Alle wetboeken › ZIV-wet

TITEL V - Moederschapsverzekering.

111–117

Art. 111

(111)De moederschapsverzekering wordt geleid en beheerd door de instellingen en organen die bevoegd zijn inzake uitkeringsverzekering.

In zoverre hiervan niet wordt afgeweken door de bepalingen van deze titel, hebben die instellingen en organen ten aanzien van de moederschapsverzekering dezelfde bevoegdheden als ten aanzien van de uitkeringsverzekering.

Art. 112

(112)Zijn gerechtigd op de moederschapsuitkering, zoals deze is bepaald in titel V, hoofdstuk III, van deze gecoördineerde wet, onder de hierin gestelde voorwaarden, de gerechtigden bedoeld in artikel 86, § 1.

Art. 113

(113)(De gerechtigde, bedoeld in artikel 112, ontvangt voor iedere werkdag in de in de artikelen 114 en 114bis bedoelde tijdvakken van moederschapsbescherming en voor iedere dag in dezelfde tijdvakken die krachtens een verordening van het Beheerscomité van de Dienst voor uitkeringen met een werkdag wordt gelijkgesteld, een zogenoemde " moederschapsuitkering.)

(De Koning stelt voor de categorieën van gerechtigden die Hij bepaalt, het bedrag of de bedragen vast van de moederschapsuitkering en bepaalt onder welke voorwaarden en in hoeverre deze uitkeringen toegekend worden tijdens de hele duur of een deel van de voormelde tijdvakken.)

(Het gederfde loon wordt vastgesteld overeenkomstig de bepalingen van het koninklijk besluit van 10 juni 2001 waarin, met toepassing van artikel 39 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels, het uniform begrip " gemiddeld dagloon " wordt vastgesteld en sommige wettelijke bepalingen in overeenstemming worden gebracht, en krachtens de nadere berekeningsregels zoals bepaald door de in artikel 80, § 1, 5° bedoelde verordening. Het maximumbedrag tot beloop waarvan dat loon in aanmerking genomen wordt, is het bedrag dat is vastgesteld krachtens artikel 87, eerste lid.)

De begrenzing van het gederfde loon tot dit maximumbedrag is voor de in artikel 86, § 1, 1°, a) en b), bedoelde gerechtigden echter slechts van toepassing vanaf de eenendertigste dag (van het tijdvak van moederschapsbescherming), bepaald in artikel 114; voor de eerste dertig dagen van dat tijdvak kan de Koning, bij een in Ministerraad overlegd besluit en op voorstel van het Beheerscomité van de Dienst voor uitkeringen, een maximumbedrag vaststellen dat in geen geval minder mag zijn dan het bedrag dat is bedoeld in het vorige lid.

(Voor de gerechtigden in arbeidsongeschiktheid mag het bedrag van de moederschapsuitkering niet lager zijn dan het bedrag van de uitkering waarop zij aanspraak zouden hebben gehad, indien zij niet met moederschapsrust waren geweest.)

(Voor de gerechtigden in gecontroleerde volledige werkloosheid bestaat de moederschapsuitkering die wordt toegekend tijdens het tijdvak van moederschapsbescherming als bedoeld in artikel 114, uit een basisuitkering en een bijkomende uitkering, waarvan het bedrag wordt vastgesteld door de Koning; het bedrag van de basisuitkering (is gelijk aan) dat van de werkloosheidsuitkering waarop voornoemde gerechtigden aanspraak zouden hebben kunnen maken indien zij zich niet bevonden in een tijdvak van moederschapsbescherming als bedoeld in artikel 114.) De Koning kan in dit opzicht een referentiedatum vaststellen om het bedrag van de werkloosheidsuitkering te bepalen die in het kader van de werkloosheidsreglementering in aanmerking wordt genomen.Indien het recht op werkloosheidsuitkeringen evenwel eindigt vóór het begin van het tijdvak van moederschapsbescherming, wordt voor de toepassing van de voormelde maatregel van alignering van het bedrag van de moederschapsuitkering op dat van de werkloosheidsuitkering rekening gehouden met het laatste bedrag van de werkloosheidsuitkering waarop zij aanspraak kon maken, rekening houdend met de gezinshoedanigheid die zij zou hebben kunnen rechtvaardigen in het kader van de werkloosheidsreglementering tijdens haar periode van moederschapsbescherming De Koning bepaalt de periode waarna deze maatregel van alignering ophoudt van toepassing te zijn.

Art. 114

De voorbevallingsrust neemt een aanvang, op vraag van de gerechtigde, ten vroegste vanaf de zesde week vóór de vermoedelijke bevallingsdatum, of de achtste week wanneer de geboorte van een meerling voorzien wordt. De gerechtigde geeft daartoe aan haar verzekeringsinstelling een geneeskundig getuigschrift af, waarbij wordt verklaard dat ze normaal zal bevallen op het einde van de gevraagde voorbevallingsrust. Indien de bevalling plaatsvindt na de datum die door de arts is voorzien, wordt de voorbevallingsrust verlengd tot aan de werkelijke datum van de bevalling.

De nabevallingsrust strekt zich uit over een tijdvak van negen weken te rekenen vanaf de dag van de bevalling. De periode van negen weken begint te lopen de dag na de dag van de bevalling wanneer de werkneemster de arbeid nog heeft aangevat op de dag van de bevalling. Dat tijdvak kan worden verlengd met de periode tijdens welke de gerechtigde is blijven doorwerken of zich verder in gecontroleerde werkloosheid heeft bevonden vanaf de zesde tot en met de tweede week vóór de bevalling en vanaf de achtste tot en met de tweede week ingeval van geboorte van een meerling. De Koning kan bepalen welke tijdvakken, voor het verlengen van de nabevallingsrust, mogen worden gelijkgesteld met een periode tijdens welke de gerechtigde is blijven doorwerken of verder werkloos is gebleven binnen voormeld tijdvak.

Ingeval van geboorte van een meerling, kan op verzoek van de gerechtigde de periode van nabevallingsrust van negen weken, eventueel verlengd overeenkomstig het bepaalde in het vorige lid, verlengd worden met een periode van maximaal twee weken.

... Wanneer de gerechtigde bevalt van een levenloos kind, zijn het eerste tot het derde lid van toepassing, op voorwaarde dat de zwangerschap minimaal honderdtachtig dagen heeft geduurd te rekenen van de verwekking.

Wanneer het pasgeboren kind na de eerste zeven dagen te rekenen vanaf de geboorte in de verplegingsinrichting moet opgenomen blijven, kan op verzoek van de gerechtigde de nabevallingsrust verlengd worden met een duur gelijk aan de periode van hospitalisatie van het kind, die deze eerste zeven dagen overschrijdt. De duur van deze verlenging mag vierentwintig weken niet overschrijden. De gerechtigde geeft daartoe aan haar verzekeringsinstelling een getuigschrift van de verplegingsinrichting die de duur van de hospitalisatie van het kind vaststelt.

(De werkneemster bedoeld in artikel 86, § 1, 1°, a), met uitzondering van de werkneemster die een vergoeding ontvangt wegens verbreking van de arbeidsovereenkomst, heeft de mogelijkheid het tijdvak van moederschapsrust te verlengen in geval van hervatting van een gedeelte van haar beroepsactiviteiten onder de voorwaarden bedoeld in artikel 39, derde lid, van de arbeidswet van 16 maart 1971.)

In geval van overlijden of verblijf in het ziekenhuis van de moeder kan een gedeelte van het tijdvak van nabevallingsrust, onder de voorwaarden en volgens de nadere regels bepaald door de Koning, worden omgezet in verlof voor de in artikel 86, § 1, bedoelde gerechtigde die voldoet aan de voorwaarden gesteld in de artikelen 116/1 tot 116/4 en 131 en deze bepaald in artikel 30, § 2,eerste tot zesde lid, van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten.... De aan de gerechtigden te verlenen uitkering wordt door de Koning bepaald.

Art. 114bis

Het tijdvak tijdens hetwelk de zwangere of bevallen werkneemster of de werkneemster die borstvoeding geeft, een maatregel geniet als bedoeld in de artikelen 42, § 1, 43 of 43bis, van de arbeidswet van 16 maart 1971, wordt eveneens als een tijdvak van moederschapsbescherming beschouwd.

Art. 115

De tijdvakken van rust bedoeld in artikel 114 kunnen enkel als dusdanig in aanmerking worden genomen op voorwaarde dat de gerechtigde alle werkzaamheid of de gecontroleerde werkloosheid heeft onderbroken.

De voorwaarde bedoeld in het eerste lid is niet van toepassing:

1°gedurende het tijdvak waarin de gerechtigde gebruik maakt van de mogelijkheid bedoeld in artikel 114, zesde lid;

2°gedurende het tijdvak van verlenging van de nabevallingsrust ten belope van de tijdvakken waarin de werkneemster een werkzaamheid gedurende een in artikel 114bis bedoelde periode van moederschapsbe-scherming heeft uitgeoefend of een aangepaste werkzaamheid gedurende haar arbeidsongeschiktheid onder de in artikel 100, § 2, bedoelde voorwaarden heeft hervat, van de zesde week of de achtste week in geval van de geboorte van een meerling, tot en met de tweede week voorafgaand aan de bevalling.

Worden vanaf de vijftiende dag te rekenen vanaf de dag van de bevalling echter niet als werkzaamheid bedoeld in het eerste lid in aanmerking genomen en kunnen dus worden verricht, de activiteiten in het kader van:

1°de uitoefening van vrijwilligerswerk, bedoeld in de wet van 3 juli 2005 betreffende de rechten van vrijwilligers;

2°een mandaat van gemeenteraadslid;

3°een mandaat van lid van een raad voor maatschappelijk welzijn;

4°een mandaat van raadslid van een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn;

5°een mandaat van lid van een bijzonder comité voor de sociale dienst;

6°een mandaat van raadslid van een politiezone;

7°een mandaat van lid van een districtraad;

8°een mandaat als vertegenwoordiger van een gemeente of een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn;

9°een mandaat van provincieraadslid;

10°een mandaat als vertegenwoordiger van een provincie.

In het kader van de uitoefening van vrijwilligerswerk bedoeld in het derde lid, 1°, wordt een attest van de organisatie waarbij de gerechtigde het vrijwilligerswerk verricht voorafgaandelijk als bewijs aan de verzekeringsinstelling bezorgd.

In het kader van de uitoefening van een politiek mandaat bedoeld in het derde lid, 8° en 10°, wordt een afschrift van de beslissing van de gemeenteraad, de Raad voor maatschappelijk welzijn, de raad van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn of de provincieraad tot toewijzing van het desbetreffende mandaat voorafgaandelijk als bewijs aan de verzekeringsinstelling bezorgd.

Art. 116

Voor het verkrijgen van het recht op de uitkeringen waarin is voorzien bij titel V, moeten de in artikel 112 bedoelde gerechtigden voldoen aan de voorwaarden bepaald in de artikelen 116/1 tot 116/4 en 131.

De Koning kan, na advies van het Beheerscomité van de Dienst voor uitkeringen, voor de categorieën van gerechtigden die Hij bepaalt, hetzij vrijstelling verlenen van de voorwaarden van wachttijd bepaald in artikel 116/1, hetzij deze voorwaarden aanpassen.

Art. 116/1

§ 1 Om het recht op de in titel V bedoelde prestaties te verkrijgen, moeten de in artikel 112 bedoelde gerechtigden onder de volgende voorwaarden een wachttijd volbrengen:

1°over een periode van zes maanden die de datum van het verkrijgen van het recht voorafgaat, een door de Koning vastgesteld aantal arbeidsdagen totaliseren. De dagen van inactiviteit die kunnen worden gelijkgesteld met arbeidsdagen worden door de Koning omschreven. Hij stelt eveneens vast wat dient te worden verstaan onder "arbeidsdag";

2°onder de door de Koning bepaalde voorwaarden het bewijs leveren dat met betrekking tot diezelfde periode de bijdragen voor de sector uitkeringen werkelijk betaald werden; deze bijdragen moeten een door de Koning vastgesteld minimumbedrag bereiken of moeten, onder de door Hem bepaalde voorwaarden, met persoonlijke bijdragen worden aangevuld.

§ 2.De Koning bepaalt onder welke voorwaarden de wachttijd wordt afgeschaft of verminderd.

Hij kan ook de voorwaarden wijzigen inzake het volbrengen van de wachttijd voor seizoenarbeiders, arbeiders bij tussenpozen en deeltijds tewerkgestelde werknemers. Hij bepaalt wat onder "seizoenarbeiders", "arbeiders bij tussenpozen" en "deeltijds tewerkgestelde werknemers" dient verstaan te worden.

Art. 116/2

Onverminderd de bepalingen van artikel 131, bepaalt de Koning onder welke voorwaarden:

1°de gerechtigden die hun wachttijd hebben volbracht overeenkomstig artikel 116/1, het recht op de in titel V bepaalde prestaties behouden tot het einde van het kwartaal dat volgt op dat waarin zij hun wachttijd hebben beëindigd;

2°de gerechtigden die overeenkomstig de bepalingen van artikel 116/1, § 2, vrijgesteld zijn van het volbrengen van de wachttijd of een verminderde wachttijd hebben volbracht, recht hebben op diezelfde prestaties tot het einde van het derde kwartaal dat volgt op dat tijdens hetwelk zij de hoedanigheid van gerechtigde hebben bekomen.

Art. 116/3

De in het artikel 116/2 bedoelde gerechtigden kunnen de in titel V bedoelde prestaties blijven genieten, op voorwaarde dat zij voor het tweede en derde kwartaal vóór dat waarin zij er een beroep op doen, onder de door de Koning bepaalde voorwaarden, het bewijs leveren dat:

1°zij op één of andere wijze gedurende een aantal werkdagen gelijk aan het bij artikel 116/1, § 1, 1°, bepaalde aantal arbeidsdagen, de in artikel 112 omschreven hoedanigheid van gerechtigde hebben behouden;

2°de bijdragen voor de sector uitkeringen en, eventueel, de bijdragen van de voortgezette verzekering werden betaald.

Deze bijdragen moeten een door de Koning vastgesteld minimumbedrag bereiken of, onder de door Hem bepaalde voorwaarden, met persoonlijke bijdragen worden aangevuld. Deze voorwaarde wordt niet geëist voor in artikel 86, § 1, 2°, bedoelde gerechtigden.

De gerechtigde die op het einde van een kwartaal uitkeringen geniet, blijft deze genieten tot het einde van de lopende periode van moederschapsbescherming.

De Koning bepaalt de voorwaarden waaronder de seizoenarbeiders, de arbeiders bij tussenpozen en de deeltijds tewerkgestelde werknemers de in het eerste lid bedoelde prestaties blijven genieten.

Art. 116/4

Voor de toepassing van de artikelen 116/1 tot 116/3 wordt de wijze van bewijsvoering vastgesteld door een verordening van het Beheerscomité.

Art. 116/5

(oud artikel 116bis) De werkneemster, bedoeld in artikel 86, § 1, 1°, a), met uitzondering van de werkneemster die een vergoeding ontvangt wegens verbreking van de arbeidsovereenkomst bedoeld in hogervermeld artikel, kan voor de borstvoedingspauzes die haar toegekend worden overeenkomstig de bepalingen van de arbeidsreglementering van toepassing op de betrokken werkneemsters, aanspraak maken op een uitkering waarvan de hoegrootheid en de voorwaarden door de Koning, worden bepaald.

Het gederfd loon dat in aanmerking wordt genomen voor de berekening van deze uitkering, wordt vastgesteld door de Koning; dit loon wordt evenwel niet beperkt tot het bedrag vastgesteld krachtens artikel 87, eerste lid.

De werkneemster bedoeld in het eerste lid moet de hoedanigheid van gerechtigde hebben voor de moederschapsverzekering op het ogenblik waarop zij de borstvoedingspauze geniet, zonder dat zij de andere voorwaarden moet vervullen, bedoeld in de artikelen 116/1 tot 116/4 en 131.

De uren, die overeenstemmen met de borstvoedingspauzes, worden gelijkgesteld met arbeidsuren en worden in aanmerking genomen voor het vervullen van de verzekeringsvoorwaarden bedoeld in de artikelen 116/1 tot 116/4 en de artikelen 128 tot 132.

Art. 116/6

De Koning bepaalt het bedrag van de uitkering toegekend aan de gerechtigden bedoeld in artikel 112 die niet verbonden zijn door een arbeidsovereenkomst in de zin van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten wanneer:

1°zij een vaderschapsverlof of geboorteverlof genieten overeenkomstig de op hen van toepassing zijnde arbeidsreglementering die een dergelijk verlof onder dezelfde voorwaarden als in artikel 30, § 2, van de voormelde wet van 3 juli 1978 bepaalt;

2°zij een adoptieverlof genieten overeenkomstig de op hen van toepassing zijnde arbeidsreglementering die een dergelijk verlof onder dezelfde voorwaarden als in artikel 30ter van de voormelde wet van 3 juli 1978 bepaalt;

3°zij een pleegouderverlof genieten overeenkomstig de op hen van toepassing zijnde arbeidsreglementering die een dergelijk verlof onder dezelfde voorwaarden als in artikel 30sexies van de voormelde wet van 3 juli 1978 bepaalt.

Art. 117

(117)In zoverre er niet van wordt afgeweken door de bepalingen van deze titel, zijn de bepalingen van de titels I, II, IV, VI tot X en XII die betrekking hebben op de uitkeringsverzekering, ook van toepassing inzake moederschapsverzekering.

Voor de toepassing van de bepalingen inzake financiering, wordt de moederschapsuitkering gelijkgesteld met een primaire ongeschiktheidsuitkering; als die uitkering wordt verleend aan een gerechtigde als bedoeld in artikel 93, wordt ze echter gelijkgesteld met een invaliditeitsuitkering.