Alle wetboeken › KB ZIV

TITEL II - Verzekering voor geneeskundige verzorging.

HOOFDSTUK II - Toepassingsfeer.

123–128sexies

Art. 123

De hoedanigheid van persoon ten laste van een gerechtigde of van een werknemer als bedoeld in artikel 32 van de gecoördineerde wet, wordt toegewezen aan de personen en onder de voorwaarden bepaald in dit artikel en in de artikelen 124, 125 en 127:

1.De echtgenoot of echtgenote van de vrouwelijke of mannelijke gerechtigde of van de werknemer of werkneemster.

De niet uit de echt, doch feitelijk gescheiden, of van tafel en bed gescheiden echtgenoot of echtgenote kan persoon ten laste zijn in een van de volgende gevallen:

a)hij of zij staat in voor het onderhoud van ten minste één als persoon ten laste beschouwd kind. De hoedanigheid van persoon ten laste van dit kind wordt beoordeeld als bedoeld in punt 3 alsof de feitelijk gescheiden of van tafel en bed gescheiden echtgenoot of echtgenote zelf gerechtigde was;

b)(hij of zij alimentatiegeld heeft verkregen, hetzij bij rechterlijke beslissing, hetzij, ingeval van procedure tot echtscheiding of tot scheiding van tafel en bed met onderlinge toestemming, bij notariële akte of onderhandse akte neergelegd bij de griffie van de rechtbank)

c)hij of zij is gemachtigd sommen te innen, door derden aan zijn echtgenote of haar echtgenoot verschuldigd krachtens artikel 221 van het Burgerlijk Wetboek;

d)hij of zij geniet een krachtens een wetsbepaling aan de gescheiden echtgenoot of echtgenote toegekend pensioen.

2.(De persoon die samenwoont met de gerechtigde of met de werknemer of werkneemster, bedoeld in artikel 32, eerste lid, 19° van de gecoördineerde wet.

Zijn of haar inschrijving is niet mogelijk wanneer de echtgenoot of echtgenote van de gerechtigde of van de in het eerste lid bedoelde werknemer, zelf de hoedanigheid van persoon ten laste heeft of wanneer de echtgenoot of echtgenote, zelf gerechtigde, onder hetzelfde dak woont als de gerechtigde. "

3.De hierna opgesomde kinderen, jonger dan 25 jaar:

a)de kinderen en geadopteerde kinderen van de gerechtigde of werknemer en zij in wier geboorteakte dezes naam is vermeld;

b)de kinderen en geadopteerde kinderen van de echtgenoot van de gerechtigde en zij in wier geboorteakte de naam van die echtgenoot is vermeld wanneer de echtgenoot voor hun onderhoud instaat;

c)de kinderen en geadopteerde kinderen van de in punt twee of vier bedoelde persoon ten laste van de gerechtigde en zij in wier geboorteakte de naam van die persoon is vermeld wanneer die persoon voor hun onderhoud instaat;

d)de kleinkinderen en achterkleinkinderen van de gerechtigde of werknemer, van zijn echtgenoot of echtgenote of van de in punt 2 en 4 bedoelde persoon, wanneer die gerechtigde of werknemer voor het onderhoud van die kinderen instaat;

e)de kinderen, de kleinkinderen en achterkleinkinderen van de echtgenoot of echtgenote van de gerechtigde of werknemer of die van de in punt 2 en 4 bedoelde persoon, als bedoeld in de bepalingen onder b), c) en d) voor wier onderhoud die gerechtigde of werknemer instaat na het overlijden van die echtgenoot of echtgenote of van die persoon;

f)de kinderen, die hun hoofdverblijfplaats in België hebben en niet geviseerd zijn onder de punten a) tot en met e), voor wie de gerechtigde, de echtgenoot van de gerechtigde of de in punt 2 of 4 bedoelde persoon ten laste van de gerechtigde instaat voor het onderhoud in de plaats van de vader, moeder of andere persoon die zulks normaal zou moeten doen. (Het bewijs van de verblijfplaats in België volgt uit de informatie die is bedoeld in artikel 3, eerste lid, 5°, van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen, en die is verkregen bij het Rijksregister of uit alle bewijsmiddelen, afgeleverd door een Belgische overheid en als dusdanig erkend door de leidend ambtenaar van de Dienst voor administratieve controle.)

4.De ascendenten van de gerechtigde of werknemer, of van zijn echtgenoot en, eventueel, hun stiefvaders en stiefmoeders.)

(Voor de toepassing van dit artikel wordt geacht in te staan voor het onderhoud van het kind, de persoon die met het kind samenwoont. Het bewijs van dat samenwonen volgt uit de informatie bedoeld in artikel 3, eerste lid, 5°, van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen en die is verkregen bij het Rijksregister. (Wat betreft de kinderen die niet zijn ingeschreven in het Rijksregister, volgt het bewijs van het samenwonen uit alle bewijsmiddelen als dusdanig erkend door de Leidend ambtenaar van de Dienst voor administratieve controle.))

Art. 124

§ 1.Als persoon ten laste kan evenwel niet worden beschouwd:

1°(De persoon die beschikt over een inkomen, pensioen, rente, tegemoetkoming of uitkering krachtens een Belgische of buitenlandse wetgeving, voor zover het globaal bedrag van deze inkomens over een kalanderkwartaal hoger is dan 1762,82 euro.

Dit bedrag is gebonden aan de spilindex 103,14, van toepassing op 1 juni 1999 (basis 1996 = 100) en wordt aangepast aan de schommelingen van het indexcijfer overeenkomstig de wet van 2 augustus 1971 houdende inrichting van een stelsel waarbij de wedden, lonen, pensioenen, toelagen en tegemoetkomingen ten laste van de openbare Schatkist, sommige sociale uitkeringen, de bezoldigingsgrenzen waarmee rekening dient gehouden bij de berekening van sommige sociale bijdragen van de sociale zekerheid der arbeiders, alsmede de verplichtingen op sociaal gebied opgelegd aan de zelfstandigen, aan het indexcijfer worden gekoppeld.

Onder inkomens moeten de inkomens worden verstaan, voortvloeiend uit een beroepsbezigheid, die al naargelang het geval wordt bedoeld in artikel 23, § 1, 1°, 2° of 4°, of in artikel 228, § 2, 3° en 4°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, zelfs indien ze door een tussenpersoon wordt uitgeoefend, en iedere gelijkaardige bezigheid die wordt uitgeoefend in een vreemd land of in dienst van een internationale of supranationale organisatie.

Voor de toepassing van deze bepaling moet rekening worden gehouden met een twaalfde van het bedrag van de jaarlijks uitbetaalde voordelen, zoals de premies, de aandelen in de winst, de dertiende maand, de gratificaties, het dubbel vakantiegeld of de bedragen aan de werknemers betaald ter aanvulling van het dubbel vakantiegeld, alsmede het vakantiegeld of het aanvullend vakantiegeld uitbetaald aan de rechthebbenden op een rust- of overlevingspensioen. Het maandbedrag van het inkomen van niet in loondienst werkenden dat is bedoeld in artikel 23, § 1, 1° en 2°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, wordt fictief vastgesteld op een twaalfde van 100/80 van het verschil tussen de brutowinst of -baten en de desbetreffende bedrijfslasten. Het maandbedrag van het inkomen gevormd door uitkeringen of tegemoetkomingen als hiervoor bedoeld, die zijn uitgedrukt in een dagbedrag en waarop de rechthebbende aanspraak heeft over alle uitkeringsdagen van een bepaalde maand, wordt geacht overeen te stemmen met vorenbedoeld dagbedrag, vermenigvuldigd met 26; ingeval het gaat om uitkeringen wegens een tijdelijke arbeidsongeschiktheid, verleend krachtens de bepalingen van de wet van 10 april 1971 op de arbeidsongevallen of van de op 3 juni 1970 gecoördineerde wetten betreffende de schadeloosstelling voor beroepsziekten, dient het voormelde dagbedrag vermenigvuldigd te worden met 30.

Voor de toepassing van dit artikel wordt geen rekening gehouden met de anciënniteitstoeslag voor oudere werklozen, noch met de vergoeding ter aanvulling van de werkloosheidsuitkeringen toegekend krachtens de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 46 die is gesloten in de Nationale Arbeidsraad en algemeen bindend verklaard bij koninklijk besluit van 10 mei 1990.

De werkloze levert het bewijs dat hij een anciënniteitstoeslag geniet, met een verklaring opgesteld door de uitbetalingsinstelling van de werkloosheidsuitkeringen; het genot van een vergoeding ter aanvulling van de werkloosheidsuitkeringen bewijst hij met een verklaring opgesteld door de werkgever belast met de uitbetaling van deze vergoeding.

Evenmin wordt voor de toepassing van dit artikel rekening gehouden met de forfaitaire uitkeringstoeslag toegekend aan een werkloze die in het kader van een plaatselijk werkgelegenheidsagentschap tewerkgesteld is krachtens artikel 79 van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering.

Er wordt evenmin rekening gehouden met een tegemoetkoming die wordt toegekend om het verlies of vermindering van zelfredzaamheid op te vangen.)

(Er wordt evenmin rekening gehouden met:

het beroepsinkomen uit de zelfstandige activiteit van de echtgenote van wie de meewerkende echtgenoot, in plaats van voornoemde echtgenote, aan het sociaal statuut van de zelfstandigen is onderworpen, met toepassing van artikel 12 van het koninklijk besluit van 19 december 1967 houdende algemeen reglement in uitvoering van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen;

het deel van het beroepsinkomen dat met toepassing van artikel 86 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 wordt toegekend aan de meewerkende echtgenoot van de gerechtigde zelfstandige, bedoeld in artikel 32, eerste lid, 1°bis van de gecoördineerde wet;

de uitkeringen voor arbeidsongeschiktheid die worden toegekend aan de meewerkende echtgenoot van de gerechtigde zelfstandige die enkel onderworpen is aan de sectoren der uitkerings- en moederschapsverzekering van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, overeenkomstig artikel 7bis, §§ 2 en 3, van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen.)

Van deze uitsluiting wordt afgeweken ten voordele van:

-de in artikel 123, 3, bedoelde kinderen;

-(...)

-de personen die op 31 maart 1983 de volgende voorwaarden vervullen:

a)ingeschreven zijn als persoon ten laste;

b)de leeftijd van 60 of 65 jaar hebben bereikt naargelang het om een vrouw of een man gaat;

c)rechthebbende zijn op een tegemoetkoming van minder-valide, toegekend krachtens de wet van 27 juni 1969 betreffende de toekenning aan een tegemoetkoming aan de minder-validen, op grond van een ongeschiktheidsgraad van ten minste 70 pct., het vervullen van die voorwaarde wordt bewezen door een getuigschrift dat is afgeleverd door de Dienst voor minder-validen van het Ministerie van Sociale zaken.

Wordt niet als een vervangingsinkomen beschouwd het deel van het rustpensioen dat wettelijk aan de echtgenoot wordt toegekend in geval van feitelijke scheiding ten gevolge van een beschermingsmaatregel voordien in artikel 2 van de wet van 26 juni 1990 betreffende de bescherming van de persoon van de geesteszieke.

2°(de persoon die de hoedanigheid heeft van gerechtigde als bedoeld in artikel 32, eerste lid, 1° tot 16° (en 21°) van de gecoördineerde wet en zonder betaling van een persoonlijke bijdrage kan aanspraak maken op geneeskundige verstrekkingen.

De in artikel 32, eerste lid, 13°, 15° en 20° bedoelde gerechtigden, die zonder bijdragebetaling recht hebben op geneeskundige verstrekkingen, kunnen evenwel verkiezen zich als persoon ten laste in te schrijven, mits vervulling van de daartoe gestelde voorwaarden, en, voor wat de in artikel 32, eerste lid, 20° bedoelde wezen betreft, onder de voorwaarden omschreven in artikel 123, 3, d), e) en f)....

De gerechtigden die in deze hoedanigheid recht hebben op verzekeringstegemoetkomingen, maar overeenkomstig de twee voorgaande leden de mogelijkheid hebben te worden beschouwd als persoon ten laste, kunnen van deze mogelijkheid slechts gebruik maken vanaf de datum waarop het recht, dat zij als gerechtigde laten gelden, verder zou kunnen worden verlengd overeenkomstig artikel 123 van de gecoördineerde wet.)

3°de persoon die aanspraak kan maken op geneeskundige verstrekkingen krachtens zijn tewerkstelling in een nationale internationale of supranationale publiekrechtelijke instelling die zelf een regeling voor verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen organiseert waarbij haar personeel verplicht is aangesloten alsook de personen te zijnen laste, tenzij zij aanspraak kunnen maken op een bij deze afdeling bedoelde hoedanigheid van persoon ten laste (...);

(4° opgeheven)

4°de persoon die een zelfstandige activiteit heeft waarvan de beëindiging niet aan de verzekeringsinstelling meegedeeld werd door de Vrije Sociale Verzekeringskas voor zelfstandigen of door de Nationale Hulpkas en die indien hij in orde zou zijn met zijn bijdrageplicht krachtens het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende de inrichting van het sociaal statuut van der zelfstandigen, recht zou hebben op geneeskundige verstrekkingen zonder betaling van een aanvullende bijdrage.

De meewerkende echtgenoten die onder de toepassing van artikel 7bis, § 3 van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen vallen en de personen die genieten van de toepassing van artikel 37, § 1, van het koninklijk besluit van 19 december 1967 houdende algemeen reglement in uitvoering van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen kunnen evenwel verkiezen zich als persoon ten laste in te schrijven.

§ 2.De personen ten laste, in de zin van artikel 123, van een gerechtigde of van een werknemer, moeten deel uitmaken van zijn gezin, zij voldoen enkel aan deze verwaande wanneer zij dezelfde hoofdverblijfplaats in de zin van artikel 3, eerste lid, 5°, van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen, hebben als de gerechtigde.

Op die regel wordt een uitzondering gemaakt voor de in artikel 123, 1, bedoelde gescheiden echtgenoot of echtgenote en voor de kinderen die bij toepassing van artikel (123, 3,) ten laste zijn van de gerechtigde of werknemer. (Op die regel wordt tevens een uitzondering gemaakt voor de in artikel 123, 1, bedoelde echtgenoot of echtgenote, die een andere hoofdverblijfplaats heeft omdat in hoofde van deze echtgenoot of echtgenote of in hoofde van de gerechtigde krachtens een reglementaire bepaling een verplichting geldt de hoofdverblijfplaats op een bepaalde plaats te vestigen.) Op die regel wordt tevens een uitzondering gemaakt voor de in artikel 123, 1, bedoelde echtgenoot of echtgenote, de in artikel 123, 3, bedoelde kinderen, en de in artikel 123, 4, bedoelde ascendent van de gerechtigde bedoeld in artikel 32, eerste lid, 24° van de gecoordineerde wet die zijn hoofdverblijfplaats heeft in een gevangenis of een inrichting zoals bedoeld in artikel 3, 4°, a), b) of d) van de wet van 5 mei 2014 betreffende de internering.

De hoedanigheid van persoon ten laste wordt niet verloren wanneer die persoon tijdelijk niet langer deel uitmaakt van het gezin van de gerechtigde of werknemer.

Het niet langer deel uitmaken van het gezin van de gerechtigde of de werknemer wordt geacht tijdelijk te zijn:

-wanneer het ten hoogste drie maanden duurt;

-voor de gehele duur van de opneming ter verpleging in een verplegingsinrichting die erkend is met toepassing van de wet op de ziekenhuizen, gecoördineerd op 7 augustus 1987;

-(voor de gehele duur van het verblijf in een dienst of inrichting of in een rustoord voor bejaarden zoals bedoeld in artikel 34, 12° van de voormelde gecoördineerde wet en voor de duur van het verblijf in een psychiatrisch verzorgingstehuis, bedoeld in artikel 34, 11° van de gecoördineerde wet;)

-voor de gehele duur van het verblijf in een rust- en verzorgingstehuis dat erkend is met toepassing van de wet van 27 juni 1978 tot wijziging van de wetgeving op de ziekenhuizen en betreffende andere vormen van verzorging;

-voor de gehele duur van de opsluiting in een gevangenis of plaatsing in een inrichting zoals bedoeld in artikel 3, 4°, a), b) of d) van de wet van 5 mei 2014 betreffende de internering.

(lid opgeheven)

§ 3.(Het bewijs van het in § 2 bedoeld samenwonen, volgt uit de informatie die is bedoeld in artikel 3, eerste lid, 5°, van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen, en die bij het Rijksregister is verkregen.

In afwijking op het vorige lid, mag de huwelijksakte evenwel als bewijs van het samenwonen van de echtgenoten dienen, in afwachting van de aanpassing van de vorenbedoelde gegevens van het Rijksregister ten gevolge van de samenwoning, en voor zover de echtgenoten dit daadwerkelijk aangevraagd hebben aan hun gemeentelijke overheid.

Ook in afwijking op het eerste lid, wordt de voorwaarde tot samenwoning verondersteld te zijn behouden tussen een gerechtigde en zijn persoon ten laste voor een periode van maximaal twee kalenderkwartalen in geval van ambtshalve schrapping uit het Rijksregister van de natuurlijke personen, die zowel de gerechtigde als zijn persoon ten laste betreft, onder dezelfde schrappingscode en op dezelfde datum. De voorwaarde van samenwoning wordt echter niet verondersteld te worden behouden als de ambtshalve schrapping het gevolg is van hun vertrek naar het buitenland of het verlies van hun verblijfsvergunning.

Art. 125

Bij betwisting tussen gerechtigden omtrent de vraag bij wie een kind als persoon ten laste moet worden ingeschreven, wordt het kind, overeenkomstig artikel 126 van de gecoördineerde wet bij voorrang ingeschreven als persoon ten laste van de oudste gerechtigde.

Bij gerechtigden die niet onder hetzelfde dak wonen, wordt het kind bij voorkeur ingeschreven als persoon ten laste ten aanzien van de gerechtigde die met hem samenwoont.

Art. 126

§ 1.De rechthebbende die op 1 januari 2008 zijn hoedanigheid van persoon ten laste behoudt, blijft ingeschreven als persoon ten laste van de persoon bij wie hij op 31 december 2007 was ingeschreven, behalve indien de inschrijving ten laste van een andere gerechtigde schriftelijk aan de verzekeringsinstelling van die andere gerechtigde wordt aangevraagd.

§ 2.Wanneer een kind ten laste van verschillende gerechtigden in de hoedanigheid van kind kan worden ingeschreven, zal het verzoek om hem ten laste van een andere gerechtigde in te schrijven, pas uitwerking hebben op 1 januari van het jaar dat volgt op dat waarin dat verzoek werd ingediend bij de verzekeringsinstelling van die andere gerechtigde.

In geval van wijziging van de situatie van het kind tijdens de periode tussen de indiening van het voormelde verzoek en 1 januari van het jaar dat volgt op dat waarin het verzoek werd ingediend, zal het verzoek echter onmiddellijk uitwerking hebben met inachtneming van de reglementaire bepalingen die van toepassing zijn.

Art. 127

De personen ten laste die hun hoedanigheid verliezen, kunnen verder geneeskundige verstrekkingen genieten tot 31 december van het jaar dat volgt op datgene waarin zij hun hoedanigheid verloren.

Voor de in artikel 205, §1, 3° bedoelde personen ten laste die deze hoedanigheid verliezen, kan de in het eerste lid bedoelde periode desgevallend verlengd worden tot het einde van de aldaar vastgestelde tijdvakken.

De in het eerste lid bedoelde periode kan eveneens verlengd worden voor de niet in artikel 205, §1, 3° bedoelde personen ten laste die hun hoedanigheid van persoon ten laste verliezen, voor het tijdvak van ten hoogste zes maanden dat ligt tussen de beëindiging of onderbreking van de studies en het verkrijgen van de hoedanigheid van gerechtigde in de zin van artikel 32, eerste lid, 1°, 13°, 14° of 15° van de gecoördineerde wet.

Het behoud van het genot op verstrekkingen zoals dit in deze bepaling is voorzien, wordt slechts toegekend voor zover niet uit hoofde van een hoedanigheid van gerechtigde als bedoeld in artikel 32, eerste lid, 1° tot 12°, 16°, 20°, 21° en 24° van de voormelde gecoördineerde wet, of uit hoofde van de hoedanigheid van persoon ten laste recht op verstrekkingen kan bestaan. (...)

Art. 128

(Onder kinderen van gerechtigden als bedoeld in artikel 32, eerste lid, 20°, van de gecoördineerde wet worden verstaan de kinderen of geadopteerde kinderen van een gerechtigde of van de persoon in wier geboorteakte de naam van een gerechtigde is vermeld en van wie die gerechtigde bij zijn overlijden de overlevende van hun vader en moeder of hun enige natuurlijke ouder was.)

Deze bepaling geldt zelfs wanneer de kinderen op het tijdstip van dat overlijden, persoon ten laste van en andere gerechtigde zouden geweest zijn.

Art. 128bis

Onder gerechtigden als bedoeld in artikel 32, eerste lid, 12° van de gecoördineerde wet worden verstaan de personen bedoeld in artikel 2, §1, 1°, 2°, 3°, 2) en 4° van het decreet van 4 augustus 1959 op de verzekering voor gezondheidszorg van de administratieve en militaire ambtenaren en gewezen ambtenaren, van de beroepsmagistraten, van de ambtenaren en gewezen ambtenaren van de rechterlijke orde en van de gerechtelijke politie bij de parketten, die zich op 31 december 1993 nog effektief op de verplichtingen van de Staat voortvloeiend uit artikel 37, derde lid, van de wet van 28 december 1973 betreffende de budgettaire voorstellen 1973-1974 kan beroepen en dit bewijst aan de hand van een attest, conform het model in bijlage II bij dit besluit, verstrekt door de administratie van pensioenen van het Ministerie van Financiën.

Art. 128ter

Onder gerechtigden als bedoeld in artikel 32, eerste lid, 13° van de gecoördineerde wet worden verstaan, de personen die hun hoofdverblijfplaats in België hebben en:

-ofwel, de leeftijd van vijftien jaar bereikt hebben en vóór de leeftijd van vijfenzestig jaar ongeschikt zijn erkend door een arts-inspecteur van de Dienst voor geneeskundige controle, tot het verrichten van arbeid ter verkrijging van inkomen voor een vermoedelijke duur van tenminste één jaar, wegens letsels of functionele stoornissen die leiden tot een onvermogen tot verdienen van twee derden of meer dan twee derden van wat een persoon van dezelfde stand en opleiding kan verdienen door zijn werkzaamheid.

De arts-inspecteur stelt de duur van de arbeidsongeschiktheid vast en geeft aan de belanghebbende kennis van zijn beslissing binnen de maand volgend op de datum van het onderzoek.

De arts-inspecteur gaat tot een nieuw onderzoek over binnen dertig dagen voor het einde van de vroeger erkende periode van arbeidsongeschiktheid.

Worden geacht verder arbeidsongeschikt te zijn, de personen waarvan de arbeidsongeschiktheid erkend werd tot de leeftijd van vijfenzestig jaar.

De arbeidsongeschiktheid wordt vastgesteld op schriftelijke aanvraag, gericht aan de Leidend ambtenaar van de dienst voor geneeskundige controle, door de betrokkene of door de persoon die wettelijk gemachtigd is voor hem op te treden.

-ofwel, de in toepassing van artikel 2, §1 van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen (aan personen met een handicap) vereiste ongeschiktheidserkenning bezitten om het recht op de in die bepaling bedoelde inkomensvervangende tegemoetkoming te genieten of de in toepassing van het voormelde artikel 2, §2 of § 3 vereiste vermindering van de zelfredzaamheid bezitten om het recht op de in die bepalingen bedoelde integratietegemoetkoming of tegemoetkoming voor hulp aan bejaarden te genieten;

-(ofwel, de leeftijd van 15 jaar hebben bereikt, en die op grond van een lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid van ten minste 66 %, de medische voorwaarden vervullen om het recht te openen op kinderbijslag waarvan het bedrag is verhoogd overeenkomstig artikel 47 van de gecoördineerde wetten betreffende de kinderbijslagen voor loonarbeiders) (of in artikel 20 van het koninklijk besluit van 8 april 1976 houdende regeling van de gezinsbijslag ten voordele van de zelfstandigen.)

De hoedanigheid van gerechtigde van artikel 32, eerste lid, 13°, van de gecoördineerde wet gaat niet verloren voor personen die ambtshalve zijn geschrapt uit het Rijksregister van de natuurlijke personen, op voorwaarde dat de duur van de schrapping niet drie kalenderkwartalen bereikt. Deze uitzondering geldt echter niet voor personen die ambtshalve worden geschrapt als gevolg van hun vertrek naar het buitenland of als gevolg van het verlies van hun verblijfsvergunning.

Art. 128quater

Om te worden beschouwd als studenten die onderwijs van het derde niveau volgen in een instelling voor dagonderwijs, zoals bedoeld in artikel 32, eerste lid, 14° van de gecoordineerde wet, dienen de betrokken studenten ingeschreven te zijn en leergangen te volgen in een in België gevestigde onderwijsinstelling, (die voorkomt op een lijst die wordt opgemaakt door de Dienst voor administratieve controle, die daartoe samenwerkt met de voor dat onderwijs bevoegde overheden). De hier bedoelde studenten behouden hun hoedanigheid bij afloop van een schooljaar, tot het begin van het volgende schooljaar.

De voormelde onderwijsinstellingen leveren aan de studenten, ter gelegenheid van hun inschrijving, een schriftelijke verwittiging af waarvan het model wordt opgemaakt door de Dienst voor administratieve controle en waarin de betrokken studenten erop worden gewezen dat zij als student die onderwijs van het derde niveau volgt, de hoedanigheid van gerechtigde kunnen bezitten en als dusdanig, mits betaling van een bijdrage en vervulling van andere toekenningsvoorwaarden, gesteld door de gecoördineerde wet en haar uitvoeringsbesluiten, het recht op verzekeringstegemoetkomingen kunnen laten gelden.

Art. 128quinquies

§ 1.De hierna opgesomde personen zijn niet uitgesloten uit het toepassingsgebied van artikel 32, eerste lid, 15° van de gecoördineerde wet:

-de vreemdelingen die, van rechtswege, toegelaten of gemachtigd zijn tot een verblijf van meer dan drie maanden in het Rijk;

-de vreemdelingen die gemachtigd zijn tot verblijf voor een onbepaalde duur of die gevestigd zijn in het Rijk;

-de kandidaat vluchtelingen waarvan de aanvraag ontvankelijk werd verklaard door de Dienst vreemdelingenzaken of door het Commisariaat generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen.

-de personen die, in afwachting van hun inschrijving in het Rijksregister van de natuurlijke personen, aantonen dat zij de verklaring hebben verricht, bedoeld in artikel 7 van het koninklijk besluit van 16 juli 1992 met betrekking tot de bevolkingsregisters en de vreemdelingenregisters, door middel van een getuigschrift van de gemeentelijke overheid of door middel van elk ander bewijsmiddel dat als dusdanig erkend wordt door de Leidend ambtenaar van de Dienst voor administratieve controle;

(- de kinderen die op het moment van de aankomst in België de leeftijd van 18 jaar niet hebben bereikt en de personen die hen begeleiden van wie wordt aangetoond dat ze tot het Belgisch grondgebied zijn toegelaten vanaf 14 januari 2009, voor de duur van de zorgen in het kader van de door de Belgische Regering georganiseerde evacuatieoperatie van kinderen die gewond werden in de gevechten van Gaza. De betrokken zorgen worden integraal door de verzekering ten laste genomen.)

§ 2.De hoedanigheid van gerechtigde van artikel 32, eerste lid, 15°, van de gecoördineerde wet gaat niet verloren voor personen die ambtshalve worden geschrapt uit het Rijksregister van de natuurlijke personen, op voorwaarde dat de duur van de schrapping niet drie kalenderkwartalen bereikt. Dezelfde uitzondering geldt voor personen die genoten van geneeskundige prestaties in een andere hoedanigheid van gerechtigde van artikel 32, eerste lid, terwijl ze voldeden aan de voorwaarden van de hoedanigheid, bedoeld in 15°. Deze uitzondering geldt echter niet voor personen die ambtshalve worden geschrapt als gevolg van hun vertrek naar het buitenland of als gevolg van het verlies van hun verblijfsvergunning.

Art. 128sexies

Voor de gerechtigden bedoeld in artikel 32, eerste lid, 22°, van de gecoördineerde wet, worden de tussenkomsten van de Openbare Centra voor Maatschappelijk Welzijn in de kosten van geneeskundige verzorging hierbij niet beschouwd als een regeling van verzekering voor geneeskundige verzorging. Een materiële tenlasteneming door het Federaal Agentschap voor opvang van asielzoekers of een instelling van de gemeenschappen, zoals nader omschreven door de Dienst voor administratieve controle, wordt evenmin als een regeling van verzekering voor geneeskundige verzorging beschouwd.

De Dienst voor administratieve controle stelt de bewijsmiddelen vast voor de hoedanigheid van gerechtigde en voor de situaties die hen toelaten deze hoedanigheid te verwerven.