§ 1.Elke kredietinstelling moet over een voor haar werkzaamheden en voorgenomen werkzaamheden passend beleid inzake eigenvermogens- en liquiditeitsbehoeften beschikken.
§ 2.Daartoe legt het wettelijk bestuursorgaan een beleid vast voor het prospectieve beheer van de eigenvermogensvereisten en van de liquiditeit van de kredietinstelling, dat de huidige en toekomstige eigenvermogens- en liquiditeitsbehoeften van de instelling identificeert en bepaalt.
Dit beleid houdt rekening met de aard, de omvang en de kenmerken van de werkzaamheden of voorgenomen werkzaamheden van de instelling, met de daaraan verbonden risico's en met het risicobeheerbeleid van de instelling.
§ 3.Het in paragraaf 1 bedoelde beleid wordt uitgevoerd door het directiecomité, onder toezicht van het wettelijk bestuursorgaan. Het wordt regelmatig geëvalueerd door het wettelijk bestuursorgaan, dat het zo nodig actualiseert.
De toezichthouder kan de frequentie en de modaliteiten van deze evaluatie nader bepalen, in voorkomend geval bij reglement vastgesteld met toepassing van artikel 12bis, § 2 van de wet van 22 februari 1998.