Alle wetboeken › Bankwet

BOEK II - KREDIETINSTELLINGEN NAAR BELGISCH RECHT › TITEL VIII - Afwikkeling van kredietinstellingen › HOOFDSTUK V - Afwikkelingsinstrumenten

Afdeling II - Instrument van verkoop van de onderneming

256–259

Art. 256

§ 1.Indien de voorwaarden bedoeld in artikel 244, § 1, zijn vervuld, kan de afwikkelingsautoriteit, ten voordele van elke overnemer, elke daad van beschikking bevelen, inzonderheid elke verkoop, overdracht of inbreng, met betrekking tot de aandelen of andere eigendomsinstrumenten uitgegeven door de kredietinstelling of alle of een deel van haar activa, rechten of verbintenissen.

§ 2.De afwikkelingsautoriteit neemt alle redelijke maatregelen om voor de overdracht commerciële voorwaarden te bedingen die in overeenstemming zijn met de waardering gedaan met toepassing van Hoofdstuk III, rekening houdend met de concrete omstandigheden en met inachtneming van de staatssteunregels van de Europese Unie.

§ 3.Onder voorbehoud van artikel 272, valt elke door de overnemer betaalde vergoeding toe aan:

1°de eigenaars van de aandelen of andere eigendomsinstrumenten, indien de verkoop van de onderneming is uitgevoerd door overdracht van alle of een deel van hun aandelen of effecten;

2°de kredietinstelling, indien de verkoop van de onderneming is uitgevoerd door overdracht van alle of een deel van haar activa.

Art. 257

§ 1.Bij de toepassing van het instrument van verkoop van de onderneming ziet de afwikkelingsautoriteit erop toe dat de verkoopprocedure:

1°zo transparant mogelijk is, rekening houdend met de omstandigheden en inzonderheid met de noodzaak om de financiële stabiliteit te vrijwaren;

2°geen enkele kandidaat-koper bevoordeelt;

3°vrij is van belangenconflicten;

4°rekening houdt met de noodzaak van een snelle afwikkelingsmaatregel, met inachtneming van de doelstellingen van de afwikkeling;

5°beoogt om in de mate van het mogelijke de vergoeding bekomen voor de overgedragen aandelen, andere eigendomsinstrumenten, activa of rechten te maximaliseren, met inachtneming van de doelstellingen van de afwikkeling.

§ 2.De afwikkelingsautoriteit mag van de in paragraaf 1 bedoelde vereisten afwijken wanneer zij besluit dat de naleving daarvan een of meer van de afwikkelingsdoelstellingen in het gedrang zou brengen, en in het bijzonder indien zij van oordeel is dat:

1°het in gebreke blijven of potentieel in gebreke blijven van de kredietinstelling een wezenlijke bedreiging van de financiële stabiliteit vormt of een dergelijkebedreiging verergert; en

2°het waarschijnlijk is dat de naleving van de betreffende vereisten afbreuk zou doen aan de doelmatigheid van het instrument van verkoop van de onderneming voor het wegnemen van de in 1° bedoelde bedreiging of het verwezenlijken van de afwikkelingsdoelstellingen.

§ 3.Elke openbaarmaking van de verkoop van de kredietinstelling die op grond van artikel 17, lid 1 van Verordening (EU) nr. 596/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende marktmisbruik zou zijn voorgeschreven, mag overeenkomstig artikel 17, lid 4 of 5 van die verordening worden uitgesteld.

Art. 258

De overnemer moet in het bezit zijn van de nodige vergunning voor de uitoefening van de activiteiten en de levering van de diensten die aan hem worden overgedragen. De betrokken autoriteiten, in voorkomend geval de toezichthouder, onderzoeken een dergelijke vergunningsaanvraag tijdig.

Art. 259

§ 1.Indien de toepassing van het instrument van verkoop van de onderneming leidt tot de verwerving van een gekwalificeerde deelneming in de kredietinstelling of tot een verhoging van een dergelijke deelneming waardoor een van de in artikel 46 bepaalde drempels wordt bereikt of overschreden, is artikel 269/1 van toepassing.

§ 2.Bij een besluit genomen op advies van de afwikkelingsautoriteit, regelt de Koning de rechtsgevolgen van de overdracht van de aandelen of andere eigendomsinstrumenten bedoeld in paragraaf 1 en de uitoefening van de daaraan verbonden rechten tijdens de periode van beoordeling van de overnemer door de toezichthouder alsook de gevolgen van een eventueel verzet van deze overheid tegen de overdracht. Het besluit genomen krachtens deze paragraaf mag afwijken van artikel 51 voor zover toegelaten door de dwingende bepalingen van internationale verdragen of internationale akten genomen krachtens dergelijke verdragen.