§ 1.De afwikkelingsautoriteit kan van een kredietinstelling, indien nodig door inspecties ter plaatse, eisen dat zij alle informatie overlegt die de afwikkelingsautoriteit nodig heeft om te beslissen over een afwikkelingsmaatregel of om haar bevoegdheid tot afschrijving of omzetting van kapitaalinstrumenten uit te oefenen.
§ 2.Zodra de afwikkelingsautoriteit besluit dat een kredietinstelling voldoet aan de voorwaarden voor het initiëren van een afwikkelingsprocedure bedoeld in artikel 244, § 1, heeft zij de volgende afwikkelingsbevoegdheden die zij, met inachtneming van artikel 255, § 3, tweede lid, afzonderlijk of in combinatie met elkaar kan uitoefenen:
1°de bevoegdheid om de controle over de kredietinstelling over te nemen en alle rechten en bevoegdheden van de algemene vergadering van aandeelhouders en van het wettelijk bestuursorgaan van de kredietinstelling uit te oefenen, overeenkomstig artikel 281;
2°de bevoegdheid om de overdracht te bevelen van door de kredietinstelling uitgegeven aandelen of andere eigendomsinstrumenten aan een overnemer of een overbruggingsinstelling, met diens toestemming, overeenkomstig artikel 256 of 260;
3°de bevoegdheid om de overdracht te bevelen van alle of een deel van de rechten, activa en verbintenissen van de kredietinstelling aan een ontvanger, met diens toestemming, overeenkomstig artikel 256, 260 of 265;
4°de bevoegdheid om de overdracht te bevelen van alle of een deel van de aandelen, andere eigendomsinstrumenten, activa, rechten of verbintenissen van de overbruggingsinstelling aan een derde, overeenkomstig artikel 261;
4°/1 de bevoegdheid om de hoofdsom of het uitstaande verschuldigde bedrag met betrekking tot bail-inbare schulden van een kredietinstelling (tot nul) te verlagen;
4°/2 de bevoegdheid om de bail-inbare schulden van een kredietinstelling om te zetten in aandelen of andere eigendomsinstrumenten van die kredietinstelling, haar moederonderneming of een overbruggingsinstelling;
4°/3 de bevoegdheid om door een kredietinstelling uitgegeven schuldinstrumenten in te trekken, tenzij het gaat om door zekerheid gedekte verplichtingen als bedoeld in artikel 242, 10°, b);
4°/4 de bevoegdheid om de looptijd van de schuldinstrumenten en andere bail-inbare schulden van een kredietinstelling te wijzigen of het bedrag van de in het kader van deze schuldinstrumenten en bail-inbare schulden verschuldigde rente of de datum waarop de rente moet worden betaald te wijzigen, met inbegrip van een tijdelijke opschorting van betaling, tenzij het gaat om door zekerheid gedekte verplichtingen als bedoeld in artikel 242, 10°, b);
4°/5 de bevoegdheid om financiële contracten of derivatencontracten overeenkomstig artikel 267/9 te vereffenen of te beëindigen;
5°de bevoegdheid om de nominale waarde van de aandelen of andere eigendomsinstrumenten van een kredietinstelling te verminderen of tot nul te herleiden en deze aandelen of andere eigendomsinstrumenten te vernietigen;
6°de bevoegdheid om een kredietinstelling of haar moederonderneming te verplichten tot uitgifte van nieuwe aandelen, andere eigendomsinstrumenten of andere kapitaalinstrumenten, met inbegrip van preferente aandelen en voorwaardelijk converteerbare instrumenten, overeenkomstig de artikelen 232, tweede lid, 10° en 254, § 1;
7°de bevoegdheid om de leden van het wettelijk bestuursorgaan en van de effectieve leiding van de kredietinstelling uit hun functies te ontheffen of te vervangen; en
8°de bevoegdheid om de toezichthouder opdracht te geven de verwerver van een gekwalificeerde deelneming in de kredietinstelling tijdig en in overeenstemming met artikel 259, § 1 en artikel 267/7, § 4 te beoordelen, in voorkomend geval in afwijking van de in de artikelen 47 en 48 vastgestelde termijnen.