De tijdvakken van rust bedoeld in artikel 114 kunnen enkel als dusdanig in aanmerking worden genomen op voorwaarde dat de gerechtigde alle werkzaamheid of de gecontroleerde werkloosheid heeft onderbroken.
De voorwaarde bedoeld in het eerste lid is niet van toepassing:
1°gedurende het tijdvak waarin de gerechtigde gebruik maakt van de mogelijkheid bedoeld in artikel 114, zesde lid;
2°gedurende het tijdvak van verlenging van de nabevallingsrust ten belope van de tijdvakken waarin de werkneemster een werkzaamheid gedurende een in artikel 114bis bedoelde periode van moederschapsbe-scherming heeft uitgeoefend of een aangepaste werkzaamheid gedurende haar arbeidsongeschiktheid onder de in artikel 100, § 2, bedoelde voorwaarden heeft hervat, van de zesde week of de achtste week in geval van de geboorte van een meerling, tot en met de tweede week voorafgaand aan de bevalling.
Worden vanaf de vijftiende dag te rekenen vanaf de dag van de bevalling echter niet als werkzaamheid bedoeld in het eerste lid in aanmerking genomen en kunnen dus worden verricht, de activiteiten in het kader van:
1°de uitoefening van vrijwilligerswerk, bedoeld in de wet van 3 juli 2005 betreffende de rechten van vrijwilligers;
2°een mandaat van gemeenteraadslid;
3°een mandaat van lid van een raad voor maatschappelijk welzijn;
4°een mandaat van raadslid van een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn;
5°een mandaat van lid van een bijzonder comité voor de sociale dienst;
6°een mandaat van raadslid van een politiezone;
7°een mandaat van lid van een districtraad;
8°een mandaat als vertegenwoordiger van een gemeente of een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn;
9°een mandaat van provincieraadslid;
10°een mandaat als vertegenwoordiger van een provincie.
In het kader van de uitoefening van vrijwilligerswerk bedoeld in het derde lid, 1°, wordt een attest van de organisatie waarbij de gerechtigde het vrijwilligerswerk verricht voorafgaandelijk als bewijs aan de verzekeringsinstelling bezorgd.
In het kader van de uitoefening van een politiek mandaat bedoeld in het derde lid, 8° en 10°, wordt een afschrift van de beslissing van de gemeenteraad, de Raad voor maatschappelijk welzijn, de raad van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn of de provincieraad tot toewijzing van het desbetreffende mandaat voorafgaandelijk als bewijs aan de verzekeringsinstelling bezorgd.