§ 1.De onderzoeksrechter kan, onverminderd de toepassing van artikelen 39bis, 87, 88, 89bis en 90, met een heimelijk oogmerk, niet voor het publiek toegankelijke communicatie of gegevens van een informaticasysteem of een deel ervan met technische hulpmiddelen onderscheppen, er kennis van nemen, doorzoeken en opnemen of de zoeking in een informaticasysteem of een deel ervan uitbreiden.
Deze maatregel kan enkel worden bevolen in uitzonderlijke gevallen, wanneer het onderzoek zulks vereist, indien er ernstige aanwijzingen bestaan dat het een strafbaar feit betreft bedoeld in paragraaf 2, en indien de overige middelen van onderzoek niet volstaan om de waarheid aan de dag te brengen.
Teneinde deze maatregel mogelijk te maken, kan de onderzoeksrechter bevelen om, te allen tijde, ook buiten medeweten of zonder de toestemming van hetzij de bewoner, hetzij de eigenaar of zijn rechthebbende, hetzij de gebruiker:
-in een woning, in een private plaats of in een informaticasysteem binnen te dringen;
-elke beveiliging van de betrokken informaticasystemen tijdelijk op te heffen, desgevallend met behulp van technische hulpmiddelen, valse signalen, valse sleutels of valse hoedanigheden;
-technische middelen in de betrokken informaticasystemen aan te brengen teneinde de door dat systeem opgeslagen, verwerkte of doorgestuurde gegevens te ontcijferen en te decoderen.
De maatregel bedoeld in deze paragraaf kan alleen worden bevolen om de gegevens op te sporen die kunnen dienen om de waarheid aan de dag te brengen. Hij kan alleen worden bevolen ten aanzien van personen die op grond van precieze aanwijzingen ervan verdacht worden het strafbare feit te hebben gepleegd, ten aanzien van de communicatiemiddelen of informaticasystemen die geregeld worden gebruikt door een persoon op wie een verdenking rust of ten aanzien van de plaatsen waar deze vermoed wordt te vertoeven. De maatregel kan eveneens worden bevolen ten aanzien van personen van wie op grond van precieze feiten vermoed wordt dat zij geregeld in verbinding staan met een persoon op wie een verdenking rust.
§ 2.De strafbare feiten die de maatregel bedoeld in paragraaf 1 kunnen wettigen zijn degene die bedoeld worden in:
1°de artikelen 82 tot 88 en 90 tot 92 van het Strafwetboek en artikel 41 van de wet van 29 maart 2004 betreffende de samenwerking met het Internationaal Strafgerechtshof en de internationale straftribunalen;
2°artikel 96 van hetzelfde Wetboek;
3°de artikelen 97 en 98 van hetzelfde Wetboek;
4°de artikelen 134 tot 149 van hetzelfde Wetboek;
5°artikel 151 van hetzelfde Wetboek;
6°de artikelen 152 tot 165, 171 en 172, 177, 265 en 268 van hetzelfde Wetboek;
7°artikel 219 van hetzelfde Wetboek;
8°de artikelen 223 tot 225 van hetzelfde Wetboek;
9°de artikelen 226 tot 228 van hetzelfde Wetboek;
10°de artikelen 231, 232 en 234 van hetzelfde Wetboek, voor zover een klacht is ingediend;
11°artikel 233 van hetzelfde Wetboek;
12°artikel 258 tot 260 van hetzelfde Wetboek;
13°artikel 340 van hetzelfde Wetboek;
14°de artikelen 342 tot 346 van hetzelfde Wetboek;
15°boek II, titel 4, hoofdstuk 1, van hetzelfde Wetboek;
16°de artikelen 276 tot 284 van hetzelfde Wetboek;
17°de artikelen 389 tot 391, 393, 398 tot 402, 546, 562, 564 tot 571, 573 tot 583, 585 tot 611, 613 en 624 van hetzelfde Wetboek;
18°de artikelen 406 tot 409 van hetzelfde Wetboek;
19°boek II, titel 4, hoofdstuk 5, en titel 6, hoofdstuk 1, afdeling 1, onderafdeling 4, van hetzelfde Wetboek;
20°de artikelen 427 en 428 van hetzelfde Wetboek;
21°de artikelen 439 en 445 van hetzelfde Wetboek;
22°artikel 451 van hetzelfde Wetboek;
23°de artikelen 467 tot 469 van hetzelfde Wetboek;
24°artikel 487 van hetzelfde Wetboek;
25°artikel 488 van hetzelfde Wetboek;
26°artikel 501 van hetzelfde Wetboek wanneer de betrokken goederen verkregen zijn door middel van een misdrijf bedoeld in dit artikel;
27°artikel 502, eerste lid, 1°, 2° en 3°, en 503 van hetzelfde Wetboek;
28°de artikelen 507 en 508 van hetzelfde Wetboek;
29°artikel 513 van hetzelfde Wetboek, indien de omstandigheden bedoeld in de artikelen 507 of 508 van hetzelfde Wetboek verenigd zijn;
30°de artikelen 524 tot 533 van hetzelfde Wetboek;
31°de artikelen 542 tot 545 en 551 tot 559 van hetzelfde Wetboek;
32°de artikelen 638 en 639 van hetzelfde Wetboek;
33°artikel 2bis van de wet van 24 februari 1921 betreffende het verhandelen van giftstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, psychotrope stoffen, ontsmettingsstoffen en antiseptica en van de stoffen die kunnen gebruikt worden voor de illegale vervaardiging van verdovende middelen en psychotrope stoffen;
34°de wet van 28 mei 1956 betreffende ontplofbare en voor de deflagratie vatbare stoffen en mengsels en de daarmede geladen tuigen;
35°artikel 1 van het koninklijk besluit van 12 april 1974 betreffende sommige verrichtingen in verband met stoffen met hormonale, antihormonale, anabole, beta-adrenergische, anti-infectieuze, anti-parasitaire,
en anti-inflammatoire werking, welk artikel betrekking heeft op strafbare feiten waarop overeenkomstig de wet van 24 februari 1921 betreffende het verhandelen van de gifstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, psychotrope stoffen, ontsmettingsstoffen en antiseptica en van de stoffen die kunnen gebruikt worden voor de illegale vervaardiging van verdovende middelen en psychotrope stoffen straffen worden gesteld;
36°artikel 10, § 1, 2°, van de wet van 15 juli 1985 betreffende het gebruik bij dieren van stoffen met hormonale, anti-hormonale, bèta-adrenergische of productie-stimulerende werking;
37°artikel 10 van de wet van 5 augustus 1991 betreffende de in-, uit- en doorvoer van en de bestrijding van illegale handel in wapens, munitie en speciaal voor militair gebruik of voor ordehandhaving dienstig materieel en daaraan verbonden technologie;
38°artikel 237 van het Strafwetboek en artikel 145, § 3, van de wet van 13 juni 2005 betreffende de elektronische communicatie;
39°de artikelen 8 tot 11, 14, 16, 19, 1°, 2°, 3°, 5° en 6°, 20, 22, 27 en 33 van de wet van 8 juni 2006 houdende regeling van economische en individuele activiteiten met wapens, ook "Wapenwet" genoemd;
40°de artikelen 21 tot 26 van het Samenwerkings-akkoord van 2 maart 2007 tussen de Federale Staat, het Vlaams Gewest, het Waals Gewest en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest betreffende de uitvoering van de Overeenkomst tot verbod van de ontwikkeling, de productie, de aanleg van voorraden en het gebruik van chemische wapens en inzake de vernietiging van deze wapens, gedaan te Parijs op 13 januari 1993;
41°artikel 47 van het decreet van het Vlaams Gewest van 15 juni 2012 betreffende de in-, uit-, doorvoer en overbrenging van defensiegerelateerde producten, ander voor militair gebruik dienstig materiaal, ordehandhavingsmateriaal, civiele vuurwapens, onderdelen en munitie;
42°artikel 20 van het decreet van het Waals Gewest van 21 juni 2012 betreffende de invoer, uitvoer, doorvoer en overdracht van civiele wapens en van defensiegerelateerde producten;
43°artikel 42 van de ordonnantie van het Brussels Hoofdstedelijk gewest van 20 juni 2013 betreffende de in-, uit-, doorvoer en overbrenging van defensiegerelateerde producten, ander voor militair gebruik dienstig materiaal, ordehandhavingsmateriaal, civiele vuurwapens, onderdelen, toebehoren en munitie ervan.
§ 3.Poging tot het plegen van een misdrijf bedoeld in de voorgaande paragraaf kan eveneens een maatregel wettigen.
§ 4.Een strafbaar feit, bedoeld in de artikelen 403 of 405 van het Strafwetboek, kan eveneens een maatregel wettigen, voor zover de vereniging gevormd is met het doel een aanslag te plegen tegen de personen of eigendommen bedoeld in § 2 (of om het in artikel 466 van het Strafwetboek bedoelde strafbare feit te begaan).
§ 5.In geval van ontdekking op heterdaad en zolang de heterdaadsituatie duurt, kan de procureur des Konings de maatregel bedoeld in paragraaf 1 bevelen voor de strafbare feiten bedoeld in de artikelen 219, 220, 226 tot 228, 371, 464 of 468 van het Strafwetboek. In geval van ontdekking op heterdaad kan de procureur des Konings bovendien de maatregel bedoeld in paragraaf 1 bevelen voor het in artikel 371 van het Strafwetboek bedoelde strafbare feit, met uitzondering van het artikel 371, § 3, eerste lid, 6°, van hetzelfde Wetboek bedoelde strafbare feit, binnen de tweeënzeventig uur na de ontdekking van dit strafbare feit.
De machtiging kan mondeling worden verleend en dient zo spoedig mogelijk schriftelijk te worden bevestigd.
(§ 6. Een bevoegde buitenlandse overheid mag, in het raam van een strafrechtelijk onderzoek, tijdelijk niet voor publiek toegankelijke communicatie of gegevens van een informaticasysteem onderscheppen, er kennis van nemen en opnemen, ingeval de persoon op wie deze maatregel betrekking heeft, zich op het Belgische grondgebied bevindt en indien voldaan is aan de volgende voorwaarden:
1°deze maatregel vereist geen technische tussenkomst van een instantie die in België is gevestigd;
2°de betrokken buitenlandse overheid heeft kennis gegeven van deze maatregel aan een Belgische rechterlijke overheid;
3°in deze mogelijkheid is voorzien in een internationaal rechtsinstrument tussen België en de verzoekende Staat;
4°de in § 7 bedoelde beslissing van de onderzoeksrechter is nog niet meegedeeld aan de betrokken buitenlandse overheid.
De gegevens die op grond van deze paragraaf zijn verzameld, kunnen alleen worden gebruikt op voorwaarde dat de bevoegde Belgische rechterlijke overheid instemt met de maatregel.
§ 7.Zodra de procureur des Konings de in paragraaf 6, eerste lid, 2°, bedoelde kennisgeving ontvangt, maakt hij ze onverwijld aanhangig bij de onderzoeksrechter.
De onderzoeksrechter bij wie een kennisgeving als bedoeld in § 6, eerste lid, 2°, aanhangig is gemaakt, stemt in met de betrokken maatregel indien deze toelaatbaar is overeenkomstig het bepaalde in dit artikel.
Hij stelt de betrokken buitenlandse overheid in kennis van zijn beslissing binnen zesennegentig uur vanaf de ontvangst ervan door de Belgische gerechtelijke overheid.
Ingeval een bijkomende termijn noodzakelijk is, kan de onderzoeksrechter zijn beslissing en de kennisgeving ervan aan de bevoegde buitenlandse overheid maximum acht dagen uitstellen. Hij verwittigt hiervan onverwijld de bevoegde buitenlandse overheid met opgave van de redenen.
Ingeval de onderzoeksrechter de in § 6 bedoelde maatregel niet toestaat, deelt hij de buitenlandse overheid eveneens mee dat de verkregen gegevens moeten worden vernietigd zonder te kunnen worden gebruikt.)