Alle wetboeken › KB ZIV

TITEL IV - Gemeenschappelijke bepalingen. › HOOFDSTUK II - Voorwaarden tot toekenning van de prestaties.

Afdeling V - Minimumwaarde van de bijdragebescheiden voor de sector geneeskundige verzorging en de sector uitkeringen.

286–293

Art. 286

(De minimumwaarde welke de bijdragebescheiden moeten bereiken is gelijk aan het produkt van de vermenigvuldiging van de hierna vastgestelde jaarlijkse lonen met de som van de hoegrootheden der bijdragen voor sociale zekerheid, bestemd voor de sector geneeskundige verzorging en, desgevallend, voor de sector uitkeringen van de verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, respectievelijk voor de handarbeiders, de hoofdarbeiders en de mijnwerkers:

21 jaar en ouder...

vier maal het bedrag van het gemiddeld minimum maandinkomen dat wordt gewaarborgd door de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 43 die is gesloten in de Nationale Arbeidsraad en algemeen bindend verklaard bij koninklijk besluit van 29 juli 1988;

jonger dan 21 jaar...

drie vierden van het bedrag dat in aanmerking moet worden genomen voor de leeftijdsschijf boven de 21 jaar.)

De minimumwaarde die de gerechtigde dient te bewijzen is deze voor de leeftijdscategorie waartoe hij behoort bij het begin van het kalenderjaar of deze waaraan hij beantwoordt op het ogenblik van zijn inschrijving. De aanpassing van het gewaarborgd gemiddelde minimum maandinkomen aan het prijsindexcijfer in de loop van een kalenderjaar heeft, voor het bepalen van de minimumwaarde die moet bewezen worden, slechts uitwerking op 1 januari die volgt op de toepassing ervan.

Nochtans worden voor de minder-validen die in de beschutte werkplaatsen zijn tewerkgesteld de in aanmerking te nemen jaarlijkse lonen aldus vastgesteld:

21 jaar en ouder80 40019 en 20 jaar64 80017 en 18 jaar48 000jonger dan 17 jaar40 800

De minimumwaarde die moet bereikt worden voor het tijdvak bedoeld bij artikel 116/1, § 1, of artikel 121, § 2, van de gecoördineerde wet is gelijk aan de helft van de hierboven vermelde minimumwaarde.

Deze minimumwaarde wordt op dezelfde wijze aangepast in verhouding tot de referteperiode die in aanmerking moet worden genomen wanneer deze referteperiode is teruggebracht tot een kortere periode of langer is dan één jaar.

Art. 287

De gerechtigde voor wie de verzekeringsinstelling één of meer bijdragebescheiden heeft ontvangen welke voor een jaar samen een bijdragewaarde beneden de in artikel 286 vastgestelde minimumwaarde vertegenwoordigen, heeft persoonlijk en voor de personen te zijnen laste slechts recht op de bij de gecoördineerde wet bepaalde prestaties op voorwaarde dat hij aan de verzekeringsinstelling voor de in artikel 123 van de gecoördineerde wet bedoelde refertejaar alle zogenoemde aanvullende bijdragen ter dekking van het verschil heeft gestort.

Art. 288

(lid opgeheven)

De betaling van de uitkeringen waarop de gerechtigde aanspraak zou kunnen maken vanaf (1 januari van het tweede jaar) dat volgt op het voornoemde refertejaar, wordt eveneens geschorst zolang de gerechtigde de aanvullende bijdrage niet heeft betaald die vereist is in het kader van de uitkeringsverzekering voor het voormelde refertejaar, indien de gerechtigde wegens het ontbreken van deze aanvullende bijdrage de vereiste verzekeringsvoorwaarden niet vervult die gesteld worden voor de toekenning van de uitkeringen in toepassing van de artikelen 116/1 tot 116/3 of 128 tot 130 van de gecoördineerde wet; in dergelijke geval vordert de verzekeringsinstelling bovendien de uitkeringen terug die ten onrechte aan de gerechtigde werden betaald.

Art. 289

Door de verzekeringsinstellingen worden ter beschikking van de Dienst voor administratieve controle de lijsten gehouden van de aanvullende bijdragen die ze van hun leden hebben geïnd of de documenten waaruit blijkt dat de aanvullende bijdragen werden geïnd.

Art. 290

De aanvullende bijdrage wordt als volgt berekend:

A. Van het jaarloon vastgesteld in artikel 286 worden afgetrokken:

1.Het bedrag vermeld op de bijdragebons;

2.Voor elk van de hierna opgesomde tijdvakken uit het refertejaar, zoals die in voorkomend geval zijn vermeld op de respectievelijke bijdragebescheiden, het bedrag dat bekomen wordt door het jaarloon vastgesteld in artikel 286 te vermenigvuldigen met een breuk waarvan de teller gevormd wordt door het aantal werkdagen van het tijdvak en waarvan de noemer 240 bedraagt:

1°(het tijdvak tijdens hetwelk de gerechtigde zich in een periode van moederschapsbescherming bevindt, in de zin van de gecoördineerde wet, alsook het tijdvak waarin de gerechtigde, bedoeld in artikel 32, eerste lid, 1°, van de gecoördineerde wet als arbeidsongeschikt werd erkend;)

2°het tijdvak tijdens hetwelk de gerechtigde in de plaats van de moeder de rest van de nabevallingsrust heeft opgenomen, overeenkomstig (artikel 114, vijfde lid), van de gecoördineerde wet;

3°het tijdvak, bestaande uit de dagen tijdens welke de gerechtigde gecontroleerd werkloze was;

4°het tijdvak in de loop waarvan de werkneemster de arbeid of een tijdvak van gecontroleerde werkloosheid had onderbroken om ten vroegste vanaf de 5e maand van de zwangerschap te rusten;

5°het tijdvak in de loop waarvan de gerechtigde, om een einde te maken aan zijn werkloosheid, huishoudelijke arbeid heeft verricht en toch, voor de toepassing van de reglementering inzake werkloosheidsverzekering, de hoedanigheid van gewoon werknemer in loondienst heeft behouden;

6°6° het tijdvak waarvoor de gerechtigde door een leerovereenkomst als bedoeld in artikel 1bis van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders verbonden was;

7°(het tijdvak van voortgezette verzekering (, bedoeld in artikel 32, eerste lid, 6°, van de gecoördineerde wet); dit tijdvak mag echter slechts in aanmerking worden genomen op voorwaarde dat de in artikel 250 bedoelde bijdrageplicht nagekomen werd voor dat tijdvak;)

(8° het tijdvak waarover de gerechtigde door zijn werkgever of door zijn geestelijke overheid naar het buitenland gezonden wordt om aldaar een zending te vervullen, alsmede het tijdvak waarover de gerechtigde zijn legerdienst in het buitenland vervult en het tijdvak van vrijwillige militaire inzet tijdens hetwelk de gerechtigde een soldij ontvangt;

9°het tijdvak waarover betrokkene de hoedanigheid had van gerechtigde als bedoeld in artikel 32, eerste lid, 7° tot 11°sexies en 16° van de gecoördineerde wet; (voor de berekening van de aanvullende bijdrage die voor de refertejaren 2006 en 2007 is verschuldigd, wordt het voormelde tijdvak in aanmerking genomen indien de persoonlijke bijdragen die zijn verschuldigd door de voormelde gerechtigden en de gerechtigden, bedoeld in artikel 4, 7°, 8° en 9° van het voormelde koninklijk besluit van 29 december 1997, zoals het op 31 december 2007 van toepassing was, werden betaald;)

10°het tijdvak waarover de gerechtigde persoon ten laste was in de zin van artikel 32, eerste lid, 17° tot 19°, van de gecoördineerde wet (...) of verder recht had op verstrekkingen in toepassing van artikel 127, alsmede het tijdvak waarover de gerechtigde de hoedanigheid had van gerechtigde als bedoeld in artikel 32, eerste lid, 20°, van de gecoördineerde wet;

11°het tijdvak waarover aanspraak op tegemoetkomingen voor geneeskundige verzorging ten laste van een Belgische overheid bestond buiten de regelingen voor verplichte verzekering welke onder het Instituut ressorteren, of waarover recht op tegemoetkomingen bestond krachtens een regeling voor verplichte verzekering van een vreemd land waarmede een verdrag inzake sociale zekerheid is gesloten of krachtens een regeling voor verplichte verzekering georganiseerd door één van de landen van de Europese Economische Ruimte of krachtens het statuut van een instelling van internationaal of Europees recht, gevestigd in België of waarbij de gerechtigde in België tewerkgesteld was;)

12°(voor de berekening van de aanvullende bijdrage die verschuldigd is voor 2008 en de volgende jaren, het tijdvak gevormd door de werkdagen tijdens welke de betrokkene de hoedanigheid van gerechtigde bezat, zoals bedoeld in artikel 32, eerste lid, 1°bis van de gecoördineerde wet, op voorwaarde dat hij, ofwel een sociale bijdrage heeft betaald die minstens gelijk is aan de minimumbijdrage die, met toepassing van artikel 12, § 1, van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen, is verschuldigd, ofwel de bijdragen die zijn verschuldigd met toepassing van artikel 12, § 1bis of § 1ter van hetzelfde besluit, heeft betaald, ofwel ten slotte een vrijstelling van bijdrage met toepassing van artikel 22 van hetzelfde besluit heeft verkregen.)

(12°bis voor de berekening van de aanvullende bijdrage die verschuldigd is voor 2006 en 2007, het tijdvak gevormd door de werkdagen van onderwerping aan de regeling van verzekering voor geneeskundige verzorging, ingesteld bij het koninklijk besluit van 29 december 1997 houdende de voorwaarden waaronder de toepassing van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, tot de zelfstandigen en de leden van de kloostergemeenschappen, wordt verruimd, zoals het op 31 december 2007 van toepassing was, voor zover de gerechtigde zijn bijdrageplicht, opgelegd bij hetzelfde besluit, heeft vervuld, om het recht te verwerven op de verstrekkingen die in artikel 1 ervan zijn opgesomd.)

(13° het tijdvak van wettelijke vakantie;

13°bis het tijdvak van aanvullende vakantie;

14°het tijdvak van burgerplichten zonder behoud van loon, van openbaar mandaat of van syndicale opdracht;

15°het tijdvak van sociale promotie;

16°het tijdvak van staking of van lock-out;)

(17° het tijdvak gevormd door de werkdagen waarover betrokkene een hoedanigheid van gerechtigde had, als bedoeld in artikel 32, eerste lid, 12° tot 15°, 22° en 24°; dit tijdvak mag echter slechts in aanmerking worden genomen in zoverre de bijdrageplicht in de voormelde hoedanigheid werd nagekomen en, voor wat de personen betreft met de hoedanigheid van gerechtigde als bedoeld in artikel 32, eerste lid, 24° van de gecoördineerde wet, als ze Belg zijn of zijn toegelaten of gemachtigd tot een verblijf van meer dan drie maanden in het Rijk. Het tijdvak, waarover één van de zoëven genoemde hoedanigheden van gerechtigde bestond, kan bovendien niet slechts voor een gedeelte ervan in aanmerking genomen worden;)

(18° de vakantiedagen en wettelijke feestdagen van de onthaalouders zonder opvang van kinderen, bedoeld in artikel 203, vierde lid, 14.)

(19° het tijdvak gevormd door de werkdagen tijdens welke de betrokkene de hoedanigheid van gerechtigde bezat, zoals bedoeld in artikel 32, eerste lid, 6°bis en 11°quater, van de gecoördineerde wet, op voorwaarde dat hij de verplichtingen, bedoeld in respectievelijk artikel 136ter en 136quater, heeft nageleefd;

20°het tijdvak gevormd door de werkdagen tijdens welke de betrokkene de hoedanigheid van gerechtigde bezat, zoals bedoeld in artikel 32, eerste lid, 6°ter, van de gecoördineerde wet;

21°het tijdvak gevormd door de werkdagen tijdens welke de zelfstandige onder de voorwaarden die zijn vastgesteld krachtens de wetgeving betreffende het rust- en overlevingspensioen van de zelfstandigen, zijn beroepsbezigheid heeft onderbroken wegens ziekte of invaliditeit en in die hoedanigheid zijn rechten vrijwaart met toepassing van dezelfde wetgeving en het tijdvak tijdens welke de zelfstandige van een gelijkstelling geniet krachtens artikel 37bis van het koninklijk besluit van 22 december 1967 houdende algemeen reglement betreffende het rust- en overlevingspensioen der zelfstandigen;

22°het tijdvak gevormd door de werkdagen tijdens welke de betrokkene de hoedanigheid van gerechtigde bezat, zoals bedoeld in artikel 32, eerste lid, 21°, op voorwaarde dat hij de verplichtingen, bedoeld in artikel 136bis, heeft nageleefd;)

23°het tijdvak waarover de gerechtigde een ontslagcompensatievergoeding bedoeld in artikel 7, § 1, derde lid, zf), van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders ontvangt.

(Indien éénzelfde periode uit het refertejaar gedekt wordt of gedekt kan worden door meerdere van de onder littera A vermelde tijdvakken of indien eenzelfde periode uit het refertejaar zowel gedekt is of kan zijn door zowel een tijdvak waarvoor een bijdragebon werd afgeleverd als één van de zoëven genoemde tijdvakken, wordt bij voorrang het tijdvak in aanmerking genomen waaraan de minst zware bijdrageplicht voor betrokkene verbonden is.)

B. § 1. Het bedrag der aanvullende bijdrage wordt verkregen door het bedrag dat voortvloeit uit de toepassing van littera A, afgerond tot het naasthogerige honderdtal. te vermenigvuldigen met de som van de hoegrootheid van de verschuldigde bijdragen voor de sector geneeskundige verzorging en desgevallend voor de sector uitkeringen van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen.

Ligt dit bedrag echter lager dan (10 EUR), dan hoeft geen aanvullende bijdrage te worden gevorderd.

(Indien het refertejaar slechts bestaat uit tijdvakken zoals bedoeld in littera A., 2., 17°, dient als aanvullende bijdrage een bedrag betaald te worden, dat gelijk is aan het bedrag van de nog verschuldigde persoonlijke bijdragen voor de betrokken tijdvakken.)

§ 2.(Indien in het beschouwde refertejaar één of meer maanden voorkomen van de wachttijd, bedoeld in artikel 130, en deze wachttijd werd vervuld, dan dient voor de berekening van de aanvullende bijdrage voor het refertejaar, de minimumwaarde bedoeld in artikel 286 te worden verminderd in verhouding tot het tijdvak, gevormd door de maanden van de wachttijd in het refertejaar.)

§ 3.(Indien moet worden nagegaan of een aanvullende bijdrage verschuldigd is voor een refertejaar, waarin een tijdvak voorkomt dat geen deel kan uitmaken van de tijdvakken opgesomd in A.2., van deze bepaling en dat zich situeert voor de datum waarop de inschrijving of herinschrijving, zoals bedoeld in artikel 252, uitwerking heeft of dat zich situeert voor de datum waarop een beroep wordt gedaan op de hoedanigheid zoals bedoeld in artikel 32, eerste lid, 24° van de gecoördineerde wet,, dan dient voor de berekening van de aanvullende bijdrage de minimumwaarde bedoeld in artikel 286 te worden verminderd in verhouding tot dit tijdvak.)

(Indien moet worden nagegaan of een aanvullende bijdrage verschuldigd is voor een refertejaar, waarin een tijdvak voorkomt dat geen deel kan uitmaken van de tijdvakken opgesomd in littera A, 2, van deze bepaling en gedurende hetwelk de gerechtigde zich in het buitenland bevond, dan dient voor de berekening van de aanvullende bijdrage de minimumwaarde bedoeld in artikel 286 te worden verminderd in verhouding tot dit tijdvak. Het voormelde verblijf in het buitenland wordt aangetoond door bewijsmiddelen die als dusdanig zijn erkend door de Dienst voor administratieve controle.)

Art. 291

Voor de personen die onderworpen zijn, enerzijds, hetzij aan de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, voor het stelsel van verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, sectoren van de geneeskundige verzorging en van de uitkeringen, hetzij aan de besluitwet van 10 januari 1945 betreffende de maatschappelijke zekerheid van de mijnwerkers en ermee gelijkgestelden, en anderzijds aan de voornoemde wet van 27 juni 1969 voor het stelsel van verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, beperkt tot de sector van de geneeskundige verzorging, moeten de bepalingen van artikel 290, A en B, afzonderlijk worden toegepast voor de sector geneeskundige verzorging en de sector uitkeringen.

Art. 292

Voor de arbeiders bij tussenpozen, de seizoenarbeiders en de deeltijds tewerkgestelde werknemers, die niet vrijgesteld zijn van wachttijd, wordt de tijdens de wachttijd voor het recht op uitkeringen verschuldigde aanvullende bijdrage berekend als bepaald in artikel 290; nochtans dient voor de toepassing van punt A.2 van dit artikel, het aantal werkdagen gelegen tussen de opeenvolgende perioden van onderwerping in mindering te worden gebracht.

Art. 293

Wanneer de aanvullende bijdrage die krachtens artikel 288 is gevorderd ontoereikend is, worden de prestaties van de verzekering pas verkregen nadat het juiste bedrag is betaald.