Alle wetboeken › Bankwet

BOEK II - KREDIETINSTELLINGEN NAAR BELGISCH RECHT › TITEL II - Bedrijfsuitoefeningsvoorwaarden

HOOFDSTUK V - Reglementaire normen en verplichtingen

94–105

Art. 94

§ 1.Elke kredietinstelling moet over een voor haar werkzaamheden en voorgenomen werkzaamheden passend beleid inzake eigenvermogens- en liquiditeitsbehoeften beschikken.

§ 2.Daartoe legt het wettelijk bestuursorgaan een beleid vast voor het prospectieve beheer van de eigenvermogensvereisten en van de liquiditeit van de kredietinstelling, dat de huidige en toekomstige eigenvermogens- en liquiditeitsbehoeften van de instelling identificeert en bepaalt.

Dit beleid houdt rekening met de aard, de omvang en de kenmerken van de werkzaamheden of voorgenomen werkzaamheden van de instelling, met de daaraan verbonden risico's en met het risicobeheerbeleid van de instelling.

§ 3.Het in paragraaf 1 bedoelde beleid wordt uitgevoerd door het directiecomité, onder toezicht van het wettelijk bestuursorgaan. Het wordt regelmatig geëvalueerd door het wettelijk bestuursorgaan, dat het zo nodig actualiseert.

De toezichthouder kan de frequentie en de modaliteiten van deze evaluatie nader bepalen, in voorkomend geval bij reglement vastgesteld met toepassing van artikel 12bis, § 2 van de wet van 22 februari 1998.

Art. 95

Onverminderd de naleving van het reglementair eigenvermogensvereiste bepaald in artikel 92, lid 1, onder a) tot en met c) van Verordening nr. 575/2013, van het vereiste bepaald door of krachtens de artikelen 98, 149, en 150 en 150/5 voor andere risico's dan het risico van buitensporige hefboomwerking, van de norm inzake totale verliesabsorptiecapaciteit bepaald in de artikelen 92bis en 92ter van Verordening nr. 575/2013 en van het minimumvereiste voor eigen vermogen en in aanmerking komende passiva bepaald in artikel 267/3, moet een kredietinstelling door middel van tier 1-kernkapitaalbestanddelen voldoen aan het globaal vereiste van een tier 1-kernkapitaalbuffer, zoals dit vereiste bepaald is in artikel 96. Een moederkredietinstelling voldoet bovendien aan dit vereiste op basis van haar geconsolideerde positie, volgens de modaliteiten bepaald in Deel 1, Titel 2, Hoofdstuk 2 van Verordening nr. 575/2013.

Een financiële holding naar Belgisch recht of een gemengde financiële holding naar Belgisch recht, die een kredietinstelling bezit, voldoet op geconsolideerde basis aan de voorschriften van het eerste lid, volgens de modaliteiten bepaald in Deel 1, Titel 2, Hoofdstuk 2 van Verordening nr. 575/2013.

Art. 96

§ 1.Onverminderd de in de paragrafen 3 tot 6 bepaalde modaliteiten is het globaal vereiste van een tier 1-kernkapitaalbuffer gelijk aan de som van de volgende vereisten van een tier 1-kernkapitaalbuffer:

1°de in artikel 1 van Bijlage IV bedoelde tier 1-kernkapitaalconserveringsbuffer;

2°de kredietinstellingsspecifieke contracyclische tier 1-kernkapitaalbuffer als bedoeld in de artikelen 3 tot 10 van Bijlage IV;

3°de tier 1-kernkapitaalbuffer voor mondiaal systeemrelevante instellingen (MSI's) of voor binnenlandse systeemrelevante instellingen (BSI's), als bedoeld in de artikelen 11 tot 15 van Bijlage IV;

4°de tier 1-kernkapitaalbuffer voor systeem- of macroprudentiële risico's, als bedoeld in de artikelen 16 tot 22 van Bijlage IV.

De tier 1-kernkapitaal die worden gebruikt om te voldoen aan een van de in de punten 1°, tot en met 4° van deze paragraaf bedoelde vereisten, worden niet in aanmerking genomen om te voldoen aan een van de andere van deze vereisten.

§ 2.De in paragraaf 1 bedoelde vereisten worden verduidelijkt in Bijlage IV van deze wet.

§ 3.Een moederkredietinstelling, een financiële moederholding naar Belgisch recht of een gemengde financiële moederholding naar Belgisch recht, op geconsolideerde basis, die tegelijkertijd onderworpen is aan een vereiste om een tier 1-kernkapitaalbuffer voor mondiaal systeemrelevante instellingen (MSI's) aan te houden en aan een vereiste om een tier 1-kernkapitaalbuffer voor binnenlandse systeemrelevante instellingen (BSI's) aan te houden overeenkomstig de artikelen 13 en 14 van Bijlage IV, moet enkel voldoen aan het hoogste vereiste.

§ 4.Een kredietinstelling, een moederkredietinstelling, een financiële moederholding naar Belgisch recht of een gemengde financiële moederholding naar Belgisch recht, die tegelijkertijd onderworpen is aan het met toepassing van paragraaf 3 geldende vereiste en aan een vereiste om een tier 1-kernkapitaalbuffer voor systeem- of macroprudentiële risico's aan te houden overeenkomstig de artikelen 16 tot 22 van Bijlage IV, moet voldoen aan de som van deze vereisten.

§ 5....

§ 6....

Art. 96/1

Onverminderd de naleving van het hefboomratiovereiste als bedoeld in artikel 92, lid 1, onder d) van Verordening nr. 575/2013 moet een MSI voldoen aan het hefboomratiobuffervereiste volgens de modaliteiten bepaald in artikel 92, lid; 1bis van die Verordening.

Art. 97

De Bank is de nationale autoriteit die belast is met de toepassing van artikelen 124, lid 2, 164, lid 6 en 458 van Verordening nr. 575/2013.

Naast de voorwaarden gesteld in artikel 458 van Verordening nr. 575/2013, moeten de reglementen van de Bank die met toepassing van het genoemde artikel 458 worden aangenomen, bij een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit worden goedgekeurd.

Art. 98

Onverminderd de bepalingen van Verordening nr. 575/2013, bepaalt de Bank bij reglement vastgesteld met toepassing van artikel 12bis, § 2 van de wet van 22 februari 1998:

a)de normen inzake solvabiliteit, liquiditeit en risicoconcentratie en andere begrenzingsnormen die door alle kredietinstellingen of per categorie van kredietinstellingen moeten worden nageleefd, wanneer deze normen niet bepaald zijn in Verordening nr. 575/2013;

b)de toepassingsmodaliteiten van de normen inzake solvabiliteit, liquiditeit en risicoconcentratie bepaald in Verordening nr. 575/2013, met inbegrip van de toepassingsmodaliteiten van de verschillende opties die door deze Verordening worden geboden aan de lidstaten en aan de Bank als bevoegde autoriteit, rekening houdend met de richtsnoeren die worden bepaald door de Europese Bankautoriteit in verband met de genoemde Verordening en de technische reguleringsnormen die door de Europese Commissie worden vastgesteld met toepassing van die Verordening;

c)de waarderingsregels die gelden voor de waardering van de activa, de passiva en de posten die niet in de balans zijn opgenomen voor de controle van de naleving van de normen inzake solvabiliteit, liquiditeit of risicoconcentratie.

De in dit artikel bedoelde normen kunnen zowel van kwantitatieve als van kwalitatieve aard zijn.

Art. 98/1

Voor de toepassing van deze Onderafdeling wordt een kredietinstelling geacht niet te voldoen aan het globaal vereiste van een tier1-kernkapitaalbuffer als zij over onvoldoende eigen vermogen van voldoende hoge kwaliteit beschikt om tegelijkertijd te voldoen aan het globaal vereiste van een tier 1-kernkapitaalbuffer als bedoeld in artikel 96 en aan elk van de vereisten van artikel 92, lid 1, onder a) tot en met c) van Verordening nr. 575/2013, alsook aan het specifieke eigenvermogensvereiste dat wordt opgelegd op grond van de artikelen 149 en 150 om andere risico's dan het risico van buitensporige hefboomwerking te ondervangen.

Art. 99

Een kredietinstelling mag slechts uitkeringen doen die betrekking hebben op een van de tier 1-kernkapitaalbestanddelen indien zij overeenkomstig artikel 98/1 voldoet aan het globaal vereiste van een tier 1-kernkapitaalbuffer als bedoeld in artikel 96.

Bovendien mogen deze uitkeringen niet tot gevolg hebben dat het tier 1-kernkapitaal daalt tot een niveau dat niet langer voldoet aan het voormeld globaal vereiste van een tier 1-kernkapitaalbuffer.

Art. 100

In afwijking van artikel 99, eerste lid, kan een kredietinstelling die niet voldoet aan het globaal vereiste van een tier 1-kernkapitaalbuffer niettemin een uitkering met betrekking tot tier 1-kernkapitaalbestanddelen verrichten indien zij voldoet aan de in de artikelen 101, 102 en 103 bepaalde voorwaarden. Te dien einde berekent de kredietinstelling vooraf het maximaal uitkeerbare bedrag of "MUB" en deelt zij dit bedrag mee aan de toezichthouder.

De berekeningsmodaliteiten van het MUB die in acht moeten worden genomen door de instelling worden bepaald in artikel 1 van Bijlage V bij deze wet.

Art. 101

§ 1.Een kredietinstelling als bedoeld in artikel 100 mag de volgende handelingen slechts verrichten ten belope van het MUB:

a)een uitkering verrichten als bezoldiging of een betaling verrichten als terugbetaling of wederinkoop van tier 1-kernkapitaalbestanddelen;

b)betalingen verrichten die verband houden met aanvullend-tier 1-kapitaalbestanddelen;

c)zich verbinden tot de betaling van variabele beloningen of uitkeringen uit hoofde van discretionair pensioen.

§ 2.Bovendien mag een kredietinstelling als bedoeld in artikel 100 slechts een variabele beloning of uitkeringen uit hoofde van discretionair pensioen betalen ten belope van het MUB, zelfs indien de betalingsverplichting werd aangegaan op een moment dat de instelling voldeed aan het globaal vereiste van een tier 1-kernkapitaalbuffer.

§ 3.Wanneer zij voornemens is een van de in paragrafen 1 en 2 bedoelde handelingen te verrichten, brengt de instelling haar voornemen ter kennis van de toezichthouder en verstrekt zij de in artikel 2 van Bijlage V vermelde informatie, met een rechtvaardiging voor de inachtneming van de niet-overschrijding van het MUB.

Art. 102

De kredietinstellingen passen regelingen toe die ervoor zorgen dat het bedrag van de uitkeerbare winst en, in voorkomend geval, het MUB, nauwkeurig worden berekend. Zij zijn in staat de nauwkeurigheid van deze berekening aan te tonen aan de toezichthouder indien hij hierom verzoekt.

Art. 102/1

toekomstig recht

Voor de toepassing van deze Onderafdeling wordt een MSI geacht niet te voldoen aan het hefboomratiobuffervereiste als zij over onvoldoende kernkapitaal beschikt om tegelijkertijd te voldoen aan het hefboomratiobuffervereiste als bedoeld in artikel 92, lid 1bis van Verordening nr. 575/2013 en aan het vereiste van artikel 92, lid 1, onder d) van Verordening nr. 575/2013, alsook aan het specifieke eigenvermogensvereiste dat wordt opgelegd op grond van de artikelen 149 en 150 om het risico van buitensporige hefboomwerking te ondervangen.

Art. 102/2

toekomstig recht

Een MSI mag slechts uitkeringen doen die betrekking hebben op een van de kernkapitaalbestanddelen indien zij voldoet aan het hefboomratiobuffervereiste als bedoeld in artikel 92, lid 1bis van Verordening nr. 575/2013.

Bovendien mogen deze uitkeringen niet tot gevolg hebben dat het kernkapitaal daalt tot een niveau dat niet langer voldoet aan het voormeld hefboomratiobuffervereiste.

Art. 102/3

toekomstig recht

In afwijking van artikel 102/2, eerste lid, kan een MSI die niet voldoet aan het hefboomratiobuffervereiste niettemin een uitkering met betrekking tot kernkapitaalbestanddelen verrichten indien zij voldoet aan de in de artikelen 102/4, 102/5 en tot 103 bepaalde voorwaarden. Te dien einde berekent de MSI vooraf het met de hefboomratio verband houdende maximaal uitkeerbare bedrag of "H-MUB" en deelt zij dit bedrag mee aan de toezichthouder.

De berekeningsmodaliteiten van het H-MUB die in acht moeten worden genomen door de instelling worden bepaald in artikel 1/1 van Bijlage V bij deze wet.

Art. 102/4

toekomstig recht

§ 1.Een MSI als bedoeld in artikel 102/3 mag de volgende handelingen slechts verrichten ten belope van het H-MUB:

a)een uitkering verrichten als bezoldiging of een betaling verrichten als terugbetaling of wederinkoop van tier 1-kernkapitaalbestanddelen;

b)betalingen verrichten die verband houden met aanvullend-tier 1-kapitaalbestanddelen;

c)zich verbinden tot de betaling van variabele beloningen of uitkeringen uit hoofde van discretionair pensioen.

§ 2.Bovendien mag een MSI als bedoeld in artikel 102/3 slechts een variabele beloning of uitkeringen uit hoofde van discretionair pensioen betalen ten belope van het H-MUB, zelfs indien de betalingsverplichting werd aangegaan op een moment dat de instelling voldeed aan het hefboomratiobuffervereiste.

§ 3.Wanneer zij voornemens is een van de in paragrafen 1 en 2 bedoelde handelingen te verrichten, brengt de MSI haar voornemen ter kennis van de toezichthouder en verstrekt zij de in artikel 2/1 van Bijlage V vermelde informatie, met een rechtvaardiging voor de inachtneming van de niet-overschrijding van het H-MUB.

Art. 102/5

De MSI's passen regelingen toe die ervoor zorgen dat het bedrag van de uitkeerbare winst en, in voorkomend geval, het H-MUB, nauwkeurig worden berekend, en verstrekken de bewijsstukken hiervoor. Zij zijn in staat de nauwkeurigheid van deze berekening aan te tonen aan de toezichthouder indien hij hierom verzoekt.

Art. 103

De door de Onderafdelingen I en I/1 opgelegde beperkingen zijn slechts van toepassing in zoverre de opschorting van de betalingen die eruit zou voortvloeien niet de voorwaarden voor de opening van een liquidatieprocedure tot gevolg heeft met toepassing van de bepalingen van Boek XX van het Wetboek van economisch recht.

Art. 104

Wanneer een kredietinstelling niet voldoet aan het in artikel 96 bedoeld globaal vereiste van een tier 1-kernkapitaalbuffer, informeert zij de toezichthouder hiervan en stelt zij een kapitaalconserveringsplan op dat strekt tot verhoging van het eigen vermogen of, in voorkomend geval, dat maatregelen bevat die de verlaging van het globaal vereiste van een tier 1-kernkapitaalbuffer van de instelling tot gevolg hebben, door de verlaging van haar risicoprofiel.

De instelling legt dit plan uiterlijk vijf werkdagen na de vaststelling dat zij niet aan het voormeld vereiste voldeed, ter goedkeuring voor aan de toezichthouder. De toezichthouder kan een langere termijn vastleggen, die ten hoogste tien werkdagen mag bedragen, op basis van de bijzondere situatie van een kredietinstelling, rekening houdend met de omvang en de complexiteit van haar werkzaamheden.

Art. 104

toekomstig recht

Wanneer een kredietinstelling niet voldoet aan het in artikel 96 bedoeld globaal vereiste van een tier 1-kernkapitaalbuffer en/of, in het geval van een MSI, aan het hefboomratiobuffervereiste als bedoeld in artikel 92, lid 1bis van Verordening nr. 575/2013, informeert zij de toezichthouder hiervan en stelt zij een kapitaalconserveringsplan op dat strekt tot verhoging van het eigen vermogen of, in voorkomend geval, dat maatregelen bevat die de verlaging van het globaal vereiste van een tier 1-kernkapitaalbuffer en/of van het hefboomratiobuffervereiste van de instelling tot gevolg hebben, door de verlaging van haar risicoprofiel.

De instelling legt dit plan uiterlijk vijf werkdagen na de vaststelling dat zij niet aan het voormeld vereiste voldeed, ter goedkeuring voor aan de toezichthouder. De toezichthouder kan een langere termijn vastleggen, die ten hoogste tien werkdagen mag bedragen, op basis van de bijzondere situatie van een kredietinstelling, rekening houdend met de omvang en de complexiteit van haar werkzaamheden.

De in het kapitaalconserveringsplan te verstrekken informatie is opgenomen in artikel 4 van Bijlage V bij deze wet.

Art. 105

§ 1.De toezichthouder keurt het kapitaalconserveringsplan goed indien hij van oordeel is dat de uitvoering ervan de instelling redelijkerwijze zou moeten toelaten, binnen de termijn die hij gepast acht, daadwerkelijk te voldoen aan het globaal vereiste van een tier 1-kernkapitaalbuffer en/of aan het hefboomratiobuffervereiste.

§ 2.Indien hij van oordeel is dat de uitvoering van het plan niet redelijkerwijze kan voldoen aan het globaal vereiste van een tier 1-kernkapitaalbuffer en/of aan het hefboomratiobuffervereiste binnen voormelde termijn, kan de toezichthouder

-eisen dat de betrokken instelling tot een verhoging van haar eigen vermogen overgaat tot het niveau dat hij noodzakelijk acht, binnen de termijn en volgens de modaliteiten die hij bepaalt; en/of

-striktere beperkingen opleggen aan de uitkeringen dan deze die zijn bepaald met toepassing van artikel 101 en/of artikel 102/4.