Alle wetboeken › Bankwet

Boek XII

Titel X

619–N6

Art. 619

<Opgeheven bij W 2022-07-20/40, art. 425, 031; Inwerkingtreding: 06-10-2022>

Art. 620

<Opgeheven bij W 2022-07-20/40, art. 425, 031; Inwerkingtreding: 06-10-2022>

Art. 621

<Opgeheven bij W 2022-07-20/40, art. 425, 031; Inwerkingtreding: 06-10-2022>

Art. 622

<Opgeheven bij W 2022-07-20/40, art. 425, 031; Inwerkingtreding: 06-10-2022>

Bijlage 1. - BEHANDELING VAN RISICO'S

Afdeling I. - Krediet- en wederpartijrisico

Artikel 1. § 1. De kredietinstellingen voeren duidelijke procedures in voor de goedkeuring, wijziging, verlenging en herfinanciering van kredieten, en gebruiken gezonde en duidelijk omschreven criteria voor de kredietverlening.

§ 2.Zij beschikken over interne procedures die hen in staat stellen het kredietrisico dat verbonden is aan risicoposities op verschillende schuldenaars, effectiseringseffecten of -posities en het kredietrisico op het niveau van hun volledige portefeuille te beoordelen.

In het bijzonder berusten de interne procedures niet uitsluitend of automatisch op externe ratings; zij houden rekening met de relevante informatie over de schuldenaars, waaronder hun totale schuld, waarop toezicht wordt uitgeoefend.

§ 3.De kredietinstellingen maken gebruik van passende systemen voor het beheer van en het permanente toezicht op de diverse kredietportefeuilles en risicoposities waaraan een kredietrisico verbonden is. Deze systemen omvatten de detectie en het beheer van probleemkredieten, het verrichten van passende waardecorrecties en het aanleggen van passende voorzieningen.

§ 4.Zij waken over de passende diversificatie van hun kredietportefeuilles, rekening houdend met hun doelmarkten en met hun algemene kredietstrategie.

§ 5.De kredietinstellingen die significant zijn, streven naar de ontwikkeling van interne deskundigheid voor de beoordeling van het kredietrisico, met het oog op het gebruik van interneratingbenaderingen voor de berekening van de eigenvermogensvereisten voor het kredietrisico indien hun blootstellingen aanzienlijk zijn in absolute termen en zij tegelijkertijd veel belangrijke tegenpartijen hebben.

§ 6.De Bank kan bij reglement vastgesteld met toepassing van artikel 12bis, § 2 van de wet van 22 februari 1998 de toepassingsmodaliteiten bepalen van paragraaf 5.

Afdeling II. - Restrisico

Art. 2. De risicomatigingstechnieken die door de kredietinstellingen worden gebruikt, zoals het nemen van zekerheden, moeten doeltreffend zijn en regelmatig worden beoordeeld. Het gebruik van deze technieken moet aansluiten bij het met toepassing van artikel 57 vastgelegde beleid en moet het voorwerp uitmaken van specifieke schriftelijke procedures die ervoor zorgen dat zij de verwachte effecten hebben.

Wat de zekerheden betreft, moeten de procedures het mogelijk maken de doeltreffendheid ervan te beoordelen en de opvolging ervan te verzekeren. Deze procedures omvatten minstens het volgende:

-voor zakelijke zekerheden: een correcte evaluatie van en de opvolging van de waarde van het als waarborg gegeven actief, de juridische doeltreffendheid van het gebruikte contractuele mechanisme, en dit met name ten aanzien van de locatie van het betrokken actief;

-voor persoonlijke zekerheden: een correcte evaluatie van en de opvolging van de financiële draagkracht van de borg, evenals de juridische doeltreffendheid van het gebruikte contractuele mechanisme.

Afdeling III. - Concentratierisico

Art. 3. De kredietinstellingen nemen passende maatregelen, met inbegrip van het vastleggen van schriftelijke beleidslijnen en procedures, voor de identificatie, meting en beheersing van het concentratierisico dat voortvloeit uit risicoposities op wederpartijen.

Het eerste lid omvat met name:

-het risico op centrale wederpartijen, groepen van verbonden wederpartijen of wederpartijen van dezelfde economische sector of geografische regio, dan wel uit dezelfde activiteits- of grondstofsector, evenals

-het risico dat voortvloeit uit het gebruik van kredietrisicomatigingstechnieken, zoals de risico's die verbonden zijn aan indirecte risicoposities op het kredietrisico, die met name voortvloeien uit risicoposities op één enkele emittent van waarborgen of op emittenten van waarborgen die soortgelijke risico's lopen.

Afdeling IV. - Effectiseringsrisico

Art. 4. § 1. De kredietinstellingen zorgen ervoor dat de risico's die voortvloeien uit effectiseringsverrichtingen waarbij zij optreden als belegger, initiator of sponsor, met inbegrip van reputatierisico's, met name die welke voortvloeien uit complexe structuren of producten, worden beoordeeld en behandeld aan de hand van passende beleidslijnen en procedures. Deze beleidslijnen en procedures moeten ervoor zorgen dat bij de beoordeling van de risico's en bij het nemen van beslissingen op het gebied van risicobeheer ten volle met de economische realiteit van de verrichting rekening wordt gehouden.

§ 2.Een kredietinstelling in de zin van artikel 1, § 3, eerste lid, 1° die optreedt als initiator van effectiseringsverrichtingen waarbij sprake is van een vervroegde-aflossingsclausule ten gunste van de beleggers, moet over een passend liquiditeitsplan beschikken om de gevolgen van alle geplande en vervroegde aflossingen op te vangen.

Afdeling V. - Marktrisico

Art. 5. § 1. De kredietinstellingen voeren beleidslijnen en procedures in voor het identificeren, meten en beheren van alle significante oorzaken en gevolgen van marktrisico's.

§ 2.Zij dekken zich in tegen het illiquiditeitsrisico ingeval de korte positie eerder vervalt dan de overeenstemmende lange positie.

§ 3.Bij de beoordeling van en het toezicht op de eigenvermogensbehoeften, die door de kredietinstelling worden verricht conform artikel 94, wordt voldoende aandacht besteed aan de significante marktrisico's die niet onderworpen zijn aan specifieke wettelijke of reglementaire eigenvermogensvereisten, met name aan het risico dat verbonden is aan de onvolledige of slechte afdekking van risicoposities op financiële instrumenten.

Overeenkomstig Deel 3, Titel IV, Hoofdstuk 2, van Verordening nr. 575/2013, mag een kredietinstelling haar posities in een of meer van de financiële instrumenten die een beursindex vormen, met een of meer posities in een termijncontract op deze beursindex of met een ander afgeleid product van deze beursindex compenseren. In dit geval moet de kredietinstelling over voldoende eigen vermogen beschikken ter dekking van het risico van verlies als gevolg van het feit dat de waarde van het termijncontract of van dit andere product niet de ontwikkeling volgt van de waarde van de financiële instrumenten die de beursindex vormen; dit moet blijken uit de berekening van haar eigenvermogensvereisten voor het positierisico. Zij moet ook over voldoende eigen vermogen beschikken indien zij tegengestelde posities aanhoudt in termijncontracten op een beursindex die wat betreft looptijd en/of samenstelling niet identiek zijn.

Instellingen die gebruikmaken van de in artikel 345 van Verordening nr. 575/2013 bedoelde procedure, zorgen ervoor dat zij over voldoende eigen vermogen beschikken ter dekking van het risico van verlies dat zich voordoet in de periode tussen het aangaan van de oorspronkelijke verbintenis en de daaropvolgende werkdag.

§ 4.De kredietinstellingen die significant zijn, streven naar de ontwikkeling van interne deskundigheid voor de beoordeling van het risico, met het oog op het gebruik van interne modellen voor de berekening van de eigenvermogensvereisten voor het specifieke risico dat aan in de handelsportefeuille opgenomen schuldinstrumenten is verbonden, en voor de berekening van de eigenvermogensvereisten voor het wanbetalingsrisico en het migratierisico van de ratings; indien hun blootstellingen aan specifieke risico's aanzienlijk zijn in absolute termen en zij een groot aantal aanzienlijke posities in schuldinstrumenten van verschillende uitgevende instellingen hebben.

§ 5.De Bank kan bij reglement vastgesteld met toepassing van artikel 12bis, § 2 van de wet van 22 februari 1998 de toepassingsmodaliteiten bepalen van paragraaf 4.

Afdeling VI. - Uit activiteiten buiten de handelsportefeuille voortvloeiend renterisico

Art. 6. § 1. De kredietinstellingen implementeren interne systemen of maken gebruik van de gestandaardiseerde of de vereenvoudigde gestandaardiseerde methode voor het identificeren, beoordelen, beheren en limiteren van de risico's die voortvloeien uit potentiële veranderingen in rentetarieven welke van invloed zijn op de economische waarde van eigen vermogen en de nettorentebaten van hun activiteiten buiten de handelsportefeuille.

§ 2.De kredietinstellingen implementeren systemen voor het beoordelen en monitoren van de risico's die voortvloeien uit potentiële veranderingen in kredietspreads welke van invloed zijn op de economische waarde van eigen vermogen en de nettorentebaten van hun activiteiten buiten de handelsportefeuille.

§ 3.De toezichthouder kan een kredietinstelling ertoe verplichten de gestandaardiseerde methode als bedoeld in paragraaf 1 te gebruiken wanneer de interne systemen welke die instelling voor de beoordeling van de in die paragraaf bedoelde risico's toepast, niet bevredigend zijn.

§ 4.De toezichthouder kan verlangen dat een kleine en niet-complexe kredietinstelling in de zin van artikel 4, lid 1, punt 145, van Verordening nr. 575/2013 de gestandaardiseerde methode gebruikt als zij van oordeel is dat de vereenvoudigde gestandaardiseerde methode niet adequaat is voor het ondervangen van renterisico's die voortvloeien uit activiteiten buiten de handelsportefeuille van die instelling.

Afdeling VII. - Operationeel risico

Art. 7. § 1. De kredietinstellingen voeren beleidslijnen en procedures in die hen in staat stellen hun blootstelling aan operationele risico's, met inbegrip van het risico dat verbonden is aan het gebruik van interne modellen en de risico's die voortvloeien uit uitbesteding, te beoordelen en te beheren, en zelden voorkomende maar zeer ernstige gebeurtenissen af te dekken. De instellingen omschrijven nader wat voor de toepassing van deze beleidslijnen en procedures onder operationeel risico wordt verstaan.

§ 2.De instellingen stippelen gepaste nood- en bedrijfscontinuïteitsbeleidslijnen en -plannen uit om aan te tonen dat zij bij een ernstige verstoring van hun bedrijfsactiviteit verliezen kunnen beperken en de continuïteit van hun bedrijfsvoering kunnen verzekeren, met inbegrip van beleidslijnen en plannen inzake de continuïteit van hun activiteiten op het gebied van informatie- en communicatietechnologie (ICT) en respons- en herstelplannen voor de technologie die zij gebruiken om informatie te verstrekken. Deze laatste plannen worden opgesteld, beheerd en getest overeenkomstig artikel 11 van Verordening 2022/2554.

Afdeling VIII. - Liquiditeitsrisico

Art. 8. § 1. De kredietinstellingen beschikken over passende procedures en systemen voor de detectie, de meting, het beheer en de beheersing van het liquiditeitsrisico over relevante periodes, waaronder intraday-periodes, om te garanderen dat voldoende liquiditeitsbuffers worden aangehouden.

Deze procedures en systemen zijn specifiek afgestemd op de werkzaamheden van de kredietinstelling, met name op de bijkantoren en de juridische entiteiten via dewelke de instelling haar werkzaamheden uitoefent, evenals op de deviezen waarin haar verrichtingen worden uitgevoerd, en bevatten passende mechanismen voor de verdeling van liquiditeitskosten, -baten en -risico's.

§ 2.De in paragraaf 1 bedoelde procedures en systemen moeten in verhouding staan tot de complexiteit, het risicoprofiel en de omvang van de werkzaamheden van de instelling en tot de conform artikel 57 vastgestelde risicotolerantie, en rekening houden met het belang van de instelling in elke staat waarin zij werkzaam is.

§ 3.De kredietinstellingen maken gebruik van methodes voor de detectie, de meting, het beheer en de beheersing van de risico's voor hun financieringspositie. Deze methoden houden rekening met de bestaande en te verwachten significante kasstromen die verbonden zijn aan de activa, passiva en posten buiten de balanstelling, met inbegrip van deze die voortvloeien uit de eventuele verplichtingen van de instelling, en uit de mogelijke gevolgen van het reputatierisico.

§ 4.De kredietinstellingen maken een onderscheid tussen activa die de grondslag vormen van een zekerheid en niet-bezwaarde activa die te allen tijde, en met name in noodsituaties, beschikbaar zijn. Zij houden rekening met de gevolgen die verbonden zijn aan de entiteit waarin de activa worden aangehouden, met het land waar de activa in een register of op een rekening zijn ingeschreven, en met hun toelaatbaarheid als waarborg. De instellingen gaan na hoe die activa tijdig kunnen worden vrijgemaakt.

§ 5.De kredietinstellingen houden rekening met de wettelijke, bestuursrechtelijke en operationele beperkingen op eventuele overdrachten van liquiditeit en niet-bezwaarde activa tussen entiteiten van de groep waar de instelling deel van uitmaakt, ongeacht of die entiteiten al dan niet in een lidstaat zijn gevestigd.

§ 6.De kredietinstellingen steunen op verschillende instrumenten voor de matiging van het liquiditeitsrisico, waaronder een systeem van specifieke limieten voor dit risico en liquiditeitsbuffers, om het hoofd te kunnen bieden aan verschillende types van crises. Zij steunen ook op een passende diversificatie van de financieringsstructuur en van de financieringsbronnen. De instellingen herzien deze regelingen regelmatig.

§ 7.De kredietinstellingen herzien ten minste jaarlijks de hypothesen die ten grondslag liggen aan hun financieringsbeslissingen. Voor hun liquiditeitsposities en liquiditeitsrisicomatiging nemen zij andere hypothesen in overweging dan deze die zijn opgesteld met toepassing van de paragrafen 1 en 3. In deze andere hypothesen wordt met name rekening gehouden met de posten buiten de balanstelling en andere eventuele verplichtingen, waaronder die van special purpose entities voor effectiseringsdoeleinden (securitisation special purpose entities) of van special purpose entities, zoals gedefinieerd in Verordening nr. 575/2013, waarbij de kredietinstelling als hun sponsor fungeert of hen significante liquiditeitssteun verleent.

De kredietinstellingen houden ook rekening met de potentiële impact van instellingsspecifieke, marktbrede en gecombineerde alternatieve scenario's. Daarbij worden verschillende tijdsperiodes en stressniveaus in aanmerking genomen.

De instellingen passen hun strategieën, interne beleidslijnen en liquiditeitsrisicolimieten aan en stellen passende noodplannen op, op basis van de resultaten van de in het eerste en tweede lid bedoelde scenario's.

§ 8.De kredietinstellingen beschikken over liquiditeitsherstelplannen. Deze plannen bevatten passende strategieën en uitvoeringsmaatregelen om het hoofd te kunnen bieden aan eventuele liquiditeitstekorten, ook in bijkantoren die in andere lidstaten zijn gevestigd. De instellingen testen deze plannen ten minste jaarlijks en actualiseren ze op basis van de resultaten van de in paragraaf 7 bedoelde scenario's.

De instellingen in de zin van artikel 1, § 3, eerste lid, 1° nemen van tevoren de passende operationele maatregelen om ervoor te zorgen dat de liquiditeitsherstelplannen in voorkomend geval onmiddellijk kunnen worden uitgevoerd. Deze maatregelen behelzen onder meer het aanhouden van activa die onmiddellijk beschikbaar zijn om als waarborg te worden aanvaard door een centrale bank. Het kan gaan om activa in de valuta van een andere lidstaat of in de valuta van een derde land, waar de instelling blootstellingen heeft, en die worden aangehouden, indien zulks voor operationele doeleinden noodzakelijk is, op het grondgebied van een lidstaat van ontvangst of van een derde land in de valuta waaraan zij is blootgesteld.

Afdeling IX. - Risico van buitensporige hefboomwerking

Art. 9. § 1. De kredietinstellingen beschikken over beleidslijnen en procedures voor de detectie, het beheer en de beheersing van het risico van buitensporige hefboomwerking. Indicatoren voor het risico van buitensporige hefboomwerking zijn onder meer de overeenkomstig de methodologie van artikel 429 van Verordening nr. 575/2013 vastgestelde hefboomwerkingratio en mismatches tussen activa en verplichtingen van de instelling.

§ 2.De instellingen nemen de nodige maatregelen om het risico van buitensporige hefboomwerking te voorkomen door rekening te houden met een eventuele verhoging van de hefboomwerking die wordt veroorzaakt door een vermindering van het eigen vermogen als gevolg van verwachte of gerealiseerde verliezen, al naargelang de toepasselijke waarderingsregels. Deze maatregelen moeten de instellingen in staat stellen het hoofd te bieden aan verschillende crisisscenario's, vanuit het oogpunt van de beheersing van het risico van buitensporige hefboomwerking.

Bijlage 2. - BELONINGSBELEID

Afdeling I. - Structuur van het beloningsbeleid Artikel 1. § 1. Het beloningsbeleid voorziet in een evenwichtige verdeling tussen de vaste en de variabele component van de totale beloning. Het aandeel van de vaste component in het totale beloningspakket is voldoende groot om een volledig flexibel beleid inzake variabele beloning te kunnen voeren, inclusief de mogelijkheid om geen variabele beloning uit te betalen.

§ 2.Het beloningsbeleid stelt de passende verhoudingen vast tussen de vaste en de variabele component van de totale beloning. Het bepaalt dat de variabele beloning voor elke persoon in elk geval beperkt is tot het hoogste van de volgende twee bedragen:

-50 % van de vaste beloning;

-50 000 euro, zonder dat dit bedrag hoger mag zijn dan de vaste beloning.

Afdeling II. - Variabele beloning

Art. 2. De totale variabele beloning mag de mogelijkheid voor de instelling om haar eigen vermogen te versterken, niet beperken.

Art. 3. Het totale bedrag van de variabele beloning is gebaseerd op een combinatie van de beoordeling van de prestaties van de betrokken persoon en de betrokken bedrijfseenheid, en de resultaten van de instelling als geheel.

Bij de beoordeling van de persoonlijke prestaties worden zowel financiële als niet-financiële criteria gehanteerd.

De prestatiebeoordeling is gespreid over meerdere jaren om te garanderen dat de beoordeling gebaseerd is op langetermijnprestaties en dat de feitelijke uitbetaling van de variabele beloningscomponenten gespreid is over een periode waarin rekening wordt gehouden met de duur van de onderliggende bedrijfscyclus van de instelling en met haar bedrijfsrisico's.

Art. 4. Bij de beoordeling van prestaties met het oog op de berekening van de variabele beloning van individuen of van de groepen waartoe zij behoren, wordt een correctie aangebracht voor alle soorten actuele en toekomstige risico's en wordt rekening gehouden met de kosten van het kapitaal en de vereiste liquiditeit.

Bij de toewijzing van de variabele beloningscomponenten binnen de instelling wordt ook rekening gehouden met alle soorten actuele en toekomstige risico's.

Art. 5. Gegarandeerde variabele beloningen zijn verboden, tenzij, in uitzonderlijke gevallen, bij de aanwerving van nieuwe personeelsleden en mits de instelling over gezond en solide kapitaal beschikt en de gegarandeerde variabele beloning strikt beperkt is tot het eerste jaar dat volgt op de aanwerving.

Art. 6. Minstens 50 % van de variabele beloning, met inbegrip van het gedeelte dat met toepassing van artikel 7 van deze Bijlage wordt uitgesteld, bestaat uit een passend evenwicht tussen:

1°aandelen of, afhankelijk van de juridische structuur van de betrokken instelling, equivalente deelnemingen in het kapitaal, of,, op aandelen gebaseerde financiële instrumenten, of, afhankelijk van de juridische structuur van de betrokken instelling, equivalente niet-liquide instrumenten (non-cash instruments); en,

2°indien mogelijk, andere kapitaalinstrumenten die voldoen aan de voorwaarden om te worden aangemerkt als aanvullend-tier 1- of tier 2-kapitaalinstrumenten, met toepassing van de bepalingen die door of krachtens deze wet of Verordening nr. 575/2013 zijn vastgelegd, of andere instrumenten die volledig in tier 1-kernkapitaalinstrumenten kunnen worden omgezet of volledig kunnen worden afgeschreven, en die in elk geval een goede weerspiegeling zijn van de kredietkwaliteit van de instelling vanuit het oogpunt van de continuïteit.

De in dit artikel bedoelde instrumenten zijn onderworpen aan een passend aanhoudingsbeleid, dat inhoudt dat de houder van de instrumenten er de eigenaar van moet blijven, en dat tot doel heeft de prikkels af te stemmen op de langetermijnbelangen van de instelling. De toezichthouder kan de soorten instrumenten waarvan de kenmerken niet voldoen aan deze vereiste, verbieden of beperken.

Art. 7. De betaling van een deel van minstens 40 % van de variabele beloning wordt uitgesteld over een periode van ten minste vier tot vijf jaar. Dit deel is afhankelijk van de aard van de werkzaamheden van de instelling, van haar risico's en van de activiteiten van de betrokken persoon. Voor leden van het wettelijk bestuursorgaan en de hoge leiding van significante kredietinstellingen mag de uitstelperiode niet korter zijn dan vijf jaar.

Wanneer het bedrag van de variabele beloning bijzonder hoog is, moet het deel van de variabele beloning dat wordt uitgesteld, als bedoeld in het eerste lid, minstens 60 % bedragen.

De duur van de uitstelperiode wordt vastgesteld in overeenstemming met de bedrijfscyclus van de instelling, haar aard, haar risico's en de activiteiten van de betrokken persoon.

Het uitgestelde deel van de variabele beloning wordt niet sneller dan op pro-ratabasis toegekend.

Art. 8. § 1. Onverminderd artikel 101 wordt de variabele beloning, met inbegrip van het uitgestelde gedeelte, slechts uitbetaald of verworven wanneer het bedrag ervan aanvaardbaar is gelet op de financiële toestand van de instelling in haar geheel en te rechtvaardigen is door de prestaties van de instelling, de bedrijfseenheid en de betrokken persoon.

§ 2.Onverminderd de algemene beginselen van het verbintenissenrecht en het arbeidsrecht, wordt de totale variabele beloning van de kredietinstelling aanzienlijk verminderd indien de instelling geringere of negatieve financiële prestaties levert.

De vermindering als bedoeld in het eerste lid wordt zowel toegepast op de nog niet verworven variabele beloning als op de verworven maar nog niet gestorte variabele beloning en op de reeds effectief uitgekeerde variabele beloning, onder meer door middel van malus- of terugvorderingsregelingen (clawback).

Voor het totale bedrag van de variabele beloning geldt een malus- of clawback-clausule (terugvorderingsclausule), in het bijzonder in situaties waarin de betrokken persoon:

a)heeft deelgenomen aan of verantwoordelijk was voor praktijken die aanleiding hebben gegeven tot aanzienlijke verliezen voor de instelling;

b)de toepasselijke normen inzake deskundigheid en professionele betrouwbaarheid niet heeft nageleefd.

c)heeft deelgenomen aan een bijzonder mechanisme in de zin van artikel 21, § 1/1, tweede lid.

Afdeling III. - Pensioenen

Art. 9. Het pensioenbeleid is afgestemd op de bedrijfsstrategie, de doelstellingen, de waarden en de langetermijnbelangen van de instelling.

Indien een personeelslid de instelling vóór zijn pensionering verlaat, houdt de instelling de uitkeringen uit hoofde van discretionair pensioen voor dit personeelslid gedurende vijf jaar aan in de vorm van instrumenten als bedoeld in artikel 6 van deze Bijlage.

Wanneer een personeelslid de pensioenleeftijd bereikt, worden de uitkeringen uit hoofde van discretionair pensioen aan hem uitbetaald in de vorm van instrumenten als bedoeld in artikel 6 van deze Bijlage, en dienen deze instrumenten gedurende vijf jaar te worden aangehouden.

De bepalingen van artikel 8, § 2 van deze Bijlage zijn van toepassing op de uitkeringen uit hoofde van discretionair pensioen.

Afdeling III/1. - Vrijstellingen

Art. 9/1. De artikelen 6, 7 en 9, tweede en derde lid, van deze Bijlage zijn niet van toepassing op:

1°kredietinstellingen die geen grote instelling in de zin van artikel 4, lid 1, 146) van Verordening nr. 575/2013 zijn en waarvan de waarde van de activa bepaald op grond van artikel 24 van deze Verordening gemiddeld en op individuele basis, of, indien niet beschikbaar, op geconsolideerde basis, 5 miljard euro of minder bedraagt over de periode van vier jaar die onmiddellijk voorafgaat aan het lopende boekjaar;

2°een personeelslid van wie de jaarlijkse variabele beloning niet hoger is dan 50 000 euro en niet meer dan een derde van de totale jaarlijkse beloning van het personeelslid vertegenwoordigt.

Afdeling IV. - Antifraudebepalingen

Art. 10. De personen bedoeld in artikel 67, tweede lid onthouden zich van het uitvoeren van verrichtingen, met inbegrip van verzekeringsverrichtingen, die geheel of gedeeltelijk afbreuk doen aan de naleving van de bepalingen van deze Bijlage, in het bijzonder verrichtingen die tot doel hebben het risico dat voortvloeit uit de regeling voor hun variabele beloning te neutraliseren of die dit risico zouden kunnen neutraliseren.

Art. 11. De instellingen onthouden zich van het toekennen of uitbetalen van een variabele beloning door middel van vehikels of methodes die de niet-naleving van de bepalingen van deze wet of van Verordening nr. 575/2013 vergemakkelijken.

Afdeling V. - Vertrekvergoedingen en indiensttredingsvergoedingen

Art. 12. Voor de toepassing van deze Bijlage wordt onder vertrekvergoeding verstaan elke vorm van beloning of compensatie die aan een in artikel 67, tweede lid, bedoelde persoon wordt toegekend bij zijn of haar vertrek, ongeacht het tijdstip van dat vertrek en ongeacht of dit al dan niet op vrijwillige basis gebeurt. De vertrekvergoeding kan in voorkomend geval een ontslagvergoeding omvatten, namelijk een bedrag of vergoeding die of dat in het kader van de voortijdige beëindiging op niet-vrijwillige basis van een arbeidsovereenkomst of een vennootschapsmandaat wordt betaald aan een persoon als bedoeld in artikel 67, tweede lid.

Vertrekvergoedingen zijn variabele beloning waarop de bepalingen van de artikelen 1 tot en met 8 van deze Bijlage derhalve van toepassing zijn.

Onverminderd het Wetboek van vennootschappen en verenigingen moet elke vertrekvergoeding rekening houden met in de loop der tijd gerealiseerde prestaties en zodanig zijn ontworpen dat falen of onrechtmatig gedrag niet wordt beloond.

Bovendien kan een vertrekvergoeding die hoger is dan een bedrag dat gelijk is aan 12 maanden vaste beloning of, op eensluidend gemotiveerd advies van het remuneratiecomité, die hoger is dan een bedrag dat gelijk is aan 18 maanden vaste beloning, enkel worden toegekend, niettegenstaande eventuele andersluidende statutaire bepalingen of contractuele bedingen, onder voorbehoud van goedkeuring door de eerstvolgende gewone algemene vergadering. De procedure van artikel 7:92, tweede en derde lid, van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen is naar analogie van toepassing.

Art. 12/1. § 1. In afwijking van artikel 12, tweede lid van deze Bijlage zijn de artikelen 1, § 2 en 2 tot en met 8 van deze Bijlage niet van toepassing op:

1°de vertrekvergoeding die bestaat uit een bedrag dat bedoeld is om het inkomensverlies te compenseren op grond van een niet-concurrentiebeding en waarvan de instelling vóór de toekenning ervan ten genoegen van de Toezichthouder kan aantonen dat ze voldoet aan de criteria om als vaste beloning te worden aangemerkt;

2°de vertrekvergoeding die wordt toegekend aan een persoon die zijn of haar taken in het kader van een arbeidsovereenkomst of een vennootschapsmandaat uitoefent, en die bestaat uit een ontslagvergoeding die niet hoger mag zijn dan het bedrag waarop de betrokkene recht heeft of, naar analogie, recht zou hebben gehad op grond van zijn of haar anciënniteit, krachtens de wettelijke bepalingen inzake ontslag in het kader van een arbeidsovereenkomst.

§ 2.Indien de vertrekvergoeding bestaat uit een ontslagvergoeding, kan bij wijze van uitzondering op artikel 12, tweede lid, van deze Bijlage het bedrag van de vergoedingen die niet in aanmerking komen voor de in paragraaf 1 bedoelde uitzonderingen, bovendien geheel of gedeeltelijk worden vrijgesteld van de toepassing van de artikelen 1, § 2, 6 en 7 van deze Bijlage, mits deze vrijstelling naar behoren wordt gemotiveerd, de Toezichthouder er vooraf van in kennis wordt gesteld, met dien verstande dat deze vrijstelling uitsluitend gerechtvaardigd is in de specifieke en uitzonderlijke situaties die zijn vastgesteld in de EBA-richtsnoeren inzake beloningsbeleid.

Art. 13. De vergoedingen die bij de indiensttreding worden uitgekeerd ter compensatie van een verlies als gevolg van een verandering van kredietinstelling, moeten aansluiten bij de langetermijnbelangen van de instelling, met name op het vlak van aanhouding, betalingsuitstel, beoordeling van de prestaties en terugvorderingsregelingen.

Afdeling VI. - Uitzonderlijke overheidssteun

Onderafdeling I. - Variabele beloning - Algemene beperking

Art. 14. Voor de toepassing van deze Afdeling geldt het volgende:

1°er bestaat een onweerlegbaar vermoeden dat er sprake is van uitzonderlijke overheidssteun wanneer:

-de door de Federale Staat verstrekte leningen nog niet zijn terugbetaald;

-een door de Federale Staat verleende waarborg niet vervallen is of beëindigd werd;

2°onverminderd het bepaalde onder 1°, wordt de uitzonderlijke overheidssteun beëindigd wanneer de volgende voorwaarden cumulatief zijn vervuld:

-de instelling moet geen herstructureringsplan opstellen op basis van de beslissing van de Europese Commissie of voldoet geheel en correct aan de vereisten van een dergelijk plan, waaronder moet worden verstaan dat de instelling kan aantonen dat zij alle structurele maatregelen (met name de verkoop van deelnemingen) heeft uitgevoerd en dat de beperkende maatregelen (met name het verbod om de controle over ondernemingen te verwerven) niet langer van toepassing zijn en dat zij bovendien heeft bewezen dat zij voldoet aan haar verplichtingen met betrekking tot de geplande intrekking van de overheidssteun; en

-de toezichthouder bevestigt dat de instelling voldoet aan de bepalingen van deze wet en haar uitvoeringsbesluiten en-reglementen, evenals aan Verordening nr. 575/2013 wat betreft de toepasselijke solvabiliteits- en liquiditeitsvereisten.

Art. 15. Bij instellingen die uitzonderlijke overheidssteun genieten, is de variabele beloning onverminderd artikel 16 van deze Bijlage strikt beperkt tot een percentage van de totale winst van de instelling wanneer deze beloning niet strookt met de handhaving van een solide kapitaalbasis en een tijdige beëindiging van de overheidssteun.

De instellingen die steun genieten als bedoeld in het eerste lid, herstructureren de beloningen zodanig dat zij overeenstemmen met een degelijk risicobeheer en de langetermijnontwikkeling, onder meer door, waar nodig, de beloning van de leden van het wettelijk bestuursorgaan en van de personen die, bij ontstentenis van een directiecomité, deelnemen aan de effectieve leiding, te beperken.

Onderafdeling 2. - Beperking van de variabele beloning van de leiders

Art. 16. Wanneer een instelling uitzonderlijke overheidssteun geniet, wordt noch rechtstreeks noch onrechtstreeks een variabele beloning betaald aan de leden van het wettelijk bestuursorgaan van die instelling en aan de personen die, bij ontstentenis van een directiecomité, deelnemen aan haar effectieve leiding, tenzij het gaat om één person per instelling die specifiek is aangeworven na de voornoemde financiële steun om bij te dragen aan de tenuitvoerlegging van het aan de instelling opgelegde herstructureringsplan.

De Koning stelt bij een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit de maximumlimieten vast voor het variabele gedeelte dat binnen de grenzen van het eerste lid is toegestaan. Dit variabele gedeelte is bovendien onderworpen aan de bepalingen van de artikelen 2 tot 9 van deze Bijlage.

Onderafdeling 3. - Beperking van de vertrekvergoedingen

Art. 17. Wanneer de kredietinstelling uitzonderlijke overheidssteun geniet, is het haar niet toegestaan aan de personen bedoeld in artikel 15, tweede lid van deze Bijlage een vertrekvergoeding toe te kennen die hoger is dan 9 maanden vaste beloning. Bovendien is deze vergoeding onderworpen aan de bepalingen van artikel 8, § 2 van deze Bijlage betreffende de malus- en de terugvorderingsregelingen (clawback).

In afwijking van het eerste lid kan de kredietinstelling een hogere vertrekvergoeding toekennen indien de betrokken persoon vóór de toekenning van zijn mandaat van leider, overeenkomstig het bestaande contractuele kader en op basis van zijn opgebouwde anciënniteit binnen de instelling, in geval van ontslag recht zou hebben gehad op een opzegvergoeding die hoger is dan de vertrekvergoeding bepaald in het eerste lid, en dit tot maximum deze opzegvergoeding.

Onderafdeling 4. - Openbare-orde-karakter van de bepalingen

Art. 18. De toepassing van contractuele of andere bepalingen die de rechtsverhouding tussen een persoon bedoeld in artikel 15, tweede lid van deze Bijlage en de instelling regelen, en die strijdig zijn met de bepalingen van deze Afdeling, wordt van rechtswege geschorst tijdens de volledige periode dat de uitzonderlijke overheidssteun wordt verleend.

In geval van uitzonderlijke overheidssteun kunnen de contractuele of andere bepalingen die de rechtsverhouding tussen een persoon bedoeld in artikel 15, tweede lid van deze Bijlage en de instelling regelen, in geen geval terugwerkende kracht hebben.

Afdeling VII. - Openbaarmaking en informatieverstrekking

Art. 19. De kredietinstellingen maken hun beloningsbeleid openbaar overeenkomstig de toepasselijke Europeesrechtelijke bepalingen, in het bijzonder artikel 450 van Verordening nr. 575/2013.

De instellingen verstrekken aan de toezichthouder de informatie die zij overeenkomstig het eerste lid openbaar hebben gemaakt, alsmede de informatie over het beloningsverschil tussen mannen en vrouwen, opdat hij de nodige vergelijkende analyses kan uitvoeren van de tendensen en praktijken op het gebied van beloning.

Art. 20. De instellingen verstrekken aan de toezichthouder informatie over het aantal personen in de instelling die een beloning genieten van minstens 1 miljoen euro per boekjaar, in beloningstranches van 1 miljoen euro, met inbegrip van hun taakomschrijving, de betrokken bedrijfssector en de voornaamste elementen van beloning, met inbegrip van premies, vergoedingen op lange termijn en pensioenbijdragen. Deze informatie wordt doorgegeven aan de Europese Bankautoriteit.

Bijlage 3. - BEPALINGEN BETREFFENDE DE UITGIFTE VAN COVERED BONDS

Afdeling I. - Definities en rechtsmiddelen van de houders van Belgische covered bonds

Artikel 1. Voor de toepassing van de artikelen 79 tot 84 en van deze Bijlage wordt verstaan onder:

1°Belgische covered bond: een schuldinstrument dat voldoet aan de volgende criteria:

a)het schuldinstrument is of wordt uitgegeven door een kredietinstelling naar Belgisch recht die opgenomen is in de lijst bedoeld in artikel 82, eerste lid;

b)het schuldinstrument of - bij uitgifte onder een programma - het uitgifteprogramma en elk onder dat programma uitgegeven schuldinstrument, is of wordt opgenomen in de lijst bedoeld in artikel 82, tweede lid;

c)het schuldinstrument wordt gewaarborgd door dekkingsactiva;

1°/1 programma van Belgische covered bonds: de structurele kenmerken van uitgiften van Belgische covered bonds die worden bepaald door de contractuele voorwaarden die erop van toepassing zijn, overeenkomstig de toestemming die met toepassing van artikel 81 aan de uitgevende kredietinstelling is verleend, en de toepasselijke wettelijke bepalingen;

1°/2 bijzonder vermogen: een overeenkomstig artikel 3, § 2, van deze Bijlage samengestelde pool van activa die de aan de Belgische covered bonds verbonden betalingsverplichtingen waarborgen en die door de kredietinstelling die Belgische covered bonds uitgeeft afgezonderd worden gehouden van de andere activa die deel uitmaken van haar algemeen vermogen;

2°dekkingsactiva: de activa waaruit het bijzonder vermogen... bestaat;

2°/1 zekerheden ter waarborging van de dekkingsactiva: de zakelijke of persoonlijke zekerheden die de dekkingsactiva waarborgen;

3°Belgische pandbrief: elke Belgische covered bond waarvan de dekkingsactiva voldoen aan de voorwaarden die vastgesteld zijn op grond van artikel 2, § 1 van deze Bijlage, en die als dusdanig is opgenomen in de lijst bedoeld in artikel 82, tweede lid;

3°/1 afzondering: de met toepassing van de artikelen 3, § 2, 5, 6 en 15 van deze Bijlage verrichte handelingen waarbij de dekkingsactiva worden geïdentificeerd die deel uitmaken van het (de) bijzonder(e) vermogen(s);

4°vertegenwoordiger van de houders van Belgische covered bonds: de agent, de trustee of om het even welke andere persoon die aangesteld is overeenkomstig artikel 14, § 2 van deze Bijlage, om te waken over de belangen van de houders van Belgische covered bonds;

5°portefeuillesurveillant: de persoon die aangesteld is overeenkomstig artikel 16 van deze Bijlage;

6°portefeuillebeheerder: de persoon die aangesteld is overeenkomstig artikel 8 van deze Bijlage;

7°automatische versnelling: het geval waarin de opening van een liquidatieprocedure ten aanzien van de uitgevende kredietinstelling of de afwikkeling ervan een geval van wanbetaling vormt waardoor de schuld aan de houders van Belgische covered bonds van rechtswege onmiddellijk opeisbaar wordt en deze houders een afdwingbare vordering tot terugbetaling hebben op een tijdstip vóór de oorspronkelijke vervaldag van de Belgische covered bonds waarvan ze houder zijn;

8°marktwaarde: met betrekking tot onroerend goed, de marktwaarde in de zin van artikel 4, lid 1, punt 76, van Verordening nr. 575/2013;

9°primaire activa: de dekkingsactiva die tot één van de in artikel 1/2, a), b) of c), bedoelde categorieën behoren en die het grootste deel uitmaken van het bijzonder vermogen;

10°secundaire activa: andere aan de dekkingsvereisten bijdragende dekkingsactiva dan primaire activa;

11°het overschot: de waarde van de dekkingsactiva die,

a)hoger is dan de waarde van de dekkingsactiva die vereist zijn met toepassing van artikel 2/1, § 1, van deze Bijlage; en

b)wat de hoofdsom van deze dekkingsactiva betreft die berekend wordt overeenkomstig de waarderingscriteria bepaald op grond van artikel 81, § 4, 1°, b), hoger is dan het aan hoofdsom uitstaande bedrag van de Belgische covered bonds die zij dekken, met dien verstande dat de hoofdsommen van de dekkingsactiva niet elders in aanmerking zijn genomen om te voldoen aan het vereiste van artikel 2/1, § 1, van deze Bijlage met betrekking tot andere betalingsverplichtingen dan die welke verband houden met de hoofdsom van de Belgische covered bonds;

12°verlengbare looptijdstructuur: het mechanisme dat de mogelijkheid biedt om de vastgestelde looptijd van Belgische covered bonds voor een vooraf bepaalde termijn te verlengen ingeval een specifieke trigger zich voordoet.

Art. 1/1. De houders van Belgische covered bonds, de tegenpartijen van in artikel 1/3 bedoelde derivatencontracten en de andere in artikel 6, eerste en vierde lid van deze Bijlage bedoelde schuldeisers hebben voor het totale bedrag van de aan de Belgische covered bonds verbonden betalingsverplichtingen zowel:

a)een schuldvordering op het algemeen vermogen van de uitgevende kredietinstelling;

b)wanneer er ten aanzien van de uitgevende kredietinstelling een liquidatieprocedure is geopend of wanneer zij wordt afgewikkeld, een exclusief recht op de activa die deel uitmaken van het bijzonder vermogen;

c)wanneer er ten aanzien van de uitgevende kredietinstelling een liquidatieprocedure is geopend en indien de in punt b) bedoelde schuldvordering niet volledig kan worden terugbetaald, een chirografaire schuldvordering op het algemeen vermogen van de instelling.

Afdeling I/1 - Kenmerken en aanwending van de dekkingsactiva

Art. 1/2. De schuldvorderingen die in aanmerking komen als dekkingsactiva voor Belgische covered bonds zijn de volgende activa, zoals gespecificeerd in de bepalingen die met toepassing van artikel 81, § 4, 1°, zijn vastgesteld:

a)hypothecaire schuldvorderingen waarbij het voorwerp van de hypotheek niet-zakelijk onroerend goed is dat in een lidstaat van de Europese Economische Ruimte is gelegen;

b)hypothecaire schuldvorderingen waarbij het voorwerp van de hypotheek zakelijk onroerend goed is dat in een lidstaat van de Europese Economische Ruimte is gelegen;

c)schuldvorderingen op of gewaarborgd door (i) centrale overheden of centrale banken van lidstaten van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling ("OESO"), (ii) regionale of lokale overheden of publieke entiteiten van lidstaten van de OESO, of (iii) multilaterale ontwikkelingsbanken of internationale organisaties; en/of

d)schuldvorderingen op kredietinstellingen die in aanmerking komen voor de kredietkwaliteitscategorieën 1 en 2 zoals vastgesteld overeenkomstig artikel 136 van Verordening nr. 575/2013 wanneer deze vorderingen de vorm hebben van:

-kortlopende schuldvorderingen met een looptijd van drie maanden of minder, of kortetermijndeposito's met een oorspronkelijke looptijd van maximaal 100 dagen, indien deze worden gebruikt om te voldoen aan het liquiditeitsvereiste voor het bijzonder vermogen dat door en krachtens artikel 13 van deze Bijlage wordt opgelegd; of

-derivatencontracten die voldoen aan de vereisten van artikel 1/3 van deze Bijlage.

Art. 1/3. § 1. Een uitgevende kredietinstelling kan schuldvorderingen uit hoofde van een of meer derivatencontracten in het bijzonder vermogen opnemen, op voorwaarde dat deze contracten uitsluitend bestemd zijn ter dekking van een renterisico of wisselkoersrisico dat verbonden is aan de dekkingsactiva of aan de betrokken Belgische covered bonds. Het volume van deze derivatencontracten wordt aangepast in geval van een vermindering van het gedekte risico en deze contracten worden verwijderd uit het bijzonder vermogen wanneer het gedekte risico ophoudt te bestaan.

§ 2.De Koning legt vereisten vast met betrekking tot de derivatencontracten die deel uitmaken van het bijzonder vermogen en specificeert deze vereisten, met name wat betreft hun kenmerken, beleenbaarheidscriteria, tegenpartijen en documentatie.

Art. 2. § 1. Wanneer de betrokken Belgische covered bond een Belgische pandbrief is, moeten de samenstelling en de waardering van de dekkingsactiva garanderen dat deze Belgische covered bond voldoet aan de specifieke voorwaarden voor het verkrijgen van een gunstige weging voor de uitgegeven Belgische covered bonds, zoals die zijn opgenomen in artikel 129 van Verordening nr. 575/2013. Bij de uitoefening van de machtiging bedoeld in artikel 81, § 4, kan de Koning de criteria vastleggen of verduidelijken op basis waarvan bepaald kan worden of de Belgische covered bonds aan deze reglementering voldoen.

§ 2....

§ 3....

Art. 2/1. § 1. De dekkingsactiva waaruit het bijzonder vermogen is samengesteld moeten te allen tijde en tot de vervaldag van de Belgische covered bonds die zij waarborgen, voldoende dekking bieden om:

-de hoofdsom af te lossen en interesten te betalen met betrekking tot de betrokken Belgische covered bonds;

-te voldoen aan de verplichtingen jegens de schuld-eisers die vastgesteld zijn of vastgesteld kunnen worden overeenkomstig de uitgiftevoorwaarden van de betrokken Belgische covered bonds; en

-betalingen te verrichten die verband houden met het onderhoud en het beheer van de dekkingsactiva en de betrokken Belgische covered bonds, met inbegrip van de kosten voor de afbouw van het uitgifteprogramma van de betrokken Belgische covered bonds.

§ 2.De dekkingsactiva die gewaardeerd worden overeenkomstig de krachtens artikel 81, § 4, 1°, b), vastgestelde waarderingscriteria omvatten een overschot, zodat de waarde van de hoofdsom van deze activa hoger is dan het uitstaande bedrag van de hoofdsom van de Belgische covered bonds die ze dekken.

§ 3.De Koning stelt de in paragraaf 1 bedoelde dekkingsvereisten vast. Hij stelt eveneens het minimumniveau vast van het overeenkomstig paragraaf 2 vereiste overschot en de modaliteiten met betrekking tot dit overschot. Indien de Koning bij de uitoefening van die machtiging met het oog op de naleving van de in de paragrafen 1 en 2 bedoelde vereisten en de waardering ervan bepaalt dat bepaalde dekkingsactiva maar in aanmerking mogen worden genomen tot beloop van een bepaald percentage, heeft dit geen invloed op het feit dat de betrokken activa deel uitmaken van het bijzonder vermogen waartoe ze behoren.

§ 4.De naleving van de in de paragrafen 1 en 2 vastgestelde verplichtingen wordt periodiek beoordeeld om te waarborgen dat de instelling er te allen tijde aan voldoet. Ingeval er een tekort aan dekkingsactiva wordt vastgesteld, is de instelling verplicht dit onverwijld te verhelpen.

De Koning kan de modaliteiten van deze periodieke beoordeling nader bepalen.

Art. 3. § 1. Het vermogen van een kredietinstelling die Belgische covered bonds heeft uitgegeven, bestaat van rechtswege uit enerzijds een algemeen vermogen en anderzijds een of meer bijzondere vermogens.

§ 2.Een bijzonder vermogen bestaat van rechtswege uit:

1°alle roerende goederen die overeenkomstig artikel 15, § 1, 1°, van deze Bijlage, zijn ingeschreven in het register van de dekkingsactiva dat wordt bijgehouden voor een of meer specifieke Belgische covered bonds, of, in voorkomend geval, voor alle Belgische covered bonds die onder een uitgifteprogramma zijn uitgegeven;

2°de waarden contanten of financiële instrumenten die als waarborg zijn ontvangen in het kader van derivatencontracten die geregistreerd zijn als dekkingsactiva;

3°alle zakelijke of persoonlijk zekerheden, waarborgen of voorrechten die in welke vorm ook verstrekt geweest zijn in verband met de dekkingsactiva, evenals de rechten met betrekking tot de verzekeringen en andere overeenkomsten die verband houden met de dekkingsactiva of het beheer van het bijzonder vermogen;

4°alle bedragen die een kredietinstelling aanhoudt als gevolg van de inning (terugbetaling, betaling) van de dekkingsactiva of van de uitoefening van de rechten bedoeld in 1° of 3° voor rekening van het bijzonder vermogen dat binnen deze kredietinstelling werd aangelegd, of die op een andere wijze worden aangehouden voor rekening van dit bijzonder vermogen; en

5°de verplichte reserves bij de Bank, voor zover zij verbonden zijn aan het bijzonder vermogen.

Indien de kredietinstelling die Belgische covered bonds uitgeeft, bedragen als bedoeld in het eerste lid, 4° aanhoudt voor rekening van een bijzonder vermogen, en deze bedragen niet geïdentificeerd kunnen worden in het algemeen vermogen op het ogenblik dat gevraagd wordt deze tegoeden toe te wijzen aan het bijzonder vermogen, wordt het recht op deze in het bijzonder vermogen opgenomen bedragen voor dezelfde waarde overgedragen op andere vrije activa in het algemeen vermogen van de kredietinstelling. Deze activa worden dan geïdentificeerd na overleg met de vertegenwoordiger van het bijzonder vermogen (de portefeuillebeheerder of, bij ontstentenis, de portefeuillesurveillant) en de uitgevende kredietinstelling of, in voorkomend geval, de afwikkelingsautoriteit of de liquidateur van de kredietinstelling, op grond van de criteria die in de uitgiftevoorwaarden zijn vastgesteld. De kredietinstelling of, respectievelijk haar curator of haar liquidateur, moet die vervangingsactiva ter beschikking stellen van de portefeuillebeheerder zodra hij deze terugvordert.

Art. 4. De in artikel 1/2 van deze Bijlage bedoelde activa mogen enkel worden verworven om gebruikt te worden als dekkingsactiva in het kader van een uitgifte of een uitgifteprogramma van Belgische covered bonds op voorwaarde dat:

-de cedent een financiële instelling in de zin van artikel 4, lid 1, punt 26), van Verordening nr. 575/2013 die binnen de reikwijdte van de regelgevingsconsolidatie van de overnemende kredietinstelling valt of een kredietinstelling is;

-de overnemende instelling de door de overdragende instelling gehanteerde kredietverleningsvoorwaarden beoordeelt of zelf overgaat tot een grondige beoordeling van de terugbetalingscapaciteit van de schuldenaars van de overgedragen schuldvorderingen die deel zullen uitmaken van haar bijzonder vermogen, met dien verstande dat de betrokken kredieten uitsluitend mogen zijn verleend op grond van kredietverleningsvoorwaarden die ten minste gelijkwaardig zijn aan die welke door de overnemende instelling worden gehanteerd;

-de inning van de overgedragen schuldvorderingen slechts aan de cedent of aan een derde die niet de cedent is, kan worden toevertrouwd indien de cedent of die derde contractueel verplicht is dagelijks verslag uit te brengen zodat de overnemende instelling alle informatie ontvangt die zij nodig heeft om te allen tijde haar eigen verplichtingen na te komen die door en krachtens de artikelen 2/1 en 13 van deze Bijlage zijn vastgelegd;

-indien de inning van de overgedragen schuldvorderingen aan een derde wordt toevertrouwd, de overnemende instelling er bovendien op toeziet, onverminderd de toepassing van artikel 66, dat deze derde deskundig is op het gebied van het beheer van soortgelijke schuldvorderingen als deze die worden overgedragen en over goed gedocumenteerde en passende beleidslijnen, procedures en risicobeheermechanismen beschikt voor de inning van de betrokken schuldvorderingen;

-indien nodig, de schuldenaars naar behoren in kennis worden gesteld van de overdracht indien de wetgeving die op de overgedragen schuldvordering van toepassing is, een dergelijke kennisgeving voorschrijft om de tegenstelbaarheid van de overdracht te waarborgen.

Wanneer activa worden verworven met het oog op de uitgifte van Belgische covered bonds door de overnemende instelling, omvat het bijzonder vermogen dat binnen de uitgevende kredietinstelling werd aangelegd de verworven activa en, in voorkomend geval, de bedragen die door de overdragende instelling worden verkregen na de inning van de overgedragen activa of de uitoefening van de rechten bedoeld in artikel 3, § 2, eerste lid, 1° en 3°, van deze Bijlage, voor rekening van het bijzonder vermogen dat binnen de overnemende instelling werd aangelegd, of die op een andere wijze door de overdragende instelling worden aangehouden voor rekening van dit bijzonder vermogen. Indien deze bedragen die voor rekening van een bijzonder vermogen worden verkregen of aangehouden, niet geïdentificeerd kunnen worden in het vermogen van de overdragende instelling op het ogenblik dat gevraagd wordt deze tegoeden toe te wijzen aan het bijzonder vermogen, wordt het vorderingsrecht op deze bedragen die in het bijzonder vermogen van de overnemende instelling zijn opgenomen, overgedragen op andere vrije activa van de overdragende instelling met dezelfde waarde. Deze activa worden dan geïdentificeerd na overleg met de vertegenwoordiger van het bijzonder vermogen en de overdragende instelling of, in voorkomend geval, de liquidateur van de overdragende instelling of, in voorkomend geval, de afwikkelingsautoriteit, op grond van de criteria die de cedent en de overnemer hebben vastgelegd in de uitgiftevoorwaarden. De overdragende instelling, haar liquidateur of, in voorkomend geval, de afwikkelingsautoriteit, moet die vervangingsactiva ter beschikking stellen van de overnemende kredietinstelling of, in voorkomend geval, van de portefeuillebeheerder van het bijzonder vermogen van de overnemende kredietinstelling, zodra zij daarom verzoeken.

De in dit artikel bedoelde overdracht mag enkel tegen marktvoorwaarden geschieden.

Art. 5. De kredietinstellingen die Belgische covered bonds hebben uitgegeven, nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de dekkingsactiva voor elke uitgifte van Belgische covered bonds of voor elk uitgifteprogramma te allen tijde identificeerbaar zijn.

De Koning bepaalt de minimumvoorwaarden waaraan de kredietinstellingen die covered bonds hebben uitgegeven moeten voldoen om de dekkingsactiva met betrekking tot hun bijzondere vermogens te allen tijde te kunnen identificeren.

Art. 6. Onder voorbehoud van het vierde en vijfde lid wordt elk bijzonder vermogen uitsluitend aangewend voor de naleving van de verbintenissen jegens (a) de houders van de betrokken Belgische covered bonds of, in voorkomend geval, van de Belgische covered bonds die uitgegeven zijn onder het betrokken uitgifteprogramma, evenals jegens (b) de schuldeisers die vastgesteld zijn of vastgesteld kunnen worden overeenkomstig de uitgiftevoorwaarden van de betrokken Belgische covered bond of van het betrokken uitgifteprogramma.

Onder voorbehoud van de in het vijfde lid opgenomen bepaling belet de in het eerste lid bedoelde exclusieve aanwending dat om het even welke andere schuldeiser van de uitgevende kredietinstelling een recht uitoefent, waaronder een beslagrecht, op de dekkingsactiva, met inbegrip van de zekerheden ter waarborging van de dekkingsactiva, die het bijzonder vermogen vormen.

...

De regels voor de verdeling tussen de verbintenissen bedoeld in het eerste lid worden vastgelegd in de uitgiftevoorwaarden en in de overeenkomsten die gesloten zijn in het kader van de uitgifte van de Belgische covered bond of van het betrokken uitgifteprogramma.

...

In afwijking van het eerste lid mag de portefeuillebeheerder in voorkomend geval en onder voorbehoud van andersluidende contractuele bepalingen, van het bijzonder vermogen zijn bezoldiging afhouden en die van zijn personeel, evenals alle andere kosten die verband houden met de uitoefening van zijn opdracht, met inbegrip van de kosten die gemaakt zijn door zijn onderaannemers, voor zover zij de vereffening van dit vermogen ten goede komen.

Na de afsluiting van de vereffening van een bijzonder vermogen maakt het positief saldo van rechtswege deel uit van het algemeen vermogen van de uitgevende kredietinstelling.

Noch de wettelijke toewijzing als bedoeld in het eerste lid, noch enige andere bepaling van deze Bijlage doen afbreuk aan het algemeen verhaalsrecht dat de schuldeisers van de in het eerste lid bedoelde verbintenissen hebben op het algemeen vermogen van de uitgevende kredietinstelling, zodat de schuldvorderingen van die schuldeisers zowel uit het algemeen vermogen kunnen worden geput als uit het bijzonder vermogen dat daarvoor is voorbehouden.

De opening van een liquidatieprocedure of het nemen van een afwikkelingsmaatregel ten aanzien van de uitgevende kredietinstelling of van de in artikel 4 van deze Bijlage bedoelde overdragende instelling doet geen afbreuk aan de in dit artikel bedoelde wettelijke toewijzing van het bijzonder vermogen.

Art. 6/1. Wanneer er naar aanleiding van de vaststelling van een afwikkelingsinstrument als bedoeld in Boek II, Titel VIII, een overdracht plaatsvindt waarbij een bijzonder vermogen betrokken is, blijven de rechten van de houders van Belgische covered bonds en van de andere schuldeisers als bedoeld in artikel 6, eerste en vierde lid van deze Bijlage, gehandhaafd en worden zij mee overgedragen met de dekkingsactiva die het bijzonder vermogen vormen.

Afdeling I/2 - Beheer van de dekkingsactiva

Art. 7. De uitgevende kredietinstelling staat in voor het beheer van het bijzonder vermogen tot er een liquidatieprocedure wordt geopend of, indien deze datum vroeger valt, tot er een portefeuillebeheerder wordt aangesteld.

De rechten en verplichtingen met betrekking tot de verrichtingen die tussen de uitgevende kredietinstelling en het bijzonder vermogen plaatsvinden tijdens het bestaan van het bijzonder vermogen en de Belgische covered bonds die eraan verbonden zijn, worden schriftelijk vastgelegd alsof het bijzonder vermogen een afzonderlijke rechtspersoon was.

Dit beheer houdt onder meer in dat bepaalde dekkingsactiva worden verwijderd uit het bijzonder vermogen en dat ze worden vervangen door andere dekkingsactiva om aan de toepasselijke vereisten te voldoen.

Art. 8. § 1. De Bank stelt voor elk bijzonder vermogen een portefeuillebeheerder aan:

1°wanneer er ten aanzien van de uitgevende kredietinstelling een maatregel wordt getroffen en/of een sanctie wordt opgelegd als bedoeld in de artikelen 234, § 2, 235, 236, 345, 346, § 2, of 347 en de Bank van oordeel is dat deze maatregel of sanctie en/of de redenen ervoor de rechten kunnen aantasten van de houders van de Belgische covered bonds en/of van eventuele derden die een schuldvordering hebben op het bijzonder vermogen;

2°wanneer er ten aanzien van de uitgevende kredietinstelling een liquidatieprocedure wordt geopend of wanneer zij wordt afgewikkeld;

3°wanneer de Bank van mening is dat de beoordeling van de positie van de uitgevende kredietinstelling de belangen van de houders van de betrokken Belgische covered bonds ernstig in gevaar kan brengen.

De Bank kan eveneens een portefeuillebeheerder aanstellen wanneer één of meer van de in de artikelen 80, § 1, en 81, § 1, bedoelde toestemmingen worden ingetrokken met toepassing van artikel 17 van deze Bijlage.

§ 2.Zodra hij is aangesteld, staat de portefeuillebeheerder in voor het volledige beheer van het bijzonder vermogen en beschikt hij van rechtswege over alle nodige of nuttige bevoegdheden om dit beheer te voeren, ook om zonder enige beperking alle mogelijke daden van beschikking te stellen. Doel van dit beheer is dat de verbintenissen die in de uitgiftevoorwaarden van de Belgische covered bonds zijn opgenomen, verder worden nageleefd. Handelingen die betrekking hebben op het bijzonder vermogen en die na de aanstelling van de portefeuillebeheerder worden gesteld door de uitgevende kredietinstelling of in naam van deze instelling, door andere personen dan de portefeuillebeheerder, worden als nietig beschouwd, tenzij ze door de portefeuillebeheerder worden bekrachtigd.

§ 3.Ten aanzien van de uitgevende kredietinstelling en ten aanzien van derden:

a)oefent de portefeuillebeheerder vanaf zijn aanstelling en in naam van het bijzonder vermogen de zakelijke en persoonlijke rechten uit en leeft hij de aan het bijzonder vermogen toegekende verplichtingen na, met dezelfde prerogatieven als een volwaardig rechtspersoon;

b)kan de portefeuillebeheerder besluiten een looptijd te verlengen met toepassing van artikel 13/1 van deze Bijlage.

§ 4.De portefeuillebeheerder werkt samen en wisselt alle noodzakelijke en nuttige informatie uit met de Bank en, in geval van een liquidatieprocedure ten aanzien van de uitgevende kredietinstelling of van de afwikkeling ervan, met de liquidateur of de afwikkelingsautoriteit.

§ 5.De Koning stelt nadere regels vast met betrekking tot:

1°de vereisten om aangesteld te kunnen worden als portefeuillebeheerder;

2°de taken en vaardigheden van de portefeuillebeheerder, evenals zijn rapporteringsverplichtingen, met inbegrip van de beslissingen waarvoor de portefeuillebeheerder het akkoord moet verkrijgen van de Bank en/of de vertegenwoordiger van de houders van Belgische covered bonds;

3°de modaliteiten die de Bank kan vastleggen voor de in punt 2° bedoelde rapporteringsverplichtingen.

Art. 9....

Afdeling I/3 - Inschrijving op Belgische covered bonds door de uitgevende kredietinstelling en verplichte reserves

Art. 10. § 1. De uitgevende kredietinstelling kan op de door haar uitgegeven Belgische covered bonds inschrijven en die Belgische covered bonds verwerven en behouden. Zolang ze worden aangehouden door de instelling, genieten de Belgische covered bonds waarop op deze wijze is ingeschreven of die op deze wijze zijn verworven, niet de rechten die vastgesteld zijn in de artikelen 7:162 tot en met 7:176 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen en de soortgelijke rechten die opgenomen zouden zijn in de statuten van de instelling, tenzij de uitgiftevoorwaarden hierin voorzien.

§ 2.In de mate toegestaan door de Bank, kan een uitgevende kredietinstelling voor elk bijzonder vermogen verplichte reserves aanhouden bij de Bank.

Afdeling I/4 - Samenloop van schuldeisers of afwikkeling

Art. 11. Wanneer er een liquidatieprocedure wordt geopend ten aanzien van de uitgevende kredietinstelling:

1°is deze procedure beperkt tot het algemeen vermogen van de uitgevende kredietinstelling; de bijzondere vermogens en de verbintenissen en schulden die door deze bijzondere vermogens gedekt zijn, maken geen deel uit van de boedel van het faillissement;

2°moet de curator zijn medewerking verlenen aan de toezichthouder en aan de portefeuillebeheerder, zodat zij het bijzonder vermogen overeenkomstig deze wetgeving kunnen beheren;

3°heeft deze procedure niet tot gevolg dat de verbintenissen en schulden die door een bijzonder vermogen gedekt zijn, automatisch versneld worden;

4°behouden de schuldeisers van de verbintenissen en schulden die door een bijzonder vermogen gedekt zijn, hun rechten in de liquidatieprocedure, met toepassing van artikel 6, zesde lid van deze Bijlage;

5°kan de portefeuillebeheerder, in het belang van de houders van de betrokken Belgische covered bonds, na overleg met de vertegenwoordiger van de houders van Belgische covered bonds en mits de Bank hiermee instemt, het bijzonder vermogen (activa en passiva) en het beheer hiervan overdragen aan een instelling die zal instaan voor de verdere uitvoering van de verplichtingen jegens de houders van Belgische covered bonds, overeenkomstig de oorspronkelijke uitgiftevoorwaarden;

6°kan de portefeuillebeheerder na overleg met de vertegenwoordiger van de houders van Belgische covered bonds en mits de Bank hiermee instemt, overgaan tot de vereffening van een bijzonder vermogen en tot de vervroegde terugbetaling van de betrokken Belgische covered bonds, indien de dekkingsactiva niet toereikend zijn of niet meer toereikend dreigen te zijn om de verplichtingen met betrekking tot deze Belgische covered bonds na te komen;

7°gaat de portefeuillebeheerder na overleg met de Bank en de vertegenwoordiger van de houders van Belgische covered bonds over tot de gedeeltelijke of volledige vereffening van het bijzonder vermogen en tot de vervroegde terugbetaling, indien die houders op een algemene vergadering van de houders van de betrokken Belgische covered bonds, waarop minstens twee derden van het aan hoofdsom uitstaande bedrag vertegenwoordigd zijn, de vereffening van het bijzonder vermogen en de vervroegde terugbetaling bij eenvoudige meerderheid goedkeuren;

8°heeft de curator het recht om, na overleg met de Bank, van de portefeuillebeheerder te eisen dat de activa waarvan vaststaat dat ze niet langer nodig zijn als dekkingsactiva, teruggaan naar de massa.

Art. 12. § 1....

§ 2.Wanneer er ten aanzien van de uitgevende kredietinstelling een liquidatieprocedure is geopend, mag zij niettegenstaande artikel 233 buiten deze liquidatieprocedure de activiteiten blijven uitoefenen die nodig of nuttig zijn voor het beheer dat de portefeuillebeheerder voert om de belangen van de houders van uitgegeven Belgische covered bonds met betrekking tot het bijzonder vermogen te vrijwaren, uiterlijk tot alle verplichtingen die verband houden met het bijzonder vermogen, volledig zijn uitgevoerd of op een andere wijze zijn nagekomen.

§ 3....

Art. 12/1. Wanneer er ten aanzien van een kredietinstelling die Belgische covered bonds heeft uitgegeven een liquidatieprocedure is geopend of wanneer zij wordt afgewikkeld, werken de Bank, de portefeuillebeheerder en, in voorkomend geval, de afwikkelingsautoriteit samen en wisselen zij de nodige informatie uit met het oog op voornoemde procedures en om te waarborgen dat de rechten en belangen van de houders van Belgische covered bonds worden geëerbiedigd, met name door erop toe te zien dat het uitgifteprogramma voor Belgische covered bonds tijdens de liquidatieprocedure of de afwikkeling doorlopend en overeenkomstig de wettelijke en reglementaire vereisten wordt beheerd. De portefeuillebeheerder ziet er ook op toe dat aan de rapporteringsverplichtingen wordt voldaan.

Op de aan de Belgische covered bonds verbonden betalingsverplichtingen is in geen geval een automatische versnelling van toepassing bij afwikkeling van de uitgevende kredietinstelling.

Afdeling II. - Uitgifte- en liquiditeitsvoorwaarden

Art. 13. Onverminderd artikel 13/1 moet de uitgevende kredietinstelling te allen tijde kunnen voldoen aan haar betalingsverplichtingen die verbonden zijn aan de uitgegeven Belgische covered bonds en moet zij te dien einde mechanismen instellen die ervoor zorgen dat zij te allen tijde beschikt over de nodige liquiditeit daarvoor.

De Koning bepaalt:

1°de toepasselijke vereisten inzake het in aanmerking nemen van de liquiditeiten die gegenereerd worden door de dekkingsactiva en de liquiditeitsbuffer waarover de uitgevende kredietinstelling moet beschikken om te waarborgen dat zij haar betalingsverplichtingen die verbonden zijn aan de uitgegeven Belgische covered bonds kan nakomen;

2°de vereisten met betrekking tot de periodieke verificatie van de liquiditeitsbuffer, die met name wordt uitgevoerd door een vergelijking te maken tussen de liquiditeiten die gedurende een bepaalde periode gegenereerd worden door de dekkingsactiva en de betalingen die gedurende een bepaalde periode overeenkomstig de uitgiftevoorwaarden moeten worden verricht.

Art. 13/1. § 1. De looptijd van een Belgische covered bond kan alleen worden verlengd onder de volgende voorwaarden:

1°de triggers voor deze verlenging zijn uitdrukkelijk opgenomen in de uitgiftevoorwaarden van de betrokken Belgische covered bonds. Alleen de volgende gebeurtenissen worden beschouwd als triggers:

-de uitgevende kredietinstelling heeft vastgesteld dat zij niet in staat is alle bedragen terug te betalen die op de vervaldag van de betrokken Belgische covered bonds verschuldigd zijn ("failure to pay"); en/of

-er is ten aanzien van de uitgevende kredietinstelling een liquidatieprocedure geopend of zij wordt afgewikkeld;

2°in geval van een liquidatieprocedure of een afwikkeling wordt over de tenuitvoerlegging van de verlenging beslist door de portefeuillebeheerder;

3°de uitgestelde vervaldatum is opgenomen in de uitgiftevoorwaarden, en de eindvervaldatum mag niet later zijn dan één jaar na de oorspronkelijke vervaldatum....

§ 2.De redenen voor de verlenging en het actieplan dat de uitgevende kredietinstelling zal volgen om ervoor te zorgen dat alle verschuldigde bedragen op de nieuwe vervaldag worden terugbetaald, worden gedocumenteerd en binnen 15 werkdagen na de verlenging ter kennis van de Bank gebracht. Indien de redenen voor de verlenging hun oorsprong vinden in de in paragraaf 1, 1°, eerste streepje bedoelde trigger, toont de uitgevende kredietinstelling aan dat zij alle redelijke maatregelen heeft genomen om te voorkomen dat de trigger zich zou voordoen.

De looptijdverlenging laat de toepassing van de artikelen 1/1 en 6 van deze Bijlage onverlet. In het bijzonder mag de verlenging van de oorspronkelijke vervaldag geen invloed hebben op de situatie van de houders van de betrokken Belgische covered bonds en van de andere schuldeisers van het bijzonder vermogen wat betreft hun exclusief recht op de dekkingsactiva die het bijzonder vermogen vormen. Evenzo mag een dergelijke verlenging geen wijziging inhouden van de volgorde van het looptijdenschema voor de uitgiften van een uitgifteprogramma.

§ 3.Naast de krachtens paragraaf 1 vereiste informatie omvatten de uitgiftevoorwaarden een gedetailleerde beschrijving van:

1°de voorwaarden voor de tenuitvoerlegging en de gevolgen van de looptijdverlenging;

2°de gevolgen van de ten aanzien van de uitgevende kredietinstelling geopende liquidatieprocedure of van haar afwikkeling voor de looptijdverlenging;

3°de rol van de portefeuillebeheerder en de Bank bij de looptijdverlenging.

§ 4.De Koning kan de voorwaarden bepalen waaronder er in de uitgiftevoorwaarden van Belgische covered bonds in een looptijdverlenging kan worden voorzien, alsmede de voorwaarden voor de tenuitvoerlegging ervan.

Art. 14. § 1. De artikelen 7:162 tot 7:176 van het Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen zijn slechts van toepassing op de Belgische covered bonds in de mate dat de uitgiftevoorwaarden er niet van afwijken.

§ 2.Voor de houders van Belgische covered bonds die deel uitmaken van dezelfde uitgifte of van hetzelfde uitgifteprogramma, kunnen er één of meer vertegenwoordigers worden aangesteld, voor zover de uitgiftevoorwaarden regels bevatten voor de organisatie van algemene vergaderingen voor de houders van de betrokken Belgische covered bonds. Binnen de grenzen van de aan hen toevertrouwde opdrachten kunnen deze vertegenwoordigers alle houders van de Belgische covered bonds van deze uitgifte of van dit uitgifteprogramma verbinden jegens derden en om hun bevoegdheid te bewijzen, volstaat het dat zij de akte voorleggen waarmee zij zijn aangesteld. Zij kunnen optreden en de houders van de Belgische covered bonds vertegenwoordigen in liquidatieprocedures of soortgelijke procedures, zonder de identiteit van deze personen bekend te maken.

De vertegenwoordigers van de houders van een Belgische covered bond worden hetzij vóór de uitgifte aangesteld door de uitgevende kredietinstelling, hetzij na de uitgifte door de algemene vergadering van de houders van de betrokken Belgische covered bonds. Hun bevoegdheden worden vastgesteld in de uitgiftevoorwaarden of, indien dit niet het geval is, door de algemene vergadering van de houders van de betrokken Belgische covered bond.

De algemene vergadering van de houders van de betrokken Belgische covered bonds kan de aanstelling van de vertegenwoordiger(s) te allen tijde herroepen, op voorwaarde dat zij tegelijkertijd één of meer andere vertegenwoordigers aanstelt. De algemene vergadering beslist bij eenvoudige meerderheid van de vertegenwoordigde Belgische covered bonds.

De vertegenwoordigers van de houders van een Belgische covered bond kunnen ook worden aangesteld om op te treden voor de andere schuldeisers die houder zijn van schuldvorderingen die door de dekkingsactiva zijn gedekt, mits deze schuldeisers hiermee instemmen en voor zover de uitgiftevoorwaarden van de betrokken Belgische covered bond passende regels bevatten voor eventuele belangenconflicten.

De vertegenwoordigers oefenen hun bevoegdheden uit in het uitsluitend belang van de houders van de Belgische covered bond en, in voorkomend geval, van de andere schuldeisers die zij vertegenwoordigen, en zijn hen rekenschap verschuldigd volgens de nadere regels die vastgelegd zijn in de uitgiftevoorwaarden of, in voorkomend geval, in de beslissing tot aanstelling.

Afdeling III. - Bijzondere verplichtingen voor de emittent van de Belgische covered bonds

Art. 15. § 1. Elke kredietinstelling die Belgische covered bonds heeft uitgegeven, moet met betrekking tot die Belgische covered bonds:

1°een bijzondere administratie voeren voor:

a)de uitgegeven Belgische covered bonds waarop het bijzonder vermogen betrekking heeft; en

b)de dekkingsactiva die deze Belgische covered bonds dekken.

De in de punten a) en b) bedoelde activa worden ingeschreven in een register van de dekkingsactiva dat wordt bijgehouden voor een of meer specifieke Belgische covered bonds, of, in voorkomend geval, voor alle Belgische covered bonds die onder eenzelfde uitgifteprogramma zijn uitgegeven.

Zodra de dekkingsactiva, waaronder derivatencontracten, in het register van de dekkingsactiva zijn ingeschreven, maken zij deel uit van het bijzonder vermogen dat betrekking heeft op de Belgische covered bonds die in hetzelfde register zijn ingeschreven. Deze opname in het bijzonder vermogen is geldig en afdwingbaar tegenover derden vanaf het moment van deze inschrijving.

2°...

3°aan haar commissaris-revisor, aan elke portefeuillesurveillant en aan elke portefeuillebeheerder alle nodige informatie verstrekken en alle nodige medewerking verlenen om hen in staat te stellen de opdrachten uit te voeren die hen zijn toegekend op grond van deze wet, de uitgiftevoorwaarden en de overeenkomsten die verband houden met de uitgifte;

4°periodiek aan de Bank aantonen dat de uitgegeven Belgische covered bonds nog steeds voldoen aan de door of krachtens deze wet opgelegde vereisten, met name

a)door verslag uit te brengen over de naleving van de vereisten met betrekking tot de criteria voor de beleenbaarheid van de dekkingsactiva en de samenstelling van het bijzonder vermogen;

b)door verslag uit te brengen over de waardering van de dekkingsactiva, de naleving van de dekkingsvereisten, de liquiditeitsvereisten en de vereisten inzake de verlengbare-looptijdstructuren, met name door de resultaten mee te delen van de stresstests met betrekking tot de dekkings- en de liquiditeitsvereisten;

c)door verslag uit te brengen over de naleving van de vereisten inzake de afzondering van de activa, inzonderheid de naleving van de vereisten met betrekking tot de inschrijving van de activa;

d)door verslag uit te brengen over het krediet-, wisselkoers-, liquiditeits- en renterisico; en

e)door verslag uit te brengen over de uitvoering van de taken van de portefeuillesurveillant;

5°in staat zijn om aan de Bank aan te tonen, telkens er belangrijke wijzigingen worden voorgesteld met betrekking tot Belgische covered bonds of een uitgifteprogramma en de juridische documentatie over deze Belgische covered bonds of dit uitgifteprogramma, dat de betrokken Belgische covered bonds nog altijd voldoen aan de vereisten die door of krachtens de artikelen 79 tot en met 81 en in de bepalingen van deze Bijlage zijn vastgesteld;

6°in voorkomend geval maatregelen nemen om het wisselkoersrisico en het renterisico te beperken.

§ 2.De Bank bepaalt bij reglement vastgesteld met toepassing van artikel 12bis, § 2, van de wet van 22 februari 1998 de inhoud van de in paragraaf 1, 4°, bedoelde verslagen, de frequentie waarmee de uitgevende kredietinstelling ze aan de Bank toezendt en volgens welk schema.

§ 3.De Koning kan nadere regels vaststellen voor de wijze waarop de in paragraaf 1 bedoelde bijzondere administratie moet worden gevoerd, zowel voor de vorm en de inhoud als voor de integriteit van de gegevens.

Art. 15/1. § 1. Elke kredietinstelling die Belgische covered bonds uitgeeft, publiceert afzonderlijk voor elk uitgifteprogramma de volgende informatie op haar website binnen de maand die volgt op de uitgifte en vervolgens elke maand voor de informatie met betrekking tot de voorgaande maand:

1°de waarde van het bijzonder vermogen en van de betrokken uitstaande Belgische covered bonds en, in voorkomend geval, de rating van de betrokken Belgische covered bonds;

2°voor elke uitgifte, de lijst van de International Securities Identification Numbers (ISIN's) van de effecten waaraan een dergelijke code is toegekend en de munteenheid waarin de betrokken Belgische covered bonds zijn uitgegeven, hun uitstaand bedrag, hun uitgiftedatum, hun vervaldatum, met inbegrip van de vastgestelde vervaldatum in geval van verlenging, de kenmerken van hun coupon en het percentage ervan;

3°het type dekkingsactiva alsook de geografische spreiding van de zekerheden ter waarborging ervan, en, als er geen zekerheden zijn, de geografische spreiding van de woonplaatsen of zetels van de schuldenaars van die activa, het uitstaande bedrag dat betrekking heeft op de betrokken schuldvorderingen en de waarderingsmethode;

4°nadere gegevens over het marktrisico, waaronder het rente- en wisselkoersrisico, en over het krediet- en liquiditeitsrisico;

5°de overeenstemming tussen de looptijden van de dekkingsactiva en die van de Belgische covered bonds, in voorkomend geval met inbegrip van een overzicht van de triggers voor looptijdverlenging en de eindvervaldagen van de Belgische covered bonds;

6°het niveau van de vereiste dekkingsactiva, met inbegrip van het niveau van het door of krachtens deze Bijlage en de uitgiftevoorwaarden vereiste overschot, alsmede het niveau van het vrijwillig gevormde overschot;

7°het percentage van de schuldvorderingen waarvoor geacht wordt dat er zich een wanbetaling in de zin van artikel 178 van Verordening nr. 575/2013 heeft voorgedaan, alsook het percentage van de schuldvorderingen waarvoor de betalingsachterstand meer dan 30 dagen bedraagt zonder dat er wanbetaling in de zin van het voornoemd artikel 178 is vastgesteld.

§ 2.De Koning kan nadere regels vaststellen betreffende de informatie die met toepassing van paragraaf 1 moet worden verstrekt.

Afdeling IV. - Specifieke controle

Art. 16. § 1. Na het eensluidend advies van de Bank en zodra er Belgische covered bonds zijn uitgegeven, stelt de uitgevende kredietinstelling een portefeuillesurveillant aan die verslag uitbrengt aan de Bank over de naleving door de uitgevende kredietinstelling van de wettelijke en reglementaire vereisten met betrekking tot de Belgische covered bonds. De kosten en bezoldigingen die aan deze portefeuillesurveillant moeten worden betaald, komen ten laste van de uitgevende kredietinstelling. De opdracht van de portefeuillesurveillant eindigt bij de benoeming van een portefeuillebeheerder met toepassing van artikel 8 van deze Bijlage.

§ 2.De portefeuillesurveillant verifieert en brengt periodiek verslag uit aan de Bank over de naleving door de uitgevende kredietinstelling van de vereisten met betrekking tot met name:

1°de aangehouden dekkingsactiva;

2°de administratie en de in artikel 15 van deze Bijlage bedoelde rapporteringsverplichtingen;

3°de permanente handhaving van het vereiste dekkingsniveau, overschot en liquiditeitsniveau.

§ 3.De Koning stelt nadere regels vast met betrekking tot met name:

1°de vereisten waaraan voldaan moet zijn om aangesteld te kunnen worden als portefeuillesurveillant en de voorwaarden waaronder de portefeuillesurveillant kan worden ontslagen; en

2°de taken en rapporteringsverplichtingen van de portefeuillesurveillant.

§ 4.De Bank kan bij reglement vastgesteld met toepassing van artikel 12bis, § 2, van de wet van 22 februari 1998 met name de inhoud en de frequentie bepalen van de verslagen die door de portefeuillesurveillant aan de Bank moeten worden bezorgd.

Art. 17. § 1. Indien de Bank vaststelt dat bepaalde Belgische covered bonds niet meer voldoen aan de vereisten die door of krachtens de artikelen 79 tot en met 81 of de bepalingen van deze Bijlage zijn opgelegd, dat de betrokken uitgevende kredietinstelling niet meer voldoet aan de vereisten die op haar van toepassing zijn in haar hoedanigheid van kredietinstelling die Belgische covered bonds uitgeeft of dat zij door middel van valse verklaringen of op een andere onregelmatige wijze de krachtens de artikelen 80, § 1, en 81, § 1, vereiste toestemming heeft verkregen, stelt zij een termijn vast waarbinnen de vastgestelde situatie moet worden verholpen.

Onverminderd de overige in deze wet bedoelde maatregelen, met name de in artikel 8 van deze Bijlage bedoelde mogelijkheid om een portefeuillebeheerder aan te stellen, kan de Bank of, in voorkomend geval, de ECB op verzoek van de Bank, één of meer van de in de artikelen 80, § 1, en 81, § 1, bedoelde toestemmingen intrekken, indien de situatie bij het verstrijken van deze termijn niet is verholpen.

Bij uiterste hoogdringendheid of indien de ernst van de feiten zulks rechtvaardigt, kan de Bank of de ECB de in deze paragraaf bedoelde maatregelen nemen zonder dat vooraf een termijn wordt vastgesteld.

§ 2.In geval van intrekking van de toestemming overeenkomstig paragraaf 1 stelt de Bank de Europese Commissie en de Europese Bankautoriteit onverwijld in kennis van het betrokken besluit en maakt zij dit besluit onmiddellijk bekend op haar website.

§ 3.Onverminderd de overige in deze wet bedoelde maatregelen, met name de taak van de in voorkomend geval overeenkomstig artikel 8 van deze Bijlage aangestelde portefeuillebeheerder, doet de intrekking van de algemene toestemming als bedoeld in artikel 80, § 1, en/of van een bijzondere toestemming als bedoeld in artikel 81, § 1, geen afbreuk aan de rechten van de houders van de Belgische covered bonds die overeenkomstig de betrokken toestemmingen zijn uitgegeven, noch aan de rechten van de andere schuldeisers van het (de) bijzonder(e) vermogen(s) die betrekking hebben op deze Belgische covered bonds. Vanaf de datum van intrekking van één of meer van de voornoemde toestemmingen mogen er geen nieuwe uitgiften van Belgische covered bonds meer plaatsvinden, ook niet onder een bestaand uitgifteprogramma.

§ 4.Wanneer een van de in paragraaf 1 bedoelde toestemmingen wordt ingetrokken, blijft de betrokken kredietinstelling onderworpen aan de bepalingen die door of krachtens de artikelen 79 tot en met 81 en in deze Bijlage zijn vastgesteld totdat de uitgevende kredietinstelling heeft voldaan aan al haar betalingsverplichtingen die verbonden zijn aan eerder uitgegeven Belgische covered bonds, tenzij de Bank haar daarvan vrijstelt voor sommige bepalingen.

Bijlage 4. - TIER1-KERNKAPITAALCONSERVERINGSBUFFER EN MACROPRUDENTIELE BELEIDSINSTRUMENTEN

HOOFDSTUK I. - Tier 1-kernkapitaalconserveringsbuffer

Artikel 1. De tier 1-kernkapitaalconserveringsbuffer van een kredietinstelling bedraagt 2,5 % van het totale bedrag van haar risicoblootstelling, zoals berekend overeenkomstig artikel 92, lid 3 van Verordening nr. 575/2013.

HOOFDSTUK II. - Macroprudentiële beleidsinstrumenten

Art. 2. Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt onder aangewezen autoriteit verstaan, de autoriteit die, in een lidstaat of een derde land, gemachtigd is om de contracyclische tier 1-kernkapitaalbuffer en/of de tier 1-kernkapitaalbuffer voor systeemrelevante instellingen en/of de tier 1-kernkapitaalbuffer voor systeem- of macroprudentiële risico's vast te stellen, ongeacht of deze autoriteit al dan niet een bevoegde autoriteit is of een autoriteit die belast is met het toezicht op de kredietinstellingen in een derde land.

Afdeling I. - Kredietinstellingsspecifieke contracyclische tier 1-kernkapitaalbuffer

Art. 3. Voor de berekening van het in deze afdeling bedoeld vereiste om een kapitaalbuffer aan te houden zijn de relevante blootstellingen aan het kredietrisico deze die vallen onder de verschillende categorieën als bedoeld in artikel 112 van Verordening nr. 575/2013, met uitzondering van de punten a) tot f), en die onderworpen zijn aan:

1°de reglementaire eigenvermogensvereisten voor kredietrisico krachtens Deel 3, Titel II van de genoemde Verordening;

2°indien de blootstelling in de handelsportefeuille is opgenomen, de reglementaire eigenvermogensvereisten voor specifiek risico, krachtens Deel 3, Titel IV, Hoofdstuk 2 van Verordening nr. 575/2013, of voor het additioneel wanbetalings- en migratierisico, krachtens Deel 3, Titel IV, Hoofdstuk 5 van de genoemde Verordening;

3°indien de blootstelling in een effectisering bestaat, de reglementaire eigenvermogensvereisten opgelegd in Deel 3, Titel II, Hoofdstuk 5 van Verordening nr. 575/2013.

De berekening van het in het eerste lid bedoelde kapitaalbuffervereiste hangt onder meer af van de geografische locatie van de relevante blootstellingen aan kredietrisico, die wordt bepaald overeenkomstig de technische normen die door de Europese Commissie worden vastgesteld met toepassing van artikel 140, lid 7 van Richtlijn 2013/36/EU.

Art. 4. § 1. De contracyclische tier 1-kernkapitaalbuffer van een kredietinstelling is gelijk aan het totale bedrag van de risicoblootstelling van deze instelling, berekend overeenkomstig artikel 92, lid 3 van Verordening nr. 575/2013, vermenigvuldigd met het percentage van haar instellingsspecifieke contracyclische tier 1-kernkapitaalbuffer.

Dit percentage is gelijk aan het gewogen gemiddelde van de contracyclische bufferpercentages die van toepassing zijn op de grondgebieden waar de relevante blootstellingen aan kredietrisico van de betrokken kredietinstelling zich bevinden.

§ 2.Voor de berekening van het in paragraaf 1, tweede lid bedoelde gewogen gemiddelde van de contracyclische tier 1-kernkapitaalbufferpercentages vermenigvuldigen de kredietinstellingen elk van de contracyclische bufferpercentages die overeenkomstig artikel 6 van deze Bijlage van toepassing zijn, met het totale bedrag van hun reglementaire eigenvermogensvereisten die hun relevante blootstellingen aan kredietrisico op het betrokken grondgebied, bepaald overeenkomstig Deel 3, Titel II van Verordening nr. 575/2013, dekken en delen het verkregen resultaat door het totale bedrag van hun reglementaire eigenvermogensvereisten die al hun relevante blootstellingen aan kredietrisico dekken.

Art. 5. § 1. Voor de relevante blootstellingen aan kredietrisico op tegenpartijen die op het Belgische grondgebied zijn gevestigd, is het in artikel 4, § 2 van deze Bijlage bedoelde contracyclische bufferpercentage het door de Bank vastgestelde contracyclische bufferpercentage.

§ 2.De Bank stelt dit percentage vast of past dit indien nodig aan op basis van de kwartaalbeoordeling van een of meer referentie-indicatoren die de weergave zijn van de intensiteit van het cyclisch systeemrisico en de risico's als gevolg van buitensporige kredietgroei in België en die rekening houden met de specifieke kenmerken van de nationale economie. Deze indicatoren zijn gebaseerd op de afwijking, ten opzichte van de langetermijntendens ervan, van de verhouding tussen het volume van de op het Belgisch grondgebied toegekende kredieten en het bruto binnenlands product, onder andere rekening houdend met:

a)de toename van de volumes van de op het Belgisch grondgebied toegekende kredieten en met de evolutie van het bruto binnenlands product;

b)de richtsnoeren en aanbevelingen van het ESRB;

c)enige andere variabele die de Bank in casu relevant acht om het cyclisch systeemrisico te ondervangen.

§ 3.Het door de Bank vastgestelde contracyclische bufferpercentage, uitgedrukt als percentage van het totale bedrag van de relevante blootstellingen aan kredietrisico op het Belgische grondgebied, moet tussen 0 % en 2,5 % liggen, gekalibreerd in schijven van 0,25 percentpunt of veelvouden van 0,25 percentpunt. Wanneer zij het noodzakelijk acht op basis van de in paragraaf 2 bedoelde variabelen, kan de Bank een contracyclisch bufferpercentage van meer dan 2,5 % vaststellen.

§ 4.Voor de berekening van het in artikel 3, § 2 van deze Bijlage bedoelde gewogen gemiddelde passen de kredietinstellingen het in paragraaf 1 bedoelde percentage toe vanaf de door de Bank vastgestelde datum. Behoudens uitzonderlijke omstandigheden die een kortere termijn rechtvaardigen, valt deze datum... twaalf maanden na de datum waarop een verhoging van het percentage werd aangekondigd overeenkomstig paragraaf 6.

§ 5.Wanneer de Bank het contracyclische bufferpercentage verlaagt, kunnen de instellingen onverwijld het nieuwe percentage toepassen. De Bank kondigt, ten indicatieve titel, een periode aan gedurende dewelke geen verhoging van dit percentage wordt verwacht.

§ 6.De Bank maakt het contracyclische tier 1-kernkapitaalbufferpercentage dat zij voor een kwartaal vaststelt, elk kwartaal bekend door publicatie op haar website, met vermelding van met name de volgende informatie:

a)het toepasselijke percentage;

b)de ratio "toegekende kredieten ten opzichte van het bruto binnenlands product" en de afwijking van deze ratio ten opzichte van de langetermijntendens ervan;

c)de rechtvaardiging voor het in aanmerking genomen percentage, waaronder de referentie-indicatoren waarmee de Bank rekening heeft gehouden om het percentage vast te stellen;

d)wanneer het percentage verhoogd wordt, de datum met ingang waarvan de kredietinstellingen verplicht zijn dit percentage toe te passen voor de berekening van het in artikel 3, § 1, tweede lid van deze Bijlage bedoelde gewogen gemiddelde van de contracyclische bufferpercentages;

e)de uitzonderlijke omstandigheden die, in voorkomend geval, rechtvaardigen dat de in punt d) bedoelde datum eerder valt dan twaalf maanden na de krachtens deze paragraaf verrichte bekendmaking;

f)wanneer het percentage verlaagd wordt, de rechtvaardiging voor de richtperiode gedurende dewelke geen verhoging wordt verwacht.

§ 7.De Bank neemt alle redelijke maatregelen om, samen met de Europese autoriteiten en de aangewezen autoriteiten van de lidstaten, de beslissingen te coördineren die betrekking hebben op de vaststelling van het in paragraaf 1 bedoelde contracyclische bufferpercentage.

De Bank deelt elke wijziging van het contracyclische bufferpercentage evenals, in dat geval, de in paragraaf 6 bedoelde informatie, mee aan het ESRB.

Art. 6. De kredietinstellingen berekenen het in artikel 4, § 1, tweede lid van deze Bijlage bedoelde gewogen gemiddelde van de contracyclische bufferpercentages op basis van de contracyclische bufferpercentages die respectievelijk worden bekendgemaakt door de Bank overeenkomstig artikel 5, § 6 van deze Bijlage, en door de aangewezen autoriteiten van de verschillende lidstaten of van derde landen op het grondgebied waarvan de relevante blootstellingen aan kredietrisico zich bevinden, overeenkomstig de artikelen 7 tot 10 van deze Bijlage.

Art. 7. § 1. Een contracyclisch bufferpercentage dat is vastgesteld voor de relevante blootstellingen aan kredietrisico op het grondgebied van een lidstaat is van toepassing op de datum die wordt vastgesteld door de aangewezen autoriteit van deze staat.

§ 2.Wanneer een aangewezen autoriteit van een lidstaat een contracyclisch bufferpercentage van meer dan 2,5 % vaststelt, gebruiken de kredietinstellingen dit percentage om het gewogen gemiddelde van het contracyclische tier 1-kapitaalbufferpercentage te berekenen, op voorwaarde dat dit percentage van meer dan 2,5 % wordt erkend door de Bank.

§ 3.De Bank kondigt de erkenning van een percentage van meer dan 2,5 % aan op haar website. Deze aankondiging bevat minstens de volgende informatie:

a)het erkende percentage en de betrokken lidstaat;

b)de datum met ingang waarvan de kredietinstellingen verplicht zijn dit percentage toe te passen voor de berekening van het in artikel 4, § 1, tweede lid van deze Bijlage bedoelde gewogen gemiddelde van de contracyclische bufferpercentages;

c)de uitzonderlijke omstandigheden die, in voorkomend geval, rechtvaardigen dat de in punt b) bedoelde datum eerder valt dan twaalf maanden na de aankondiging die krachtens deze paragraaf door de Bank wordt verricht.

Art. 8. Wanneer een in artikel 5 van deze Bijlage bedoelde aangewezen autoriteit van een lidstaat een contracyclisch bufferpercentage van meer dan 2,5 % heeft vastgesteld en de Bank dit percentage niet erkent, gebruiken de kredietinstellingen een percentage van 2,5 % voor de berekening van het gewogen gemiddelde van het contracyclische tier 1-kapitaalbufferpercentage.

Deze verplichting om een percentage van 2,5 % te gebruiken is van toepassing op de datum die wordt vastgesteld door de aangewezen autoriteit waarvan het percentage niet het voorwerp heeft uitgemaakt van de in het eerste lid bedoelde erkenning.

Art. 9. Wanneer een aangewezen autoriteit van een lidstaat het toepasselijke contracyclische bufferpercentage verlaagt, is deze verlaging onmiddellijk van toepassing.

Art. 10. § 1. De beslissing om een contracyclisch bufferpercentage vast te stellen voor een derde land is van toepassing twaalf maanden na de datum waarop de vaststelling van het toepasselijke percentage werd aangekondigd door de aangewezen autoriteit van dit land, zelfs indien deze autoriteit voorschrijft dat de kredietinstellingen die onder dit land ressorteren deze wijziging binnen een kortere termijn moeten toepassen. Een wijziging van het contracyclische bufferpercentage voor een derde land wordt geacht te zijn aangekondigd op de datum waarop het is bekendgemaakt door de autoriteit van dat land.

§ 2.Wanneer het door de aangewezen autoriteit van het derde land vastgestelde percentage meer dan 2,5 % bedraagt, zijn de artikelen 7, §§ 2 en 3, en 8 van deze Bijlage van overeenkomstige toepassing. De Bank kan echter een ander tarief vaststellen waarvan het percentage zich boven de 2,5 % bevindt, voor zover het lager ligt dan het percentage dat bekendgemaakt werd door de aangewezen autoriteit van het derde land.

§ 3.Indien geen enkel contracyclisch bufferpercentage werd bekendgemaakt door de aangewezen autoriteit van een derde land op wiens grondgebied de relevante blootstellingen aan kredietrisico zich bevinden, kan de Bank dit percentage vaststellen.

§ 4.Indien zij redelijke gronden heeft om te oordelen dat het door de aangewezen autoriteit van een derde land bekendgemaakte percentage niet volstaat om de kredietinstellingen op gepaste wijze te beschermen tegen de risico's van een buitensporige kredietgroei in dat land, kan de Bank een contracyclisch bufferpercentage vaststellen dat hoger is dan het door de autoriteit van het betrokken derde land bekendgemaakte percentage.

§ 5.Voor de toepassing van de paragrafen 2 tot 4 houdt de Bank rekening met de aanbevelingen van het ESRB.

§ 6.Wanneer de Bank zich uitspreekt over een contracyclisch bufferpercentage voor een derde land overeenkomstig paragrafen 2 tot 4, beslist zij over de datum met ingang waarvan de kredietinstellingen verplicht zijn dit percentage toe te passen voor de berekening van het gewogen gemiddelde van de contracyclische bufferpercentages. Deze datum valt ten vroegste twaalf maanden na de datum waarop de Bank zich heeft uitgesproken, behoudens uitzonderlijke omstandigheden die een kortere termijn rechtvaardigen.

§ 7.Wanneer een aangewezen autoriteit van een derde land het contracyclische bufferpercentage verlaagt, is deze verlaging onmiddellijk van toepassing.

§ 8.De Bank maakt op haar website, voor elk van de contracyclische bufferpercentages waarover zij zich heeft uitgesproken voor derde landen, overeenkomstig de paragrafen 2 tot 4, de volgende informatie bekend:

a)het toepasselijke percentage en het betrokken derde land;

b)indien de Bank het aanvankelijk door de aangewezen autoriteit van het derde land bepaalde percentage heeft gewijzigd, de rechtvaardiging voor het gewijzigde percentage;

c)de datum met ingang waarvan de kredietinstellingen verplicht zijn het betrokken percentage toe te passen voor de berekening van het in artikel 4, § 1, tweede lid van deze Bijlage bedoelde gewogen gemiddelde van de contracyclische bufferpercentages;

d)de rechtvaardiging voor de verkorting van de termijn van inwerkingtreding van het genoemde percentage, indien de in punt c) bedoelde datum eerder valt dan twaalf maanden na de datum van de aankondiging die met toepassing van deze paragraaf door de Bank wordt gedaan.

Afdeling II. - Buffer voor systeemrelevante instellingen

Art. 11....

Art. 12. De kredietinstellingen, de financiële moederholdings of de gemengde financiële moederholdings naar Belgisch recht waarvan het in gebreke blijven een grote invloed zou hebben op respectievelijk België, de markt en de economie van een of meer lidstaten, en op de wereldwijde financiële markt, worden door de Bank aangemerkt als "BSI's" of "MSI's".

MSI's kunnen zijn:

a)een groep met aan het hoofd een Belgische EER-moederkredietinstelling, een Belgische financiële EER-moederholding of een Belgische gemengde financiële EER-moederholding; of

a)een MSI is een niet in punt a) bedoelde kredietinstelling naar Belgisch recht, die geen dochteronderneming is van een moederkredietinstelling, een financiële EER-moederholding of een gemengde financiële EER_moederholding.

BSI's kunnen zijn:

a)een groep met aan het hoofd een Belgische EER-moederkredietinstelling, een Belgische financiële EER-moederholding, een Belgische gemengde financiële EER-moederholding, een Belgische moederkredietinstelling, een Belgische financiële moederholding of een Belgische gemengde financiële moederholding;

b)een niet in punt a) bedoelde kredietinstelling naar Belgisch recht, die geen dochteronderneming is van een Belgische moederkredietinstelling, een Belgische financiële moederholding of een Belgische gemengde financiële moederholding.

Art. 13. § 1. De Bank bepaalt, bij reglement vastgesteld met toepassing van artikel 12bis, § 2 van de wet van 22 februari 1998, de methode die gebruikt wordt om te beoordelen of een in artikel 12 van deze Bijlage bedoelde instelling moet worden aangemerkt als een MSI, op basis van de volgende criteria:

a)de omvang van de betrokken groep;

b)de correlatie tussen het wereldwijde financiële stelsel en de betrokken groep;

c)de mogelijkheid tot vervanging van de diensten of van de financiële infrastructuur die wordt verstrekt door de betrokken groep;

d)de complexiteit van de betrokken groep;

e)het belang van de grensoverschrijdende werkzaamheden van de betrokken groep, waarbij een onderscheid wordt gemaakt tussen de grensoverschrijdende activiteiten tussen lidstaten en die met een derde land.

Elk criterium krijgt een gelijke weging en wordt beoordeeld op basis van kwantificeerbare indicatoren. De gebruikte methode maakt het mogelijk een globale systeemrelevantiescore op te maken voor elke MSI en om, op deze basis, elke MSI onder te brengen in een subcategorie van MSI's. De subcategorieën van MSI's en de drempels worden bepaald met inachtneming van Richtlijn 2013/36/EU en van de technische normen van de Europese Bankautoriteit.

Daarnaast stelt de Bank een aanvullende globale score vast voor elke MSI op basis van alle in het eerste lid bedoelde criteria, met dien verstande dat voor het in punt e) bedoelde criterium geen rekening wordt gehouden met de activiteiten die worden uitgeoefend in de deelnemende lidstaten. Elk criterium krijgt een gelijke weging en wordt beoordeeld op basis van kwantificeerbare indicatoren. Voor de criteria a) tot en met d) wordt hetzelfde resultaat gebruikt als voor de in het tweede lid bedoelde beoordeling. Op basis van de aanvullende score kan de Bank een van de in paragraaf 3, c) bedoelde maatregelen nemen.

§ 2.Het bedrag van het tier 1-kernkapitaalbuffervereiste voor MSI's hangt af van de subcategorie waartoe de betrokken MSI behoort. Er zijn ten minste vijf subcategorieën. Met uitzondering van de vijfde subcategorie en van elke bijkomende hogere subcategorie worden de drempels tussen de subcategorieën van MSI's vastgelegd in overeenstemming met het beginsel dat er een constante lineaire toename van systeemrelevantie is van subcategorie tot subcategorie, hetgeen leidt tot een lineaire toename van het vereiste van aanvullend-tier 1-kernkapitaal. Aan de laagste subcategorie wordt 1 % van het totale bedrag van de risicoblootstelling van de betrokken instelling toegekend, berekend overeenkomstig artikel 92, lid 3 van Verordening nr. 575/2013, en het percentage dat aan elke subcategorie wordt toegekend stijgt in gelijke tranches van ten minste 0,5 % van het totale bedrag van de risicoblootstelling van de betrokken instelling, berekend overeenkomstig artikel 92, lid 3 van Verordening nr. 575/2013.

§ 3.De Bank kan de in paragraaf 1 bedoelde toewijzing aan een subcategorie van MSI's aanpassen indien zij van oordeel is dat deze de systeemrelevantie van de betrokken entiteit niet weerspiegelt en

a)kan een entiteit waarvan de globale score lager is dan de drempel van de laagste subcategorie onderbrengen in deze subcategorie of in een hogere subcategorie en, bijgevolg, deze entiteit aanmerken als een MSI;

b)kan een MSI overbrengen van een lagere subcategorie naar een hogere subcategorie;

c)kan, op basis van de in paragraaf 1, derde lid bedoelde aanvullende globale score en gelet op de mate van voltooiing van het gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme, een MSI overbrengen van een hogere subcategorie naar een lagere subcategorie.

§ 4.Een MSI moet slechts op geconsolideerde basis voldoen aan het tier 1-kernkapitaalbuffervereiste voor MSI's.

Art. 14. § 1. De Bank wijst de BSI's aan bij reglement vastgesteld met toepassing van artikel 12bis, § 2 van de wet van 22 februari 1998, op basis van de volgende criteria:

a)hun omvang, in voorkomend geval op geconsolideerde basis;

b)hun belang voor de Belgische economie of die van een of meer lidstaten;

c)het belang van hun grensoverschrijdende werkzaamheden;

d)hun correlatie of die van hun groep met het financiële stelsel.

Het reglement houdt rekening met de richtsnoeren die door de Europese Bankautoriteit worden vastgesteld betreffende de in deze paragraaf bedoelde criteria.

§ 2.De Bank bepaalt bij reglement vastgesteld met toepassing van artikel 12bis, § 2 van de wet van 22 februari 1998 het bedrag van de tier 1-kernkapitaalbuffer die elke BSI moet aanhouden op geconsolideerde, gesubconsolideerde en individuele basis, in voorkomend geval rekening houdend met de in paragraaf 1 bepaalde criteria. Dit bedrag mag niet groter zijn dan 3 % van het totale bedrag van de risicoblootstelling dat wordt berekend overeenkomstig artikel 92, lid 3 van Verordening nr. 575/2013.

§ 2/1.In afwijking van paragraaf 2 kan het bedrag op een percentage van meer dan 3 % worden gebracht na toestemming van de Europese Commissie.

§ 3.Wanneer zij een buffer voor BSI's eist overeenkomstig de in paragraaf 2 bedoelde methode, neemt de Bank de volgende beginselen in acht:

a)het vereiste van een buffer voor BSI's mag geen onevenredige negatieve gevolgen hebben voor het geheel of voor delen van het financiële stelsel in andere lidstaten of in de Europese Unie als geheel, waardoor het een belemmering vormt of schept voor de werking van de interne markt;

b)het vereiste van een buffer voor BSI's wordt minstens eenmaal per jaar herzien.

§ 4.De Bank deelt aan het ESRB de beslissing mee om het vereiste van een tier 1-kernkapitaalbuffer voor BSI's vast te stellen of te wijzigen een maand voor de datum waarop dit vereiste verplicht wordt en drie maanden voor de publicatie van een met toepassing van paragraaf 2/1 genomen beslissing. De mededeling bevat een gedetailleerde beschrijving van de volgende elementen:

a)de redenen waarom de BSI-buffer efficiënt en evenredig kan zijn om het door dit soort onderneming gestelde systeemrisico af te zwakken;

b)het BSI-bufferpercentage dat de Bank voornemens is op te leggen;

c)een beoordeling van de waarschijnlijke positieve of negatieve invloed van de BSI-buffer op de interne markt, op basis van de informatie waarover de Bank beschikt.

§ 5.Een BSI die een dochteronderneming is van:

-een mondiaal systeemrelevante instelling in de zin van artikel 131 van Richtlijn 2013/36/EU, waaraan een vergunning is verleend in een andere lidstaat; of

-een andere systeemrelevante instelling in de zin van artikel 131 van Richtlijn 2013/36/EU, waaraan een vergunning is verleend in een andere lidstaat, die een moederkredietinstelling in een lidstaat of een groep met aan het hoofd een EER-moederkredietinstelling, een financiële EER-moederholding of een gemengde financiële EER-moederholding is en die op geconsolideerde basis is onderworpen aan een tier 1-kernkapitaalbuffer voor andere systeemrelevante instellingen in de zin van artikel 131 van Richtlijn 2013/36/EU,

is op individueel of gesubconsolideerd niveau enkel verplicht te voldoen aan het laagste vereiste tussen:

a)het percentage dat voortvloeit uit de som van het hoogste tier 1-kernkapitaalbufferpercentage voor mondiaal systeemrelevante instellingen of voor andere systeemrelevante instellingen dat op geconsolideerde basis van toepassing is op de groep, en 1 % van het totale bedrag van de risicoblootstelling zoals berekend overeenkomstig artikel 92, lid 3 van Verordening nr. 575/2013; en

b)3 % van het totale bedrag van de risicoblootstelling zoals berekend overeenkomstig artikel 92, lid 3 van Verordening nr. 575/2013 of, in voorkomend geval, het met toepassing van paragraaf 2/1 van dit artikel vereiste percentage.

§ 6.Indien de som van het tier 1-kernkapitaalbuffervereiste voor MSI's of BSI's en het tier 1-kernkapitaalbuffervereiste voor systeem- of macroprudentiële risico's zoals berekend met toepassing van artikel 96, § 4 van deze wet hoger is dan 5 % van het totale bedrag van de risicoblootstelling van de kredietinstelling en/of, in voorkomend geval, van het bedrag van de risicoblootstelling dat voortvloeit uit een of meer van de in artikel 16/1 van deze Bijlage bedoelde segmenten van blootstellingen, zijn de in de paragrafen 2/1 en 4 van dit artikel bepaalde procedures van toepassing.

Art. 15. De Bank maakt de lijst van de BSI's en de lijst van de MSI's op, waarbij deze laatste de subcategorie bevat waarin elke MSI wordt ondergebracht. De Bank maakt deze lijsten bekend op haar website. De lijsten en de veranderingen die daaraan worden aangebracht worden gericht aan het ESRB, aan de Europese Bankautoriteit en aan de Europese Commissie.

De Bank toetst eenmaal per jaar de systeemrelevantie van de MSI's en de BSI's evenals het onderbrengen van de MSI's in de overeenstemmende subcategorieën. Zij deelt het resultaat hiervan mee aan de betrokken instelling, aan het ESRB, aan de Europese Bankautoriteit en aan de Europese Commissie en actualiseert de in het eerste lid bedoelde lijsten op haar website.

Afdeling III. - Tier 1-kernkapitaalbuffer voor systeem- of macroprudentiële risico's

Art. 16. § 1. De Bank kan, bij reglement vastgesteld met toepassing van artikel 12bis, § 2 van de wet van 22 februari 1998, eisen dat de kredietinstellingen over een tier 1-kernkapitaalbuffer beschikken om te anticiperen op en de impact te verzwakken van de systeem- of macroprudentiële risico's die niet vallen onder Verordening nr. 575/2013 en de Afdelingen I en II van dit Hoofdstuk. Deze systeem- of macroprudentiële risico's zijn structurele risico's op verstoring van het financiële stelsel die ernstige gevolgen kunnen hebben voor de stabiliteit van het financiële stelsel en de reële economie in België. Het reglement dat door de Bank wordt vastgesteld met toepassing van deze paragraaf voldoet aan de in paragraaf 2 en de in de artikelen 16/1 tot 22 van deze Bijlage bepaalde vereisten.

§ 2.Het vereiste van een tier 1-kernkapitaalbuffer voor systeem- of macroprudentiële risico's geldt op individuele, gesubconsolideerde en geconsolideerde basis, overeenkomstig Titel II van Deel 1 van Verordening nr. 575/2013, voor alle kredietinstellingen of voor een of meer deelgroepen van kredietinstellingen, gegroepeerd volgens gelijkaardige werkzaamheden of risicoprofielen.

Art. 16/1. Wanneer zij het in artikel 16, § 1 van deze Bijlage bedoelde reglement vaststelt, kan de Bank zich voor de berekening van het tier 1-kernkapitaalbuffervereiste voor systeem- of macroprudentiële risico's baseren op alle risicoblootstellingen van de kredietinstelling en/of op een of meer van de volgende segmenten van blootstellingen:

a)alle blootstellingen die gesitueerd zijn in België;

b)de onderstaande sectorale blootstellingen in België:

i)alle blootstellingen met betrekking tot particulieren en kleine partijen ten aanzien van natuurlijke personen die gedekt zijn door niet-zakelijk onroerend goed;

ii) alle blootstellingen ten aanzien van rechtspersonen die door hypotheken op zakelijk onroerend goed zijn gedekt;

iii) alle blootstellingen ten aanzien van rechtspersonen met uitzondering van de in punt ii) genoemde;

iv) alle blootstellingen ten aanzien van natuurlijke personen met uitzondering van de in punt i) genoemde;

c)alle blootstellingen in andere lidstaten, onverminderd de artikelen 17, § 3 en 20 van deze Bijlage;

d)slechts voor de erkenning van een door een andere lidstaat overeenkomstig artikel 22 van deze Bijlage vastgesteld bufferpercentage, de in punt b) van deze paragraaf bedoelde sectorale blootstellingen die gesitueerd zijn in andere lidstaten;

e)blootstellingen die gesitueerd zijn in derde landen; en

f)segmenten van de in punt b) genoemde blootstellingscategorieën.

Art. 16/2. De Bank stelt het percentage en/of de percentages van de tier 1-kapitaalbuffer voor systeem- of macroprudentiële risico's vast in schijven van 0,5 percentpunt of veelvouden van 0,5 percentpunt, overeenkomstig de artikelen 17 tot en met 20 van deze Bijlage.

Art. 16/3. De Bank kan gedifferentieerde tier 1-kapitaalbufferpercentages voor systeem- of macroprudentiële risico's toepassen die betrekking hebben op alle blootstellingen en/of op een segment van blootstellingen als bedoeld in artikel 16/1 van deze Bijlage voor alle kredietinstellingen of voor een of meer deelgroepen van kredietinstellingen als bedoeld in artikel 16, § 2 van deze Bijlage.

Art. 16/4. Bij het opleggen van de verplichting om een buffer voor systeem- of macroprudentiële risico's aan te houden, neemt de Bank de volgende beginselen in acht:

a)de tier 1-kernkapitaalbuffer voor systeem- of macroprudentiële risico's mag geen onevenredige negatieve gevolgen hebben voor het geheel of delen van het financiële stelsel in andere lidstaten of in de Europese Unie als geheel, of een belemmering vormen of scheppen voor de werking van de interne markt;

b)het percentage van de tier 1-kernkapitaalbuffer voor systeem- of macroprudentiële risico's wordt minstens om de twee jaar herzien.

c)de tier 1-kapitaalbuffer voor systeem- of macroprudentiële risico's is niet van toepassing op de risico's die worden gedekt door de tier 1-kernkapitaalbuffervereisten zoals vastgesteld in de Afdelingen I en II van dit Hoofdstuk.

Art. 16/5. Voor de berekening van het toepasselijke tier 1-kernkapitaalbuffervereiste voor systeem- of macroprudentiële risico's gebruiken de kredietinstellingen de volgende formule:

BSR = Rt x Et + &sum;i Ri x Ei

Waarbij:

"BSR" het vereiste is van een tier 1-kernkapitaalbuffer voor systeem- of macroprudentiële risico's;

"Rt" het percentage is van een tier 1-kernkapitaalbuffer voor systeem- of macroprudentiële risico's dat geldt voor het totale bedrag van de risicoblootstelling van de kredietinstelling;

"Et" het totale bedrag is van de risicoblootstelling van de kredietinstelling zoals berekend overeenkomstig artikel 92, lid 3 van Verordening nr. 575/2013;

"i" de index is die het segment van blootstellingen als bedoeld in artikel 16/1 van deze Bijlage aangeeft;

"Ri" het percentage is van een tier 1-kernkapitaalbuffer voor systeem- of macroprudentiële risico's dat geldt voor het bedrag van de risicoblootstelling als gevolg van het segment van blootstellingen i;

"Ei" het bedrag is van de risicoblootstelling van de kredietinstelling als gevolg van het segment van blootstellingen i, zoals berekend overeenkomstig artikel 92, lid 3 van Verordening nr. 575/2013.

Art. 17. § 1. Alvorens het vereiste van een tier 1-kernkapitaalbuffer voor systeem- of macroprudentiële risico's vast te stellen op een percentage dat geldt voor het totale bedrag van de risicoblootstelling en/of, in voorkomend geval, op een of meer percentages die gelden voor een of meer segmenten van blootstellingen, wat voor geen enkele van de blootstellingen resulteert in een totaal percentage van meer dan 3 %, brengt de Bank haar in artikel 16, § 1 van deze Bijlage bedoelde ontwerp van reglement ter kennis van het ESRB, ook wanneer dit vereiste betrekking heeft op blootstellingen die gesitueerd zijn in derde landen. Zij doet hetzelfde ten aanzien van de aangewezen autoriteiten van de lidstaten waaronder de moederondernemingen ressorteren van de kredietinstellingen waarvoor een of meer percentages van tier 1-kernkapitaalbuffers voor systeem- of macroprudentiële risico's gelden.

De erkenning van een door een andere lidstaat overeenkomstig artikel 22 van deze Bijlage vastgesteld tier 1-kernkapitaalbufferpercentage voor systeem- of macroprudentiële risico's wordt niet meegerekend voor de drempel van 3 % als bedoeld in het eerste lid.

De kennisgeving bevat een gedetailleerde beschrijving van:

a)het in paragraaf 1 bedoelde systeem- of macroprudentiële risico in België;

b)de redenen waarom de omvang van dit systeem- en macroprudentieel risico een bedreiging vormt voor de stabiliteit van het nationale financiële stelsel;

c)het geldende percentage of de geldende percentages van de tier 1-kernkapitaalbuffer voor systeem- of macroprudentiële risico's dat of die de Bank voornemens is vast te stellen, alsook de blootstellingen waarvoor het percentage of de percentages gelden en de kredietinstellingen waarop dit of deze van toepassing zal of zullen zijn;

d)de redenen waarom de tier 1-kernkapitaalbuffer voor systeem- of macroprudentiële risico's een efficiënt en evenredig bevonden maatregel uitmaakt om het risico af te zwakken;

e)een beoordeling van de positieve of negatieve invloed van de tier 1-kernkapitaalbuffer voor systeem- of macroprudentiële risico's op de interne markt, op grond van de informatie die voor de Bank beschikbaar is;

f)wanneer het vereiste van een tier 1-kernkapitaalbuffer voor systeem- en macroprudentiële risico's van toepassing is op alle risicoblootstellingen van de kredietinstelling, de redenen waarom dit vereiste geen overlapping is van het vereiste dat voortvloeit uit de tenuitvoerlegging van de in artikel 14 van deze Bijlage bepaalde tier 1-kernkapitaalbuffer voor BSI's.

§ 2.De Bank kan overgaan tot de in artikel 21 van deze Bijlage bedoelde bekendmaking een maand na de in paragraaf 1 bedoelde kennisgevingen.

§ 3.Wanneer het tier 1-kernkapitaalbuffervereiste voor systeem- of macroprudentiële risico's door de Bank is vastgesteld op basis van risicoblootstellingen die zich in een andere lidstaat bevinden, heeft dit vereiste betrekking op het geheel van risicoblootstellingen in alle andere lidstaten, tenzij dit vereiste wordt ingesteld om het door een andere lidstaat overeenkomstig artikel 22 van deze Bijlage vastgestelde systeemrisicobufferpercentage te erkennen.

Art. 17/1. Artikel 17, § 1 van deze Bijlage is van toepassing bij een verlaging of handhaving van het eerder vastgestelde percentage en/of de eerder vastgestelde percentages van een tier 1-kernkapitaalbuffer voor systeem- of macroprudentiële risico's.

Art. 18. Ingeval het in artikel 17, § 1 van deze Bijlage bedoelde percentage op een totaal percentage tussen 3 % en 5 % wordt gebracht, vraagt de Bank het advies van de Europese Commissie in de overeenkomstig de voornoemde paragraaf 1 gedane kennisgeving en kan zij de vaststelling van het in artikel 16, § 1 van deze Bijlage bedoelde reglement pas afronden na ontvangst van dit advies. Indien zij dit advies niet volgt, legt de Bank de redenen daarvoor uit in haar reglement.

Art. 19. Wanneer het in artikel 17, § 1 van deze Bijlage bedoelde totale percentage voor systeem- of macroprudentiële risico's tussen 3 % en 5 % ligt en een of meer bufferpercentages voor systeem- of macroprudentiële risico's worden opgelegd aan een kredietinstelling waarvan de moederonderneming onder een andere lidstaat ressorteert, wordt bij de in artikel 17, § 1 van deze Bijlage bedoelde kennisgeving een verzoek om een aanbeveling van het ESRB en de Europese Commissie gevoegd.

In geval van een negatief advies van de Europese Commissie en van het ESRB of indien de in artikel 17, § 1, eerste lid van deze Bijlage bedoelde autoriteiten van mening verschillen, kan de Bank de zaak voorleggen aan de Europese Bankautoriteit en laatstgenoemde om een bemiddeling verzoeken overeenkomstig artikel 19 van Verordening nr. 1093/2010. De beslissing van de Bank wordt opgeschort totdat de Europese Bankautoriteit een beslissing heeft genomen.

Art. 20. Ingeval het in artikel 17, § 1 van deze Bijlage bedoelde totale percentage op een percentage van meer dan 5 % wordt gebracht, kan de Bank de vaststelling van het in artikel 16, § 1 van deze Bijlage bedoelde reglement slechts afronden indien de Europese Commissie een uitvoeringshandeling vaststelt die de Bank de toestemming verleent om deze maatregel te nemen.

Art. 21. De Bank maakt het in artikel 16, § 1 van deze Bijlage bedoelde reglement bekend op haar website. Deze bekendmaking bevat met name de volgende informatie:

a)het geldende percentage en/of de geldende percentages van de tier 1-kernkapitaalbuffer voor systeem- of macroprudentiële risico's;

b)de kredietinstellingen die zijn onderworpen aan het vereiste van de tier 1-kernkapitaalbuffer voor systeem- of macroprudentiële risico's;

c)de blootstellingen waarvoor het percentage en/of de percentages van de tier 1-kernkapitaalbuffer voor systeem- of macroprudentiële risico's geldt of gelden;

d)de rechtvaardiging voor dit percentage en/of deze percentages, tenzij de publicatie van deze informatie de stabiliteit van het financiële stelsel in gevaar zou kunnen brengen;

e)de datum vanaf wanneer de kredietinstellingen het vereiste van de tier 1-kernkapitaalbuffer voor systeem- of macroprudentiële risico's moeten naleven;

f)de derde landen waarvoor de risicoblootstellingen die zich daar bevinden in aanmerking worden genomen in de tier 1-kernkapitaalbuffer voor systeem- of macroprudentiële risico's en/of het geheel van de lidstaten wanneer dergelijke blootstellingen zich in een lidstaat bevinden.

Art. 22. § 1. Wanneer de Bank een vereiste van tier 1-kernkapitaalbuffer voor systeem- of macroprudentiële risico's invoert, met toepassing van artikelen 16 tot 21 van deze Bijlage, kan zij het ESRB verzoeken om, overeenkomstig artikel 16 van Verordening nr. 1092/2010, een aanbeveling te richten aan een of meer lidstaten die de buffer voor systeem- of macroprudentiële risico's die betrekking hebben op in België gelegen risicoblootstellingen van de kredietinstellingen die ressorteren onder deze staten, zouden kunnen erkennen.

§ 2.Bij reglement vastgesteld met toepassing van artikel 12bis, § 2 van de wet van 22 februari 1998 kan de Bank een tier 1-kernkapitaalbufferpercentage voor systeem- of macroprudentiële risico's erkennen dat wordt vastgesteld door een aangewezen autoriteit van een andere lidstaat voor blootstellingen die zich op het grondgebied van deze staat bevinden. Deze erkenning verleent een verplicht karakter aan dit percentage, met het oog op het vereiste van een tier 1-kernkapitaalbuffer voor systeem- of macroprudentiële risico's dat geldt voor de kredietinstellingen die dergelijke blootstellingen hebben.

De Bank brengt de in het eerste lid bedoelde erkenning ter kennis van het ESRB. De artikelen 18 tot en met 20 van deze Bijlage zijn van toepassing.

§ 3.Wanneer zij beslist om al dan niet een percentage van de buffer voor systeem- of macroprudentiële risico's te erkennen met toepassing van paragraaf 2, neemt de Bank de informatie in overweging die de aangewezen autoriteit van de betrokken lidstaat ter kennis heeft gebracht en heeft gepubliceerd overeenkomstig Richtlijn 2013/36/EU.";

2°het artikel 22 wordt aangevuld met een paragraaf 4, luidende:

" § 4. Wanneer de Bank een tier 1-kernkapitaalbufferpercentage voor systeem-of macroprudentiële risico's erkent met toepassing van paragraaf 2, kan zij beslissen dat het daaruit voortvloeiende tier 1-kernkapitaalbuffervereiste voor systeem-of macroprudentiële risico's wordt gecumuleerd met het overeenkomstig de artikelen 16 tot en met 21 van deze Bijlage vastgestelde vereiste, op voorwaarde dat deze vereisten betrekking hebben op verschillende risico's. Indien de risico's hetzelfde zijn, is alleen het hoogste vereiste van toepassing.

Bijlage 5. - BEPERKINGEN OP UITKERINGEN

Afdeling I. - Berekening van het maximaal uitkeerbare bedrag (MUB)

Artikel 1. § 1. De instellingen berekenen hun maximaal uitkeerbaar bedrag (MUB) door vermenigvuldiging van de som die overeenkomstig paragraaf 2 wordt verkregen met de factor die wordt bepaald overeenkomstig paragraaf 3. De uitvoering van elke in artikel 101 bedoelde handeling, na deze berekening, vermindert het MUB met het overeenstemmende bedrag.

§ 2.De som die vermenigvuldigd moet worden overeenkomstig paragraaf 1 bestaat uit:

a)de tussentijdse winst die overeenkomstig artikel 26, lid 2 van Verordening nr. 575/2013 niet is inbegrepen in het tier 1-kernkapitaal, exclusief elke uitkering van winst of elke betaling of terugbetaling die voortvloeit uit de in artikel 101 bedoelde handelingen;

plus

b)de winst op het einde an het boekjaar die overeenkomstig artikel 26, lid 2 van Verordening nr. 575/2013 niet is inbegrepen in het tier 1-kernkapitaal, exclusief elke uitkering van winst of elke betaling die voortvloeit uit de in artikel 101 bedoelde handelingen;

min

c)de bedragen die als belasting verschuldigd zouden zijn voor de in de punten a) en b) van deze paragraaf bedoelde elementen.

§ 3.De in paragraaf 1 bedoelde factor wordt als volgt bepaald:

a)de factor is nul wanneer het bedrag van het tier 1-kernkapitaal van de instelling dat niet gebruikt wordt om te voldoen aan het eigenvermogensvereiste dat wordt opgelegd door artikel 92, lid 1, onder a) tot en met c) van Verordening nr. 575/2013 en aan het specifieke eigenvermogensvereiste als bedoeld in de artikelen 149 en 150 om andere risico's dan het risico van buitensporige hefboomwerking te ondervangen, uitgedrukt als percentage van het totale bedrag van de risicoblootstelling berekend overeenkomstig artikel 92, lid 3 van die Verordening, zich in het eerste (dit wil zeggen het laagste) kwartiel van het globaal vereiste van een tier 1-kernkapitaalbuffer bevindt;

b)de factor is 0,2 wanneer het bedrag van het tier 1-kernkapitaal van de instelling dat niet gebruikt wordt om te voldoen aan het eigenvermogensvereiste dat wordt opgelegd door artikel 92, lid 1, onder a) tot en met c) van Verordening nr. 575/2013 en aan het specifieke eigenvermogensvereiste als bedoeld in de artikelen 149 en 150 om andere risico's dan het risico van buitensporige hefboomwerking te ondervangen, uitgedrukt als percentage van het totale bedrag van de risicoblootstelling berekend overeenkomstig artikel 92, lid 3 van die Verordening, zich in het tweede kwartiel van het globaal vereiste van een tier 1-kernkapitaalbuffer bevindt;

c)de factor is 0,4 wanneer het bedrag van het tier 1-kernkapitaal van de instelling dat niet gebruikt wordt om te voldoen aan het eigenvermogensvereiste dat wordt opgelegd door artikel 92, lid 1, onder a) tot en met c) van Verordening nr. 575/2013 en aan het specifieke eigenvermogensvereiste als bedoeld in de artikelen 149 en 150 om andere risico's dan het risico van buitensporige hefboomwerking te ondervangen, uitgedrukt als percentage van het totale bedrag van de risicoblootstelling berekend overeenkomstig artikel 92, lid 3 van die Verordening, zich in het derde kwartiel van het globaal vereiste van een tier 1-kernkapitaalbuffer bevindt;

d)de factor is 0,6 wanneer het bedrag van het tier 1-kernkapitaal van de instelling dat niet gebruikt wordt om te voldoen aan het eigenvermogensvereiste dat wordt opgelegd door artikel 92, lid 1, onder a) tot en met c) van Verordening nr. 575/2013 en aan het specifieke eigenvermogensvereiste als bedoeld in de artikelen 149 en 150 om andere risico's dan het risico van buitensporige hefboomwerking te ondervangen, uitgedrukt als percentage van het totale bedrag van de risicoblootstelling berekend overeenkomstig artikel 92, lid 3 van die Verordening, zich in het vierde (dit wil zeggen het hoogste) kwartiel van het globaal vereiste van een tier 1-kernkapitaalbuffer bevindt.

De boven- en ondergrenzen van elk kwartiel van het globaal vereiste van een tier 1-kernkapitaalbuffer worden als volgt berekend:

ondergrens van het kwartiel =

Globaalkapitaalbuffervereiste X (Qn - 1)4

bovengrens van het kwartiel =

Globaalkapitaalbuffervereiste X Qn

"Qn" is het rangnummer van het betrokken kwartiel, gaande van 1 tot 4.

Afdeling I/1. - Berekening van het met de hefboomratio verband houdende maximaal uitkeerbare bedrag (H-MUB)

Art. 1/1. De MSI's berekenen hun met de hefboomratio verband houdende maximaal uitkeerbare bedrag (H-MUB) door vermenigvuldiging van de som die overeenkomstig paragraaf 2 wordt verkregen met de factor die wordt bepaald overeenkomstig paragraaf 3. De uitvoering van elke in artikel 102/4 bedoelde handeling, na deze berekening, vermindert het H-MUB met het overeenstemmende bedrag.

§ 2.De som die vermenigvuldigd moet worden overeenkomstig paragraaf 1 bestaat uit:

a)de tussentijdse winst die overeenkomstig artikel 26, lid 2 van Verordening nr. 575/2013 niet is inbegrepen in het tier 1-kernkapitaal, exclusief elke uitkering van winst of elke betaling of terugbetaling die voortvloeit uit de in artikel 102/4 bedoelde handelingen;

plus

b)de winst op het einde van het boekjaar die overeenkomstig artikel 26, lid 2 van Verordening nr. 575/2013 niet is inbegrepen in het tier 1-kernkapitaal, exclusief elke uitkering van winst of elke betaling die voortvloeit uit de in artikel 102/4 bedoelde handelingen;

min

c)de bedragen die als belasting verschuldigd zouden zijn voor de in de punten a) en b) van deze paragraaf bedoelde elementen.

§ 3.De in paragraaf 1 bedoelde factor wordt als volgt bepaald:

a)de factor is nul wanneer het bedrag van het tier 1-kapitaal van de MSI dat niet gebruikt wordt om te voldoen aan het eigenvermogensvereiste dat wordt opgelegd door artikel 92, lid 1, onder d) van Verordening nr. 575/2013 en aan het specifieke eigenvermogensvereiste als bedoeld in de artikelen 149 en 150 om het risico van buitensporige hefboomwerking te ondervangen, uitgedrukt als percentage van de totale blootstelling berekend overeenkomstig artikel 429, lid 4 van die Verordening, zich in het eerste (dit wil zeggen het laagste) kwartiel van het hefboomratiobuffervereiste bevindt;

b)de factor is 0,2 wanneer het bedrag van het tier 1-kapitaal van de MSI dat niet gebruikt wordt om te voldoen aan het eigenvermogensvereiste dat wordt opgelegd door artikel 92, lid 1, onder d) van Verordening nr. 575/2013 en aan het specifieke eigenvermogensvereiste als bedoeld in de artikelen 149 en 150 om het risico van buitensporige hefboomwerking te ondervangen, uitgedrukt als percentage van de totale blootstelling berekend overeenkomstig artikel 429, lid 4 van die Verordening, zich in het tweede kwartiel van het hefboomratiobuffervereiste bevindt;

c)de factor is 0,4 wanneer het bedrag van het tier 1-kapitaal van de MSI dat niet gebruikt wordt om te voldoen aan het eigenvermogensvereiste dat wordt opgelegd door artikel 92, lid 1, onder d) van Verordening nr. 575/2013 en aan het specifieke eigenvermogensvereiste als bedoeld in de artikelen 149 en 150 om het risico van buitensporige hefboomwerking te ondervangen, uitgedrukt als percentage van de totale blootstelling berekend overeenkomstig artikel 429, lid 4 van die Verordening, zich in het derde kwartiel van het hefboomratiobuffervereiste bevindt;

d)de factor is 0,6 wanneer het bedrag van het tier 1-kapitaal van de MSI dat niet gebruikt wordt om te voldoen aan het eigenvermogensvereiste dat wordt opgelegd door artikel 92, lid 1, onder d) van Verordening nr. 575/2013 en aan het specifieke eigenvermogensvereiste als bedoeld in de artikelen 149 en 150 om het risico van buitensporige hefboomwerking te ondervangen, uitgedrukt als percentage van de totale blootstelling berekend overeenkomstig artikel 429, lid 4 van die Verordening, zich in het vierde (dit wil zeggen het hoogste) kwartiel van het hefboomratiobuffervereiste bevindt.

De boven- en ondergrenzen van elk kwartiel van het hefboomratiobuffervereiste worden als volgt berekend:

ondergrens van het kwartiel =

Hefboomratiobuffervereiste X (Qn - 1) 4

bovengrens van het kwartiel =

Hefboomratiobuffervereiste X Qn

"Qn" is het rangnummer van het betrokken kwartiel, gaande van 1 tot 4.

Afdeling II. - Informatie die met toepassing van artikel 101, § 3 aan de toezichthouder moet worden verstrekt

Art. 2. De informatie die met toepassing van artikel 101, § 3 aan de toezichthouder moet worden verstrekt is de volgende:

a)het bedrag van het eigen vermogen, dat als volgt wordt onderverdeeld:

i)tier 1-kernkapitaal,

ii) aanvullend-tier 1-kapitaal,

iii) tier 2-kapitaal;

b)het bedrag van de tussentijdse winst en de winst op het einde van het boekjaar;

c)het MUB, berekend volgens de modaliteiten van artikel 1 van deze Bijlage;

d)de uitkeringen die de kredietinstelling voornemens is te verrichten, opgesplitst volgens de volgende categorieën:

i)uitkering van dividenden;

ii) wederinkoop van aandelen;

iii) betalingen die verband houden met aanvullend-tier 1-kapitaal;

iv) betaling van een variabele beloning of van uitkeringen uit hoofde van discretionair pensioen, waarbij een onderscheid wordt gemaakt tussen deze die het gevolg is van het aangaan van een nieuwe betalingsverplichting en deze die het gevolg is van een betalingsverplichting die werd aangegaan op een moment dat de kredietinstelling voldeed aan het globaal vereiste van een tier 1-kernkapitaalbuffer.

Afdeling II/1. - Informatie die met toepassing van artikel 102/4, § 3 aan de toezichthouder moet worden verstrekt

Art. 2/1. De informatie die met toepassing van artikel 102/4, § 3 aan de toezichthouder moet worden verstrekt is de informatie die wordt vermeld in artikel 2 van deze Bijlage, met uitzondering van punt a), iii), alsook het H-MUB, berekend volgens de modaliteiten van artikel 1/1 van deze Bijlage.

Afdeling III. - Elementen die begrepen zijn in de uitkeringen die betrekking hebben op een van de kapitaalbestanddelen

Art. 3. Voor de toepassing van Afdeling V van Hoofdstuk V van Titel II van Boek II omvatten de uitkeringen die betrekking hebben op een van de kapitaalbestanddelen:

a)de uitkering van dividenden in contanten;

b)de toewijzing of de betaling van variabele beloningen in de vorm van aandelen of van andere in artikel 26, lid 1, onder a) van Verordening nr. 573/2013 vermelde instrumenten, die volledig of gedeeltelijk volgestort zijn;

c)de terugbetaling of de wederinkoop door een instelling van haar eigen aandelen of van andere in artikel 26, lid 1, onder a) van Verordening nr. 573/2013 vermelde instrumenten;

d)de terugbetaling van bedragen die gestort zijn aan de houders van in artikel 26, lid 1, onder a) van Verordening nr. 573/2013 vermelde instrumenten;

e)de uitkering van elementen als bedoeld onder b) tot e) van artikel 26, lid 1 van Verordening nr. 573/2013.

Afdeling IV. - Inhoud van het kapitaalconserveringsplan

Art. 4. Het kapitaalconserveringsplan bevat:

a)een schatting van inkomsten en uitgaven en een balansprognose;

b)maatregelen strekkende tot verhoging van de eigenvermogenscoëfficiënten (ratio's) van de instelling;

c)een plan en een tijdschema voor de verhoging van het eigen vermogen, om te voldoen aan het globaal vereiste van een tier 1-kernkapitaalbuffer en/of, in het geval van een MSI, aan het hefboomratiobuffervereiste;

d)alle andere informatie die de toezichthouder noodzakelijk acht om de door artikel 105 bepaalde beoordeling te verrichten.

Bijlage 6. - SOLVABILITEIT OP HET NIVEAU VAN EEN FINANCIEEL CONGLOMERAAT

Artikel 1. De gereglementeerde ondernemingen dienen op niveau van het financieel conglomeraat te beschikken over eigen vermogen dat steeds minstens gelijk is aan de solvabiliteitsvereisten berekend op groepsniveau. Het eigen vermogen en de solvabiliteitsvereisten worden berekend volgens één van de in artikel 2 van deze Bijlage bepaalde methodes, met toepassing van de in artikel 3 van deze Bijlage bepaalde beginselen.

De toezichthouder als coördinator bepaalt de methode die wordt toegepast. Hij mag een combinatie van deze methoden toestaan. Hij pleegt over de toe te passen methode voorafgaandelijk overleg met de andere relevante bevoegde autoriteiten en met het betrokken financieel conglomeraat.

Art. 2. Berekeningsmethodes:

§ 1.Methode 1: methode op basis van de geconsolideerde rekeningen

Het eigen vermogen en de solvabiliteitsvereisten op groepsniveau worden berekend op basis van de geconsolideerde positie van de groep, aan de hand van de geconsolideerde jaarrekeningen of tussentijdse geconsolideerde rekeningen. De geconsolideerde positie van de groep is de positie van het geconsolideerde geheel dat een consoliderende onderneming vormt met de andere in de consolidatie opgenomen ondernemingen. Onverminderd het bepaalde in artikel 3, § 1 van deze Bijlage, wordt de geconsolideerde positie bepaald met overeenkomstige toepassing van de sectorale regelgeving inzake sectoraal groepstoezicht.

De bestanddelen van het eigen vermogen op groepsniveau zijn die welke in de relevante sectorale regelgeving van de in de geconsolideerde positie opgenomen ondernemingen erkend worden als eigenvermogensbestanddeel.

De solvabiliteitsvereiste op groepsniveau is gelijk aan de som van de solvabiliteitsvereisten m.b.t. elke onderscheiden financiële sector die in de groep vertegenwoordigd is. De solvabiliteitsvereisten m.b.t. elke onderscheiden financiële sector worden berekend volgens de relevante sectorale regelgeving. Voor niet-gereglementeerde ondernemingen uit de financiële sector welke niet bij de bovengenoemde berekeningen van de sectorale solvabiliteitsvereisten zijn meegeteld, wordt een theoretisch solvabiliteitsvereiste berekend.

§ 2.Methode 2: methode gebaseerd op aggregatie en aftrek

Het eigen vermogen en de solvabiliteitsvereisten worden berekend aan de hand van de jaarrekeningen of tussentijdse rekeningen van elk van de ondernemingen in de groep.

Het eigen vermogen op groepsniveau is gelijk aan de som van de eigen vermogens van elke tot de financiële sector behorende gereglementeerde en niet-gereglementeerde onderneming in het financieel conglomeraat. De bestanddelen van het groepseigen vermogen zijn die welke in de relevante sectorale regelgeving van de desbetreffende ondernemingen erkend worden als eigenvermogensbestanddeel.

De solvabiliteitsvereiste op groepsniveau is gelijk aan de som van, enerzijds, de solvabiliteitsvereisten voor elke tot de financiële sector behorende gereglementeerde en niet-gereglementeerde onderneming in het financieel conglomeraat - berekend volgens de relevante sectorale regelgeving -, en anderzijds, de boekwaarde van alle deelnemingen in ondernemingen van de groep. Voor niet-gereglementeerde ondernemingen behorende tot de financiële sector, welke niet bij de bovengenoemde berekeningen van de sectorale solvabiliteitsvereisten zijn meegeteld, wordt een theoretisch solvabiliteitsvereiste berekend.

Onverminderd het bepaalde in artikel 3 § 2 van deze Bijlage inzake eigen vermogenstekorten in dochterondernemingen, wordt bij de toepassing van deze methode rekening gehouden met het evenredig deel dat de moederonderneming of de onderneming met een deelneming bezit in een andere onderneming van het financieel conglomeraat. Onder evenredig deel wordt verstaan, het gedeelte van het geplaatste kapitaal dat rechtstreeks of onrechtstreeks door deze onderneming wordt gehouden.

Art. 3. Beginselen gemeenschappelijk aan de twee methodes

§ 1.Met de solvabiliteitsvereisten voor de ondernemingen behorend tot de bank- en beleggingsdienstensector worden bedoeld, de solvabiliteitsvereisten overeenkomstig

-Deel Drie, Titel I, Hoofdstuk 1 van Verordening nr. 575/2013;

-artikelen 94, 96, 98, 149 en 150 van deze wet;

-artikelen 458 en 459 van Verordening nr. 575/2013; en

-desgevallend de reglementen vastgesteld met toepassing van artikel 12bis, § 2 van de wet van 22 februari 1998, in uitvoering van de vorige punten.

Met de solvabiliteitsvereisten voor de ondernemingen behorend tot de verzekeringssector worden bedoeld, de solvabiliteitsmarge opgelegd bij de artikelen 151 en 358 van de wet van 13 maart 2016 op het statuut van en het toezicht op de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen.

§ 2.Eigen vermogenstekorten in dochterondernemingen (in geval van niet-gereglementeerde ondernemingen wordt het theoretische tekort berekend aan de hand van de theoretische solvabiliteitsvereiste) worden voor het totale bedrag in aanmerking genomen.

In afwijking hiervan kan de toezichthouder als coördinator toestaan dat het evenredig deel van het tekort in rekening wordt gebracht, indien hem op duidelijke wijze aangetoond wordt dat de verantwoordelijkheid van moederonderneming in de groep verhoudingsgewijze beperkt is tot het deel van het kapitaal dat zij in die onderneming bezitten, op grond van de verantwoordelijkheid die de overige aandeelhouders dragen in verhouding tot hun inbreng in het kapitaal en hun voldoende solvabiliteit.

Indien tussen de ondernemingen in een financieel conglomeraat geen kapitaalbanden bestaan, bepaalt de toezichthouder, na overleg met de andere relevante bevoegde autoriteiten, het evenredige deel dat in aanmerking moet worden genomen voor de berekening van het eigen vermogen van de groep. De toezichthouder houdt daarbij rekening met de verantwoordelijkheid en het risico waartoe de bestaande betrekkingen tussen die ondernemingen aanleiding geven.

§ 3.Bij de berekening van het eigen vermogen op het niveau van een financieel conglomeraat zal elke artificiële eigen vermogensvorming binnen een financieel conglomeraat, zoals het meer dan eenmaal in aanmerking nemen van dezelfde eigenvermogensbestanddelen (`multiple gearing') en de niet passende transformatie van de aard van werkmiddelen, worden geëlimineerd. Daartoe zullen de relevante beginselen van de sectorale regelgeving naar analogie worden toegepast.

§ 4.De solvabiliteitsvereisten van de tot een bepaalde financiële sector behorende ondernemingen in een financieel conglomeraat, dienen te worden gedekt door eigenvermogensbestanddelen als gedefinieerd in de relevante sectorale regelgeving. Aanvullende solvabiliteitsvereisten op het niveau van het financieel conglomeraat moeten worden gedekt door eigenvermogensbestanddelen die in elk van de sectorale regelgevingen erkend worden ("sectoroverschrijdend eigen vermogen").

Indien de sectorale regelgeving het in aanmerking nemen van eigen vermogensinstrumenten aan beperkingen onderwerpt, zijn deze beperkingen van overeenkomstige toepassing bij de berekening van het eigen vermogen op het niveau van het financieel conglomeraat.

Bij het in aanmerking nemen van eigenvermogensbestanddelen op het niveau van het financieel conglomeraat houdt de toezichthouder rekening met eventuele beperkingen in de beschikbaarheid en overdraagbaarheid ervan tussen de verschillende ondernemingen in de groep, in het licht van de doeleinden van het aanvullend conglomeraatstoezicht in het algemeen en de solvabiliteitsvoorschriften in het bijzonder.

De theoretische solvabiliteitsvereiste voor een niet-gereglementeerde onderneming uit de financiële sector is het solvabiliteitsvereiste waaraan een dergelijke onderneming krachtens de relevante sectorale regelgeving zou moeten voldoen indien het om een gereglementeerde onderneming van die specifieke financiële sector zou gaan. De solvabiliteitsvereiste van een gemengde financiële holding wordt berekend overeenkomstig de sectorale regelgeving van de belangrijkste financiële sector in de groep.