§ 1.Als persoon ten laste kan evenwel niet worden beschouwd:
1°(De persoon die beschikt over een inkomen, pensioen, rente, tegemoetkoming of uitkering krachtens een Belgische of buitenlandse wetgeving, voor zover het globaal bedrag van deze inkomens over een kalanderkwartaal hoger is dan 1762,82 euro.
Dit bedrag is gebonden aan de spilindex 103,14, van toepassing op 1 juni 1999 (basis 1996 = 100) en wordt aangepast aan de schommelingen van het indexcijfer overeenkomstig de wet van 2 augustus 1971 houdende inrichting van een stelsel waarbij de wedden, lonen, pensioenen, toelagen en tegemoetkomingen ten laste van de openbare Schatkist, sommige sociale uitkeringen, de bezoldigingsgrenzen waarmee rekening dient gehouden bij de berekening van sommige sociale bijdragen van de sociale zekerheid der arbeiders, alsmede de verplichtingen op sociaal gebied opgelegd aan de zelfstandigen, aan het indexcijfer worden gekoppeld.
Onder inkomens moeten de inkomens worden verstaan, voortvloeiend uit een beroepsbezigheid, die al naargelang het geval wordt bedoeld in artikel 23, § 1, 1°, 2° of 4°, of in artikel 228, § 2, 3° en 4°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, zelfs indien ze door een tussenpersoon wordt uitgeoefend, en iedere gelijkaardige bezigheid die wordt uitgeoefend in een vreemd land of in dienst van een internationale of supranationale organisatie.
Voor de toepassing van deze bepaling moet rekening worden gehouden met een twaalfde van het bedrag van de jaarlijks uitbetaalde voordelen, zoals de premies, de aandelen in de winst, de dertiende maand, de gratificaties, het dubbel vakantiegeld of de bedragen aan de werknemers betaald ter aanvulling van het dubbel vakantiegeld, alsmede het vakantiegeld of het aanvullend vakantiegeld uitbetaald aan de rechthebbenden op een rust- of overlevingspensioen. Het maandbedrag van het inkomen van niet in loondienst werkenden dat is bedoeld in artikel 23, § 1, 1° en 2°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, wordt fictief vastgesteld op een twaalfde van 100/80 van het verschil tussen de brutowinst of -baten en de desbetreffende bedrijfslasten. Het maandbedrag van het inkomen gevormd door uitkeringen of tegemoetkomingen als hiervoor bedoeld, die zijn uitgedrukt in een dagbedrag en waarop de rechthebbende aanspraak heeft over alle uitkeringsdagen van een bepaalde maand, wordt geacht overeen te stemmen met vorenbedoeld dagbedrag, vermenigvuldigd met 26; ingeval het gaat om uitkeringen wegens een tijdelijke arbeidsongeschiktheid, verleend krachtens de bepalingen van de wet van 10 april 1971 op de arbeidsongevallen of van de op 3 juni 1970 gecoördineerde wetten betreffende de schadeloosstelling voor beroepsziekten, dient het voormelde dagbedrag vermenigvuldigd te worden met 30.
Voor de toepassing van dit artikel wordt geen rekening gehouden met de anciënniteitstoeslag voor oudere werklozen, noch met de vergoeding ter aanvulling van de werkloosheidsuitkeringen toegekend krachtens de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 46 die is gesloten in de Nationale Arbeidsraad en algemeen bindend verklaard bij koninklijk besluit van 10 mei 1990.
De werkloze levert het bewijs dat hij een anciënniteitstoeslag geniet, met een verklaring opgesteld door de uitbetalingsinstelling van de werkloosheidsuitkeringen; het genot van een vergoeding ter aanvulling van de werkloosheidsuitkeringen bewijst hij met een verklaring opgesteld door de werkgever belast met de uitbetaling van deze vergoeding.
Evenmin wordt voor de toepassing van dit artikel rekening gehouden met de forfaitaire uitkeringstoeslag toegekend aan een werkloze die in het kader van een plaatselijk werkgelegenheidsagentschap tewerkgesteld is krachtens artikel 79 van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering.
Er wordt evenmin rekening gehouden met een tegemoetkoming die wordt toegekend om het verlies of vermindering van zelfredzaamheid op te vangen.)
(Er wordt evenmin rekening gehouden met:
het beroepsinkomen uit de zelfstandige activiteit van de echtgenote van wie de meewerkende echtgenoot, in plaats van voornoemde echtgenote, aan het sociaal statuut van de zelfstandigen is onderworpen, met toepassing van artikel 12 van het koninklijk besluit van 19 december 1967 houdende algemeen reglement in uitvoering van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen;
het deel van het beroepsinkomen dat met toepassing van artikel 86 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 wordt toegekend aan de meewerkende echtgenoot van de gerechtigde zelfstandige, bedoeld in artikel 32, eerste lid, 1°bis van de gecoördineerde wet;
de uitkeringen voor arbeidsongeschiktheid die worden toegekend aan de meewerkende echtgenoot van de gerechtigde zelfstandige die enkel onderworpen is aan de sectoren der uitkerings- en moederschapsverzekering van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, overeenkomstig artikel 7bis, §§ 2 en 3, van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen.)
Van deze uitsluiting wordt afgeweken ten voordele van:
-de in artikel 123, 3, bedoelde kinderen;
-(...)
-de personen die op 31 maart 1983 de volgende voorwaarden vervullen:
a)ingeschreven zijn als persoon ten laste;
b)de leeftijd van 60 of 65 jaar hebben bereikt naargelang het om een vrouw of een man gaat;
c)rechthebbende zijn op een tegemoetkoming van minder-valide, toegekend krachtens de wet van 27 juni 1969 betreffende de toekenning aan een tegemoetkoming aan de minder-validen, op grond van een ongeschiktheidsgraad van ten minste 70 pct., het vervullen van die voorwaarde wordt bewezen door een getuigschrift dat is afgeleverd door de Dienst voor minder-validen van het Ministerie van Sociale zaken.
Wordt niet als een vervangingsinkomen beschouwd het deel van het rustpensioen dat wettelijk aan de echtgenoot wordt toegekend in geval van feitelijke scheiding ten gevolge van een beschermingsmaatregel voordien in artikel 2 van de wet van 26 juni 1990 betreffende de bescherming van de persoon van de geesteszieke.
2°(de persoon die de hoedanigheid heeft van gerechtigde als bedoeld in artikel 32, eerste lid, 1° tot 16° (en 21°) van de gecoördineerde wet en zonder betaling van een persoonlijke bijdrage kan aanspraak maken op geneeskundige verstrekkingen.
De in artikel 32, eerste lid, 13°, 15° en 20° bedoelde gerechtigden, die zonder bijdragebetaling recht hebben op geneeskundige verstrekkingen, kunnen evenwel verkiezen zich als persoon ten laste in te schrijven, mits vervulling van de daartoe gestelde voorwaarden, en, voor wat de in artikel 32, eerste lid, 20° bedoelde wezen betreft, onder de voorwaarden omschreven in artikel 123, 3, d), e) en f)....
De gerechtigden die in deze hoedanigheid recht hebben op verzekeringstegemoetkomingen, maar overeenkomstig de twee voorgaande leden de mogelijkheid hebben te worden beschouwd als persoon ten laste, kunnen van deze mogelijkheid slechts gebruik maken vanaf de datum waarop het recht, dat zij als gerechtigde laten gelden, verder zou kunnen worden verlengd overeenkomstig artikel 123 van de gecoördineerde wet.)
3°de persoon die aanspraak kan maken op geneeskundige verstrekkingen krachtens zijn tewerkstelling in een nationale internationale of supranationale publiekrechtelijke instelling die zelf een regeling voor verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen organiseert waarbij haar personeel verplicht is aangesloten alsook de personen te zijnen laste, tenzij zij aanspraak kunnen maken op een bij deze afdeling bedoelde hoedanigheid van persoon ten laste (...);
(4° opgeheven)
4°de persoon die een zelfstandige activiteit heeft waarvan de beëindiging niet aan de verzekeringsinstelling meegedeeld werd door de Vrije Sociale Verzekeringskas voor zelfstandigen of door de Nationale Hulpkas en die indien hij in orde zou zijn met zijn bijdrageplicht krachtens het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende de inrichting van het sociaal statuut van der zelfstandigen, recht zou hebben op geneeskundige verstrekkingen zonder betaling van een aanvullende bijdrage.
De meewerkende echtgenoten die onder de toepassing van artikel 7bis, § 3 van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen vallen en de personen die genieten van de toepassing van artikel 37, § 1, van het koninklijk besluit van 19 december 1967 houdende algemeen reglement in uitvoering van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen kunnen evenwel verkiezen zich als persoon ten laste in te schrijven.
§ 2.De personen ten laste, in de zin van artikel 123, van een gerechtigde of van een werknemer, moeten deel uitmaken van zijn gezin, zij voldoen enkel aan deze verwaande wanneer zij dezelfde hoofdverblijfplaats in de zin van artikel 3, eerste lid, 5°, van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen, hebben als de gerechtigde.
Op die regel wordt een uitzondering gemaakt voor de in artikel 123, 1, bedoelde gescheiden echtgenoot of echtgenote en voor de kinderen die bij toepassing van artikel (123, 3,) ten laste zijn van de gerechtigde of werknemer. (Op die regel wordt tevens een uitzondering gemaakt voor de in artikel 123, 1, bedoelde echtgenoot of echtgenote, die een andere hoofdverblijfplaats heeft omdat in hoofde van deze echtgenoot of echtgenote of in hoofde van de gerechtigde krachtens een reglementaire bepaling een verplichting geldt de hoofdverblijfplaats op een bepaalde plaats te vestigen.) Op die regel wordt tevens een uitzondering gemaakt voor de in artikel 123, 1, bedoelde echtgenoot of echtgenote, de in artikel 123, 3, bedoelde kinderen, en de in artikel 123, 4, bedoelde ascendent van de gerechtigde bedoeld in artikel 32, eerste lid, 24° van de gecoordineerde wet die zijn hoofdverblijfplaats heeft in een gevangenis of een inrichting zoals bedoeld in artikel 3, 4°, a), b) of d) van de wet van 5 mei 2014 betreffende de internering.
De hoedanigheid van persoon ten laste wordt niet verloren wanneer die persoon tijdelijk niet langer deel uitmaakt van het gezin van de gerechtigde of werknemer.
Het niet langer deel uitmaken van het gezin van de gerechtigde of de werknemer wordt geacht tijdelijk te zijn:
-wanneer het ten hoogste drie maanden duurt;
-voor de gehele duur van de opneming ter verpleging in een verplegingsinrichting die erkend is met toepassing van de wet op de ziekenhuizen, gecoördineerd op 7 augustus 1987;
-(voor de gehele duur van het verblijf in een dienst of inrichting of in een rustoord voor bejaarden zoals bedoeld in artikel 34, 12° van de voormelde gecoördineerde wet en voor de duur van het verblijf in een psychiatrisch verzorgingstehuis, bedoeld in artikel 34, 11° van de gecoördineerde wet;)
-voor de gehele duur van het verblijf in een rust- en verzorgingstehuis dat erkend is met toepassing van de wet van 27 juni 1978 tot wijziging van de wetgeving op de ziekenhuizen en betreffende andere vormen van verzorging;
-voor de gehele duur van de opsluiting in een gevangenis of plaatsing in een inrichting zoals bedoeld in artikel 3, 4°, a), b) of d) van de wet van 5 mei 2014 betreffende de internering.
(lid opgeheven)
§ 3.(Het bewijs van het in § 2 bedoeld samenwonen, volgt uit de informatie die is bedoeld in artikel 3, eerste lid, 5°, van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen, en die bij het Rijksregister is verkregen.
In afwijking op het vorige lid, mag de huwelijksakte evenwel als bewijs van het samenwonen van de echtgenoten dienen, in afwachting van de aanpassing van de vorenbedoelde gegevens van het Rijksregister ten gevolge van de samenwoning, en voor zover de echtgenoten dit daadwerkelijk aangevraagd hebben aan hun gemeentelijke overheid.
Ook in afwijking op het eerste lid, wordt de voorwaarde tot samenwoning verondersteld te zijn behouden tussen een gerechtigde en zijn persoon ten laste voor een periode van maximaal twee kalenderkwartalen in geval van ambtshalve schrapping uit het Rijksregister van de natuurlijke personen, die zowel de gerechtigde als zijn persoon ten laste betreft, onder dezelfde schrappingscode en op dezelfde datum. De voorwaarde van samenwoning wordt echter niet verondersteld te worden behouden als de ambtshalve schrapping het gevolg is van hun vertrek naar het buitenland of het verlies van hun verblijfsvergunning.