Alle wetboeken › Sw. 2024

Boek II De gemeenrechtelijke misdrijven en hun straffen › Titel 3 Misdrijven tegen de persoon

Hoofdstuk 6 Misdrijven tegen de persoonlijke rust en de morele integriteit

231–248

Art. 231

Bedreiging met een aanslag op personen of op eigendommen

Bedreiging met een aanslag op personen of op eigendommen is het met welk middel ook opzettelijk veroorzaken van een ernstige vrees voor een aanslag op personen of op eigendommen die door de bedreigde persoon is gekend of minstens van zulke aard is geweest dat deze door hem had kunnen worden gekend.

Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 2 indien het een bedreiging betreft met een aanslag waarop een straf van niveau 4 tot 8 is gesteld. Betreft het een aanslag waarop een straf van niveau 2 of 3 is gesteld, wordt het misdrijf bestraft met een straf van niveau 1.

Art. 232

Verzwaarde bedreiging met een aanslag op personen of op eigendommen

Bedreiging met een aanslag op personen of op eigendommen onder een bevel of onder een voorwaarde wordt bestraft:

1°met een straf van niveau 3 indien het een bedreiging betreft met een aanslag waarop een straf van niveau 4 tot 8 is gesteld;

2°met een straf van niveau 2 indien het een bedreiging betreft met een aanslag waarop een straf van niveau 2 of 3 is gesteld.

Art. 233

Bedreiging met behulp van radioactief materiaal, kernmateriaal en biologische of chemische wapens

Bedreiging met behulp van radioactief materiaal, kernmateriaal en biologische of chemische wapens is:

1°met het oogmerk de dood van of ernstige letsels aan een persoon, dan wel aanzienlijke schade aan goederen of aan het milieu te veroorzaken, dreigen radioactief materiaal of radioactieve instrumenten te gebruiken of een gerichte handeling te begaan tegen een nucleaire installatie of de werking van zo'n installatie te verstoren;

2°met het oogmerk een natuurlijke persoon of een rechtspersoon, een internationale organisatie of een Staat te dwingen iets te doen of na te laten, dreigen diefstal van kernmateriaal te zullen plegen;

3°opzettelijk dreigen biologische of chemische wapens of producten te zullen gebruiken voor een aanslag op personen, op eigendommen, op rechtspersonen, op internationale organisaties of op een Staat.

Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 3.

Art. 234

Het geven van een vals bericht

Het geven van een vals bericht is het met welk middel ook opzettelijk geven van een vals bericht over het bestaan van gevaar voor een aanslag op personen of op eigendommen.

Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 2 indien het een bedreiging betreft met een aanslag waarop een straf van niveau 4 tot 8 is gesteld. Betreft het een aanslag waarop een straf van niveau 2 of 3 is gesteld, wordt het misdrijf bestraft met een straf van niveau 1.

Art. 235

Het verspreiden van ogenschijnlijk gevaarlijke stoffen

Het verspreiden van ogenschijnlijk gevaarlijke stoffen is het op om het even welke wijze opzettelijk verspreiden van stoffen die, zonder op zichzelf gevaar in te houden, de indruk geven gevaarlijk te zijn en waarvan men weet of moet weten dat hierdoor ernstige gevoelens van vrees kunnen worden teweeggebracht voor een aanslag op personen of op eigendommen waarop een straf van ten minste niveau 2 is gesteld.

Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 2.

Art. 236

Verzwarende factor

Bij de keuze van de straf of de maatregel en de zwaarte ervan voor een misdrijf omschreven in deze afdeling neemt de rechter in overweging dat het slachtoffer een minderjarige of een persoon in een kwetsbare toestand is en dat het misdrijf werd gepleegd omwille van culturele drijfveren, gewoontes, tradities, religie of de zogenaamde "eer".

Art. 237

Belaging

Belaging is het opzettelijk ernstig verstoren van de rust van een persoon zelfs al is het eenmalig of bestaat het uit een enkele handeling terwijl men wist of had moeten weten dat men door dit gedrag de rust van die bewuste persoon ernstig zou verstoren.

Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 2.

Art. 238

Verzwaarde belaging

Belaging wordt bestraft met een straf van niveau 3 indien:

1°het slachtoffer een minderjarige of een persoon in een kwetsbare toestand is;

2°het misdrijf werd gepleegd door een persoon die zich in een gezags- of vertrouwenspositie bevindt ten opzichte van het slachtoffer;

3°het misdrijf werd gepleegd door twee of meer personen.

Art. 239

Verzwarende factoren

Bij de keuze van de straf of de maatregel en de zwaarte ervan voor een misdrijf omschreven in deze afdeling neemt de rechter in overweging het feit dat:

1°het misdrijf erop gericht is een niet-consensuele seksuele handeling te stellen of te laten stellen op de persoon van het slachtoffer;

2°het misdrijf werd gepleegd in het bijzijn van een minderjarige;

3°het misdrijf werd gepleegd omwille van culturele drijfveren, gewoontes, tradities, religie of de zogenaamde "eer".

Art. 240

Laster

Laster is het in het openbaar met kwaadwillig opzet aan een persoon een bepaald feit ten laste leggen dat zijn eer kan krenken of hem aan de openbare verachting kan blootstellen.

Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 1.

Er is geen laster indien de van laster betichte persoon door enig middel geloofwaardig maakt dat het ten laste gelegde feit aannemelijk is. Dit kan niet wanneer de aantijging van een bepaald feit geschied is met het oogmerk om te schaden zonder enige reden van openbaar of privaat belang.

Art. 241

Schorsing vervolging wegens laster

Indien het ten laste gelegde feit het voorwerp is van een strafvervolging of een aangifte waarover nog geen uitspraak is gedaan, wordt de vordering wegens laster geschorst tot een in kracht van gewijsde getreden vonnis of arrest of tot de eindbeslissing van de bevoegde overheid.

Zo de strafvordering of de tuchtvordering met betrekking tot het ten laste gelegde feit vervallen is, wordt het betrokken dossier bij het dossier van het geding wegens laster gevoegd en wordt de vordering wegens laster hervat.

In geval van een beslissing van seponering of buitenvervolgingstelling betreffende de vordering met betrekking tot het ten laste gelegde feit, wordt de vordering wegens laster hervat, onverminderd een schorsing van deze vordering wanneer het onderzoek met betrekking tot het ten laste gelegde feit een nieuwe gerechtelijke ontwikkeling kent.

Art. 242

Lasterlijke aangifte

Lasterlijke aangifte is het met kwaadwillig opzet schriftelijk een lasterlijke aangifte indienen bij de overheid.

Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 1.

Art. 243

Lasterlijke aantijging tegen een ondergeschikte

Lasterlijke aantijging tegen een ondergeschikte is het met kwaadwillig opzet met welk middel ook melden aan een persoon van lasterlijke aantijgingen tegen zijn ondergeschikte.

Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 1.

Art. 244

Belediging

Belediging is het met kwaadwillig opzet en met welk middel ook in het openbaar beledigen van een bepaald persoon.

Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 1.

Art. 245

Verzwarende factor

Bij de keuze van de straf of de maatregel en de zwaarte ervan voor een misdrijf omschreven in deze afdeling neemt de rechter in overweging dat het slachtoffer een minderjarige of een persoon in een kwetsbare toestand is.

Art. 246

Bijzondere grond van onschendbaarheid

Vóór de rechtbank gesproken woorden of aan de rechtbank overlegde geschriften, geven geen aanleiding tot strafvervolging wanneer die woorden of die geschriften op de zaak of op de partijen betrekking hebben.

Lasterlijke of beledigende tenlasteleggingen die aan de zaak of aan de partijen vreemd zijn, kunnen aanleiding geven hetzij tot een strafvordering hetzij tot burgerlijke rechtsvordering van de partijen of van derden.

Art. 247

Smaad

Smaad is het met het oogmerk de beschermde persoon belachelijk te maken, smaden door daden, woorden, gebaren of bedreigingen van een minister of staatssecretaris, een parlementslid, een magistraat, een juridisch medewerker van een rechtscollege of het openbaar ministerie, een persoon met een openbare functie, een getuige, een jurylid, een bedienaar van de eredienst of een voorganger in plechtigheden van een niet-confessionele levensbeschouwing, indien het misdrijf is gepleegd naar aanleiding van de uitoefening van deze functie.

Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 1.

Art. 248

Bij de keuze van de straf of de maatregel en de zwaarte ervan voor een misdrijf omschreven in deze afdeling neemt de rechter het feit dat het misdrijf werd gepleegd in een wetgevende vergadering of op de terechtzitting van een hof of van een rechtbank in overweging.