Alle wetboeken › Bankwet

BOEK II - KREDIETINSTELLINGEN NAAR BELGISCH RECHT › TITEL VIII - Afwikkeling van kredietinstellingen

HOOFDSTUK VII - Vrijwaringsmaatregelen

282–290

Art. 282

§ 1.Indien de afwikkelingsmaatregel slechts een gedeeltelijke overdracht van de activa, rechten en verbintenissen van de kredietinstelling meebrengt, ontvangen de aandeelhouders en de schuldeisers van wie de vorderingen niet zijn overgedragen, ter voldoening van hun effecten of vorderingen ten minste evenveel als het bedrag dat zij zouden hebben ontvangen mocht de kredietinstelling onmiddellijk vóór de overdracht volgens een liquidatieprocedure zijn vereffend.

§ 2.Wanneer de afwikkelingsautoriteit het instrument van interne versterking toepast, mogen de aandeelhouders en de schuldeisers waarvan de effecten of de vorderingen afgeschreven of in aandelen of andere eigendomsinstrumenten zijn omgezet, geen grotere verliezen lijden dan zij zouden hebben geleden indien de kredietinstelling onmiddellijk vóór de beslissing van de afwikkelingsautoriteit om het instrument van interne versterking toe te passen, in het kader van een liquidatieprocedure was vereffend.

Art. 283

§ 1.Om te beoordelen of de aandeelhouders en de schuldeisers beter zouden zijn behandeld indien de kredietinstelling zou zijn vereffend in het kader van een liquidatieprocedure, laat de afwikkelingsautoriteit een waardering uitvoeren door een onafhankelijk expert na de uitoefening van de betrokken afwikkelingsmaatregel. Deze waardering staat los van de waardering bedoeld in Hoofdstuk III.

§ 2.Bij de waardering bedoeld in paragraaf 1 wordt het volgende bepaald:

1°de behandeling die aandeelhouders en schuldeisers, of de desbetreffende depositogarantiestelsels, zouden hebben genoten, mocht op het moment dat het in artikel 293 bedoelde besluit werd genomen een liquidatieprocedure zijn geopend ten aanzien van de kredietinstelling in afwikkeling waarop de afwikkelingsmaatregelen betrekking hadden;

2°de daadwerkelijke behandeling die aandeelhouders en schuldeisers hebben genoten bij de afwikkeling van de kredietinstelling in afwikkeling; en

3°of er sprake is van een verschil tussen de onder 1° bedoelde behandeling en de onder 2° bedoelde behandeling.

§ 3.Bij de waardering wordt:

1°aangenomen dat tegen de kredietinstelling in afwikkeling waarop de afwikkelingsmaatregelen betrekking hadden, op het moment dat het in artikel 293 bedoelde besluit werd genomen, een liquidatieprocedure zou zijn geopend;

2°aangenomen dat de afwikkelingsmaatregelen niet hadden plaatsgevonden;

3°geen rekening gehouden met de toekenning van uitzonderlijke overheidssteun aan de kredietinstelling in afwikkeling.

Art. 284

Indien uit de waardering verricht overeenkomstig artikel 283 blijkt dat een aandeelhouder of een schuldeiser bedoeld in artikel 282 of het Garantiefonds grotere verliezen heeft geleden dan deze die zij zouden hebben geleden bij een vereffening, heeft hij recht op betaling van het verschil door de afwikkelingsautoriteit, ten laste van het Afwikkelingsfonds. De nadere regels voor deze betaling worden vastgesteld door de Koning, bij een in Ministerraad overlegd besluit.

Art. 285

§ 1.De afwikkelingsautoriteit kan niet de overdracht bevelen van:

1°activa waardoor een verplichting is gedekt, tenzij die verplichting en het voordeel van de zekerheid ook worden overgedragen;

2°een door zekerheid gedekte verplichting, tenzij het voordeel van de zekerheid ook wordt overgedragen;

3°het voordeel van de zekerheid, tenzij de door zekerheid gedekte verplichting ook wordt overgedragen.

§ 2.De afwikkelingsautoriteit kan geen wijziging of beëindiging van een zekerheidsovereenkomst bevelen indien deze wijziging of beëindiging tot gevolg heeft dat de verplichting niet langer wordt gedekt.

Voor de toepassing van het eerste lid dient onder "zekerheidsovereenkomst" te worden verstaan, elke overeenkomst op grond waarvan een persoon bij wijze van zekerheid een actueel of voorwaardelijk belang heeft in de over te dragen activa of rechten, ongeacht of dat belang door specifieke activa of rechten, dan wel door een pand op een handelszaak of een andere vlottende zekerheid of soortgelijke regeling is gedekt.

§ 3.De in de voorgaande paragrafen bedoelde bescherming is niet van toepassing op de overdracht, wijziging of beëindiging van de activa, rechten en passiva verbonden aan gewaarborgde deposito's.

Art. 286

§ 1.De afwikkelingsautoriteit kan niet de gedeeltelijke overdracht, de wijziging of beëindiging bevelen van:

1°activa, rechten en verbintenissen die een gestructureerde financieringsregeling of een onderdeel ervan vormen waarbij de kredietinstelling partij is, met inbegrip van covered bonds en effectisering;

2°rechten en verbintenissen uit een overeenkomst tot eigendomsoverdracht ten titel van zekerheid, met inbegrip van een cessie-retrocessieverrichting (repo);

3°rechten en verbintenissen uit een overeenkomst tot schuldvernieuwing of tot bilaterale of multilaterale schuldvergelijking, met inbegrip van een nettingovereenkomst of een overeenkomst tot schuldvergelijking bij vroegtijdige beëindiging (close-out netting).

§ 2.De in paragraaf 1 bedoelde bescherming is niet van toepassing op de overdracht, wijziging of beëindiging van de activa, rechten en verbintenissen verbonden aan gewaarborgde deposito's.

§ 3.De bepalingen van Titel VIII hebben voorrang op de bepalingen van de wet van 15 december 2004 betreffende financiële zekerheden en houdende diverse fiscale bepalingen inzake zakelijke zekerheids-overeenkomsten en leningen met betrekking tot financiële instrumenten.

Art. 287

§ 1.Voor zover de essentiële verplichtingen die uit de overeenkomst voortvloeien, inzonderheid de betalings- en leveringsverplichtingen en de zekerheidsstelling, verder worden nageleefd, en onverminderd paragraaf 2, mag de toepassing van de afwikkelingsinstrumenten, de uitoefening van de afwikkelingsbevoegdheden, de opschorting van een verplichting op grond van artikel 244/2, of het nemen van maatregelen als bedoeld in de artikelen 116, § 2, 232, tweede lid, 234, 235, 236 en 250 in verband met een kredietinstelling, zelfs krachtens een door die kredietinstelling gesloten overeenkomst,

1°niet beschouwd worden als een wanprestatie in de zin van de voornoemde wet van 15 december 2004 of als een insolventie-procedure in de zin van de wet van 28 april 1999 houdende omzetting van Richtlijn 98/26/EG van 19 mei 1998 betreffende het definitieve karakter van de afwikkeling van betalingen en effectentransacties in betalings- en afwikkelingssystemen;

2°niet toelaten verval van termijnbepaling in te roepen, noch enig recht van beëindiging, opschorting of verrekening uit te oefenen, noch enige zakelijke zekerheid op de activa van de kredietinstelling te gelde te maken.

De in de eerste lid bedoelde beperkingen zijn ook van toepassing op overeenkomsten gesloten door dochterondernemingen van de kredietinstelling, die verplichtingen bevatten die door de kredietinstelling of door een entiteit van dezelfde groep als de kredietinstelling, worden gewaarborgd of anderszins ondersteund, en op overeenkomsten gesloten door een entiteit van de groep die "cross default"-clausules bevatten.

§ 2.Een opschorting of een beperking uit hoofde van artikel 244/2 of artikel 280, § 1, 1° of 2° maakt voor de toepassing van paragraaf 1 van dit artikel en artikel 280, § 1, 3° geen wanprestatie uit, in het bijzonder in de zin van de voornoemde wet van 15 december 2004.

§ 3.De bepalingen van dit artikel worden beschouwd als bepalingen van bijzonder dwingend recht in de zin van artikel 9 van Verordening (EG) nr. 593/2008 van het Europees Parlement en de Raad.

Art. 288

§ 1.De afwikkelingsautoriteit ziet erop toe dat de uitoefening van de afwikkelingsbevoegdheden geen afbreuk doet aan de werking en de reglementering van de betalings- en afwikkelingssystemen.

In het bijzonder mogen overdrachten, annuleringen of wijzigingen opgelegd door de afwikkelingsautoriteit niet tot gevolg mogen hebben dat:

1°een overboekingsopdracht wordt herroepen in strijd met artikel 4 van de wet van 28 april 1999 tot omzetting van richtlijn 98/26/EG van 19 mei 1998 betreffende het definitieve karakter van de afwikkeling van betalingen en effectentransacties in betalings- en afwikkelingssystemen;

2°overboekingsopdrachten en verrekeningen overeenkomstig de artikelen 3 en 4 van dezelfde wet worden gewijzigd of niet-tegenstelbaar gemaakt;

3°het gebruik van gelden, effecten of kredietfaciliteiten overeenkomstig artikel 3 van dezelfde wet wordt verhinderd;

4°de zekerheden gesteld overeenkomstig artikel 8 van dezelfde wet worden aangetast.

§ 2.De afwikkelingsautoriteit kan de volgende maatregelen niet opleggen ten aanzien van betalings- en afwikkelingssystemen of hun exploitanten, centrale tegenpartijen of centrale banken:

1°de opschorting van een door een kredietinstelling uit te voeren betalings- of leveringsverplichting;

2°de opschorting of beperking van het recht tot uitwinning van zakelijke zekerheden die zij hebben op activa van een kredietinstelling; of

3°de opschorting van enig recht dat zij hebben om een overeenkomst gesloten met de kredietinstelling of met een dochteronderneming daarvan te beëindigen.

Art. 289

De uitoefening van een afwikkelingsbevoegdheid doet geen afbreuk aan het recht van een werknemer van de kredietinstelling om de arbeidsovereenkomst die hem met deze instelling verbindt, te beëindigen.

Art. 290

Voor de toepassing van de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 32bis gesloten op 7 juni 1985 in de Nationale Arbeidsraad, betreffende het behoud van de rechten van de werknemers bij wijziging van werkgever ingevolge de overgang van ondernemingen krachtens overeenkomst en tot regeling van de rechten van de werknemers die overgenomen worden bij overname van activa na faillissement, worden de afwikkelingsmaatregelen beschouwd als handelingen gesteld door de kredietinstelling zelf.