Alle wetboeken › Sw. 2024

Boek II De gemeenrechtelijke misdrijven en hun straffen

Titel I Ernstige schendingen van het internationaal humanitair recht

82–93

Art. 82

Misdaad van genocide

De misdaad van genocide, zoals hierna omschreven, gepleegd zowel in vredes- als in oorlogstijd, is een internationaalrechtelijke misdaad en wordt bestraft volgens de bepalingen van deze titel. In overeenstemming met het Internationaal Verdrag van 9 december 1948 inzake de voorkoming en de bestraffing van genocide, en onverminderd de strafrechtelijke bepalingen die van toepassing zijn op misdrijven door nalatigheid, wordt onder de misdaad van genocide verstaan een van de volgende handelingen, gepleegd met het oogmerk om, geheel of gedeeltelijk, een nationale, etnische of godsdienstige groep of rassengroep uit te roeien, en wel door het:

1°doden van leden van de groep;

2°toebrengen van ernstig lichamelijk of geestelijk letsel aan leden van de groep;

3°opzettelijk aan de groep opleggen van levensvoorwaarden bedoeld om de lichamelijke vernietiging van de gehele groep of van een gedeelte ervan te veroorzaken;

4°opleggen van maatregelen bedoeld om geboorten binnen de groep te voorkomen;

5°gewelddadig overbrengen van kinderen van een groep naar een andere groep.

Deze misdaad wordt bestraft met een straf van niveau 8.

Art. 83

Misdaad tegen de mensheid

De misdaad tegen de mensheid, zoals hierna omschreven, gepleegd zowel in vredes- als in oorlogstijd, is een internationaalrechtelijke misdaad en wordt bestraft volgens de bepalingen van deze titel. In overeenstemming met het Statuut van het Internationaal Strafhof wordt onder misdaad tegen de mensheid verstaan een van de volgende opzettelijke handelingen gepleegd in het kader van een veralgemeende of stelselmatige aanval op de burgerbevolking en met kennis van bedoelde aanval:

1°doodslag;

2°uitroeiing;

3°verlaging tot slavernij;

4°gedwongen deportatie of overbrenging van bevolking;

5°gevangenneming of elke andere vorm van ernstige beroving van de lichamelijke vrijheid met schending van de fundamentele bepalingen van het internationaal recht;

6°foltering;

7°verkrachting, seksuele slavernij, gedwongen prostitutie, gedwongen zwangerschap, gedwongen sterilisatie en elke andere vorm van seksueel geweld met een vergelijk-bare ernst;

8°vervolging van enige groep of van enige identificeerbare collectiviteit wegens politieke, raciale, nationale, etnische, culturele, godsdienstige of seksistische redenen of wegens andere universeel als onaanvaardbaar erkende criteria voor het internationaal recht, in samenhang met iedere handeling bedoeld in de artikelen 82 en 84 tot 88;

9°gedwongen verdwijningen van personen;

10°apartheid;

11°andere onmenselijke handelingen van vergelijkbare aard waardoor opzettelijk ernstig lijden of ernstig lichamelijk letsel of schade aan de geestelijke of lichamelijke gezondheid wordt veroorzaakt.

Deze misdaad wordt bestraft met een straf van niveau 8.

Art. 84

Oorlogsmisdaden

De oorlogsmisdaden zijn internationaalrechtelijke misdaden en worden overeenkomstig de bepalingen van deze titel bestraft, onverminderd de strafbepalingen die van toepassing zijn op de uit nalatigheid gepleegde misdrijven.

Zij worden onderverdeeld in vier categorieën op grond van de straf die erop van toepassing is.

Art. 85

Oorlogsmisdaden van categorie 1

De oorlogsmisdaden van categorie 1 zijn:

1°de oorlogsmisdaden bedoeld in de Verdragen van Genève van 12 augustus 1949 en in het Eerste en het Tweede Aanvullend Protocol bij die Verdragen, aangenomen te Genève op 8 juni 1977, in de wetten en gebruiken die gelden in geval van gewapende conflicten, zoals omschreven in artikel 2 van de Verdragen van Genève van 12 augustus 1949, in artikel 1 van het Eerste en het Tweede Aanvullend Protocol bij die Verdragen, aangenomen te Genève op 8 juni 1977, alsook in artikel 8, § 2, f), van het Statuut van het Internationaal Strafhof, wanneer die opzettelijke misdaden door handelingen of nalatigheden inbreuk maken op de bescherming die aan de personen en de goederen is gewaarborgd door voornoemde Verdragen, Protocollen, wetten en gewoonten:

a)doodslag;

b)foltering of andere onmenselijke behandeling, met inbegrip van biologische experimenten;

c)opzettelijk richten van aanvallen op gebouwen, materieel, medische eenheden en transporten, alsmede op personeel dat overeenkomstig het internationaal recht gebruik maakt van de emblemen van het internationaal humanitair recht;

d)opzettelijk richten van aanvallen op personeel, installaties, materieel, eenheden of voertuigen betrokken bij humanitaire opdrachten of vredesmissies overeenkomstig het Handvest van de Verenigde Naties, voor zover deze recht hebben op de bescherming die aan burgers of goederen van burgerlijke aard wordt verleend krachtens het internationaal recht inzake gewapende conflicten;

e)opzettelijk aanvallen van de burgerbevolking of van individuele burgers die niet rechtstreeks deelnemen aan de vijandelijkheden;

f)opzettelijk richten van aanvallen op plaatsen waar zieken en gewonden worden samengebracht, voor zover deze plaatsen geen militaire doelen zijn;

g)opzettelijk richten van een aanval in de wetenschap dat een dergelijke aanval verliezen aan mensenlevens, verwondingen van burgers of schade aan goederen van burgerlijke aard zal veroorzaken of grote, langdurige en ernstige schade aan natuur en milieu zal aanrichten, die buitensporig is in verhouding tot het te verwachten concrete en rechtstreeks militaire voordeel, onverminderd het misdadig karakter van de aanval waarvan de schadelijke gevolgen, zelfs in evenredigheid tot het te verwachten militaire voordeel, onverenigbaar zouden zijn met de beginselen van het volkenrecht die voortvloeien uit de gevestigde gebruiken, de beginselen van menselijkheid en de eisen van het collectieve rechtsbewustzijn;

h)uitvoeren van een aanval op werken of installaties die gevaarlijke krachten bevatten, in de wetenschap dat een dergelijke aanval verliezen aan mensenlevens, verwondingen van burgers of schade aan goederen van burgerlijke aard zal veroorzaken, die buitensporig is in verhouding tot het te verwachten concrete en rechtstreeks militaire voordeel, onverminderd het misdadig karakter van de aanval waarvan de schadelijke gevolgen, zelfs in evenredigheid tot het te verwachten militaire voordeel, onverenigbaar zouden zijn met de beginselen van het volkenrecht die voortvloeien uit de gevestigde gebruiken, de beginselen van menselijkheid en de eisen van het collectieve rechtsbewustzijn;

i)aanvallen of bombarderen met wat voor middelen ook van gedemilitariseerde zones of van steden, dorpen, woningen of gebouwen, die niet worden verdedigd en geen militaire doelen zijn;

j)aanvallen van een persoon in de wetenschap dat hij buiten gevecht verkeert, op voorwaarde dat zulks de dood of ernstig lichamelijk letsel ten gevolge heeft;

k)op verraderlijke wijze doden of verwonden van personen die behoren tot de vijandige natie of het vijandige leger of van een vijandelijke strijder;

l)verklaren dat geen kwartier zal worden verleend;

2°de ernstige schendingen van het gemeenschappelijk artikel 3 van de Verdragen van Genève van 12 augustus 1949, gepleegd in geval van een gewapend conflict zoals gedefinieerd in voornoemd artikel 3, bestaande uit inbreuken gericht tegen het leven en de lichamelijk integriteit inzonderheid alle vormen van doodslag, verminkingen, wrede behandeling en foltering, wanneer die opzettelijke schendingen door handelingen of nalatigheden inbreuk maken op de bescherming die aan personen is gewaarborgd door die Verdragen.

Deze misdrijven worden bestraft met een straf van niveau 8.

Art. 86

Oorlogsmisdaden van categorie 2

§ 1.De oorlogsmisdaden van categorie 2 zijn de oorlogsmisdaden bedoeld in de Verdragen van Genève van 12 augustus 1949 en in het Eerste en het Tweede Aanvullend Protocol bij die Verdragen, aangenomen te Genève op 8 juni 1977, in de wetten en gebruiken die gelden in geval van gewapende conflicten, zoals omschreven in artikel 2 van de Verdragen van Genève van 12 augustus 1949, in artikel 1 van het Eerste en het Tweede Aanvullend Protocol bij die Verdragen, aangenomen te Genève op 8 juni 1977, alsook in artikel 8, § 2, f), van het Statuut van het Internationaal Strafhof, wanneer die opzettelijke misdaden door handelingen of nalatigheden inbreuk maken op de bescherming die aan de personen en de goederen is gewaarborgd door voornoemde Verdragen, Protocollen, wetten en gewoonten:

a)moedwillig veroorzaken van hevig lijden of toebrengen van ernstig lichamelijk letsel dan wel van ernstige schade aan de gezondheid;

b)verkrachting, seksuele slavernij, gedwongen prostitutie, gedwongen zwangerschap, gedwongen sterilisatie en elke andere vorm van seksueel geweld, die een ernstige schending van de Verdragen van Genève of een ernstige schending van het gemeenschappelijke artikel 3 van die Verdragen oplevert;

c)opzettelijk gebruik maken van uithongering van burgers als methode van oorlogvoering door hun voorwerpen te onthouden die onontbeerlijk zijn voor hun overleving, daaronder begrepen het opzettelijk belemmeren van de aanvoer van hulpgoederen waarin is voorzien in de Verdragen van Genève;

d)gebruik maken van de aanwezigheid van een burger of van een andere persoon beschermd door het internationaal humanitair recht teneinde bepaalde punten, gebieden of strijdkrachten te vrijwaren van militaire operaties;

e)behalve als ze gerechtvaardigd zijn of gerechtvaardigd zijn door de gezondheidstoestand van die personen of in overeenstemming zijn met de algemeen aanvaarde geneeskundige normen, de handelingen die erin bestaan aan de personen beschermd door het internationaal humanitair recht, zelfs met hun toestemming, lichamelijke verminkingen toe te brengen, op hen geneeskundige of wetenschappelijke experimenten uit te voeren of bij hen weefsels of organen weg te nemen voor transplantatie, tenzij het gaat om het geven van bloed voor transfusie of het afstaan van huid voor transplantatie, mits zulks vrijwillig en zonder enige dwang of overreding en voor therapeutische doeleinden geschiedt;

f)gebruiken van gif of giftige wapens;

g)gebruiken van verstikkende, giftige of andere gassen en soortgelijke vloeistoffen, materialen of apparaten;

h)gebruiken van kogels die in het menselijk lichaam gemakkelijk in omvang toenemen of platter en breder worden, zoals kogels met een harde mantel die de kern gedeeltelijk onbedekt laat of die is voorzien van inkepingen;

i)gebruiken van wapens, projectielen, materieel en wijzen van oorlogvoering die van die aard zijn om overbodig letsel of nodeloos lijden te veroorzaken of zonder onderscheid te treffen in strijd met het internationaal recht inzake gewapende conflicten, voor zover dergelijke wapens, projectielen, materieel en wijzen van oorlogvoering vallen onder een algemeen verbod en zijn opgenomen in een bijlage bij het Statuut van het Internationaal Strafhof;

j)perfide gebruik van het embleem van het rode kruis of de rode halve maan of van andere beschermende emblemen erkend door het internationaal humanitair recht, op voorwaarde dat zulks een integriteitsaantasting van de derde graad tot gevolg heeft;

k)op ongepaste wijze gebruik maken van een witte vlag, een vlag of de militaire onderscheidingstekens en het uniform van de vijand of van de Verenigde Naties, op voorwaarde dat zulks een integriteitsaantasting van de derde graad tot gevolg heeft;

l)gebruiken van wapens die werken met microbiologische of andere biologische agentia of toxines, ongeacht hun oorsprong of wijze van vervaardiging;

m)gebruiken van wapens waarvan de voornaamste uitwerking is dat ze een letsel toebrengen door middel van deeltjes die niet met röntgenstralen in het menselijk lichaam kunnen worden ontdekt;

n)gebruiken van laserwapens die dusdanig zijn ontworpen dat zij in de strijd worden ingezet met als enig doel of onder meer als doel blijvende blindheid te veroorzaken bij personen zonder geassisteerd zicht, met andere woorden personen die met het blote oog kijken of corrigerende lenzen dragen.

Deze misdrijven worden bestraft met een straf van niveau 7.

§ 2.De misdrijven bedoeld in paragraaf 1 worden bestraft met een straf van niveau 8 indien zij hebben geleid tot de dood van een of meerdere personen.

Art. 87

Oorlogsmisdaden van categorie 3

§ 1.De oorlogsmisdaden van categorie 3 zijn:

1°de oorlogsmisdaden bedoeld in de Verdragen van Genève van 12 augustus 1949 en in het Eerste en het Tweede Aanvullend Protocol bij die Verdragen, aangenomen te Genève op 8 juni 1977, in de wetten en gebruiken die gelden in geval van gewapende conflicten, zoals omschreven in artikel 2 van de Verdragen van Genève van 12 augustus 1949, in artikel 1 van het Eerste en het Tweede Aanvullend Protocol bij die Verdragen, aangenomen te Genève op 8 juni 1977, alsook in artikel 8, § 2, f), van het Statuut van het Internationaal Strafhof, wanneer die opzettelijke misdaden door handelingen of nalatigheden inbreuk maken op de bescherming die aan de personen en de goederen is gewaarborgd door voornoemde Verdragen, Protocollen, wetten en gewoonten:

a)vernietigen of in beslag nemen van eigendommen van de vijand in geval van een internationaal gewapend conflict, of van een tegenstander in geval van een gewapend conflict dat niet van internationale aard is, tenzij deze vernietiging of inbeslagneming dringend vereist is als gevolg van dwingende militaire noodzaak;

b)vernieling en de toe-eigening van goederen, niet gerechtvaardigd door militaire noodzaak zoals aanvaard in het volkenrecht en uitgevoerd op grote schaal en op onrechtmatige en willekeurige wijze;

c)opzettelijk richten van aanvallen op burgerdoelen, die geen militaire doelen zijn;

d)plunderen van een stad of plaats, ook wanneer deze bij een aanval wordt ingenomen;

2°de ernstige schendingen gedefinieerd in artikel 15 van het Tweede Protocol inzake het Verdrag van `s-Gravenhage van 1954 inzake de bescherming van culturele goederen in geval van een gewapend conflict, goedgekeurd te `s-Gravenhage op 26 maart 1999, gepleegd in geval van een gewapend conflict zoals omschreven in artikel 18, §§ 1 en 2, van het Verdrag van `s-Gravenhage van 1954 en in artikel 22 van voornoemd Tweede Protocol, wanneer deze schendingen opzettelijk, door handelingen of nalatigheden inbreuk maken op de bescherming die aan goederen is gewaarborgd door dit Verdrag en Protocol:

a)een aanval richten op een cultureel goed onder versterkte bescherming;

b)een cultureel goed onder versterkte bescherming of de onmiddellijke omgeving ervan aanwenden ter ondersteuning van een militaire actie;

c)de door het Verdrag en het Tweede Protocol beschermde culturele goederen op grote schaal vernietigen of zich toe-eigenen;

d)een aanval richten op een cultureel goed beschermd door het Verdrag en het Tweede Protocol;

e)de diefstal, de plundering of de verduistering van culturele goederen beschermd door het Verdrag en daden van vandalisme tegen de culturele goederen beschermd door het Verdrag.

Deze misdrijven worden bestraft met een straf van niveau 5.

§ 2.De misdrijven bedoeld in paragraaf 1, 1°, worden bestraft met een straf van niveau 7 indien zij een integriteitsaantasting van de derde graad tot gevolg hebben.

§ 3.De misdrijven bedoeld in paragraaf 1, 1°, worden bestraft met een straf van niveau 8 indien zij hebben geleid tot de dood van een of meerdere personen.

Art. 88

Oorlogsmisdaden van categorie 4

§ 1.De oorlogsmisdaden van categorie 4 zijn:

1°de oorlogsmisdaden bedoeld in de Verdragen van Genève van 12 augustus 1949 en in het Eerste en het Tweede Aanvullend Protocol bij die Verdragen, aangenomen te Genève op 8 juni 1977, in de wetten en gebruiken die gelden in geval van gewapende conflicten, zoals omschreven in artikel 2 van de Verdragen van Genève van 12 augustus 1949, in artikel 1 van het Eerste en het Tweede Aanvullend Protocol bij die Verdragen, aangenomen te Genève op 8 juni 1977, alsook in artikel 8, § 2, f), van het Statuut van het Internationaal Strafhof, wanneer die opzettelijke misdaden door handelingen of nalatigheden inbreuk maken op de bescherming die aan de personen en de goederen is gewaarborgd door voornoemde Verdragen, Protocollen, wetten en gewoonten:

a)dwingen van een krijgsgevangene, van een burger die beschermd wordt door het Verdrag betreffende de bescherming van burgers in oorlogstijd of van een persoon die in hetzelfde opzicht beschermd wordt door het Eerste en het Tweede Aanvullend Protocol bij de Verdragen van Genève van 12 augustus 1949, om te dienen bij de strijdkrachten of bij gewapende groepen van de vijandelijke mogendheid of van de tegenpartij;

b)onder de wapenen roepen of het in militaire dienst nemen van kinderen beneden de leeftijd van vijftien jaar bij de strijdkrachten of gewapende groepen of hen gebruiken voor actieve deelname aan vijandelijkheden;

c)onthouden aan een krijgsgevangene, aan een burger die beschermd wordt door het Verdrag betreffende de bescherming van burgers in oorlogstijd of aan een persoon die in hetzelfde opzicht beschermd wordt door het Eerste en het Tweede Aanvullend Protocol bij de Verdragen van Genève van 12 augustus 1949, van het recht op een regelmatige en onpartijdige berechting overeenkomstig de voorschriften van die bepalingen;

d)onrechtmatige deportatie, overbrenging of verplaatsing, de onrechtmatige gevangenhouding van een burger die beschermd wordt door het Verdrag betreffende de bescherming van burgers in oorlogstijd of van een persoon die in dezelfde opzichten beschermd wordt door het Eerste en het Tweede Aanvullend Protocol bij de Verdragen van Genève van 12 augustus 1949;

e)nemen van gijzelaars;

f)rechtstreeks of onrechtstreeks overbrengen naar een bezet gebied van gedeelten van de burgerbevolking van de bezettende mogendheid in geval van een internationaal gewapend conflict, of van gedeelten van de burgerbevolking van de bezettende autoriteit in geval van een niet-internationaal gewapend conflict;

g)andere schendingen van de persoonlijke waardigheid, in het bijzonder vernederende en onterende behandeling;

h)ongerechtvaardigd vertragen van de repatriëring van krijgsgevangenen of burgers;

i)aanwenden van praktijken van apartheid of van andere onmenselijke of onterende praktijken, die op rassendiscriminatie gebaseerd zijn en een aanval op de menselijke waardigheid vormen;

j)aanvallen van duidelijk als zodanig herkenbare historische monumenten, kunstwerken of plaatsen van eredienst die het culturele of spirituele erfgoed van de volkeren vormen en waaraan bijzondere bescherming is verleend door een speciale regeling, wanneer er geen bewijs bestaat van schending door de tegenpartij van het verbod die goederen te gebruiken om het militaire optreden te ondersteunen, en wanneer die goederen niet in de onmiddellijke nabijheid van militaire doelen zijn gelegen;

k)opzettelijk richten van aanvallen op gebouwen gewijd aan godsdienst, onderwijs, kunst, wetenschap of caritatieve doeleinden, historische monumenten of ziekenhuizen, voor zover deze geen militaire doelen zijn;

l)onrechtmatige handelingen en nalatigheden, niet wettelijk gerechtvaardigd, die de gezondheid en de fysieke of psychische integriteit van de personen beschermd door het internationaal humanitair recht in gevaar kunnen brengen, in het bijzonder alle geneeskundige handelingen die niet gerechtvaardigd zijn door de gezondheidstoestand van die personen of niet in overeenstemming zijn met de algemeen aanvaarde geneeskundige normen;

m)gerechtelijk vervallen verklaren, schorsen of niet-ontvankelijk verklaren van de rechten en handelingen van de personen die tot de vijandige partij behoren;

2°de hierna beschreven ernstige schendingen van het gemeenschappelijk artikel 3 van de Verdragen van Genève van 12 augustus 1949, gepleegd in geval van een gewapend conflict zoals gedefinieerd in voornoemd artikel 3, wanneer deze schendingen opzettelijk, door handelingen of nalatigheden inbreuk maken op de bescherming die aan personen is gewaarborgd door die Verdragen:

a)aantasting van de persoonlijke waardigheid, inzonderheid vernederende en onterende behandeling;

b)uitspreken van veroordelingen en ten uitvoer leggen van executies zonder voorafgaand vonnis uitgesproken door een op regelmatige wijze samengesteld rechtscollege dat alle gerechtelijke waarborgen biedt die algemeen als onmisbaar worden erkend;

c)nemen van gijzelaars.

Deze misdrijven worden bestraft met een straf van niveau 4, onverminderd, voor de misdrijven gedefinieerd onder 1°, g) tot k), en 2°, de toepassing van de strengere strafbepalingen tot bestraffing van ernstige schendingen van de waardigheid van de persoon.

§ 2.Het misdrijf bedoeld in paragraaf 1, 1°, l), wordt bestraft met een straf van niveau 5 indien het heeft geleid tot ernstige gevolgen voor de volksgezondheid.

§ 3.De misdrijven bedoeld in paragraaf 1, 1°, a) tot f), en in paragraaf 1, 2°, c), worden bestraft met een straf van niveau 7 indien zij een integriteitsaantasting van de derde graad tot gevolg hebben.

§ 4.De misdrijven bedoeld in paragraaf 1, 1°, a) tot f), en in paragraaf 1, 2°, c), worden bestraft met een straf van niveau 8 indien zij hebben geleid tot de dood van een of meerdere personen.

Art. 89

Gedwongen verdwijning die geen misdaad tegen de mensheid vormt

§ 1.De gedwongen verdwijning die geen misdaad tegen de mensheid vormt is de opzettelijke arrestatie, gevangenhouding, ontvoering of elke andere vorm van opzettelijke vrijheidsontneming door vertegenwoordigers van de staat of door personen of groepen personen die optreden met de machtiging of steun van of bewilliging door de staat, gevolgd door een weigering een dergelijke vrijheidsontneming te erkennen of door verhulling van het feit zelf of van de verblijfplaats van de verdwenen persoon, waardoor deze buiten de bescherming van de wet geplaatst wordt.

Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 6.

...

§ 2.De gedwongen verdwijning die geen misdaad tegen de mensheid vormt wordt bestraft met een straf van niveau 7:

1°indien het misdrijf de dood heeft veroorzaakt;

2°indien de persoon wiens vrijheid werd ontnomen, werd onderworpen aan foltering;

3°ingeval het misdrijf werd gepleegd jegens een minderjarige of een persoon in een kwetsbare toestand.

Art. 90

Voorbereidende handelingen

Zij die opzettelijk een werktuig, een toestel of enig voorwerp voortbrengen, onder zich houden of vervoeren, een bouwwerk oprichten of een bestaand bouwwerk veranderen, in de wetenschap dat het werktuig, het toestel, het voorwerp, het bouwwerk of de verandering bestemd is om een van de in deze titel genoemde misdrijven te plegen of het plegen ervan te vergemakkelijken, worden gestraft met de straf bepaald voor het misdrijf waarvan zij het plegen hebben mogelijk gemaakt of vergemakkelijkt.

Art. 91

Strafbare poging

De poging om een van de in deze titel bedoelde misdrijven te plegen wordt bestraft met dezelfde straf als het voltooide misdrijf.

Art. 92

Strafbare deelneming en aansprakelijkheid van de meerdere

Worden met de op het voltooide misdrijf gestelde straf bestraft:

1°het bevel, zelfs zonder dat dit gevolgen heeft gehad, om een van de misdrijven bedoeld in de voorgaande artikelen van deze titel te plegen;

2°het voorstel of het aanbod om een dergelijk misdrijf te plegen en het aanvaarden van zulk een voorstel of aanbod;

3°het aanzetten tot het plegen van een dergelijk misdrijf, zelfs zonder dat dit gevolgen heeft gehad;

4°de deelneming in de zin van artikel 19 aan een dergelijk misdrijf, zelfs zonder dat dit gevolgen heeft gehad;

5°het verzuim gebruik te maken van de mogelijkheid tot handelen vanwege hen die kennis hebben van bevelen, gegeven met het oog op de uitvoering van een dergelijk misdrijf, of van feiten die een begin van uitvoering hiervan vormen, ofschoon zij de voltooiing ervan konden verhinderen of konden doen ophouden.

Art. 93

Uitsluiting van de rechtvaardiging en verschoning

§ 1.Onverminderd de in artikel 85, 1°, g) en h), en artikel 88, § 1, 1°, l), genoemde uitzonderingen kan geen enkel belang, geen enkele noodzaak van politieke, militaire of nationale aard de in deze titel omschreven misdrijven, zelfs bij wijze van represaille gepleegd, rechtvaardigen.

§ 2.Het feit dat de betrokkene heeft gehandeld op bevel van zijn regering of van een meerdere, ontslaat hem niet van zijn verantwoordelijkheid indien, in de gegeven omstandigheden, het bevel duidelijk het plegen van een van de misdrijven bedoeld in deze titel ten gevolge kon hebben.