(opgeheven)
TITEL II - Verzekering voor geneeskundige verzorging. › HOOFDSTUK III - Voorwaarden tot toekenning van de prestaties.
Afdeling IV - Persoonlijke bijdrage van de gerechtigden, bedoeld in artikel 32, eerste lid, 12°, 14°, 15°, 21°, 22° en 24° van de gecoördineerde wet.
132–136bis
Art. 133
De in artikel 32, eerste lid, 14° van de gecoördineerde wet bedoelde gerechtigde is een trimestriële bijdrage verschuldigd van (43,11 EUR).
Deze bijdrage is verschuldigd voor elk kwartaal waarin de voormelde hoedanigheid van gerechtigde bestaat en zulks vanaf het kwartaal waarin de voormelde hoedanigheid van gerechtigde werd verworven.
(Het bedrag van deze bijdrage is gekoppeld aan het indexcijfer 104,06 (basis 1996 = 100) van de consumptieprijzen bereikt op 31 oktober 1999.) Het bedrag wordt op 1 januari van elk jaar aangepast aan de hoegrootheid van het op 31 oktober van het voorgaande jaar bereikte indexcijfer van de consumptieprijzen. (...).
Art. 134
De in artikel 32, eerste lid, 15° van de gecoördineerde wet bedoelde gerechtigde is een trimestriële bijdrage verschuldigd van (508,53 EUR).
Deze bijdrage is verschuldigd voor elk kwartaal waarin de voormelde hoedanigheid bestaat en zulks vanaf het kwartaal waarin de voormelde hoedanigheid werd verworven.
Het in het eerste lid bedoelde bedrag wordt verminderd tot 254,26 EUR wanneer de gerechtigde het bewijs levert dat het totaal jaarlijks bedrag van de inkomsten van zijn gezin, vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in artikel 27 van het koninklijk besluit van 15 januari 2014 betreffende de verhoogde verzekeringstegemoetkoming, bedoeld in artikel 37, § 19, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, lager is dan 25.285,14 EUR.
Het zoëven genoemde bedrag van (25 285,14 EUR), (dat gekoppeld is aan het spilindexcijfer 103,14 (basis 1996 = 100)), wordt aangepast aan de evolutie van de spilindex van de consumptieprijzen op dezelfde wijze als de inkomensgrenzen van de rechthebbenden op de verhoogde verzekeringstegemoetkoming, van de publieke en private sector, zoals voorzien in het voormelde koninklijk besluit.... <KB 2001-12-11/45, art. 14, 071; Inwerkingtreding: 01-01-2002 >
Het in het eerste lid bedoelde bedrag wordt verminderd tot (43,11 EUR) wanneer de gerechtigde het bewijs levert dat het totaal jaarlijks bedrag van de inkomsten van zijn gezin, vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in artikel 27 van het voornoemde koninklijk besluit van 15 januari 2014, lager is dan het bedrag bedoeld in artikel 21 van hetzelfde besluit.
(De gerechtigde, bedoeld in het voormelde artikel 32, eerste lid, 15° is vrijgesteld van bijdragebetaling indien hij het bewijs levert dat het totaal jaarlijks bedrag van de inkomsten van zijn gezin, vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in artikel 27 van het voornoemde koninklijk besluit van 15 januari 2014, lager is dan het bedrag bedoeld in artikel 17), niet hoger is dan het bedrag (voor een persoon die samenwoont met een gezin te zijnen laste, zoals bedoeld in artikel 14, § 1, 3°) van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie. Dit bedrag wordt geïndexeerd overeenkomstig de nadere regels die van toepassing zijn in het kader van de voornoemde wet van 26 mei 2002.)
Het in het derde, vijfde en zesde lid bedoelde bewijs wordt geleverd door ondertekening van een verklaring op erewoord, zoals opgenomen in bijlage 2 van het voornoemde koninklijk besluit van 15 januari 2014; de juistheid van de verklaring wordt nagegaan door de Dienst voor administratieve controle, volgens de modaliteiten die deze Dienst bepaalt. De in de zoëven genoemde leden bedoelde gerechtigden zijn ertoe gehouden binnen de dertig dagen hun verzekeringsinstelling op de hoogte te brengen van elke wijziging die een verhoging van de inkomens tot gevolg heeft, met uitzondering van een wijziging in de informatiegegevens, bedoeld bij artikel 3, eerste lid, van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van het Rijksregister van de natuurlijke personen, voor zover ze die wijziging aan het bevoegde gemeentebestuur hebben meegedeeld. De verzekeringsinstelling zal bestendig rekening houden met elke wijziging in de samenstelling van het gezin van de voormelde gerechtigden. Aan de hand van de aldus bekomen gegevens, zal de toegekende vermindering van het bijdragebedrag opnieuw worden onderzocht en eventueel worden ingetrokken de eerste dag van het tweede kwartaal na dat waarin één van de wijzigingen heeft plaatsgehad.
Hetgeen is bepaald in de artikelen 21 en 25 van het voornoemde koninklijk besluit van 15 januari 2014 in verband met de verhoging van het grensbedrag en de inkomens waarmee rekening moet worden gehouden is eveneens van toepassing op de vaststelling van de grensbedragen en de inkomens waarmee voor de toepassing van dit artikel rekening moet worden gehouden.
De in artikel 32, eerste lid, 15° van de gecoördineerde wet bedoelde gerechtigde, die recht heeft op de verhoogde verzekeringstegemoetkoming bedoeld in artikel 37, § 19, van de wet, is vrijgesteld van bijdragebetaling. De voormelde gerechtigde geniet deze vrijstelling van bijdragebetaling zolang hij van de verhoogde verzekeringstegemoetkoming geniet....
(Het bedrag van de in dit artikel bepaalde bijdragen is gekoppeld aan het indexcijfer 104,06 (basis 1996 = 100) van de consumptieprijzen bereikt op 31 oktober 1999.) Het wordt op 1 januari van elk jaar aangepast aan de hoegrootheid van het op 31 oktober van het voorgaande jaar bereikte indexcijfer van de consumptieprijzen.
Art. 135
Een inhouding van (29,33 EUR) per trimester wordt gedaan op het pensioen van de in artikel 32, eerste lid, 12° van de gecoördineerde wet bedoelde gerechtigden. Deze inhouding wordt verricht door het Ministerie van Financiën en de opbrengst ervan wordt overgemaakt aan het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering. De voormelde gerechtigden, die geen dusdanig pensioen genieten, zijn ertoe gehouden aan hun ziekenfonds of de Gewestelijke dienst een trimestriële bijdrage van (29,33 EUR) te betalen.
(Het bedrag van de inhouding of bijdrage bedoeld in het eerste lid is gekoppeld aan het indexcijfer 104,06 (basis 1996 = 100) van de consumptieprijzen bereikt op 31 oktober 1999.) Het wordt op 1 januari van elk jaar aangepast aan de hoegrootheid van het op 31 oktober van het voorgaande jaar bereikte indexcijfer van de consumptieprijzen. (...).
Art. 136
De persoon die de hoedanigheid heeft van gerechtigde, bedoeld in artikel 32, eerste lid, 22° of 24° van de gecoördineerde wet, kan aanspraak maken op geneeskundige verstrekkingen zonder betaling van een persoonlijke bijdrage.
Art. 136bis
De gerechtigde, bedoeld in artikel 32, eerste lid, 21°, van de gecoördineerde wet is een driemaandelijkse bijdrage van 65,12 euro verschuldigd. Dat bedrag wordt verlaagd tot 18,62 euro voor de gerechtigden die de leeftijd van 65 jaar hebben bereikt. Dat bedrag is van toepassing vanaf het kwartaal waarin zij die leeftijd hebben bereikt.
Die bedragen zijn gekoppeld aan het indexcijfer van de consumptieprijzen 104,06 (basis 1996 = 100) bereikt op 31 oktober 1999. Die bedragen worden op 1 januari van elk jaar aangepast aan de hoegrootheid die het indexcijfer van de consumptieprijzen heeft bereikt op 31 oktober van het voorgaande jaar.
Worden echter vrijgesteld van de betaling van elke bijdrage, de voormelde gerechtigden die recht hebben op een van de voordelen die zijn gespecificeerd in artikel 37, § 19, 1°, 2° of 3°, van de gecoördineerde wet. De voormelde gerechtigden zijn vrijgesteld van de betaling van bijdragen onder dezelfde voorwaarden en voor dezelfde periode als die welke, overeenkomstig de artikelen 6 tot 9 van het besluit van 1 april 2007 tot vaststelling van de voorwaarden voor de toekenning van de verhoogde verzekeringstegemoetkoming, bedoeld in artikel 37, §§ 1 en 19, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994. en tot invoering van het OMNIO-statuut, van toepassing zijn voor de toekenning van het recht op een verhoogde verzekeringstegemoetkoming in geval van recht op een van de voormelde voordelen.
Die bijdrage is verschuldigd voor elk kwartaal tijdens hetwelk de voornoemde hoedanigheid van gerechtigde bestaat en vanaf het kwartaal in de loop waarvan die hoedanigheid is verworven. De bijdrage is evenwel niet verschuldigd gedurende de periode tijdens welke de gerechtigde door de geestelijke overheid waarvan hij afhangt, naar het buitenland wordt gestuurd.