Voor de toepassing van artikel 128, § 1, van de gecoördineerde wet moeten de gerechtigden in een tijdvak van twaalf maanden minimum honderdtachtig arbeidsdagen aantonen (...).
(In afwijking van artikel 9, 2° van het koninklijk besluit van 10 juni 2001 tot eenvormige definiëring van begrippen met betrekking tot arbeidstijdgegevens ten behoeve van de sociale zekerheid, met toepassing van artikel 39 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels, worden de werknemers tewerkgesteld in uitvoering van een collectieve arbeidsovereenkomst gesloten op basis van de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 42, gesloten in de Nationale Arbeidsraad op 2 juni 1987 betreffende de invoering van nieuwe arbeidsregelingen in de ondernemingen en die een loon ontvangen dat gelijk is aan of hoger is dan het bedrag van het gewaarborgd gemiddelde minimum maandinkomen, geacht voltijdse prestaties te leveren.)
In afwijking van de bepalingen van het eerste lid volbrengen de seizoenarbeiders, de arbeiders bij tussenpozen en de deeltijdse werknemers hun wachttijd, indien zij over een periode van twaalf maanden achthonderd arbeidsuren presteren. De referteperiode wordt evenwel verlengd tot maximaal zesendertig maanden voor de seizoenarbeiders, de arbeiders bij tussenpozen en de deeltijdse werknemers die zich wegens hun arbeidsregeling in de onmogelijkheid bevinden hun wachttijd te vervullen binnen twaalf maanden.
Worden voor de toepassing van hetzelfde artikel met arbeidsdagen gelijkgesteld:
1.de dagen inactiviteit die voortvloeien uit een arbeidsongeval of een beroepsziekte waarmede een arbeidsongeschiktheid gemoeid is, zoals deze is omschreven in artikel 100 van de gecoördineerde wet;
2.de dagen waarover de gerechtigde uitkeringen wegens volledige arbeidsongeschiktheid geniet krachtens de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 of krachtens de op 3 juni 1970 gecoördineerde wetten betreffende de schadeloosstelling voor beroepsziekten;
(3. de dagen wettelijke vakantie;)
3bis. de dagen aanvullende vakantie;
4.de in artikel 246 omschreven dagen gecontroleerde werkloosheid;
5.De dagen waarop de werkloze huishoudelijke arbeid verricht, door toedoen van de Rijksdienst voor arbeidsvoorziening, om een einde te maken aan zijn werkloosheid;
(6. de dagen van staking;)
(7. de dagen lock-out;)
8.de dagen waarop geen arbeid werd verricht en waarover de werkgever loon moet betalen;
(9. de dagen inhaalrust;)
(10. de dagen afwezigheid zonder behoud van loon ingevolge profylactisch verlof;)
(10bis. de dagen volledige werkverwijdering als maatregel van moederschapsbescherming;)
(11. de dagen functie van rechter in sociale zaken;)
12.de dagen gedurende welke het lid van het onderwijzend personeel of ermee gelijkgesteld, die tijdelijk aangeworven is, geacht wordt niet van zijn wedde verstoken te zijn daar zijn maandwedde gelijk was aan het tiende van de jaarwedde die hem zou toegekend zijn indien hij vast aangeworven was;
(13. de dagen verlof om dwingende redenen zonder behoud van loon. De gelijkstelling blijft evenwel beperkt tot maximaal tien dagen per jaar, ongeacht of zij nu ineens dan wel met gedeelten worden toegekend;)
(14. de vakantiedagen en wettelijke feestdagen van de onthaalouders zonder opvang van kinderen, bedoeld in artikel 27bis, § 3, tweede lid, van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders;)
15.de dagen verlof voor pleegzorgen, bedoeld in artikel 30quater van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten;
16.de dagen gedekt door de ontslagcompensatievergoeding bedoeld in artikel 7, § 1, derde lid, zf), van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders.
Voor de seizoenarbeiders, de arbeiders bij tussenpozen en de deeltijdse werknemers worden de in het vorig lid vermelde inactiviteitsperiodes, voor zover zij samenvallen met dagen of periodes waarop de betrokken werknemers normaal zouden hebben gewerkt, meegerekend ten belope van het aantal arbeidsuren dat zij tijdens deze periodes zouden gepresteerd hebben.
(Voor de voltijdse werknemers wordt het aantal in aanmerking te nemen dagen bekomen volgens de volgende formule:
A/B x C, waarbij
*A overeenstemt met het aantal dagen zoals bepaald in de vorige leden voor de beschouwde tijdvakken;
*B overeenstemt met het aantal dagen tewerkstelling voorzien in de vaste arbeidsregeling of, indien het geen vast aantal dagen per week betreft, het maximaal aantal dagen tewerkstelling van de maatpersoon voor het beschouwde tijdvak;
*C overeenstemt met het maximaal aantal in aanmerking te nemen dagen voor een tewerkstelling in een zesdagenweek voor het beschouwde tijdvak.
Indien het bekomen resultaat een breuk bevat, dan wordt het resultaat naar de hogere eenheid afgerond.)
(Als de arbeidstijdgegevens als bedoeld in dit artikel op globale wijze per kwartaal worden meegedeeld aan de dienst bevoegd voor de inning van de sociale zekerheidsbijdragen en als de arbeidsprestaties niet gesitueerd kunnen worden in een kwartaal, worden de arbeidsprestaties die gelegen zijn in het kwartaal waarin de referteperiode aanvangt en die deze periode voorafgaan, geacht gelegen te zijn in deze referteperiode.)