overeenkomst met de kredietinstelling of, onder de voorwaarden bepaald door de Koning, met een dochteronderneming van de kredietinstelling, opschorten voor de duur bepaald in 1°, voor zover de essentiële verplichtingen uit hoofde van de overeenkomst, inzonderheid de betalings- en leveringsverplichtingen en de zekerheidsstelling, verder worden nageleefd.

§ 2.Opschortingen uit hoofde van paragraaf 1, 1°, zijn niet van toepassing op betalings- en leveringsverplichtingen ten aanzien van betalings- of leveringsverplichtingen aan systemen of exploitanten van systemen die zijn aangewezen voor de toepassing van Richtlijn 98/26/EG, aan overeenkomstig de artikelen 14 en 25 van Verordening nr. 648/2012 vergunde of erkende centrale tegenpartijen en aan centrale banken.

§ 3.De bevoegdheid bedoeld in paragraaf 1, 2°, kan niet worden uitgeoefend met betrekking tot een zekerheidsrecht van systemen of exploitanten van systemen die zijn aangewezen voor de toepassing van Richtlijn 98/26/EG, jegens overeenkomstig de artikelen 14 en 25 van Verordening nr. 648/2012 vergunde of erkende centrale tegenpartijen en jegens centrale banken wat betreft activa die bij wijze van margestorting of zekerheid verstrekt zijn.

§ 4.Opschortingen uit hoofde van paragraaf 1, 3°, zijn niet van toepassing ten aanzien van de systemen en de entiteiten bedoeld in paragraaf 2.

§ 5.In geval van opschorting uit hoofde van paragraaf 1, 3° kan een beëindigingsrecht worden uitgeoefend voor het einde van de termijn bepaald in paragraaf 1, 1° indien de afwikkelingsautoriteit een bericht heeft bekendgemaakt dat de onder de overeenkomst vallende rechten en verplichtingen niet aan een andere entiteit worden overgedragen, of dat deze, bij toepassing van het instrument van interne versterking op grond van artikel 267/1, § 1, 1°, niet aan afschrijving of omzetting onderworpen zijn.

§ 6.Indien de afwikkelingsautoriteit de bevoegdheid bedoeld in paragraaf 1, 3° uitoefent en geen bericht heeft bekendgemaakt als bedoeld in paragraaf 5, mogen de beëindigingsrechten na afloop van de termijn bedoeld in paragraaf 1, 1° als volgt worden uitgeoefend:

1°indien de onder de overeenkomst vallende rechten en verplichtingen aan een andere entiteit zijn overgedragen, mag een tegenpartij die beëindigingsrechten alleen uitoefenen indien zich aan de zijde van de ontvanger een afdwingingsgrond blijft voordoen of zich later voordoet;

2°indien de onder de overeenkomst vallende rechten en verplichtingen bij de kredietinstelling in afwikkeling blijven en de afwikkelingsautoriteit ten aanzien van deze instelling niet overeenkomstig artikel 267/1, § 1, 1° het instrument van interne versterking op dat contract heeft toegepast, kan een tegenpartij bij het verstrijken van de opschorting beëindigingsrechten uitoefenen volgens de voorwaarden van die overeenkomst.

§ 7.De afwikkelingsautoriteit bepaalt de reikwijdte van de bevoegdheid bedoeld in paragraaf 1, 1°, rekening houdend met de omstandigheden van elk geval. De afwikkelingsautoriteit gaat met name zorgvuldig na of de uitbreiding van de opschorting tot in aanmerking komende deposito's, en in het bijzonder gewaarborgde deposito's, passend is.

Indien de bevoegdheid tot opschorting van betalings- of leveringsverplichtingen wordt uitgeoefend ten aanzien van in aanmerking komende deposito's, en in het bijzonder gewaarborgde deposito's, zorgt de afwikkelingsautoriteit ervoor dat deposanten toegang hebben tot een passend bedrag per dag van deze deposito's.

Art. 280/1

§ 1.De kredietinstellingen en de entiteiten bedoeld in artikel 424, 2° tot en met 4°, nemen in ieder financieel contract dat onder het recht van een derde land valt, een contractuele bepaling op dat het financieel contract onderworpen kan zijn aan de uitoefening van bevoegdheden door de afwikkelingsautoriteit met het oog op het opschorten of beperken van rechten en verplichtingen uit hoofde van de artikelen 244/2 en 280, en erkennen dat zij gebonden zijn aan de vereisten van artikel 287.

§ 2.Bij een besluit genomen op advies van de afwikkelingsautoriteit kan de Koning eisen dat EER-moederondernemingen ervoor zorgen dat hun dochterondernemingen in derde landen in de in paragraaf 1 bedoelde financiële contracten bepalingen opnemen die uitsluiten dat de uitoefening door de afwikkelingsautoriteit van de bevoegdheid tot opschorting of tot beperking van rechten en verplichtingen van de EER-moederonderneming overeenkomstig paragraaf 1, een geldige reden vormt voor vroegtijdige beëindiging, opschorting, wijziging, verrekening, uitoefening van rechten op saldering of tenuitvoerlegging van zekerheidsrechten met betrekking tot die contracten. Dit besluit bepaalt tevens ten aanzien van welke dochterondernemingen in derde landen dit vereiste geldt.

§ 3.Paragraaf 1 geldt voor elk financieel contract dat:

1°een nieuwe verplichting creëert, of een bestaande verplichting wezenlijk verandert na inwerkingtreding van de Belgische wet tot omzetting van Richtlijn (EU) 2019/879 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2019 tot wijziging van Richtlijn 2014/59/EU met betrekking tot de verliesabsorptie- en herkapitalisatiecapaciteit van kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en Richtlijn 98/26/EG, en

2°voorziet in de uitoefening van een of meer beëindigingsrechten of rechten tot tenuitvoerlegging van zekerheidsrechten waarop artikel 244/2, 280 of 287 van toepassing zou zijn indien het financiële contract onder Belgisch recht zou vallen.

§ 4.Indien een kredietinstelling of entiteit de krachtens paragraaf 1 vereiste contractuele bepaling niet opneemt, belet dat de afwikkelingsautoriteit niet de in de artikelen 244/2, 280 of 287 bedoelde bevoegdheden toe te passen met betrekking tot dat financiële contract.

Art. 281

§ 1.Teneinde een of meer afwikkelingsmaatregelen te nemen, kan de afwikkelingsautoriteit controle uitoefenen over de kredietinstelling die haar toelaat:

1°te beschikken over alle bevoegdheden van de algemene vergadering van de aandeelhouders, het wettelijk bestuursorgaan en de directie van de kredietinstelling; en

2°de activa en het patrimonium van de kredietinstelling te beheren en vervreemden.

§ 2.De afwikkelingsautoriteit kan de in paragraaf 1 bedoelde controle rechtstreeks uitoefenen dan wel onrechtstreeks door tussenkomst van een of meer door haar aangewezen personen.

Aldus kan de afwikkelingsautoriteit bij de kredietinstelling een bijzondere bestuurder benoemen, die beschikt over alle bevoegdheden van de algemene vergadering van de aandeelhouders, het wettelijk bestuursorgaan en de directie, en deze bevoegdheden uitoefent onder het toezicht van de afwikkelingsautoriteit en binnen de grenzen die zij bepaalt.

De opdracht van de bijzondere bestuurder bestaat erin om de afwikkelingsmaatregelen te nemen die nodig zijn voor de verwezenlijking van de afwikkelingsdoelstellingen bepaald in artikel 243, en om de beslissingen van de afwikkelingsautoriteit uit te voeren.

De duur van het mandaat van de bijzondere bestuurder mag twaalf maanden niet te boven gaan maar mag uitzonderlijk worden verlengd door de afwikkelingsautoriteit. Deze kan de bijzondere bestuurder te allen tijde ontslaan.

§ 3.De afwikkelingsautoriteit kan de afwikkelingsmaatregelen nemen hetzij via een bestuursmaatregel, hetzij door uitoefening van de controle over de kredietinstelling overeenkomstig paragraaf 1. Zij kiest de methode van geval tot geval, rekening houdend met de afwikkelingsdoelstellingen en algemene afwikkelingsbeginselen, de specifieke omstandigheden van de betrokken kredietinstelling en de noodzaak om een doeltreffende afwikkeling van grensoverschrijdende groepen te vergemakkelijken.

Art. 281/1

§ 1.Wanneer bij een afwikkelingsmaatregel actie wordt ondernomen ten aanzien van activa die zich in een derde land bevinden of ten aanzien van aandelen, andere eigendomsinstrumenten, rechten of verbintenissen die onder het recht van een derde land vallen, kan de afwikkelingsautoriteit verlangen dat:

1°de curator of andere persoon die zeggenschap over de kredietinstelling in afwikkeling uitoefent en de ontvanger verplicht zijn alle noodzakelijke stappen te nemen om ervoor te zorgen dat de overdracht, de afschrijving, de omzetting of de maatregel van kracht wordt;

2°de curator of andere persoon die zeggenschap over de kredietinstelling in afwikkeling uitoefent, verplicht is de aandelen, andere eigendomsinstrumenten, activa of rechten te houden of de verbintenissen namens de ontvanger te voldoen totdat de overdracht, de afschrijving, de omzetting of de maatregel van kracht wordt;

3°de redelijke uitgaven die de ontvanger bij het uitvoeren van een overeenkomstig 1° en 2° vereiste maatregel rechtmatig heeft gemaakt, op een van de manieren als bedoeld in artikel 272 worden vergoed.

§ 2.Wanneer de afwikkelingsautoriteit vaststelt dat het, ondanks alle noodzakelijke, door de curator of andere persoon genomen maatregelen als bedoeld in paragraaf 1, 1° uiterst twijfelachtig is of de overdracht, de omzetting of de maatregel met betrekking tot bepaalde activa in een derde land of bepaalde aandelen, andere eigendomsinstrumenten, rechten of verbintenissen die onder het recht van een derde land vallen, van kracht wordt, gaat de afwikkelingsautoriteit niet over tot de overdracht, de afschrijving, de omzetting of de maatregel in kwestie. Indien de afwikkelingsautoriteit reeds opdracht tot de overdracht, de afschrijving, de omzetting of de maatregel heeft gegeven, is deze opdracht met betrekking tot de desbetreffende activa, aandelen, eigendomsinstrumenten of verbintenissen nietig.