Alle wetboeken › Bankwet

BOEK V - SANCTIES

347–352

Art. 347

§ 1.Onverminderd andere bij deze wet voorgeschreven maatregelen en onverminderd de bij andere wetten, besluiten of reglementen voorgeschreven maatregelen, kan de Bank, indien zij:

1°een inbreuk vaststelt op de bepalingen van deze wet of haar uitvoeringsbesluiten en -reglementen;

2°een inbreuk vaststelt op de bepalingen van Verordening nr. 575/2013, Verordening nr. 600/2014, Verordening 2017/565, titel II van Verordening nr. 648/2012 of Verordening 2022/2554;

3°een inbreuk vaststelt op de artikelen 4 en 15 van Verordening 2015/2365 of op de artikelen 5 tot 9 en 18 tot 27 van Verordening 2017/2402;

4°een inbreuk vaststelt op de bepalingen van de gedelegeerde handelingen die zijn vastgesteld overeenkomstig de in de punten 2° of 3° bedoelde bepalingen of overeenkomstig de Europese richtlijnen die bij deze wet worden omgezet;

5°een inbreuk vaststelt op de bepalingen van de uitvoeringsbesluiten die zijn vastgesteld overeenkomstig de in de punten 2° of 3° bedoelde bepalingen, overeenkomstig de Europese richtlijnen die bij deze wet worden omgezet of overeenkomstig de in punt 4° bedoelde gedelegeerde handelingen.

6°vaststelt dat een vereiste dat door de toezichthouder is opgelegd met toepassing van het bepaalde in de punten 1°, 2°, 3°, 4° of 5° niet wordt nageleefd;

7°vaststelt dat vereisten die door de toezichthouder zijn vastgesteld als voorwaarden voor een besluit genomen met toepassing van het bepaalde in de punten 1°, 2°, 3°, 4° of 5°, met name het verlenen van toestemming of van een afwijking, niet worden nageleefd;

8°een inbreuk vaststelt op de bepalingen van de wet van 27 maart 2020 tot machtiging van de Koning om een staatswaarborg te verstrekken voor bepaalde kredieten in de strijd tegen de gevolgen van het coronavirus en tot wijziging van de wet van 25 april 2014 op het statuut en toezicht op kredietinstellingen en beursvennootschappen en de maatregelen genomen ter uitvoering ervan of van artikel 27 van de wet van 20 juli 2020 tot verstrekking van een staatswaarborg voor bepaalde kredieten aan kmo'S in de strijd tegen de gevolgen van het coronavirus en tot wijziging van de wet van 25 april 2014 op het statuut en toezicht op kredietinstellingen en beursvennootschappen en de maatregelen genomen ter uitvoering ervan,

een administratieve geldboete opleggen aan een kredietinstelling, financiële holding, gemengde financiële holding, gemengde holding naar Belgisch of buitenlands recht, aan een of meer leden van het wettelijk bestuursorgaan van deze entiteiten, aan de personen die bij ontstentenis van een directiecomité deelnemen aan hun effectieve leiding, die voor de vastgestelde tekortkoming verantwoordelijk zijn.

§ 2.De administratieve geldboete die aan de instelling of aan de in paragraaf 1 bedoelde onderneming wordt opgelegd, voor hetzelfde feit of hetzelfde geheel van feiten, bedraagt... maximum 10 % van de jaarlijkse netto-omzet van de instelling van het voorbije boekjaar.

De administratieve geldboete die aan een natuurlijke persoon wordt opgelegd, voor hetzelfde feit of hetzelfde geheel van feiten, bedraagt... maximum 5 000 000 euro.

Wanneer de inbreuk voor de overtreder winst heeft opgeleverd of hem heeft toegelaten verlies te vermijden, mag het maximumbedrag van de administratieve geldboete worden verhoogd tot het tweevoud van deze winst of dit verlies, onverminderd het eerste en tweede lid van deze paragraaf.

Indien de in het eerste lid van deze paragraaf bedoelde instelling of onderneming een moederonderneming is of een dochteronderneming van een moederonderneming die een geconsolideerde jaarrekening moet opstellen, is de toepasselijke totale nettojaaromzet de totale nettojaaromzet volgens de recentste door het wettelijk bestuursorgaan van de uiteindelijke moederonderneming opgestelde geconsolideerde jaarrekening.

§ 2/1.In geval van een inbreuk op de artikelen 4 en 15 van Verordening 2015/2365, op een gedelegeerde handeling die is vastgesteld overeenkomstig deze artikelen of op een uitvoeringsbesluit dat is vastgesteld overeenkomstig deze artikelen of een dergelijke gedelegeerde handeling, bedraagt de administratieve geldboete die aan de instelling of aan de in paragraaf 1 bedoelde holding wordt opgelegd:

a)in het geval van een natuurlijke persoon: maximaal 5 000 000 euro;

b)in het geval van een rechtspersoon: maximaal:

-5 000 000 euro in geval van een inbreuk op artikel 4 van Verordening 2015/2365, op een gedelegeerde handeling die is vastgesteld overeenkomstig dat artikel of op een uitvoeringsbesluit dat is vastgesteld overeenkomstig dat artikel of een dergelijke gedelegeerde handeling; en

-15 000 000 euro in geval van een inbreuk op artikel 15 van Verordening 2015/2365, op een gedelegeerde handeling die is vastgesteld overeenkomstig dat artikel of op een uitvoeringsbesluit dat is vastgesteld overeenkomstig dat artikel of een dergelijke gedelegeerde handeling,

of, indien dit hoger is, 10 % van de totale jaaromzet van die entiteit van het voorbije boekjaar.

Wanneer de inbreuk voor de overtreder winst heeft opgeleverd of hem heeft toegelaten verlies te vermijden, mag dit maximum worden verhoogd tot het drievoud van deze winst of dit verlies, onverminderd de punten a) en b), van het eerste lid.

§ 2/2.In geval van een inbreuk op de artikelen 5 tot 9 en 18 tot 27 van Verordening 2017/2402, op een gedelegeerde handeling die is vastgesteld overeenkomstig deze artikelen of op een uitvoeringsbesluit dat is vastgesteld overeenkomstig deze artikelen of een dergelijke gedelegeerde handeling, bedraagt de in paragraaf 2, eerste lid bedoelde administratieve geldboete in het geval van een rechtspersoon maximaal 5 000 000 euro of 10 % van de totale jaaromzet van die vennootschap van het voorbije boekjaar.

Wanneer de inbreuk voor de overtreder winst heeft opgeleverd of hem heeft toegelaten verlies te vermijden, mag het maximumbedrag van de administratieve geldboete worden verhoogd tot het tweevoud van deze winst of dit verlies, onverminderd paragraaf 2, tweede lid en het eerste lid van deze paragraaf.

§ 3.De boetes die met toepassing van paragraaf 1 worden opgelegd door de Bank, worden ingevorderd ten bate van de Schatkist door de Algemene Administratie van de Inning en de Invordering van de Federale Overheidsdienst Financiën.

§ 4.Het bedrag van de boete wordt met name vastgesteld op grond van

a)de ernst en de duur van de tekortkomingen;

b)de mate van verantwoordelijkheid van de betrokkene;

c)de financiële draagkracht van de betrokkene, zoals die met name blijkt uit de totale omzet van de betrokken rechtspersoon of uit het jaarinkomen van de betrokken natuurlijke persoon;

d)het voordeel of de winst die deze tekortkomingen eventueel opleveren;

e)het nadeel dat derden door deze tekortkomingen hebben geleden, voor zover dit kan worden bepaald;

f)de mate van medewerking van de betrokken natuurlijke of rechtspersoon met de bevoegde autoriteiten;

g)vroegere tekortkomingen van de betrokkene;

h)de potentiële negatieve impact van de tekortkomingen op de stabiliteit van het financiële stelsel.

§ 4/1.Wanneer de in dit artikel bedoelde geldboetes worden opgelegd wegens niet-naleving van de verplichtingen die door of krachtens deze wet zijn vastgesteld ter omzetting van Richtlijn 2014/65/EU en Richtlijn 2019/2162/EU, maakt de Bank de oplegging van die geldboetes bekend overeenkomstig, respectievelijk, de artikelen 71 en 24 van die richtlijnen.

Overeenkomstig de voornoemde artikelen 71 en 24 kan de toezichthouder, wanneer tegen beslissingen tot oplegging van dergelijke geldboetes beroep wordt ingesteld, deze beslissingen bekendmaken rekening houdend met de omstandigheden. In dat geval maakt hij tevens onverwijld de status en het resultaat van het beroep bekend.

In gevallen waarin de toezichthouder dergelijke beslissingen zonder vermelding van namen bekendmaakt, kunnen de geanonimiseerde gegevens openbaar worden gemaakt zodra de redenen die de anonimiteit rechtvaardigen, ophouden te bestaan.

§ 5.Wanneer de Bank maatregelen die zij overeenkomstig dit artikel oplegt, openbaar maakt, stelt zij de Europese Autoriteit voor Effecten en Markten tezelfdertijd in kennis, indien het een kredietinstelling betreft die één of meer beleggingsdiensten en/of beleggingsactiviteiten in de zin van Richtlijn 2014/65/EU verricht.

De Bank stelt de Europese Autoriteit voor Effecten en Markten ook in kennis van haar besluiten over inbreuken op de bepalingen van Verordening nr. 600/2014, de bepalingen die met het oog op de omzetting van Richtlijn 2014/65/EU zijn vastgesteld of de bepalingen die op grond van of in uitvoering van die verordening of van die bepalingen zijn vastgesteld, of over inbreuken op de artikelen 4 en 15 van Verordening nr. 2015/2365, wanneer die besluiten niet openbaar worden gemaakt overeenkomstig het eerste lid van deze paragraaf, met inbegrip van elk tegen deze besluiten ingesteld beroep en de afloop daarvan.

§ 6.De Bank stelt de Europese Bankautoriteit onverwijld in kennis van de maatregelen die zij overeenkomstig dit artikel oplegt evenals van de status van eventueel ingestelde beroepen en het resultaat daarvan.

Art. 348

§ 1.Met gevangenisstraf van één maand tot één jaar en met een geldboete van 50 euro tot 10 000 euro of met één van die straffen alleen wordt gestraft:

1°wie zich niet conformeert aan de artikelen 5 of 6;

2°wie het bedrijf uitoefent van een kredietinstelling als bedoeld in artikel 7 of Boek III, Titel II, zonder een vergunning te bezitten of wanneer de vergunning is ingetrokken of herroepen;

3°wie met opzet de kennisgevingen als bedoeld in de artikelen 46 en 50 niet verricht, wie het verzet negeert als bedoeld in artikel 48, tweede lid, of wie de schorsing negeert als bedoeld in artikel 54, eerste lid, 1°;

4°de leden van het wettelijk bestuursorgaan en de andere in artikel 62 bedoelde personen die de bepalingen van dit artikel overtreden;

5°de leden van het wettelijk bestuursorgaan of de personen belast met de effectieve leiding die de artikelen 72, 77, 2° tot 4°, 74, 213, 214 of de artikelen 341 tot 344 of artikel 99 van Verordening nr. 575/2013 overtreden;

6°de leden van het wettelijk bestuursorgaan of de personen belast met de effectieve leiding van een kredietinstelling die in het buitenland een bijkantoor openen of diensten verstrekken, zonder de kennisgevingen te hebben verricht als bepaald in de artikelen 86 of 90 of die zich niet conformeren aan artikel 89;

7°de leden van het wettelijk bestuursorgaan of de personen belast met de effectieve leiding van een kredietinstelling die de in de artikelen 106, 203, § 1, of 318 bedoelde besluiten of reglementen overtreden;

8°de leden van het wettelijk bestuursorgaan of de persionen belast met de effectieve leiding van een kredietinstelling die zich niet conformeren aan artikel 106, § 2, eerste lid, eerste en derde zin, tweede en derde lid;

9°wie handelingen stelt of verrichtingen uitvoert zonder daartoe de toestemming te hebben verkregen van de speciaal commissaris als bedoeld in artikel 236, § 1, 1° of die indruisen tegen een schorsingsbeslissing overeenkomstig artikel 236, § 1, 4° of zich niet conformeren aan het verbod van artikel 329, § 1, tweede lid, of § 3 of aan de bewarende maatregelen als bedoeld in artikel 329, § 6 of aan het in artikel 330 bedoelde bevel;

10°wie bewust gelden of waarden aanvaardt waarover wordt beschikt met overtreding van artikel 74;

11°wie als commissaris, erkende revisor of onafhankelijk deskundige, rekeningen, jaarrekeningen, balansen en resultatenrekeningen of geconsolideerde jaarrekeningen van ondernemingen dan wel periodieke staten of inlichtingen certificeert, goedkeurt of bekrachtigt terwijl niet is voldaan aan de voorschriften van deze wet of van haar uitvoeringsbesluiten en -reglementen of van Verordening nr. 575/2013 en daarvan kennis heeft, of niet heeft gedaan wat hij normaal had moeten doen om zich te vergewissen of aan die bepalingen was voldaan;

12°wie de onderzoeken en controles verhindert waartoe hij verplicht is in het land of in het buitenland dan wel weigert de gegevens te verstrekken waartoe hij verplicht is op grond van deze wet of wie bewust onjuiste of onvolledige inlichtingen verstrekt;

14°elke bestuurder en zaakvoerder die zich niet houdt aan de voorschriften van de artikelen 220, tweede lid, en 326, § 1, eerste lid;

15°de personen die artikel 79 overtreden;

16°de leden van het wettelijk bestuursorgaan of de personen belast met de effectieve leiding van een kredietinstelling die zich niet voegen naar de aanmaningen van de afwikkelingsautoriteit overeenkomstig de artikelen 226, § 2, 232, tweede lid, 3°, 276, § 1, en 277, 5°, of haar bewust onjuiste of onvolledige informatie verstrekken;

17°wie met bedrieglijk opzet de bepalingen van de wet van 27 maart 2020 tot machtiging van de Koning om een staatswaarborg te verlenen voor bepaalde kredieten in de strijd tegen de gevolgen van het coronavirus en tot wijziging van de wet van 25 april 2014 op het statuut van en het toezicht op kredietinstellingen en beursvennootschappen of de maatregelen genomen in uitvoering ervan schendt of van artikelen 27 of 29 van de wet van 20 juli 2020 tot verstrekking van een staatswaarborg voor bepaalde kredieten aan kmo's in de strijd tegen de gevolgen van het coronavirus en tot wijziging van de wet van 25 april 2014 op het statuut en toezicht op kredietinstellingen en beursvennootschappen of de maatregelen genomen ter uitvoering ervan;

18°wie met opzet een bijzonder mechanisme instelt in de zin van artikel 21, § 1/1.

§ 2.Overtredingen van het verbod van artikel 20 worden gestraft met een gevangenisstraf van drie maanden tot twee jaar en met een geldboete van 1 000 euro tot 10 000 euro.

§ 3.Met gevangenisstraf van acht dagen tot drie maanden en met een geldboete van 50 euro tot 10 000 euro of slechts met één van deze straffen alleen wordt elke bestuurder, zaakvoerder of directeur gestraft die zich niet schikt naar de bepalingen van de artikelen 95 en 99 en van de met toepassing van artikel 98 getroffen reglementen.

§ 4.De financiële tussenpersonen bedoeld in artikel 2, 9° van de wet van 2 augustus 2002 of diegenen die optreden in naam van een dergelijke tussenpersoon, die financiële instrumenten van een cliënt zonder de krachtens artikel 65, § 1, vereiste toestemming op om het even welke wijze gebruiken in hun eigen voordeel of in het voordeel van derden, worden beschouwd als schuldig aan misbruik van vertrouwen en gestraft met de in artikel 491 van het Strafwetboek bepaalde straffen.

§ 5.Wanneer een persoon wordt veroordeeld met toepassing van paragraaf 1, 15°, maakt de Bank deze veroordeling bekend overeenkomstig artikel 24 van Richtlijn 2019/2162/EU en stelt zij de Europese Bankautoriteit daarvan in kennis, evenals van de status en de uitkomst van eventuele beroepsprocedures.

In gevallen waarin de Bank een dergelijke veroordeling zonder vermelding van namen bekendmaakt, kunnen de geanonimiseerde gegevens openbaar worden gemaakt zodra de redenen die de anonimiteit rechtvaardigen, ophouden te bestaan.

Art. 349

De voorschriften van Boek I van het Strafwetboek, Hoofdstuk VII en artikel 85 niet uitgezonderd, zijn van toepassing op de misdrijven die door deze Titel worden bestraft.

Art. 350

De kredietinstellingen, de financiële instellingen en de ondernemingen zijn burgerrechtelijk aansprakelijk voor de geldboetes waartoe de leden van hun wettelijk bestuursorgaan, de personen belast met hun effectieve leiding of lasthebbers met toepassing van de voorschriften van deze Titel worden veroordeeld.

Art. 351

Ieder opsporingsonderzoek ten gevolge van de overtreding van deze wet of één van de in artikel 20 bedoelde wetgevingen, tegen leden van het wettelijk bestuursorgaan, personen belast met de effectieve leiding, lasthebbers of erkende commissarissen van kredietinstellingen of financiële instellingen en ieder opsporingsonderzoek ten gevolge van een overtreding van deze wet tegen iedere andere natuurlijke of rechtspersoon, moet ter kennis worden gebracht van de Bank en van de FSMA, ieder voor wat zijn bevoegdheden betreft, door de gerechtelijke of bestuursrechtelijke autoriteit waar dit aanhangig is gemaakt.

Iedere strafrechtelijke vordering op grond van in het eerste lid bedoelde misdrijven moet ter kennis worden gebracht van de Bank en van de FSMA, ieder voor wat zijn bevoegdheden betreft, door het openbaar ministerie.

Art. 352

De Bank en de FSMA zijn gerechtigd in elke stand van het geding tussen te komen voor de strafrechter bij wie een door deze wet bestraft misdrijf aanhangig is, zonder dat zij daarom het bestaan van enig nadeel hoeven aan te tonen.

De tussenkomst geschiedt volgens de regels die gelden voor de burgerlijke partij.

Hetzelfde geldt voor inbreuken als bedoeld in artikel 1 van het koninklijk besluit nr. 22 van 24 oktober 1934 betreffende het rechterlijk verbod aan bepaalde veroordeelden en gefailleerden om bepaalde ambten, beroepen of werkzaamheden uit te oefenen, die bij een strafrechter aanhangig zijn gemaakt tegen een persoon als bedoeld in artikel 19, § 1, eerste lid.