§ 1.Onverminderd andere bij deze wet voorgeschreven maatregelen en onverminderd de bij andere wetten, besluiten of reglementen voorgeschreven maatregelen, kan de Bank, indien zij:
1°een inbreuk vaststelt op de bepalingen van deze wet of haar uitvoeringsbesluiten en -reglementen;
2°een inbreuk vaststelt op de bepalingen van Verordening nr. 575/2013, Verordening nr. 600/2014, Verordening 2017/565, titel II van Verordening nr. 648/2012 of Verordening 2022/2554;
3°een inbreuk vaststelt op de artikelen 4 en 15 van Verordening 2015/2365 of op de artikelen 5 tot 9 en 18 tot 27 van Verordening 2017/2402;
4°een inbreuk vaststelt op de bepalingen van de gedelegeerde handelingen die zijn vastgesteld overeenkomstig de in de punten 2° of 3° bedoelde bepalingen of overeenkomstig de Europese richtlijnen die bij deze wet worden omgezet;
5°een inbreuk vaststelt op de bepalingen van de uitvoeringsbesluiten die zijn vastgesteld overeenkomstig de in de punten 2° of 3° bedoelde bepalingen, overeenkomstig de Europese richtlijnen die bij deze wet worden omgezet of overeenkomstig de in punt 4° bedoelde gedelegeerde handelingen.
6°vaststelt dat een vereiste dat door de toezichthouder is opgelegd met toepassing van het bepaalde in de punten 1°, 2°, 3°, 4° of 5° niet wordt nageleefd;
7°vaststelt dat vereisten die door de toezichthouder zijn vastgesteld als voorwaarden voor een besluit genomen met toepassing van het bepaalde in de punten 1°, 2°, 3°, 4° of 5°, met name het verlenen van toestemming of van een afwijking, niet worden nageleefd;
8°een inbreuk vaststelt op de bepalingen van de wet van 27 maart 2020 tot machtiging van de Koning om een staatswaarborg te verstrekken voor bepaalde kredieten in de strijd tegen de gevolgen van het coronavirus en tot wijziging van de wet van 25 april 2014 op het statuut en toezicht op kredietinstellingen en beursvennootschappen en de maatregelen genomen ter uitvoering ervan of van artikel 27 van de wet van 20 juli 2020 tot verstrekking van een staatswaarborg voor bepaalde kredieten aan kmo'S in de strijd tegen de gevolgen van het coronavirus en tot wijziging van de wet van 25 april 2014 op het statuut en toezicht op kredietinstellingen en beursvennootschappen en de maatregelen genomen ter uitvoering ervan,
een administratieve geldboete opleggen aan een kredietinstelling, financiële holding, gemengde financiële holding, gemengde holding naar Belgisch of buitenlands recht, aan een of meer leden van het wettelijk bestuursorgaan van deze entiteiten, aan de personen die bij ontstentenis van een directiecomité deelnemen aan hun effectieve leiding, die voor de vastgestelde tekortkoming verantwoordelijk zijn.
§ 2.De administratieve geldboete die aan de instelling of aan de in paragraaf 1 bedoelde onderneming wordt opgelegd, voor hetzelfde feit of hetzelfde geheel van feiten, bedraagt... maximum 10 % van de jaarlijkse netto-omzet van de instelling van het voorbije boekjaar.
De administratieve geldboete die aan een natuurlijke persoon wordt opgelegd, voor hetzelfde feit of hetzelfde geheel van feiten, bedraagt... maximum 5 000 000 euro.
Wanneer de inbreuk voor de overtreder winst heeft opgeleverd of hem heeft toegelaten verlies te vermijden, mag het maximumbedrag van de administratieve geldboete worden verhoogd tot het tweevoud van deze winst of dit verlies, onverminderd het eerste en tweede lid van deze paragraaf.
Indien de in het eerste lid van deze paragraaf bedoelde instelling of onderneming een moederonderneming is of een dochteronderneming van een moederonderneming die een geconsolideerde jaarrekening moet opstellen, is de toepasselijke totale nettojaaromzet de totale nettojaaromzet volgens de recentste door het wettelijk bestuursorgaan van de uiteindelijke moederonderneming opgestelde geconsolideerde jaarrekening.
§ 2/1.In geval van een inbreuk op de artikelen 4 en 15 van Verordening 2015/2365, op een gedelegeerde handeling die is vastgesteld overeenkomstig deze artikelen of op een uitvoeringsbesluit dat is vastgesteld overeenkomstig deze artikelen of een dergelijke gedelegeerde handeling, bedraagt de administratieve geldboete die aan de instelling of aan de in paragraaf 1 bedoelde holding wordt opgelegd:
a)in het geval van een natuurlijke persoon: maximaal 5 000 000 euro;
b)in het geval van een rechtspersoon: maximaal:
-5 000 000 euro in geval van een inbreuk op artikel 4 van Verordening 2015/2365, op een gedelegeerde handeling die is vastgesteld overeenkomstig dat artikel of op een uitvoeringsbesluit dat is vastgesteld overeenkomstig dat artikel of een dergelijke gedelegeerde handeling; en
-15 000 000 euro in geval van een inbreuk op artikel 15 van Verordening 2015/2365, op een gedelegeerde handeling die is vastgesteld overeenkomstig dat artikel of op een uitvoeringsbesluit dat is vastgesteld overeenkomstig dat artikel of een dergelijke gedelegeerde handeling,
of, indien dit hoger is, 10 % van de totale jaaromzet van die entiteit van het voorbije boekjaar.
Wanneer de inbreuk voor de overtreder winst heeft opgeleverd of hem heeft toegelaten verlies te vermijden, mag dit maximum worden verhoogd tot het drievoud van deze winst of dit verlies, onverminderd de punten a) en b), van het eerste lid.
§ 2/2.In geval van een inbreuk op de artikelen 5 tot 9 en 18 tot 27 van Verordening 2017/2402, op een gedelegeerde handeling die is vastgesteld overeenkomstig deze artikelen of op een uitvoeringsbesluit dat is vastgesteld overeenkomstig deze artikelen of een dergelijke gedelegeerde handeling, bedraagt de in paragraaf 2, eerste lid bedoelde administratieve geldboete in het geval van een rechtspersoon maximaal 5 000 000 euro of 10 % van de totale jaaromzet van die vennootschap van het voorbije boekjaar.
Wanneer de inbreuk voor de overtreder winst heeft opgeleverd of hem heeft toegelaten verlies te vermijden, mag het maximumbedrag van de administratieve geldboete worden verhoogd tot het tweevoud van deze winst of dit verlies, onverminderd paragraaf 2, tweede lid en het eerste lid van deze paragraaf.
§ 3.De boetes die met toepassing van paragraaf 1 worden opgelegd door de Bank, worden ingevorderd ten bate van de Schatkist door de Algemene Administratie van de Inning en de Invordering van de Federale Overheidsdienst Financiën.
§ 4.Het bedrag van de boete wordt met name vastgesteld op grond van
a)de ernst en de duur van de tekortkomingen;
b)de mate van verantwoordelijkheid van de betrokkene;
c)de financiële draagkracht van de betrokkene, zoals die met name blijkt uit de totale omzet van de betrokken rechtspersoon of uit het jaarinkomen van de betrokken natuurlijke persoon;
d)het voordeel of de winst die deze tekortkomingen eventueel opleveren;
e)het nadeel dat derden door deze tekortkomingen hebben geleden, voor zover dit kan worden bepaald;
f)de mate van medewerking van de betrokken natuurlijke of rechtspersoon met de bevoegde autoriteiten;
g)vroegere tekortkomingen van de betrokkene;
h)de potentiële negatieve impact van de tekortkomingen op de stabiliteit van het financiële stelsel.
§ 4/1.Wanneer de in dit artikel bedoelde geldboetes worden opgelegd wegens niet-naleving van de verplichtingen die door of krachtens deze wet zijn vastgesteld ter omzetting van Richtlijn 2014/65/EU en Richtlijn 2019/2162/EU, maakt de Bank de oplegging van die geldboetes bekend overeenkomstig, respectievelijk, de artikelen 71 en 24 van die richtlijnen.
Overeenkomstig de voornoemde artikelen 71 en 24 kan de toezichthouder, wanneer tegen beslissingen tot oplegging van dergelijke geldboetes beroep wordt ingesteld, deze beslissingen bekendmaken rekening houdend met de omstandigheden. In dat geval maakt hij tevens onverwijld de status en het resultaat van het beroep bekend.
In gevallen waarin de toezichthouder dergelijke beslissingen zonder vermelding van namen bekendmaakt, kunnen de geanonimiseerde gegevens openbaar worden gemaakt zodra de redenen die de anonimiteit rechtvaardigen, ophouden te bestaan.
§ 5.Wanneer de Bank maatregelen die zij overeenkomstig dit artikel oplegt, openbaar maakt, stelt zij de Europese Autoriteit voor Effecten en Markten tezelfdertijd in kennis, indien het een kredietinstelling betreft die één of meer beleggingsdiensten en/of beleggingsactiviteiten in de zin van Richtlijn 2014/65/EU verricht.
De Bank stelt de Europese Autoriteit voor Effecten en Markten ook in kennis van haar besluiten over inbreuken op de bepalingen van Verordening nr. 600/2014, de bepalingen die met het oog op de omzetting van Richtlijn 2014/65/EU zijn vastgesteld of de bepalingen die op grond van of in uitvoering van die verordening of van die bepalingen zijn vastgesteld, of over inbreuken op de artikelen 4 en 15 van Verordening nr. 2015/2365, wanneer die besluiten niet openbaar worden gemaakt overeenkomstig het eerste lid van deze paragraaf, met inbegrip van elk tegen deze besluiten ingesteld beroep en de afloop daarvan.
§ 6.De Bank stelt de Europese Bankautoriteit onverwijld in kennis van de maatregelen die zij overeenkomstig dit artikel oplegt evenals van de status van eventueel ingestelde beroepen en het resultaat daarvan.