§ 1.Wanneer de toezichthouder vaststelt dat een kredietinstelling niet werkt overeenkomstig de volgende bepalingen of wanneer hij over gegevens beschikt waaruit blijkt dat het gevaar bestaat dat deze instelling in de komende 12 maanden niet meer zal werken overeenkomstig deze bepalingen:
1°de bepalingen van deze wet of haar uitvoeringsbesluiten en -reglementen;
2°de bepalingen van Verordening nr. 575/2013, Verordening nr. 600/2014, Verordening 2017/565 of Verordening 2022/2554, of de artikelen 5 tot 9 en 18 tot 27 van Verordening 2017/2402;
3°de bepalingen van de gedelegeerde handelingen die zijn vastgesteld overeenkomstig de in punt 2° bedoelde bepalingen of overeenkomstig de Europese richtlijnen die bij deze wet worden omgezet; of
4°de bepalingen van de uitvoeringsbesluiten die zijn vastgesteld overeenkomstig de in punt 2° bedoelde bepalingen, overeenkomstig de Europese richtlijnen die bij deze wet worden omgezet of overeenkomstig de in punt 3° bedoelde gedelegeerde handelingen,
stelt hij de termijn vast waarbinnen deze toestand moet worden verholpen.
§ 2.Zolang de kredietinstelling de in paragraaf 1 bedoelde toestand niet heeft verholpen, kan de toezichthouder te allen tijde:
1°eigenvermogensvereisten opleggen die strenger zijn of een aanvulling vormen op deze waarin voorzien is door of krachtens artikel 92 van Verordening nr. 575/2013 of van de reglementen die met toepassing van artikel 98 zijn vastgesteld;
2°de toepassing opleggen van bijzondere regels inzake waardering of waardeaanpassing in het kader van de eigenvermogensvereisten die opgelegd zijn door of krachtens artikel 92 van Verordening nr. 575/2013 of de reglementen die met toepassing van artikel 98 zijn vastgesteld;
3°de gehele of gedeeltelijke reservering van uitkeerbare winst opleggen;
4°alle dividenduitkeringen of betalingen, met name van interesten, aan aandeelhouders of houders van aanvullend-tier 1-kapitaalinstrumenten, beperken of verbieden, voor zover de schorsing van de betalingen die daaruit zou voortvloeien, niet leidt tot de opening van een liquidatieprocedure met toepassing van de bepalingen van Boek XX van het Wetboek van economisch recht;
5°eisen dat de variabele beloning beperkt wordt tot een percentage van de winst;
6°specifieke liquiditeitsvereisten opleggen die dwingender zijn dan deze waarin voorzien is door of krachtens Verordening nr. 575/2013 of de reglementen die met toepassing van artikel 98 zijn vastgesteld, waaronder beperkingen ten aanzien van mismatches tussen activa en passiva van de instelling;
7°eisen dat de instelling het risico dat verbonden is aan bepaalde werkzaamheden of producten of aan haar organisatie, beperkt, in voorkomend geval door de integrale of gedeeltelijke overdracht op te leggen van haar bedrijf of haar net;
8°normen opleggen inzake risicoconcentratie of ter beperking van de blootstellingen die dwingender zijn dan deze waarin voorzien is door of krachtens Verordening nr. 575/2013 of de reglementen die met toepassing van artikel 98 zijn vastgesteld;
9°een aanvullende rapporteringsverplichting opleggen of een frequentere rapportering opleggen dan waarin voorzien is door of krachtens artikel 106, met name voor de rapportering over risico's, eigen vermogen of liquiditeitsposities;
10°volledigere en frequentere openbaarmakingen eisen dan deze waarin voorzien is door of krachtens artikel 75 of Verordening nr. 575/2013;
11°de maatregelen opleggen als bedoeld in artikel 116, § 2, tweede lid, 3° en 5°;
12°eisen dat de instelling een plan opstelt voor het voeren van onderhandelingen met schuldeisers over de herstructurering van de schulden, in voorkomend geval overeenkomstig het herstelplan.
§ 2/1.Niettegenstaande de voorwaarden voor de toepassing van de paragrafen 1 en 2 en onverminderd artikel 150, § 1, legt de toezichthouder de in paragraaf 2, 1°, bedoelde maatregel op indien de kredietinstelling niet voldoet aan de vereisten van de artikelen 21 en 94 van deze wet of van artikel 393 van Verordening nr. 575/2013 en het onwaarschijnlijk is dat andere toezichtsmaatregelen voldoende zouden zijn om te waarborgen dat binnen een passende termijn aan deze vereisten kan worden voldaan.
In dat geval zijn de artikelen 150, § 2, 150/3 en 150/4 van toepassing.
§ 2/2.De in paragraaf 2, 9° bedoelde maatregel kan alleen worden opgelegd indien deze verplichting passend en evenredig is wat betreft het doel waarvoor de informatie nodig is, en de gevraagde informatie niet leidt tot duplicering.
Voor de toepassing van paragraaf 2, 9° en van de Afdelingen II tot IV van Hoofdstuk II van Titel III van Boek II wordt alle informatie die in wezen identiek is aan informatie die reeds met toepassing van een andere wettelijke of reglementaire bepaling aan de toezichthouder is meegedeeld of die door de toezichthouder kan worden geproduceerd, geacht tot duplicering te leiden.
De toezichthouder vereist niet dat reeds ontvangen informatie in een ander formaat of ander niveau van granulariteit wordt meegedeeld voor zover dit verschil de toezichthouder niet belet informatie te produceren die van dezelfde kwaliteit en betrouwbaarheid is als de informatie die zou worden vereist.
§ 3.Wanneer de toezichthouder van oordeel is dat de maatregelen die de instelling binnen de met toepassing van paragraaf 1 vastgestelde termijn heeft genomen om de vastgestelde toestand te verhelpen, bevredigend zijn, heft hij volgens de modaliteiten die hij bepaalt, alle of een deel van de maatregelen op waartoe hij met toepassing van paragraaf 2 heeft besloten.
§ 4.De toezichthouder stelt de Europese Bankautoriteit in kennis van de methode die gebruikt wordt ter staving van de vaststelling dat er een gevaar bestaat dat een instelling in de komende 12 maanden niet meer werkt overeenkomstig de in paragraaf 1 bedoelde bepalingen.
§ 5.De toezichthouder stelt de afwikkelingsautoriteit onverwijld in kennis zodra zij vaststelt dat voor een kredietinstelling aan de in paragraaf 1 bedoelde voorwaarden is voldaan.