Alle wetboeken › Bankwet

BOEK VIII - BELEGGERS- EN DEPOSITO- BESCHERMINGSREGELINGEN

379/2–384/6

Art. 379/2

Deze Titel is van toepassing op kredietinstellingen in de zin van artikel 1, § 3, eerste lid, 1°.

Art. 380

De in België gevestigde kredietinstellingen moeten, voor wat betreft de in België of in een lidstaat aan-gehouden deposito's, deelnemen aan een collectieve depositobeschermingsregeling die zij financieren en die tot doel heeft bepaalde categorieën van deposanten een schadevergoeding toe te kennen, wanneer het faillissement is uitgesproken of wanneer de toezichthouder de beslissing heeft genomen vermeld in artikel 381, tweede lid. De depositogarantieregeling heeft daarnaast de financiering van de afwikkeling van krediet-instellingen overeenkomstig artikel 384/1 tot doel. De afwikkelingsautoriteit stelt na overleg met het Garantiefonds het bedrag vast waarvoor de depositogarantieregeling aansprakelijk is. De financiële middelen van deze depositogarantieregeling kunnen tevens gebruikt worden ter fi-nanciering van maatregelen voor het veiligstellen van de toegang van deposanten tot gewaarborgde deposito's in het kader van het faillissement van de betrokken kredietinstelling. De Koning stelt de modaliteiten en voorwaarden vast voor het nemen van dergelijke maatregelen.

Het eerste lid geldt niet voor de bijkantoren van kredietinstellingen die ressorteren onder een andere lidstaat. Het geldt evenmin voor de bijkantoren van kredietinstellingen die ressorteren onder een derde land en waarvan de verplichtingen door een depositobeschermingsregeling van deze staat op een ten minste evenwaardige wijze zijn gedekt als in het kader van de overeenstemmende Belgische depositobeschermingsregeling, voor wat betreft de gedekte activa en het vastgestelde dekkingsniveau.

Het Garantiefonds neemt het beheer en de verrichtingen van de depositobeschermingsregeling waar.

De deposanten bij bijkantoren die zijn gevestigd in België door kredietinstellingen die onder het recht van een andere lidstaat vallen, worden geïnformeerd en terugbetaald door het Garantiefonds namens en overeenkomstig de instructies van het depositogarantiestelsel van die an-dere lidstaat.

Het Garantiefonds voert ten minste om de drie jaar en indien nodig vaker tests uit op zijn depositobeschermingsregeling. De eerste test vindt uiterlijk op 3 juli 2017 plaats.

Art. 381

De toezichthouder informeert het Garantiefonds zo spoedig mogelijk ingeval hij problemen op het spoor komt die waarschijnlijk tot de interventie van deze depositobeschermingsregeling zullen leiden.

Behalve in de gevallen waarin het faillissement is uitgesproken, neemt de toezichthouder de beslissing waarmee wordt vastgesteld dat een in artikel 380 bedoelde kredietinstelling, om redenen die rechtstreeks verband houden met haar financiële positie, momenteel niet in staat blijkt te zijn de deposito's terug te betalen en daartoe ook op afzienbare termijn niet in staat lijkt te zijn. Deze vaststelling geschiedt zo spoedig mogelijk en in ieder geval uiterlijk vijf werkdagen nadat voor het eerst is vastgesteld dat een kredietinstelling heeft nagelaten een verschuldigd en betaalbaar deposito terug te betalen.

Het Garantiefonds zorgt ervoor dat het terugbetaalbare bedrag beschikbaar is binnen een termijn van zeven werkdagen te rekenen vanaf de datum van de in het tweede lid bedoelde beslissing, dan wel de datum van de uitspraak van het faillissement van de kredietinstelling. De Koning kan een langere terugbetalingstermijn toestaan, die niet meer dan drie maanden mag bedragen indien de deposant niet de rechthebbende is van de bedragen op de rekening. De Koning kan tevens de terugbetaling uitstellen wanneer het onzeker is of een persoon gerechtigd is een terugbetaling te ontvangen, wanneer het deposito het onderwerp is van een rechtsgeschil of van beperkende maatregelen van nationale regeringen of internationale organen, wanneer er de afgelopen 24 maanden geen transactie heeft plaatsgevonden met betrekking tot het deposito, wanneer het terug te betalen bedrag geacht wordt deel uit te maken van een tijdelijk hoog saldo of wanneer het terug te betalen bedrag dient te worden uitbetaald door het depositobeschermingsregeling van de lidstaat van herkomst.

De kredietinstelling of, als deze failliet is, de curator deelt te allen tijde en op verzoek van het Garantiefonds alle gegevens mee die het Garantiefonds nodig heeft om de deposito's terug te betalen, met inbegrip van de markeringen krachtens artikel 381/1 en het totale bedrag van de in aanmerking komende deposito's van elke deposant. De Koning kan de nadere regels bepalen voor de uitwisseling van de gegevens tussen de kredietinstelling of curator, enerzijds, en het Garantiefonds, anderzijds.

Indien er twijfels rijzen over de juistheid van de gegevens die het Garantiefonds met toepassing van het vierde lid heeft ontvangen, kijkt de kredietinstelling of de curator deze op verzoek van het Garantiefonds na en deelt in voorkomend geval de verbeterde gegevens mee aan het Garantiefonds.

Art. 381/1

Kredietinstellingen markeren de in aanmerking komende deposito's zodanig dat die deposito's onmiddellijk te identificeren zijn. De nadere regels voor de markering worden vastgesteld door de Koning.

Art. 382

De depositobeschermingsregeling ingesteld door het Garantiefonds voorziet, tot een bedrag van maximum 100 000 euro per deposant en per instelling die deelneemt aan deze regeling, in de terugbetaling van de deposito's, ongeacht de munteenheid waarin ze uitgedrukt zijn. De Koning past dit bedrag aan, teneinde het in overeenstemming te brengen met het bedrag dat de Europese Commissie vaststelt om rekening te houden met de inflatie in de Europese Unie.

In aanvulling op het eerste lid, genieten de volgende deposito's een bescherming van meer dan 100 000 euro gedurende een periode bepaald bij een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit, van ten minste drie maanden en ten hoogste twaalf maanden na creditering van het bedrag of vanaf het tijdstip waarop die deposito's wettelijk kunnen worden overgemaakt:

a)deposito's die het resultaat zijn van onroerendgoedtransacties met betrekking tot particuliere woningen;

b)deposito's die verband houden met bepaalde levensgebeurtenissen van een deposant en die, de bij een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit aangewezen sociale doelen dienen.

c)deposito's die gebaseerd zijn op de uitbetaling van verzekeringsuitkeringen of vergoedingen voor schade door criminele activiteiten of onterechte veroordeling en die, de bij een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit aangewezen doelen dienen.

De Koning bepaalt bij een in Ministerraad overlegd besluit het bedrag, de modaliteiten en de voorwaarden van toekenning van deze bijkomende bescherming per categorie van deposito's die onder het vorige lid vallen.

Art. 383

De Koning bepaalt welke informatie de kredietinstellingen aan de deposanten moeten verstrekken over de dekking van hun tegoeden ingevolge de voornoemde regeling.

De aanwending in het kader van reclame van de informatie bedoeld in het eerste lid is beperkt tot de loutere vermelding van het depositogarantiestelsel dat een garantie biedt voor het product waarop de reclame betrekking heeft. De Koning kan de mededeling van aanvullende inlichtingen toestaan.

De FSMA ziet toe op de naleving van dit artikel en van de ter uitvoering ervan genomen besluiten. Voor de uitoefening van deze toezichtsopdracht beschikt zij over de bevoegdheden bedoeld in de artikelen 34, § 1, 1°, 35, §§ 1 en 2, 36, 36bis en 37 van de wet van 2 augustus 2002.

Art. 384

<Opgeheven bij W 2016-04-22/02, art. 9, 007; Inwerkingtreding: 12-05-2016>

Art. 384/1

§ 1.Wanneer de afwikkelingsautoriteit een afwikkelingsmaatregel neemt en voor zover die maatregel garandeert dat de deposanten toegang tot hun deposito's blijven hebben, draagt het Garantiefonds in de volgende gevallen in contanten bij aan de financiering van de afwikkeling:

1°wanneer het instrument van interne versterking wordt toegepast, voor het bedrag dat bij de gewaarborgde deposito's zou worden afgeschreven om de verliezen van de kredietinstelling overeenkomstig artikel 267/1, § 1, 1° te absorberen, indien de gewaarborgde deposito's binnen het toepassingsgebied van de interne versterking zouden vallen; of

2°wanneer er één of meer andere afwikkelingsinstrumenten dan de interne versterking worden gebruikt, voor het bedrag aan verliezen dat de verzekerde deposanten zouden hebben geleden, indien zij verliezen hadden geleden die in verhouding staan tot de verliezen van de schuldeisers met een even hoge prioriteit in geval van samenloop van schuldeisers.

De in het eerste lid bedoelde bijdrage van het Garantiefonds wordt vastgesteld op grond van de in de artikelen 246 tot 248 bedoelde waardering en mag niet groter zijn dan de verliezen die het zou hebben moeten dragen indien de kredietinstelling volgens een liquidatieprocedure was vereffend.

Indien bij een waardering krachtens artikel 283 wordt vastgesteld dat de bijdrage van het Garantiefonds aan de financiering van de afwikkeling groter was dan de nettoverliezen die het zou hebben geleden in het kader van een vereffening volgens een liquidatieprocedure, heeft het Garantiefonds recht op de betaling van het verschil overeenkomstig artikel 284.

§ 2.Wanneer in aanmerking komende deposito's bij een kredietinstelling in afwikkeling worden overgedragen via het instrument van verkoop van de onderneming of het instrument van de overbruggingsinstelling, hebben de deposanten geen vordering op het Garantiefonds met betrekking tot enigerlei deel van hun deposito's bij de kredietinstelling in afwikkeling die niet zijn overgedragen, indien het bedrag van de overgedragen middelen gelijk is aan of groter is dan het totale in artikel 382 vastgelegde dekkingsniveau.

§ 3.Wanneer de beschikbare financiële middelen van het Garantiefonds overeenkomstig de paragrafen 1 en 2 worden gebruikt en vervolgens gereduceerd worden tot minder dan twee derde van het door de Koning bepaalde streefbedrag, wordt de normale bijdrage aan de depositogarantiestelsels vastgesteld op een niveau dat het mogelijk maakt het streefbedrag binnen zes jaar te bereiken.

§ 4.Het Garantiefonds mag in geen geval bijdragen aan de financiering van de afwikkeling voor een bedrag per interventie dat groter is dan 50 % van het in paragraaf 3 bedoelde streefniveau.

Art. 384/2

Iedere in België gevestigde kredietinstelling moet deelnemen aan een collectieve beleggersbeschermingsregeling waaraan zij bijdraagt en die tot doel heeft aan bepaalde categorieën van beleggers een schadevergoeding toe te kennen wanneer het faillissement van een dergelijke instelling is uitgesproken of wanneer de toezichthouder de in artikel 384/3, tweede lid, bedoelde beslissing heeft genomen ten aanzien van een dergelijke instelling.

Het eerste lid geldt niet voor de bijkantoren van kredietinstellingen die onder het recht van een andere lidstaat ressorteren. Het geldt evenmin voor de bijkantoren van kredietinstellingen die onder het recht van een derde land ressorteren en waarvan de verbintenissen door een beleggersbeschermingsregeling van die staat minstens op evenwaardige wijze gedekt zijn als in het kader van de in het eerste lid bedoelde regeling, voor wat betreft de gedekte activa en het vastgestelde dekkingsniveau.

Het Garantiefonds neemt het beheer en de verrichtingen van de beleggersbeschermingsregeling waar.

Art. 384/3

§ 1.De toezichthouder informeert het Garantiefonds zo spoedig mogelijk ingeval hij problemen op het spoor komt die waarschijnlijk tot de interventie van de beleggersbeschermingsregeling zullen leiden.

Behalve in de gevallen waarin het faillissement is uitgesproken, neemt de toezichthouder de beslissing waarmee wordt vastgesteld dat een in artikel 384/2 bedoelde kredietinstelling, om redenen die rechtstreeks verband houden met haar financiële positie, niet in staat lijkt te zijn te voldoen aan haar verplichtingen jegens de beleggers tot terugbetaling van de financiële instrumenten die voor hun rekening worden gehouden of die de kredietinstelling verschuldigd is, en dat de kredietinstelling daartoe ook op afzienbare termijn niet in staat zal zijn. Deze vaststelling geschiedt zo spoedig mogelijk en in elk geval uiterlijk vijf werkdagen nadat voor het eerst is vastgesteld dat de kredietinstelling heeft nagelaten een financieel instrument terug te betalen.

Het Fonds zorgt voor de in artikel 384/4 bedoelde schadeloosstelling binnen drie maanden nadat de vordering van de belegger in aanmerking is genomen en het bedrag van die vordering is vastgesteld. De toezichthouder kan deze termijn verlengen met ten hoogste drie maanden. Deze verlenging mag enkel worden toegestaan in zeer uitzonderlijke omstandigheden en in specifieke gevallen.

De kredietinstelling, of, als deze failliet is, de curator, deelt te allen tijde en op verzoek van het Garantiefonds alle gegevens mee die deze laatste nodig heeft om de in artikel 384/4 bedoelde schadevergoeding toe te kennen aan de beleggers. De Koning kan de nadere regels bepalen voor de uitwisseling van de gegevens tussen de kredietinstelling of curator, enerzijds, en het Garantiefonds, anderzijds.

Indien er twijfels rijzen over de juistheid van de gegevens die het Garantiefonds in uitvoering van het vorige lid heeft ontvangen, kijkt de kredietinstelling of de curator deze op zijn verzoek na en deelt in voorkomend geval de verbeterde gegevens mee aan het Garantiefonds.

§ 2.Voor kredietinstellingen in de zin van artikel 1, § 3, eerste lid, 2° hebben het eerste, derde, vierde en vijfde lid van paragraaf 1 ook betrekking op de schadeloosstelling in het kader van het in artikel 384/4, tweede lid bedoelde onderdeel gelddeposito's.

Voor kredietinstellingen in de zin van artikel 1, § 3, eerste lid, 2°, neemt de Bank, behalve in de gevallen waarin het faillissement is uitgesproken, de beslissing waarmee wordt vastgesteld dat een in artikel 384/2 bedoelde kredietinstelling, om redenen die rechtstreeks verband houden met haar financiële positie, niet in staat lijkt te zijn de gelddeposito's terug te betalen of te voldoen aan haar verplichtingen jegens de beleggers tot terugbetaling van de financiële instrumenten die voor hun rekening worden gehouden of die de kredietinstelling verschuldigd is, en dat de kredietinstelling daartoe ook op afzienbare termijn niet in staat zal zijn. Deze vaststelling geschiedt zo spoedig mogelijk en in elk geval uiterlijk vijf werkdagen nadat voor het eerst is vastgesteld dat de kredietinstelling heeft nagelaten verschuldigde en betaalbare gelddeposito's of een financieel instrument terug te betalen.

Art. 384/4

Onverminderd eventuele franchises overeenkomstig het Europese recht, voorziet de door het Garantiefonds ingestelde beleggersbeschermingsregeling, tot een bedrag van maximum 20 000 euro per belegger en per kredietinstelling die aan deze regeling deelneemt, in een schadevergoeding voor niet-terugbetaling van financiële instrumenten die voor rekening van de beleggers worden gehouden of die de kredietinstelling verschuldigd is, ongeacht de munteenheid waarin de financiële instrumenten zijn uitgedrukt.

Voor kredietinstellingen in de zin van artikel 1, § 3, eerste lid, 2° wordt het onderdeel financiële instrumenten van de beleggersbeschermingsregeling die door het in het eerste lid bedoelde Garantiefonds is ingesteld, aangevuld met een onderdeel gelddeposito's van de door het Garantiefonds ingestelde beleggersbeschermingsregeling, dat voorziet, tot een bedrag van maximum 100 000 euro per belegger en per kredietinstelling die aan deze regeling deelneemt, in de terugbetaling van de gelddeposito's die voor rekening van de beleggers worden gehouden en die bestemd zijn voor de verwerving van financiële instrumenten, voor belegging in gestructureerde deposito's of voor terugbetalingen, ongeacht de munteenheid waarin ze zijn uitgedrukt, op voorwaarde dat deze gelddeposito's niet reeds gedekt zijn door de in de artikelen 379/2 tot 384/1 bedoelde depositobeschermingsregeling.

Art. 384/5

De Koning bepaalt welke informatie de kredietinstellingen aan de beleggers moeten verstrekken over de dekking van hun tegoeden ingevolge de voornoemde regeling.

De aanwending in het kader van reclame van de informatie bedoeld in het eerste lid is beperkt tot de loutere vermelding van de beleggersbeschermingsregeling die een garantie biedt voor de financiële instrumenten of, in het geval van een kredietinstelling in de zin van artikel 1, § 3, eerste lid, 2°, voor de gelddeposito's waarop de reclame betrekking heeft.

De FSMA ziet toe op de naleving van dit artikel en de ter uitvoering ervan genomen besluiten. Voor de uitvoering van deze opdracht beschikt zij over de bevoegdheden bedoeld in de artikelen 34, § 1, 1°, 35, §§ 1 en 2, 36, 36bis en 37 van de wet van 2 augustus 2002.

Art. 384/6

Het Garantiefonds treft de nodige maatregelen en schikkingen om de bijkantoren van kredietinstellingen die onder het recht van een andere lidstaat ressorteren, in staat te stellen deel te nemen aan de beleggersbeschermingsregeling die het beheert, teneinde, binnen de grenzen van deze regeling, de waarborgen verstrekt door de regeling waaraan de instelling in haar staat deelneemt, aan te vullen.

Indien het bijkantoor dat de mogelijkheid van het eerste lid heeft benut, zijn verplichtingen ten aanzien van de beleggersbeschermingsregeling niet nakomt, wendt het Garantiefonds zich in samenwerking met de toezichthouder tot de bevoegde autoriteit die de vergunning heeft verleend aan de kredietinstelling waarvan het bijkantoor afhangt. Indien de toestand niet binnen twaalf maanden wordt verholpen, kan het Garantiefonds, op eensluidend advies van deze autoriteit, het bijkantoor uitsluiten na afloop van een opzeggingstermijn van twaalf maanden. De termijnverbintenissen van voor de uitsluiting blijven gedekt door de beschermingsregeling tot ze vervallen. De andere tegoeden die vóór de uitsluiting werden gehouden, blijven nog twaalf maanden gedekt. De beleggers worden door het bijkantoor of, zo niet, door de toezichthouder op de hoogte gebracht van het verval van de dekking.