Alle wetboeken › KB ZIV

TITEL IV - Gemeenschappelijke bepalingen.

HOOFDSTUK I - Toepassingsgebied.

246–251

Art. 246

Onder gecontroleerde werkloosheid, bedoeld in artikel 32, eerste lid, 3°, van de gecoördineerde wet wordt verstaan, elke werkloosheidsdag, dat de werknemer zijn verplichtingen inzake werklozencontrole heeft vervuld of daarvan regelmatig was vrijgesteld en waarover in uitvoering van de reglementering inzake werkloosheid:

1°een werkloosheidsuitkering werd uitbetaald...;

2°(Het recht op een werkloosheiduitkering voor een beperkte duur werd ontzegd wegens een administratieve sanctie, opgelegd met toepassing van de artikelen 70 of 153 tot 155 van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering; in geval van toepassing van voormeld artikel 70 is de duur beperkt tot een tijdvak van drie maanden;)

3°het recht op werkloosheidsuitkering voor een beperkte duur werd geweigerd of ontzegd met toepassing van de artikelen 52 tot 54 van voornoemd koninklijk besluit van 25 november 1991, omdat de werknemer werkloos is of wordt wegens omstandigheden die afhankelijk zijn van zijn wil;

4°het recht op een werkloosheidsuitkering voor een beperkte duur werd ontzegd met toepassing van artikel 56, § 2, van voornoemd koninklijk besluit van 25 november 1991, omdat de werkloze voor zijn wedertewerkstelling voorwaarden stelt die niet gerechtvaardigd zijn, of met toepassing van artikel 58/9, § 1, tweede lid, 2° en § 2, 2°, van hetzelfde besluit, omdat de werkloze geen voldoende inspanningen heeft geleverd om zich te integreren in de arbeidsmarkt;...;

5°het recht op werkloosheidsuitkering werd ontzegd, omdat de werknemer zich niet als werkzoekende had laten inschrijven, terwijl hij daarvan niet regelmatig was vrijgesteld;

6°het recht op werkloosheidsuitkering werd ontzegd:

a)met toepassing van artikel 55, 1°, van voornoemd koninklijk besluit van 25 november 1991;

b)met toepassing van artikel 104, § 1bis of artikel 131bis, van hetzelfde besluit, wegens deeltijdse arbeid;

7°het recht op werkloosheidsuitkering werd ontzegd, omdat de werknemer de aanvraag om uitkeringen of het administratief dossier buiten de reglementaire termijnen heeft ingediend;

8°het recht op werkloosheidsuitkering werd ontzegd, omdat de werknemer op zondag, een wettelijke feestdag of een gewone dag inactiviteit gearbeid heeft;

9°het recht op werkloosheidsuitkering aan de huisarbeider met toepassing van artikel 75 van voornoemd koninklijk besluit van 25 november 1991 werd ontzegd, behoudens het geval, bepaald in het tweede lid, 1°, van genoemd artikel 75;

10°het recht op werkloosheidsuitkering werd ontzegd, omdat de werkloze die op bijkomstige wijze een activiteit uitoefent..., nagelaten heeft hiervan aangifte te doen, zoals bepaald in artikel 48,...van het koninklijk besluit van 25 november 1991;

11°...

12°het recht op een werkloosheidsuitkering werd ontzegd, met toepassing van artikel 48bis, § 2, zesde tot twaalfde lid, van het voornoemde koninklijk besluit van 25 november 1991, zoals ze van kracht waren op 30 september 2022, of met toepassing van artikel 188, § 2, van het voornoemde koninklijk besluit van 25 november 1991.

Onder gecontroleerde werkloosheid, bedoeld in artikel 32, eerste lid, 3° van de gecoördineerde wet, wordt eveneens verstaan, de periode gedurende welke de in artikel 32, eerste lid, 1°, van die gecoördineerde wet bedoelde werknemer (een onderbrekingsuitkering geniet in geval van volledige beroepsloopbaanonderbreking) waarvoor hem een bewijs van rechthebbende op een onderbrekingsuitkering wordt uitgereikt als bedoeld in artikel 281, § 3; voor de werknemer die voor de onderbreking van zijn beroepsloopbaan niet beschouwd werd als een in artikel 86, § 1, van de gecoördineerde wet bedoelde uitkeringsgerechtigde, blijft de werkingssfeer van deze bepaling evenwel beperkt tot de sector van de geneeskundige verzorging. Die gelijkstelling wordt bovendien niet in aanmerking genomen voor het verlengen van de nabevallingsrust met toepassing van artikel 114, tweede lid, van de gecoördineerde wet.

Onder gecontroleerde werkloosheid bedoeld in artikel 32, eerste lid, 3°, van de gecoördineerde wet, wordt eveneens verstaan, de periode gedurende dewelke de in artikel 32, eerste lid, 1°, van die gecoördineerde wet bedoelde werknemer, zijn beroepsloopbaan heeft onderbroken in toepassing van artikel 48 van de wet van 28 februari 2007 tot vaststelling van het statuut van de militairen en kandidaat-militairen van het actief kader van de Krijgsmacht en een onderbrekingstoelage geniet waarvoor hem een bewijs van rechthebbende op een onderbrekingsuitkering wordt uitgereikt als bedoeld in artikel 281, § 4; de werkingssfeer van deze bepaling blijft evenwel beperkt tot de sector van de geneeskundige verzorging..

...

Onder gecontroleerde werkloosheid als bedoeld in artikel 32, eerste lid, 3°, van de gecoördineerde wet wordt eveneens verstaan het tijdvak tijdens hetwelk het statuut van deeltijds werknemer met behoud van rechten wordt verleend aan de gerechtigde overeenkomstig het bepaalde in artikel 29, § 2 en § 2bis, van het voornoemd koninklijk besluit van 25 november 1991.

(Onder gecontroleerde werkloosheid als bedoeld in artikel 32, eerste lid, 3°, van de gecoördineerde wet wordt eveneens verstaan de dagen overeenstemmend met het aantal opvanguitkeringen, waarop de onthaalouder voor een betrokken maand aanspraak heeft, overeenkomstig artikel 2 van het koninklijk besluit van 26 maart 2003 tot uitvoering van artikel 7, § 1, derde lid, q, van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, betreffende de onthaalouders.)

Art. 247

§ 1.Wordt beschouwd in een behartigenswaardige maatschappelijke toestand te verkeren als bedoeld in artikel 32, eerste lid, 6°, van de gecoördineerde wet en kan, indien hij aan de in artikel 121 of artikel 128 van de gecoördineerde wet gestelde voorwaarden heeft voldaan, in voortgezette verzekering treden tijdens de hierna vastgestelde tijdvakken:

(1° de werkloze gerechtigde wie werkloosheidsuitkeringen ontzegd zijn met toepassing van de volgende artikelen van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering:

a)de artikelen 30 tot 34, 37, 38,... 182 en 195, § 2, tweede lid, omdat hij de gestelde toelaatbaarheidsvoorwaarden niet vervult;

b)de artikelen 44 en 188, § 1, omdat hij niet zonder arbeid en zonder loon is;

c)de artikelen 52, § 3, 52bis, § 2, 56, § 1, eerste lid, en 155, derde lid;

d)artikel 58/9, § 3, 1° of 2°, omdat de werkloze geen voldoende inspanningen heeft geleverd om zich te integreren in de arbeidsmarkt;)

e)artikel 71, omdat hij de verplichtingen inzake controle niet vervult.

De voortgezette verzekering wordt toegestaan voor een duur die niet korter mag zijn dan één maand en niet langer dan twaalf maanden; in de gevallen bedoeld onder punten b) en e) kan de voortgezette verzekering niet toegestaan worden, wanneer de uitgeoefende activiteit van bedrieglijke aard is, gelet op de verplichtingen opgelegd door de sociale wetgeving;)

(2° de werkloze gerechtigde die voldoet aan de voorwaarden om recht te hebben op werkloosheidsuitkeringen, doch daarvan vrijwillig afziet,...

De voortgezette verzekering wordt toegestaan voor een duur welk niet korter mag zijn dan één maand en niet langer dan twaalf maanden)

3°(...)

4°de gerechtigde die na afloop van de termijn van zes maanden, als bedoeld in artikel 215septies, niet langer arbeidsongeschikt is als bedoeld in artikel 100, § 1, van de gecoördineerde wet en die een beroep uitoefent waardoor hij onderworpen wordt aan het sociaal statuut der zelfstandigen of die een beroep uitoefent waarop geen verzekeringsplicht staat krachtens één der wetgevingen inzake sociale zekerheid.

De voortgezette verzekering kan worden toegestaan voor een periode van twee jaar, te rekenen vanaf het verstrijken van de termijn van zes maanden, als bedoeld in het vorige lid; dit tijdvak kan worden hernieuwd;

5°(de gerechtigde in verlof zonder wedde.

De voortgezette verzekering wordt toegestaan voor een duur welke niet langer mag zijn dan drie maanden per kalenderjaar;)

6°de gerechtigde die haar kind zoogt.

De voortgezette verzekering wordt toegestaan voor een tijdvak van maximaal vijf maand vanaf de dag van de bevalling;

7°(de gerechtigde die verkeert in een periode van voorlopige hechtenis of vrijheidsberoving. Indien hij echter bij de aanvang van de periode van voorlopige hechtenis of van vrijheidsberoving in staat van arbeidsongeschiktheid is als bedoeld in artikel 100 van de gecoördineerde wet gaat het tijdvak van voortgezette verzekering pas in de dag dat die staat van arbeidsongeschiktheid afloopt.

De voortgezette verzekering wordt toegestaan voor een duur welke niet langer mag zijn dan de periode van voorlopige hechtenis of vrijheidsberoving.)

8°de gerechtigde die tijdelijk of definitief niet meer arbeidt in de loop van een periode van vijf jaar welke afloopt op het einde van de maand waarin hij de in artikel 108, 1°, van de gecoördineerde wet bedoelde leeftijd bereikt.

De voortgezette verzekering wordt toegestaan voor een duur welke afloopt op het einde van de maand waarin de gerechtigde de in genoemd artikel vastgestelde leeftijd bereikt wanneer het gaat om een definitieve stopzetting en voor de duur aangegeven door de gerechtigde bij zijn aanvraag om in voortgezette verzekering te treden, wanneer het gaat om een tijdelijke stopzetting;

9°de gerechtigde man of vrouw die de arbeid verzaakt opdat zijn gerechtigde echtgenote of haar gerechtigde - echtgenoot het maximale bedrag van haar of zijn ouderdomspensioen zou kunnen genieten.

De voortgezette verzekering wordt toegestaan voor een duur welke afloopt op het einde van de maand waarin de gerechtigde 65 of 60 jaar wordt naargelang het een man of een vrouw betreft;

10°de gerechtigde die na zijn normale legerdienst bij tuchtmaatregel onder de wapens gehouden of teruggeroepen wordt.

De voortgezette verzekering wordt toegestaan voor een duur welke niet korter noch langer mag zijn dan die van het behoud of van de terugroeping onder de wapens;

11°de gerechtigde die in het buitenland tijdelijk hetzelfde beroep uitoefent als hetgeen hij in België uitoefende, wanneer hij niet verzekeringsplichtig is krachtens de wetgeving inzake de sociale zekerheid van zijn nieuwe arbeidsplaats.

De voortgezette verzekering wordt toegestaan voor een duur welke niet langer mag zijn dan die van de tewerkstelling in het buitenland;

12°(de gerechtigde in tijdelijke werkloosheid ingevolge staking of lock-out en die bij ontstentenis van een toelating van het Beheerscomité van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening, geen aanspraak heeft op werkloosheidsuitkeringen.

De voortgezette verzekering wordt toegestaan voor een duur welke niet langer mag zijn dan die van de staking of het lock-out;)

13°de gerechtigde die wegens een geval van overmacht de arbeid verzuimt.

De Dienst voor administratieve controle doet op verzoek van de verzekeringsinstelling uitspraak over de gevallen van overmacht die zij erkent.

De voortgezette verzekering wordt toegestaan voor de duur welke door die Dienst wordt vastgesteld;

14°de gerechtigde die krachtens het koninklijk besluit van 11 maart 1954, houdende statuut van het Korps voor burgerlijke bescherming, de cursussen volgt van de School voor burgerlijke bescherming.

De voortgezette verzekering wordt toegestaan voor een duur die niet langer mag zijn dan deze van de zittijd waaraan de gerechtigde deelneemt;

15°de gerechtigde die een pensioen geniet ten laste van een openbaar bestuur of een pensioen waarvan de betaling door de Belgische Staat is gewaarborgd en die tijdelijk niet meer arbeidt ingevolge een erkende arbeidsongeschiktheid als bedoeld in artikel 100 van de gecoördineerde wet waarover uitkeringen worden ontzegd krachtens artikel 108, 3°, van de gecoördineerde wet.

De voortgezette verzekering wordt toegestaan voor de duur van de arbeidsongeschiktheid;

16°de gerechtigde die generlei arbeid ter verkrijging van inkomen verricht en regelmatig leergangen van het hoger middelbaar vak- of technisch onderwijs volgt, op voorwaarde dat die leergangen gegeven worden gedurende de dag, de vakantie, de zondagen en de feestdagen daargelaten.

De voortgezette verzekering wordt toegestaan voor een duur die niet langer mag zijn dan die waarover de gerechtigde de leergangen volgt;

17°de gerechtigde die de leergangen van een erkende school voor gezinshelp(st)ers volgt. De voortgezette verzekering wordt toegestaan voor een duur die niet langer mag zijn dan die waarover de gerechtigde de leergangen volgt;

18°de gerechtigde die, nadat hij de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt, voort arbeidt of die na die leeftijd de arbeid hervat, wanneer hij de arbeid tijdelijk onderbreekt en geen pensioen aanvraagt.

De voortgezette verzekering wordt toegestaan voor een duur welke door de gerechtigde bij zijn aanvraag wordt opgeheven; zij eindigt evenwel zodra het pensioen ingaat;

19°de gerechtigde die wegens lichamelijke ongeschiktheid voortijdig gepensioneerd is, wanneer hij niet voldoet aan de voorwaarden gesteld in artikel 100, § 1, eerste lid, van de gecoördineerde wet, waar het de arbeidsongeschiktheidsgraad beoogt, gedurende een tijdvak dat niet verder mag gaan dan de pensioengerechtigde leeftijd, krachtens de wetgeving inzake de rust- en overlevingspensioenen van de arbeiders en de bedienden.

De voortgezette verzekering wordt toegestaan vanaf de dag waarop de gerechtigde niet langer dan 66 pct. arbeidsongeschikt is als bedoeld in artikel 100, § 1, eerste lid, van de gecoördineerde wet;

20°de gerechtigde waarvan de onderwerping voor het stelsel van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, beperkt is tot de geneeskundige verzorging en die:

a)geen arbeidsplaats moet verrichten, hetzij op grond van persoonlijke aangelegenheden, hetzij ingevolge tuchtmaatregelen.

De voortgezette verzekering wordt toegestaan voor een duur welke gelijk is aan die van het tijdvak waarin de gerechtigde geen arbeidsprestaties moet verrichten;

b)zijn ambt in het buitenland uitoefent en aldaar zijn administratieve standplaats heeft.

De voortgezette verzekering wordt toegestaan voor de duur van het tijdvak waarin de gerechtigde zijn ambt in het buitenland uitoefent en aldaar zijn administratieve standplaats heeft;

c)door het Bestuur van de medische expertise definitief arbeidsongeschikt wordt geacht voor zover hij niet werkongeschikt is in de zin van artikel 100, § 1, van de gecoördineerde wet, en niet het vereist aantal jaren dienst om een vervroegd pensioen te genieten.

De voortgezette verzekering wordt toegestaan voor de duur van het tijdvak dat afloopt op de pensioengerechtigde leeftijd krachtens het administratief en geldelijk statuut dat op hem toepasselijk is;

21°de gerechtigde die ophoudt tewerkgesteld te zijn volgens een arbeidsovereenkomst voor dienstboden hoofdzakelijk bestaande uit huishoudelijke arbeid van lichamelijke aard voor de behoefde van de huishouding van de werkgever of van zijn gezin.

De voortgezette verzekering wordt toegestaan voor een duur van ten hoogste drie maanden per kalenderjaar;

22°de gerechtigde die als mijnwerker wegens sluiting van een kolenmijn is ontslagen en die de wachtvergoeding voor bejaarde werknemers uit de kolenindustrie geniet in toepassing van artikel 56, § 2 van het Verdrag van Parijs tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal.

De voortgezette verzekering wordt toegestaan voor de duur van het tijdvak tijdens hetwelk de wachtvergoeding wordt toegekend.

§ 2.Het tijdvak van voortgezette verzekering loopt af hetzij op het einde van de periode waarover het is toegestaan, hetzij op de datum waarop de toestand een einde neemt op grond waarvan het is toegestaan, hetzij, alleen in de onder § 1, 2° en 4°, bedoelde gevallen, zodra de gerechtigde in staat van arbeidsongeschiktheid is als bedoeld in artikel 100 van de gecoördineerde wet.

Art. 248

Om tot de voortgezette verzekering te worden toegelaten moet de gerechtigde een aanvraag indienen bij zijn verzekeringsinstelling en haar de volgende bewijsstukken afgeven:

a)voor de in artikel 247, § 1, 2° en 3°, bedoelde toestanden, een verklaring uitgereikt door de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening met nadere opgave van de reden waarom en het tijdvak waarover de werkloosheidsuitkeringen zijn ontzegd.

Voor de in artikel 247, § 1, 3°, bedoelde toestand mag die verklaring vervangen worden door een verklaring van zijn laatste werkgever;

b)voor de in artikel 247, § 1, 4°, bedoelde toestand, een bewijs van hervatting van een in dat artikel bedoeld beroep;

c)voor de in artikel 247, § 1, 5°, 20° en 21°, bedoelde toestanden, een verklaring uitgereikt door de werkgever of desgevallend door de geestelijke overheid hetzij met opgave van de juiste periode van de schorsing van de overeenkomst of de tewerkstelling of van het tijdvak dat de gerechtigde zijn ambt in het buitenland uitoefent, hetzij met vermelding van de datum van de beslissing van het Bestuur van de medische expertise volgens welke geen vervroegd pensioen kan worden toegekend, hetzij met opgave van de datum van stopzetting van de huishoudelijke arbeid;

d)voor de in artikel 247, § 1, 6°, 8°, 9° en 18°, bedoelde toestanden, een verklaring op erewoord van de gerechtigde;

e)voor de in artikel 247, § 1, 11° bedoelde toestand, een verklaring van de werkgever;

f)voor de in artikel 247, § 1, 7°, bedoelde toestand, een verklaring van de Directeur van de inrichting met opgave van de periode van detinering of internering;

g)voor de in artikel 247, § 1, 10°, bedoelde toestand, een verklaring van de militaire overheid met opgave van de periode van behoud of terugroeping onder de wapens;

h)voor de in artikel 247, § 1, 12°, bedoelde toestand, een verklaring uitgereikt door een vakorganisatie of door de werkgever. In dit laatste geval moet die verklaring medeondertekend zijn door de Rijksdienst voor arbeidsvoorziening;

i)voor de in artikel 247, § 1, 14°, 16° en 17°, bedoelde toestanden, een verklaring uitgereikt door de directeur van de school met opgave van de periode tijdens welke de gerechtigde de leergangen heeft gevolgd;

j)voor de in artikel 247, § 1, 19°, bedoelde toestand, een verklaring uitgereikt door de adviserend arts van het ziekenfonds waarbij de gerechtigde is aangesloten of ingeschreven;

k)voor de in artikel 247, § 1, 22°, bedoelde toestand, een verklaring uitgereikt door de diensten van de Administratie van het mijnwezen van het Ministerie van Economische Zaken.

In de in artikel 247, § 1, 13°, bedoelde toestand, wordt de voortgezette verzekering toegestaan op grond van de kennisgeving van de Dienst voor administratieve controle aan de verzekeringsinstelling.

In de in artikel 247, § 1, 15°, bedoelde toestand, wordt de voortgezette verzekering toegestaan op grond van de erkenning van de staat van arbeidsongeschiktheid;

Art. 249

Op basis van de in artikel 248 bepaalde stukken, maakt de verzekeringsinstelling een getuigschrift van voortgezette verzekering op en vordert zij van de gerechtigde de desbetreffende bijlage.

De getuigschriften van voortgezette verzekering welke bij toepassing van artikel 247 een minimumduur moeten bevatten, mogen worden vernieuwd; de duur van de samengevoegde tijdvakken mag evenwel het maximumtijdvak niet overschrijden dat is vastgesteld in de bepaling van artikel 247 krachtens welke het of de getuigschriften worden uitgereikt.

Art. 250

§ 1.Voor ieder tijdvak van voortgezette verzekering moet de gerechtigde een bijdrage betalen, die per werkdag als volgt wordt vastgesteld:

21 jaar en meer18 tot 21 jaar14 tot 18 jaar 1,24 EUR0,94 EUR0,62 EUR

Worden als werkdagen beschouwd, alle dagen van het jaar behoudens de zondagen.

Voor ieder tijdvak van voortgezette verzekering of ieder gedeelte van zulk tijdvak, dat een volledige kalendermaand beslaat, wordt de bijdrage als volgt vastgesteld:

21 jaar en meer18 tot 21 jaar14 tot 18 jaar 31,00 EUR 23,50 EUR 15,50 EUR

§ 2.Nochtans wordt de gerechtigde die voor het kalenderjaar bijdragebescheiden heeft afgegeven, waarvan de waarde het in artikel 286 bepaalde jaarlijkse minimum bereikt, voor dat kalenderjaar van de betaling van voornoemde bijdrage vrijgesteld.

§ 3.De in § 1 bedoelde bedragen zijn gekoppeld aan het (indexcijfer 104,06 (basis 1996 = 100) van de consumptieprijzen, bereikt op 31 oktober 1999). Ze worden op 1 januari van elk jaar aangepast aan de hoegrootheid van het op 31 oktober van het voorgaande jaar bereikte indexcijfer van de consumptieprijzen.

Art. 251

(opgeheven)