Alle wetboeken › Sw. 2024

Boek II De gemeenrechtelijke misdrijven en hun straffen › Titel 3 Misdrijven tegen de persoon

Hoofdstuk 5 Misdrijven tegen de persoonlijke vrijheid

219–230

Art. 219

Vrijheidsberoving

De vrijheidsberoving is elke opzettelijk gestelde gedraging waardoor men een persoon wederrechtelijk zijn vrijheid van komen en gaan ontneemt of onthoudt door hem te overmeesteren, op te sluiten of enige andere hindernis op te werpen.

Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 3.

Art. 220

Vrijheidsberoving gepleegd op een minderjarige of een persoon in een kwetsbare toestand

De vrijheidsberoving gepleegd op een minderjarige of een persoon in een kwetsbare toestand wordt bestraft met een straf van niveau 4.

Art. 221

Vrijheidsberoving met een integriteitsaantasting van de derde graad tot gevolg

De vrijheidsberoving die een integriteitsaantasting van de derde graad tot gevolg heeft, wordt bestraft met een straf van niveau 4.

Art. 222

Vrijheidsberoving met de dood tot gevolg

De vrijheidsberoving die de dood tot gevolg heeft, zonder dat de dader handelde met het oogmerk te doden, wordt bestraft met een straf van niveau 5.

Art. 223

Ontvoering

Ontvoering is elke opzettelijk gestelde gedraging waardoor men een minderjarige of een persoon in een kwetsbare toestand onttrekt of onttrokken houdt aan het gezag dat over hem wordt uitgeoefend door de personen belast met de bewaring ervan of die op regelmatige wijze het feitelijke gezag over de minderjarige of persoon in een kwetsbare toestand uitoefenen. Behoudens indien het slachtoffer een minderjarige beneden de leeftijd van twaalf jaar of een persoon in een kwetsbare toestand is, is de ontvoering slechts strafbaar indien hierbij gebruik werd gemaakt van geweld, bedreiging of list.

Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 4.

Art. 224

Ontvoering met een integriteitsaantasting van de derde graad tot gevolg

De ontvoering die een integriteitsaantasting van de derde graad tot gevolg heeft, wordt bestraft met een straf van niveau 5.

Art. 225

Ontvoering met de dood tot gevolg

De ontvoering die de dood tot gevolg heeft, zonder dat de dader handelde met het oogmerk te doden, wordt bestraft met een straf van niveau 6.

Art. 226

Gijzeling

Gijzeling is de vrijheidsberoving of ontvoering gepleegd met het oogmerk het slachtoffer borg te doen staan voor de voldoening aan een bevel of voorwaarde.

Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 5.

Art. 227

Verzwaarde gijzeling

De gijzeling wordt bestraft met een straf van niveau 6 indien:

1°het slachtoffer een minderjarige of een persoon in een kwetsbare toestand is;

2°de feiten een integriteitsaantasting van de derde graad tot gevolg hebben;

3°het slachtoffer werd onderworpen aan foltering.

Art. 228

Gijzeling met de dood tot gevolg

De gijzeling die de dood tot gevolg heeft, zonder dat de dader handelde met het oogmerk te doden, wordt bestraft met een straf van niveau 7.

Art. 229

Strafverminderende verschoningsgrond

De dader die het slachtoffer vrijwillig vrijlaat of terugbrengt onder het gezag dat over hem wordt uitgeoefend binnen de vijf dagen na aanvang van de vrijheidsberoving, ontvoering of gijzeling, wordt bestraft met een straf van het onmiddellijk lagere niveau. Deze strafvermindering is niet van toepassing indien de feiten een integriteitsaantasting van de derde graad of de dood tot gevolg hebben gehad. In geval van gijzeling geldt deze strafvermindering bovendien slechts voor zover niet aan het bevel of de voorwaarde werd voldaan en het slachtoffer niet aan foltering werd onderworpen.

Art. 230

Verzwarende factoren

Bij de keuze van de straf of de maatregel en de zwaarte ervan voor een misdrijf omschreven in dit hoofdstuk neemt de rechter de volgende omstandigheden in overweging:

1°het feit dat de dader het misdrijf heeft gepleegd door zich te beroepen op een vals bevel van het openbaar gezag of door gebruik te maken van de kledij, herkenningstekens, de naam of hoedanigheid van een agent van het openbaar gezag;

2°het feit dat de dader het slachtoffer met de dood heeft bedreigd;

3°het feit dat het misdrijf werd gepleegd door een persoon met een openbare functie, in het kader van de uitoefening van deze functie;

4°het feit dat het misdrijf werd gepleegd omwille van culturele drijfveren, gewoontes, tradities, religie of de zogenaamde "eer".