Alle wetboeken › Bankwet

BOEK II - KREDIETINSTELLINGEN NAAR BELGISCH RECHT

TITEL VI - Herstelmaatregelen

234–238

Art. 234

§ 1.Wanneer de toezichthouder vaststelt dat een kredietinstelling niet werkt overeenkomstig de volgende bepalingen of wanneer hij over gegevens beschikt waaruit blijkt dat het gevaar bestaat dat deze instelling in de komende 12 maanden niet meer zal werken overeenkomstig deze bepalingen:

1°de bepalingen van deze wet of haar uitvoeringsbesluiten en -reglementen;

2°de bepalingen van Verordening nr. 575/2013, Verordening nr. 600/2014, Verordening 2017/565 of Verordening 2022/2554, of de artikelen 5 tot 9 en 18 tot 27 van Verordening 2017/2402;

3°de bepalingen van de gedelegeerde handelingen die zijn vastgesteld overeenkomstig de in punt 2° bedoelde bepalingen of overeenkomstig de Europese richtlijnen die bij deze wet worden omgezet; of

4°de bepalingen van de uitvoeringsbesluiten die zijn vastgesteld overeenkomstig de in punt 2° bedoelde bepalingen, overeenkomstig de Europese richtlijnen die bij deze wet worden omgezet of overeenkomstig de in punt 3° bedoelde gedelegeerde handelingen,

stelt hij de termijn vast waarbinnen deze toestand moet worden verholpen.

§ 2.Zolang de kredietinstelling de in paragraaf 1 bedoelde toestand niet heeft verholpen, kan de toezichthouder te allen tijde:

1°eigenvermogensvereisten opleggen die strenger zijn of een aanvulling vormen op deze waarin voorzien is door of krachtens artikel 92 van Verordening nr. 575/2013 of van de reglementen die met toepassing van artikel 98 zijn vastgesteld;

2°de toepassing opleggen van bijzondere regels inzake waardering of waardeaanpassing in het kader van de eigenvermogensvereisten die opgelegd zijn door of krachtens artikel 92 van Verordening nr. 575/2013 of de reglementen die met toepassing van artikel 98 zijn vastgesteld;

3°de gehele of gedeeltelijke reservering van uitkeerbare winst opleggen;

4°alle dividenduitkeringen of betalingen, met name van interesten, aan aandeelhouders of houders van aanvullend-tier 1-kapitaalinstrumenten, beperken of verbieden, voor zover de schorsing van de betalingen die daaruit zou voortvloeien, niet leidt tot de opening van een liquidatieprocedure met toepassing van de bepalingen van Boek XX van het Wetboek van economisch recht;

5°eisen dat de variabele beloning beperkt wordt tot een percentage van de winst;

6°specifieke liquiditeitsvereisten opleggen die dwingender zijn dan deze waarin voorzien is door of krachtens Verordening nr. 575/2013 of de reglementen die met toepassing van artikel 98 zijn vastgesteld, waaronder beperkingen ten aanzien van mismatches tussen activa en passiva van de instelling;

7°eisen dat de instelling het risico dat verbonden is aan bepaalde werkzaamheden of producten of aan haar organisatie, beperkt, in voorkomend geval door de integrale of gedeeltelijke overdracht op te leggen van haar bedrijf of haar net;

8°normen opleggen inzake risicoconcentratie of ter beperking van de blootstellingen die dwingender zijn dan deze waarin voorzien is door of krachtens Verordening nr. 575/2013 of de reglementen die met toepassing van artikel 98 zijn vastgesteld;

9°een aanvullende rapporteringsverplichting opleggen of een frequentere rapportering opleggen dan waarin voorzien is door of krachtens artikel 106, met name voor de rapportering over risico's, eigen vermogen of liquiditeitsposities;

10°volledigere en frequentere openbaarmakingen eisen dan deze waarin voorzien is door of krachtens artikel 75 of Verordening nr. 575/2013;

11°de maatregelen opleggen als bedoeld in artikel 116, § 2, tweede lid, 3° en 5°;

12°eisen dat de instelling een plan opstelt voor het voeren van onderhandelingen met schuldeisers over de herstructurering van de schulden, in voorkomend geval overeenkomstig het herstelplan.

§ 2/1.Niettegenstaande de voorwaarden voor de toepassing van de paragrafen 1 en 2 en onverminderd artikel 150, § 1, legt de toezichthouder de in paragraaf 2, 1°, bedoelde maatregel op indien de kredietinstelling niet voldoet aan de vereisten van de artikelen 21 en 94 van deze wet of van artikel 393 van Verordening nr. 575/2013 en het onwaarschijnlijk is dat andere toezichtsmaatregelen voldoende zouden zijn om te waarborgen dat binnen een passende termijn aan deze vereisten kan worden voldaan.

In dat geval zijn de artikelen 150, § 2, 150/3 en 150/4 van toepassing.

§ 2/2.De in paragraaf 2, 9° bedoelde maatregel kan alleen worden opgelegd indien deze verplichting passend en evenredig is wat betreft het doel waarvoor de informatie nodig is, en de gevraagde informatie niet leidt tot duplicering.

Voor de toepassing van paragraaf 2, 9° en van de Afdelingen II tot IV van Hoofdstuk II van Titel III van Boek II wordt alle informatie die in wezen identiek is aan informatie die reeds met toepassing van een andere wettelijke of reglementaire bepaling aan de toezichthouder is meegedeeld of die door de toezichthouder kan worden geproduceerd, geacht tot duplicering te leiden.

De toezichthouder vereist niet dat reeds ontvangen informatie in een ander formaat of ander niveau van granulariteit wordt meegedeeld voor zover dit verschil de toezichthouder niet belet informatie te produceren die van dezelfde kwaliteit en betrouwbaarheid is als de informatie die zou worden vereist.

§ 3.Wanneer de toezichthouder van oordeel is dat de maatregelen die de instelling binnen de met toepassing van paragraaf 1 vastgestelde termijn heeft genomen om de vastgestelde toestand te verhelpen, bevredigend zijn, heft hij volgens de modaliteiten die hij bepaalt, alle of een deel van de maatregelen op waartoe hij met toepassing van paragraaf 2 heeft besloten.

§ 4.De toezichthouder stelt de Europese Bankautoriteit in kennis van de methode die gebruikt wordt ter staving van de vaststelling dat er een gevaar bestaat dat een instelling in de komende 12 maanden niet meer werkt overeenkomstig de in paragraaf 1 bedoelde bepalingen.

§ 5.De toezichthouder stelt de afwikkelingsautoriteit onverwijld in kennis zodra zij vaststelt dat voor een kredietinstelling aan de in paragraaf 1 bedoelde voorwaarden is voldaan.

Art. 235

Zolang de instelling de toestand bedoeld in artikel 234, § 1 niet heeft verholpen, en onverminderd de maatregelen bedoeld in paragraaf 2 van dit artikel, kan de toezichthouder te allen tijde en volgens de modaliteiten die hij bepaalt, eisen dat de instelling het herstelplan bedoeld in artikel 108 geheel of gedeeltelijk uitvoert.

Art. 236

§ 1.Wanneer de toezichthouder vaststelt dat een kredietinstelling niet of niet langer voldoet aan de met toepassing van artikel 234, § 2 genomen maatregelen, of dat de toestand na het verstrijken van de met toepassing van artikel 234, § 1 vastgestelde termijn niet is verholpen, kan de toezichthouder, onverminderd de andere bepalingen van deze wet,

1°een speciaal commissaris aanstellen.

In dit geval is voor alle handelingen en beslissingen van alle organen van de instelling, inclusief de algemene vergadering, alsook voor die van de personen die instaan voor het beleid, zijn schriftelijke, algemene of bijzondere toestemming vereist; de toezichthouder kan de verrichtingen waarvoor toestemming is vereist, evenwel beperken.

De speciaal commissaris mag elk voorstel dat hij nuttig acht voorleggen aan alle organen van de instelling, inclusief de algemene vergadering.

De leden van de bestuurs- en de beleidsorganen en de personen die instaan voor het beleid, die handelingen stellen of beslissingen nemen zonder de vereiste toestemming van de speciaal commissaris, zijn hoofdelijk aansprakelijk voor het nadeel dat hieruit voortvloeit voor de instelling of voor derden.

Indien de toezichthouder de aanstelling van een speciaal commissaris in het Belgisch Staatsblad heeft bekendgemaakt, met opgave van de handelingen en beslissingen waarvoor zijn toestemming is vereist, zijn alle handelingen en beslissingen zonder deze vereiste toestemming nietig, tenzij de speciaal commissaris die bekrachtigt. Onder dezelfde voorwaarden zijn alle beslissingen van de algemene vergadering zonder de vereiste toestemming van de speciaal commissaris nietig, tenzij hij die bekrachtigt.

De bezoldiging van de speciaal commissaris wordt vastgesteld door de toezichthouder en gedragen door de instelling.

De toezichthouder kan een plaatsvervangend commissaris aanstellen;

2°de vervanging gelasten van alle of een deel van de leden van het wettelijk bestuursorgaan, van het directiecomité en/of, in voorkomend geval, van de personen belast met de effectieve leiding van de kredietinstelling, binnen een termijn die hij bepaalt en, zo binnen deze termijn geen vervanging geschiedt, een of meerdere leden van het wettelijk bestuursorgaan of van het directiecomité en/of, in voorkomend geval, een of meer personen belast met de effectieve leiding van de instelling ontslaan, of in de plaats van een deel van of van de voltallige bestuurs- en beleidsorganen van de instelling een of meer voorlopige bestuurders aanstellen die alleen of collegiaal, naargelang van het geval, de bevoegdheden hebben van de vervangen personen. De toezichthouder maakt zijn beslissing bekend in het Belgisch Staatsblad.

Wanneer de omstandigheden dit rechtvaardigen, kan de toezichthouder een of meer voorlopige bestuurders aanstellen zonder vooraf de vervanging te gelasten van alle of een deel van de leiders van de instelling.

Mits de toezichthouder hiermee instemt, kan of kunnen de voorlopige bestuurder(s) een algemene vergadering bijeenroepen en de agenda ervan vaststellen.

Het mandaat van de vervangen personen, met name dat van lid van het wettelijk bestuursorgaan of van het directiecomité, eindigt na de kennisgeving van de beslissing van de toezichthouder om hen te vervangen door een of meer voorlopige bestuurders. De kredietinstelling vervult de openbaarmakingsformaliteiten die vereist zijn in geval van beëindiging van de betrokken mandaten.

De toezichthouder kan met inachtneming van de bepalingen van het recht van de Europese Unie afwijken van de door of krachtens deze wet vastgestelde rapporteringsverplichtingen voor de kredietinstelling ten aanzien waarvan hij een maatregel bestaande in de benoeming van een of meer voorlopige bestuurders heeft genomen.

De bezoldiging van de voorlopige bestuurder(s) wordt vastgesteld door de toezichthouder en gedragen door de betrokken instelling.

De toezichthouder kan de voorlopige bestuurder(s) te allen tijde vervangen, hetzij ambtshalve, hetzij op verzoek van een meerderheid van aandeelhouders of vennoten, wanneer zij aantonen dat het beleid van de betrokkenen niet langer de nodige waarborgen biedt;

3°de instelling gelasten binnen de door hem vastgestelde termijn een algemene vergadering van aandeelhouders bijeen te roepen waarvan hij de agenda vaststelt;

4°voor de duur die hij bepaalt, de rechtstreekse of onrechtstreekse uitoefening van het bedrijf van de instelling geheel of ten dele schorsen dan wel verbieden; deze schorsing kan, in de door de toezichthouder bepaalde mate, de volledige of gedeeltelijke schorsing van de uitvoering van de lopende overeenkomsten tot gevolg hebben.

De leden van de bestuurs- en beleidsorganen en de personen die instaan voor het beleid, die handelingen stellen of beslissingen nemen ondanks de schorsing of het verbod, zijn hoofdelijk aansprakelijk voor het nadeel dat hieruit voortvloeit voor de instelling of voor derden.

Indien de toezichthouder de schorsing of het verbod in het Belgisch Staatsblad heeft bekendgemaakt, zijn alle hiermee strijdige handelingen en beslissingen nietig;

5°een kredietinstelling gelasten de aandelen over te dragen die zij bezit, overeenkomstig de artikelen 89 en 90 van Verordening nr. 575/2013. In dat geval is artikel 54, tweede lid van toepassing;

5°/1 de instelling gelasten om een deel of het geheel van haar bedrijf of haar net over te dragen. In dat geval zijn de artikelen 77, eerste lid, 4°, en 78 van toepassing als de overdracht plaatsvindt tussen kredietinstellingen of tussen een dergelijke instelling en andere financiële instellingen of de artikelen 4 en 15 van Verordening 2015/2365;

6°de vergunning herroepen. De Europese Centrale Bank kan de vergunning echter niet herroepen wanneer de tekortkoming van de kredietinstelling uitsluitend bestaat in het niet voldoen aan de vereisten van de artikelen 92bis of 92ter van Verordening nr. 575/2013. De beslissing tot herroeping en de redenen daarvoor worden door de Europese Centrale Bank ter kennis gebracht van de Europese Bankautoriteit.

Naast en onverminderd artikel XX.1 van het Wetboek van economisch recht, behoort de benoeming van een speciaal commissaris of van een voorlopig bestuurder, onder welke benaming dan ook, bij een kredietinstelling tot de exclusieve bevoegdheid van de toezichthouder.

§ 2.Niettegenstaande de voorwaarden voor de toepassing van paragraaf 1, kan de toezichthouder in uiterst spoedeisende gevallen of wanneer de ernst van de feiten dit rechtvaardigt de maatregelen als bedoeld in de genoemde paragraaf 1 treffen zonder vooraf een termijn op te leggen.

§ 3.De in paragraaf 1 bedoelde beslissingen van de toezichthouder hebben voor de instelling uitwerking vanaf de datum van hun kennisgeving met een aangetekende brief of een brief met ontvangstbewijs en, voor derden, vanaf de datum van hun bekendmaking overeenkomstig de voorschriften van paragraaf 1.

§ 4.De toezichthouder kan de in dit artikel bedoelde maatregelen ook nemen wanneer een kredietinstelling een vergunning heeft verkregen door middel van valse verklaringen of op enige andere onregelmatige wijze.

§ 4/1.Wanneer de in dit artikel bedoelde maatregelen worden opgelegd wegens niet-naleving van de verplichtingen die door of krachtens deze wet zijn vastgesteld ter omzetting van Richtlijn 2014/65/EU en Richtlijn 2019/2162/EU, maakt de toezichthouder de oplegging van die maatregelen bekend overeenkomstig, respectievelijk, de artikelen 71 en 24 van die richtlijnen.

Overeenkomstig de voornoemde artikelen 71 en 24 kan de toezichthouder, wanneer tegen beslissingen tot oplegging van dergelijke maatregelen beroep wordt ingesteld, deze beslissingen bekendmaken rekening houdend met de omstandigheden. In dat geval maakt hij tevens onverwijld de status en het resultaat van het beroep bekend.

In gevallen waarin de toezichthouder dergelijke beslissingen zonder vermelding van namen bekendmaakt, kunnen de geanonimiseerde gegevens openbaar worden gemaakt zodra de redenen die de anonimiteit rechtvaardigen, ophouden te bestaan.

§ 5.Wanneer de toezichthouder kennis heeft van het feit dat een kredietinstelling een bijzonder mechanisme heeft ingesteld in de zin van artikel 21, § 1/1, zijn artikel 234, §§ 1 en 2, evenals paragraaf 1,... 1°, 2°, 4° en 6° en de paragrafen 2 en 3 van dit artikel van toepassing.

§ 5/1.Artikel 234, § 1, en paragraaf 1, eerste lid, 2°, 3°, 4° en 6° en de paragrafen 2 en 3 van dit artikel zijn van toepassing wanneer de toezichthouder vaststelt dat een kredietinstelling niet werkt overeenkomstig de bepalingen van Titel II van Verordening nr. 648/2012.

§ 6.Bij ernstige en stelselmatige overtreding van de regels bedoeld in artikel 45, § 1, eerste lid, 3°, of § 2 van de wet van 2 augustus 2002, kan de Europese Centrale Bank de vergunning herroepen, in voorkomend geval op verzoek van de Bank, ingevolge een verzoek van de FSMA, volgens de procedure en de regels bepaald bij artikel 36bis van diezelfde wet.

§ 7.Wanneer de toezichthouder vaststelt dat een persoon die een in artikel 19, § 1, eerste lid, bedoelde functie uitoefent of heeft uitgeoefend, niet langer voldoet aan het wettelijke vereiste om over de nodige professionele betrouwbaarheid en passende deskundigheid te beschikken, kan de toezichthouder aan deze persoon een verbod opleggen om functies bij kredietinstellingen uit te oefenen, waarvan de duur niet meer dan vijf jaar mag bedragen.

De Bank kan een krachtens het eerste lid genomen verbodsbeslissing aanvullen met een verbod om functies uit te oefenen in andere instellingen bedoeld in artikel 36/2, § 1, van de wet van 22 februari 1998.

De krachtens het eerste en het tweede lid genomen verbodsbeslissingen vermelden de aard van de verboden functies.

De krachtens het eerste en het tweede lid genomen verbodsbeslissingen worden ter kennis gebracht van de betrokken persoon en van de kredietinstelling waar deze persoon een in artikel 19, § 1, eerste lid bedoelde functie uitoefende. De Bank stelt de FSMA van deze beslissingen in kennis.

§ 8.De ondernemingsrechtbank spreekt op verzoek van elke belanghebbende de nietigverklaringen uit als bedoeld in paragraaf 1, tweede lid, 1° en 4°.

De nietigheidsvordering wordt ingesteld tegen de instelling. Indien verantwoord om ernstige redenen kan de eiser in kort geding de voorlopige schorsing vorderen van de gewraakte handelingen of beslissingen. Het schorsingsbevel en het vonnis van nietigverklaring hebben uitwerking ten aanzien van iedereen. Ingeval de geschorste of vernietigde handeling of beslissing werden bekendgemaakt, worden het schorsingsbevel en het vonnis van nietigverklaring bij uittreksel op dezelfde wijze bekendgemaakt.

Wanneer de nietigheid afbreuk kan doen aan de rechten die een derde te goeder trouw ten aanzien van de instelling heeft verworven, kan de rechtbank verklaren dat die nietigheid geen uitwerking heeft ten aanzien van de betrokken rechten, onverminderd het eventuele recht van de eiser op schadevergoeding.

De nietigheidsvordering kan niet meer worden ingesteld na afloop van een termijn van zes maanden vanaf de datum waarop de betrokken handelingen of beslissingen kunnen worden tegengeworpen aan wie hun nietigheid inroept, of hem bekend zijn.

Art. 236/1

§ 1.De speciaal commissaris en de voorlopige bestuurder(s) bedoeld in artikel 236, § 1 dragen voor rekening van de toezichthouder bij aan de uitoefening van zijn wettelijke opdracht. In het kader van deze opdracht:

-handelen zij uitsluitend in het kader van het in artikel 1, § 2 vastgelegde doel;

-volgen zij de instructies van de toezichthouder met betrekking tot de wijze waarop de hun toevertrouwde specifieke opdracht moet worden uitgevoerd;

-zijn zij onderworpen aan dezelfde verplichtingen inzake beroepsgeheim als die welke voor de Bank gelden in het kader van de in deze wet vastgelegde toezichtsopdracht; voor het gebruik van wettelijke uitzonderingen is de voorafgaande toestemming van de toezichthouder vereist;

-brengen zij op verzoek van de toezichthouder, volgens de modaliteiten die hij bepaalt, verslag uit over de financiële positie van de instelling en over de maatregelen die zij in het kader van hun opdracht hebben genomen, evenals over de financiële positie aan het begin en aan het einde van die opdracht.

§ 2.Hun ondersteunende rol ten aanzien van de toezichthouder, als omschreven in paragraaf 1, impliceert dat zij als dusdanig niet als administratieve autoriteit kunnen worden beschouwd.

De vervanging van de voltallige bestuurs- en beleidsorganen van de kredietinstelling door voorlopige bestuurders, overeenkomstig artikel 236, § 1, 2°, impliceert niet dat deze laatsten moeten worden beschouwd als bestuurders of leden van het wettelijk bestuursorgaan in de zin van het Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen, maar enkel dat zij de bevoegdheden hebben van de vervangen personen, met name om de handelingen te verrichten die de kredietinstelling in staat stellen te voldoen aan haar wettelijke en reglementaire verplichtingen, in het bijzonder deze die door of krachtens het Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen zijn vastgesteld. Er wordt aan hen geen kwijting verleend bij een beslissing of stemming als bedoeld in het Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen; zij zijn voor hun opdracht uitsluitend verantwoording verschuldigd ten aanzien van de toezichthouder, die hen in voorkomend geval kwijting verleent.

Art. 237

§ 1.De Bank stelt de FSMA in kennis van de maatregelen genomen overeenkomstig de artikelen 233 tot 236 en houdt de FSMA op de hoogte van de behandeling van het beroep tegen deze maatregelen.

Zij brengt hiervan tevens de bevoegde autoriteiten op de hoogte die toezicht houden op de kredietinstellingen van de andere lidstaten waar een kredietinstelling naar Belgisch recht een bijkantoor heeft gevestigd of werkzaamheden verricht als bedoeld in artikel 4 in het kader van het vrij verrichten van diensten.

Wanneer de Bank met toepassing van de bepalingen van het eerste lid een maatregel oplegt wegens niet-naleving van de door of krachtens Richtlijn 2019/2162/EU vastgestelde verplichtingen, stelt zij de Europese Bankautoriteit daarvan in kennis, evenals van de status en de uitkomst van eventuele beroepsprocedures.

§ 2.Voorts brengt de toezichthouder de afwikkelingsautoriteit op de hoogte van de maatregelen die met toepassing van de artikelen 234 tot 236 zijn getroffen evenals van de vaststelling dat de in de artikelen 234, § 1, en 236, § 1, bedoelde omstandigheden die aanleiding kunnen geven tot de toepassing van de maatregelen waarin deze bepalingen voorzien, zich hebben voorgedaan.

§ 3.De afwikkelingsautoriteit is bevoegd om, op basis van de in paragraaf 2 bedoelde informatie, van de betrokken kredietinstelling te eisen dat zij met potentiële overnemers contact opneemt om de afwikkeling van de kredietinstelling voor te bereiden, met inachtneming van de voorwaarden bepaald in artikel 257, § 1.

Art. 238

§ 1.Kredietinstellingen waarvan de vergunning is ingetrokken of herroepen met toepassing van de artikelen 233, eerste lid en 236 blijven onderworpen aan de Europeesrechtelijke bepalingen die rechtstreeks op hen van toepassing zijn, aan de bepalingen van deze wet en aan de diverse normen genomen ter uitvoering ervan

1°tot de van het publiek ontvangen gelden en de aan de cliënten verschuldigde financiële instrumenten zijn terugbetaald, voor kredietinstellingen in de zin van artikel 1, § 3, eerste lid, 1°; of

2°tot de verbintenissen die voortvloeien uit aan cliënten verschuldigde geldmiddelen en financiële instrumenten vereffend of terugbetaald zijn, voor kredietinstellingen in de zin van artikel 1, § 3, eerste lid, 2°,

tenzij de toezichthouder hen vrijstelt van bepaalde voorschriften.

Dit artikel is niet van toepassing bij de intrekking van de vergunning van een failliet verklaarde kredietinstelling.

§ 2.Kredietinstellingen in de zin van artikel 1, § 3, eerste lid, 2°, waarvan de vergunning is ingetrokken met toepassing van artikel 233, tweede lid, blijven onderworpen aan de Europeesrechtelijke bepalingen die rechtstreeks op hen van toepassing zijn, aan de bepalingen van deze wet en aan de diverse normen genomen ter uitvoering ervan, tot op de datum waarop zij op grond van artikel 491 een vergunning verkrijgen.

Indien de in artikel 491 bedoelde vergunning wordt geweigerd, blijven zij onderworpen aan die bepalingen en normen tot de verbintenissen die voortvloeien uit aan cliënten verschuldigde geldmiddelen en financiële instrumenten vereffend of terugbetaald zijn.