Alle wetboeken › Sv.

BOEK I De gerechtelijke politie en de officieren die ze uitoefenen (art. 8–136ter)

§ 7 DNA-ONDERZOEK.

90undecies–90duodecies

Art. 90undecies

§ 1.Onverminderd de toepassing van artikel 56, § 1, derde lid, van dit Wetboek, kan de onderzoeksrechter bevelen dat een referentiestaal onder dwang wordt afgenomen van een persoon tegen wie er aanwijzingen van schuld bestaan bij het plegen van feiten die bij hem aanhangig zijn, indien de feiten strafbaar zijn met een straf van niveau 3 of met een zwaardere straf.

In zijn met redenen omklede beschikking die hij meedeelt aan de procureur des Konings, vermeldt de onderzoeksrechter:

1°de omstandigheden van de zaak in het kader waarvan de afname wordt bevolen;

2°het bestaan van aanwijzingen van zijn schuld bij het plegen van feiten die bij hem aanhangig zijn;

3°de noodzaak om dwang te gebruiken;

4°in voorkomend geval, de vergelijking van het DNA-profiel met de DNA-profielen van de in het kader van die zaak aangetroffen sporen;

5°de eenmalige vergelijking van het DNA-profiel met de in de nationale DNA-gegevensbanken opgeslagen DNA-profielen;

6°in geval van een positief verband met een van de profielen bedoeld in de 4° of 5°, het opslaan van zijn DNA-profiel in de DNA-gegevensbank " Criminalistiek ";

7°in geval van het opslaan van het DNA-profiel, de systematische vergelijking van zijn DNA-profiel met de DNA-profielen opgeslagen in de nationale, buitenlandse en internationale DNA-gegevensbanken;

8°in geval van een positief verband met een van de profielen bedoeld in het 7°, het opslaan van dit verband;

9°het systematisch opstellen en vergelijken van zijn Y-STR-profiel, wanneer er ernstige aanwijzingen zijn dat de strafbare feiten een misdrijf uitmaken als bedoeld in artikel 5, § 1, derde lid, 8°, van de wet van 22 maart 1999 betreffende de identificatieprocedure via DNA-onderzoek in strafzaken.

De onderzoeksrechter hoort vooraleer hij de afname onder dwang beveelt, de persoon die er het voorwerp van moet uitmaken, en stelt hem in kennis van de bepalingen onder 1° tot 9° opgesomd in het tweede lid.

Van de redenen van de eventuele weigering van de afname of van de instemming van de betrokkene met die maatregel, wordt door de onderzoeksrechter melding gemaakt in het proces-verbaal van verhoor.

§ 2.De onderzoeksrechter vordert een officier van gerechtelijke politie, hulpofficier van de procureur des Konings, of een arts om een hoeveelheid wangslijmvlies of haarwortels af te nemen.

Voor het afnemen van bloed kan hij alleen een arts vorderen.

Van de afname wordt een proces-verbaal opgesteld door de officier van gerechtelijke politie, hulpofficier van de procureur des Konings.

Indien de maatregel onder fysieke dwang moet worden uitgevoerd, wordt die dwang uitgeoefend door politieambtenaren onder het bevel van een officier van gerechtelijke politie, hulpofficier van de procureur des Konings. In dat geval is de bloedafname verboden.

§ 3.Indien de in § 1 bedoelde persoon de leeftijd van achttien jaar niet heeft bereikt, dan dient hij zich voor de toepassing van de §§ 1 en 2 te laten begeleiden door minstens een van zijn ouders, door een advocaat of door een ander meerderjarige persoon van zijn keuze.

§ 4.De onderzoeksrechter wijst een deskundige verbonden aan een laboratorium aan om:

1°het DNA-profiel van het referentiestaal op te stellen;

2°in voorkomend geval, de vergelijking van dat DNA-profiel met de DNA-profielen van de in het kader van die zaak aangetroffen sporen uit te voeren;

3°het Y-STR-profiel van het referentiestaal op te stellen, wanneer er ernstige aanwijzingen zijn dat de strafbare feiten een misdrijf uitmaken als bedoeld in artikel 5, § 1, derde lid, 8°, van de wet van 22 maart 1999 betreffende de identificatieprocedure via DNA-onderzoek in strafzaken;

4°in voorkomend geval, de vergelijking van dat Y-STR-profiel met de DNA-profielen van de in het kader van die zaak aangetroffen sporen uit te voeren.

§ 4/1.De onderzoeksrechter kan, bij een met redenen omklede beslissing en met specificatie van de omstandigheden van het dossier die deze analyse verantwoorden, de deskundige bedoeld in paragraaf 4 vorderen om:

1°het Y-STR-profiel of het mtDNA-profiel op te stellen van het referentiestaal;

2°in voorkomend geval, de vergelijking van dat Y-STR-profiel of mtDNA-profiel met de DNA-profielen van de in het kader van die zaak aangetroffen sporen uit te voeren.

§ 5.De deskundige zendt een met redenen omkleed verslag over de uitvoering van zijn opdracht over aan de onderzoeksrechter binnen een maximumtermijn van een maand na de ontvangst van zijn opdracht en van de overtuigingsstukken.

De onderzoeksrechter kan evenwel een bijkomende onderzoekstermijn toestaan op een met redenen omkleed verzoek van de deskundige.

§ 6.Behoudens een met redenen omklede andersluidende beslissing van de onderzoeksrechter, zendt de deskundige die de opdracht heeft gekregen om het DNA-profiel van het referentiestaal op te stellen in toepassing van paragraaf 4, 1° en 3°, en van paragraaf 4/1, 1°, ambtshalve het DNA-profiel binnen vijftien dagen na de overzending van zijn verslag door aan de beheerder van de nationale DNA-gegevensbanken met het oog op de toepassing van artikel 5quater, §§ 2 tot 4, van de wet van 22 maart 1999 betreffende de identificatieprocedure via DNA-onderzoek in strafzaken.

Hij zendt eveneens de erop betrekking hebbende gegevens opgesomd in artikel 44quater, § 3, tweede lid, over.

§ 7.Onverminderd § 6, en behoudens een met redenen omklede andersluidende beslissing van de onderzoeksrechter, zendt de deskundige die de opdracht heeft gekregen om de in paragraaf 4, 2° en 4°, en paragraaf 4/1, 2° bedoelde vergelijking te maken en die een positief verband heeft aangetoond, ambtshalve het DNA-profiel van het referentiestaal binnen vijftien dagen na de overzending van zijn verslag, over aan de beheerder van de nationale DNA-gegevensbanken, met het oog op de toepassing van artikel 5quater, §§ 1, 3 en 4, van de voornoemde wet.

Hij zendt eveneens de erop betrekking hebbende gegevens opgesomd in artikel 44quater, § 3, tweede lid, van dezelfde wet over.

§ 8.De kennisgeving van de resultaten aan de betrokkene, het tegenonderzoek, alsmede de bewaring en de vernietiging van de referentiestalen en de daaruit afgeleide stalen die DNA bevatten, worden uitgevoerd overeenkomstig artikel 44quinquies, §§ 6 en 9.

Art. 90duodecies

§ 1.Indien de feiten die bij hem aanhangig zijn, strafbaar zijn met een straf van niveau 3 of met een zwaardere straf, en hij over aanwijzingen beschikt dat de betrokkene een directe band heeft met het gerechtelijk onderzoek, kan de onderzoeksrechter bevelen dat een referentiestaal onder dwang wordt afgenomen van een persoon die niet bedoeld is in artikel 90undecies.

In zijn met redenen omklede beschikking, die hij meedeelt aan de procureur des Konings, vermeldt de onderzoeksrechter:

1°de omstandigheden van de zaak in het kader waarvan de afname wordt bevolen;

2°de noodzaak om dwang te gebruiken;

3°de vergelijking van het DNA-profiel met de DNA-profielen van de aangetroffen sporen in het kader van de zaak;

4°het feit dat het DNA-profiel niet wordt overgezonden aan de beheerder van de nationale DNA-gegevensbanken, om er te worden vergeleken of er te worden opgeslagen.

§ 2.De onderzoeksrechter hoort vooraleer hij de afname onder dwang beveelt, de persoon die er het voorwerp van moet uitmaken, en stelt hem in kennis van de 1° tot 4° opgesomd in § 1, tweede lid.

Van de redenen van de eventuele weigering van de afname of van de instemming van de persoon met die maatregel wordt door de onderzoeksrechter melding gemaakt in het proces-verbaal van verhoor.

§ 3.De afname, het opstellen van het DNA-profiel van het referentiestaal, de vergelijking van DNA-profielen, de overzending van de uitslag aan de onderzoeksrechter, de kennisgeving van de uitslag aan de betrokkene, het tegenonderzoek worden verricht overeenkomstig artikel 90undecies, §§ 2 tot 5.

De hoedanigheid van de persoon wordt meegedeeld aan de met de vergelijking van de DNA-profielen belaste deskundige, die het referentiestaal en de daaruit afgeleide stalen die DNA bevatten uiterlijk zes maanden na de overzending van zijn verslag vernietigt, tenzij de onderzoeksrechter bij een met redenen omklede beslissing een andere bewaartermijn beveelt om verdere analyse op basis van hetzelfde referentiestaal mogelijk te maken, die niet langer kan zijn dan vijf jaar.

§ 4.Ingeval de onderzoeksrechter in het kader van een dossier inzake misdrijven bedoeld in de artikelen 134 of 138 van het Strafwetboek beslist om geen DNA-profiel te laten opstellen van sporen of van een referentiestaal aangetroffen of afgenomen bij onderzoek aan het lichaam van het slachtoffer zoals bedoeld in artikel 90bis, verstrekt hij hierover op het einde van het gerechtelijk onderzoek uitleg aan het slachtoffer.