Alle wetboeken › Bankwet

BOEK II - KREDIETINSTELLINGEN NAAR BELGISCH RECHT › TITEL III - Toezicht op de kredietinstellingen › HOOFDSTUK IV - Groepstoezicht

Afdeling II - Toezicht op geconsolideerde basis op kredietinstellingen

165–184

Art. 165

§ 1.In de mate en op de wijze bepaald door Afdelingen II en IV van dit Hoofdstuk en de uitvoeringsbesluiten en -reglementen ervan, zijn kredietinstellingen naar Belgisch recht:

1°die een Belgische moederkredietinstelling zijn, onderworpen aan een toezicht op basis van hun geconsolideerde positie;

2°met als moederonderneming een moederkredietinstelling in een lidstaat, een financiële moederholding in een lidstaat of een gemengde financiële moederholding in een lidstaat, onderworpen aan een toezicht op basis van de geconsolideerde positie van de moederkredietinstelling, de financiële moederholding of de gemengde financiële moederholding.

De punten 1° en 2°, zijn cumulatief van toepassing wanneer voldaan is aan de respectieve voorwaarden voor de toepassing ervan.

§ 2.In de mate en op de wijze bepaald door Afdelingen II en IV van dit Hoofdstuk en de uitvoeringsbesluiten en -reglementen ervan, zijn financiële holdings en gemengde financiële holdings naar Belgisch recht:

1°die een Belgische financiële moederholding of gemengde financiële moederholding zijn, onderworpen aan een toezicht op basis van hun geconsolideerde positie;

2°met als moederonderneming een moederkredietinstelling in een lidstaat, een financiële moederholding in een lidstaat of een gemengde financiële moederholding in een lidstaat, onderworpen aan een toezicht op basis van de geconsolideerde positie van de moederkredietinstelling, de financiële moederholding of de gemengde financiële moederholding.

De punten 1° en 2°, zijn cumulatief van toepassing wanneer voldaan is aan de respectieve voorwaarden voor de toepassing ervan.

Art. 166

Onverminderd de artikelen 167 tot 169, worden de niveaus van het toezicht op geconsolideerde basis, hun verhouding met het toezicht op individuele kredietinstellingen, het voorwerp en de reikwijdte van het toezicht op geconsolideerde basis vastgelegd in Deel 1, Titel II, Hoofdstuk 2 van Verordening nr. 575/2013....

Art. 167

§ 1.Belgische moederkredietinstellingen, aangewezen kredietinstellingen, goedgekeurde of aangewezen financiële holdings en gemengde financiële holdings naar Belgisch recht, voldoen op geconsolideerde basis aan de in artikel 94 neergelegde verplichtingen in de mate en op de wijze als bepaald in Deel 1, Titel II, Hoofdstuk 2, Afdelingen 2 en 3 van Verordening nr. 575/2013.

§ 2....

§ 3.Kredietinstellingen naar Belgisch recht, goedgekeurde of aangewezen financiële holdings en gemengde financiële holdings naar Belgisch recht, die een dochteronderneming zijn, passen de vereisten van artikel 94 toe op gesubconsolideerde basis als deze kredietinstellingen zelf, of hun moederonderneming, als deze een financiële holding of gemengde financiële moederholding naar Belgisch recht is, een kredietinstelling of een financiële instelling als dochteronderneming in een derde land hebben of een deelneming in een dergelijke onderneming hebben.

Art. 168

§ 1.Belgische moederkredietinstellingen, aangewezen kredietinstellingen naar Belgisch recht, goedgekeurde of aangewezen financiële holdings en gemengde financiële holdings naar Belgisch recht dienen op geconsolideerde of gesubconsolideerde basis aan de artikelen 21, 27 tot 42, 56 tot 59 en 63 tot 71 te voldoen, zodat hun bij deze bepalingen vereiste regelingen, procedures en mechanismen samenhang vertonen en goed geïntegreerd zijn, de invloed van de in de geconsolideerde positie opgenomen ondernemingen op andere ondernemingen kan beoordeeld worden en alle gegevens en informatie die voor het toezicht van belang zijn, kunnen worden verkregen. Zij passen die regelingen, procedures en mechanismen eveneens toe in hun niet onder deze wet vallende dochterondernemingen, met inbegrip van vestigingen in offshore financiële centra. Ook deze regelingen, processen en mechanismen zijn samenhangend en goed geïntegreerd, en ook deze dochterondernemingen moeten de voor het toezicht relevante gegevens en informatie kunnen verstrekken. Dochterondernemingen van de groep of subgroep die zelf niet onder deze wet vallen of onder de wetgeving tot omzetting van Richtlijn 2013/36/EU in het recht van de lidstaat waaronder ze ressorteren, voldoen aan de sectorspecifieke vereisten die op individuele basis op hen van toepassing zijn.

De verplichtingen van paragraaf 1 zijn bovendien van toepassing op gesubconsolideerde basis in de situaties bedoeld in artikel 11, lid 6 van Verordening nr. 575/2013 of in artikel 167, § 2.

§ 2.De verplichtingen die voor dochterondernemingen uit derde landen voortvloeien uit de in paragraaf 1, eerste lid bedoelde artikelen, zijn niet van toepassing indien de Belgische EER-moederkredietinstelling, de aangewezen kredietinstelling naar Belgisch recht, de goedgekeurde of aangewezen financiële holding of gemengde financiële holding naar Belgisch recht aan de toezichthouder kan aantonen dat de toepassing ervan onrechtmatig is volgens de wetten van dat land.

§ 3.De in paragraaf 1 bedoelde Belgische moederkredietinstellingen, aangewezen kredietinstellingen naar Belgisch recht, goedgekeurde of aangewezen financiële holdings en gemengde financiële holdings naar Belgisch recht, publiceren jaarlijks een beschrijving van hun juridische structuur en van hun regeling voor de bedrijfsorganisatie die van toepassing is op geconsolideerd of, in voorkomend geval, gesubconsolideerd niveau, met inbegrip van de inlichtingen bedoeld in artikel 18 en in paragraaf 1 van dit artikel, hetzij door volledige vermelding, hetzij door verwijzing naar reeds gepubliceerde gelijkwaardige informatie.

Art. 168/1

§ 1.In afwijking van artikel 168, § 1, zijn de artikelen 27, eerste lid, 3° en 67 tot 70, met inbegrip van Bijlage II, niet van toepassing op geconsolideerde basis op de dochterondernemingen binnen de groep die:

1°onder het recht van een andere lidstaat ressorteren en die onderworpen zijn aan specifieke beloningsvereisten overeenkomstig andere Europese wetgeving dan Richtlijn 2013/36/EU;

2°onder het recht van een derde land ressorteren en die, indien ze onder het recht van een lidstaat zouden ressorteren, onderworpen zouden zijn aan specifieke beloningsvereisten overeenkomstig andere Europese wetgeving dan Richtlijn 2013/36/EU.

§ 2.In afwijking van paragraaf 1, en om te voorkomen dat de wettelijke voorschriften inzake beloningsbeleid worden omzeild, zijn de artikelen 27, eerste lid, 3° en 67 tot 70, met inbegrip van Bijlage II, van toepassing op personeelsleden van dochterondernemingen die niet op individuele basis onder Richtlijn 2013/36/EU vallen indien:

1°de dochteronderneming een vermogensbeheerder is in de zin van artikel 4, lid 1, punt 19 van Verordening nr. 575/2013 of een onderneming die beleggingsdiensten en activiteiten aanbiedt als bedoeld in artikel 2, 1°, punten 2, 3, 4, 6 en 7 van de wet van 25 oktober 2016; en

2°de personeelsleden gemachtigd zijn om beroepsactiviteiten uit te oefenen die het risicoprofiel of de bedrijfsactiviteiten van de kredietinstellingen binnen de groep, op individuele of geconsolideerde basis, rechtstreeks wezenlijk beïnvloeden.

§ 3.In afwijking van paragraaf 1, zijn de hierin vermelde dochterondernemingen overeenkomstig artikel 168, § 1 op geconsolideerde basis onderworpen aan de bepalingen van Afdeling VI van Bijlage II wanneer de in artikel 71 bedoelde uitzonderlijke overheidssteun werd verkregen.

Art. 169

Wanneer de toezichthouder belast is met het toezicht op geconsolideerde basis, past hij op de kredietinstellingen naar Belgisch recht en op de goedgekeurde of aangewezen financiële holdings en gemengde financiële holdings naar Belgisch recht de in de artikelen 142 tot 148 bedoelde toetsings- en evaluatieprocedure en de in de artikelen 149 tot 152 en 234 tot 236 bedoelde prudentiële maatregelen toe, in overeenstemming met de in Deel 1, Titel II, Hoofdstuk II, van Verordening nr. 575/2013 vastgestelde mate van toepassing van de vereisten van genoemde Verordening en de in de artikelen 167 en 168 vastgestelde mate en wijze van toepassing van de vereisten inzake het proces voor de interne beoordeling van de kapitaaltoereikendheid en de regelingen, processen en mechanismen van kredietinstellingen.

Voor de uitoefening van het in het eerste lid bedoelde toezicht op geconsolideerde basis, dienen de betrokken instellingen op geconsolideerde en/of, in voorkomend geval, gesubconsolideerde basis aan artikel 106, § 2, te voldoen, met dien verstande dat de daarin bedoelde informatie dient opgesteld te worden met toepassing van de boekings- en waarderingsregels bepaald in het in uitvoering van artikel 106, § 1, 2°, getroffen koninklijk besluit, of, in voorkomend geval, overeenkomstig gelijkwaardige regels van buitenlands recht.

Art. 170

§ 1.Onverminderd de toepassing van artikel 49 van Verordening nr. 575/2013, is elke bepaling van deze Afdeling die van toepassing is op basis van de geconsolideerde positie van de financiële holding naar Belgisch recht ook van toepassing op het niveau van een gemengde financiële holding naar Belgisch recht voor zover:

1°de banksector de belangrijkste sector is binnen het financieel conglomeraat;

2°minstens één van de dochterondernemingen een kredietinstelling is;

3°de bevoegde autoriteit die belast is met het toezicht op geconsolideerde basis zowel het toezicht op geconsolideerde basis als het aanvullende conglomeraatstoezicht uitoefent.

Voor de toepassing van het eerste lid wordt de omvang van de banksector gemeten overeenkomstig artikel 186, § 3.

Voor de toepassing van deze paragraaf verkrijgt de betrokken bevoegde autoriteit in haar hoedanigheid van consoliderende toezichthouder het akkoord van de betrokken bevoegde autoriteiten die belast zijn met het toezicht op de dochterondernemingen en van de groepstoezichthouder in de verzekeringssector.

§ 1/1.Onverminderd de toepassing van paragraaf 2, indien een kredietinstelling naar Belgisch recht die aan het hoofd staat van een financieel conglomeraat of een gemengde financiële holding naar Belgisch recht onderworpen is aan gelijkwaardige bepalingen van dit Hoofdstuk die enerzijds betrekking hebben op het toezicht op geconsolideerde basis, anderzijds op het aanvullende conglomeraatstoezicht, en met name als deze bepalingen betrekking hebben op risicogebaseerd toezicht, kan de bevoegde autoriteit die belast is met het toezicht op geconsolideerde basis besluiten op deze kredietinstelling of gemengde financiële holding alleen de relevante bepalingen die betrekking hebben op het aanvullende conglomeraatstoezicht toe te passen.

§ 2.Wanneer een kredietinstelling deel uitmaakt van een financieel conglomeraat waarin de banksector de belangrijkste sector is en de bevoegde autoriteit die belast is met het toezicht op geconsolideerde basis ook het aanvullende conglomeraatstoezicht uitoefent, kan zij beslissen, na overleg met de betrokken bevoegde autoriteiten, dat de volgende maatregelen van toepassing zijn:

1°wat betreft de verplichtingen en bevoegdheden inzake risicogebaseerd toezicht, zoals neergelegd in de artikelen 167 tot 169, of onderdelen daarvan, zal bij wijze van afwijking de groep zoals gedefinieerd in artikel 164, § 4 en die het financieel conglomeraat vormt, in aanmerking worden genomen als relevante reikwijdte voor het toezicht op geconsolideerde basis;

2°voor de naleving van de artikelen 191 tot 194 worden de groepsrisico's die voortvloeien uit intragroepsverrichtingen en risicoconcentratie binnen het financieel conglomeraat, als een bijkomende risicocategorie behandeld voor de toepassing van Bijlage I. Deze risico's worden voldoende specifiek behandeld, met inachtneming van de richtlijnen of standaarden die de Europese toezichthoudende autoriteiten uitvaardigen en van de kwantitatieve of kwalitatieve maatregelen waarnaar verwezen wordt in de voornoemde artikelen;

3°voor de naleving van artikel 195 kunnen de bedoelde stresstests op het niveau van het financieel conglomeraat worden geïntegreerd in de stresstests die vereist zijn op basis van artikel 148.

§ 3.De praktische modaliteiten voor de toepassing van paragraaf 2 worden schriftelijk vastgelegd in een coördinatieregeling met de relevante bevoegde autoriteiten in de zin van artikel 164, § 3 binnen het college in de samenstelling die vereist is op basis van artikel 199.

§ 4.De bevoegde autoriteit die belast is met het toezicht op geconsolideerde basis stelt de EBA en de Europese Autoriteit voor Verzekeringen en Bedrijfspensioenen in kennis van het krachtens paragraaf 1, derde lid verkregen akkoord, het krachtens paragraaf 1/1 genomen besluit en de krachtens § 3 getroffen coördinatieregeling.

Art. 171

§ 1.Het toezicht op geconsolideerde basis op een kredietinstelling naar Belgisch recht, als bedoeld in artikel 165, § 1 wordt uitgeoefend als volgt:

1°indien zij een Belgische moederkredietinstelling of een Belgische EER-moederkredietinstelling is, door de toezichthouder;

2°indien haar moederonderneming een moederkredietinstelling in een lidstaat en/of een EER-moederkredietinstelling is, door de bevoegde autoriteit van de moederkredietinstelling in die lidstaat en, in voorkomend geval, door de bevoegde autoriteit van de EER-moederkredietinstelling;

3°indien haar moederonderneming een moederbeleggingsonderneming in een lidstaat of een EER-moederbeleggingsonderneming is, die geen andere dochterkredietinstellingen heeft in de EER, door de toezichthouder;

4°indien haar moederonderneming een moederbeleggingsonderneming in een lidstaat of een EER-moederbeleggingsonderneming is, die verschillende dochterkredietinstellingen heeft in de EER, door de bevoegde autoriteit van de kredietinstelling met het hoogste balanstotaal;

5°indien haar moederonderneming een financiële moederholding in een lidstaat, een gemengde financiële moederholding in een lidstaat, een financiële EER-moederholding of een gemengde financiële EER-moederholding is, die geen andere dochterkredietinstellingen heeft in de EER, door de toezichthouder;

6°indien haar moederonderneming een financiële moederholding in een lidstaat, een gemengde financiële moederholding in een lidstaat, een financiële EER-moederholding of een gemengde financiële EER-moederholding is, die verschillende dochterkredietinstellingen heeft in de EER, door de bevoegde autoriteit van de kredietinstelling met het hoogste balanstotaal;

De punten 1° en 2°, zijn cumulatief van toepassing wanneer voldaan is aan de respectieve voorwaarden voor de toepassing ervan.

§ 2.Onverminderd paragraaf 1, 3°, 4°, 5° en 6°, wanneer de Belgische kredietinstelling op grond van artikel 18, leden 3 en 6 van Verordening nr. 575/2013 onder een toezicht op geconsolideerde basis valt, wordt het toezicht op geconsolideerde basis uitgeoefend:

1°door de toezichthouder indien de groep geen andere kredietinstellingen in de EER omvat;

2°door de bevoegde toezichthouder van de kredietinstelling met het hoogste balanstotaal indien de groep verschillende kredietinstellingen in de EER omvat.

§ 3.Indien een bevoegde autoriteit op individuele basis toezicht houdt op meer dan één kredietinstelling binnen een groep, is, in afwijking van paragraaf 1, 4° en 6°, en paragraaf 2, de consoliderende toezichthouder de bevoegde autoriteit die op individuele basis toezicht houdt op een of meer kredietinstellingen binnen de groep, indien de som van de balanstotalen van die kredietinstellingen hoger is dan die van de kredietinstellingen waarop op individuele basis door een andere bevoegde autoriteit toezicht wordt uitgeoefend.

§ 4.In bijzondere gevallen kunnen de toezichthouder en de betrokken bevoegde autoriteiten onderling overeenkomen, met het oog op een efficiënte organisatie van het toezicht op geconsolideerde basis, af te zien van de criteria in de paragrafen 1 en 2 en een andere bevoegde autoriteit aanstellen om het toezicht op geconsolideerde basis uit te oefenen indien de toepassing van die criteria niet passend zou zijn, rekening houdend met de betrokken kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en de relatieve belangrijkheid van hun activiteiten in de betrokken lidstaten.

In dergelijke gevallen heeft de EER-moederkredietinstelling, de betrokken financiële EER-holding of gemengde financiële EER-holding, of de kredietinstelling met het hoogste balanstotaal, naargelang het geval, het recht te worden gehoord voordat de bevoegde autoriteiten de beslissing nemen.

Voor de toepassing van het eerste lid sluit de toezichthouder met de betrokken bevoegde autoriteiten overeenkomsten, in voorkomend geval overeenkomstig het bepaalde bij artikel 36/16, § 2 van de wet van 22 februari 1998.

Indien de toezichthouder met toepassing van deze paragraaf overeenkomsten heeft gesloten, brengt hij de Europese Commissie en de EBA daar onverwijld van op de hoogte.

Wanneer de toezichthouder belast wordt met het toezicht op geconsolideerde basis brengt hij de betrokken financiële holdings of gemengde financiële holdings of de kredietinstelling met het hoogste balanstotaal van de groep hiervan op de hoogte.

Deze paragraaf is niet van toepassing in de in paragraaf 1, 5° bedoelde gevallen wanneer de groep waartoe de betrokken kredietinstelling behoort, geen enkele dochterbeleggingsonderneming in de EER heeft.

Art. 171/1

Wanneer een bevoegde autoriteit van een andere lidstaat overeenkomstig artikel 111 van Richtlijn 2013/36/EU belast is met het toezicht op geconsolideerde basis op een kredietinstelling, een financiële holding of gemengde financiële holding naar Belgisch recht, kan deze autoriteit ten aanzien van deze entiteiten naar eigen goeddunken gebruikmaken van alle rechtsinstrumenten en prerogatieven waarin deze wet voorziet, met name de artikelen 212/7, 234, en 236, onder de daarin vastgestelde toepassingsvoorwaarden.

Art. 172

§ 1.Onverminderd de andere bevoegdheden en taken die hem zijn toegewezen door of krachtens deze wet en door Verordening nr. 575/2013, neemt de toezichthouder, in zijn hoedanigheid van consoliderende toezichthouder, de volgende taken op zich:

1°de coördinatie van de vergaring en verspreiding van informatie die relevant of essentieel is in het kader van zijn toezicht, in normale bedrijfsomstandigheden en in noodsituaties;

2°de planning en coördinatie, in samenwerking met de betrokken bevoegde autoriteiten, van de toezichtsactiviteiten in normale bedrijfsomstandigheden, waaronder de in deze Afdeling en Afdeling IV van dit Hoofdstuk bedoelde activiteiten, voor zover deze activiteiten, wat Afdeling IV betreft, betrekking hebben op het toezicht op geconsolideerde basis;

3°de planning en coördinatie van de toezichtsactiviteiten, in samenwerking met de betrokken bevoegde autoriteiten en zo nodig met de centrale banken van het Europees stelsel van centrale banken, bij de voorbereiding op en in noodsituaties, met inbegrip van ongunstige ontwikkelingen in kredietinstellingen en op de financiële markten, indien mogelijk met gebruikmaking van bestaande communicatiekanalen voor de facilitering van crisisbeheersing. De voornoemde planning en coördinatie omvat ook buitengewone maatregelen, gezamenlijke evaluaties, de uitvoering van rampenplannen en de communicatie met het publiek.

§ 2.Indien een betrokken bevoegde autoriteit onvoldoende samenwerkt met de toezichthouder, in zijn hoedanigheid van consoliderende toezichthouder, om de in paragraaf 1 bedoelde taken uit te voeren, mag deze laatste de zaak aan de EBA voorleggen en om haar bijstand verzoeken krachtens artikel 19 van Verordening nr. 1093/2010.

Art. 173

Indien een bevoegde autoriteit van een andere lidstaat, in haar hoedanigheid van consoliderende toezichthouder, nalaat de in artikel 112 van Richtlijn 2013/36/EU bedoelde taken uit te voeren, mag de toezichthouder de zaak aan de EBA voorleggen en om haar bijstand verzoeken krachtens artikel 19 van Verordening nr. 1093/2010.

Art. 174

§ 1.In zijn hoedanigheid van consoliderende toezichthouder stelt de toezichthouder alles in het werk om samen met de bevoegde autoriteiten van de lidstaten waar de dochterondernemingen zijn gevestigd van een Belgische moederkredietinstelling of een Belgische EER-moederkredietinstelling, van een financiële EER-moederholding of een gemengde financiële EER-moederholding die betrokken zijn bij het door hem uitgeoefende toezicht op geconsolideerde basis, en, in voorkomend geval, met de bevoegde autoriteit van de lidstaat waar een goedgekeurde of aangewezen financiële holding of gemengde financiële holding is gevestigd en die geen dochteronderneming in die lidstaat heeft, tot een gezamenlijk besluit te komen over:

1°de toepassing van de artikelen 94 en 142, om uit te maken of het geconsolideerde eigen vermogen op geconsolideerd niveau toereikend is voor haar financiële situatie en risicoprofiel en hoeveel eigen vermogen noodzakelijk is voor de toepassing van de artikelen 149, eerste lid en 150/3, voor elke entiteit binnen het geconsolideerd geheel en op geconsolideerde basis;

2°de maatregelen voor het aanpakken van belangrijke aangelegenheden en materiële bevindingen in verband met het liquiditeitstoezicht, met inbegrip van die welke verband houden met de passendheid van de organisatie en de behandeling van risico's, als vereist overeenkomstig artikel 8 van Bijlage I en met de behoefte aan instellingsspecifieke liquiditeitsvereisten overeenkomstig artikel 151 van deze wet;

3°de aanbevelingen inzake bijkomend eigen vermogen als bedoeld in artikel 150/5, § 3, tweede lid.

De bepalingen van paragraaf 1 zijn van overeenkomstige toepassing wanneer de toezichthouder aangewezen is als consoliderende toezichthouder met toepassing van artikel 171, §§ 2 en 4.

§ 2.De gezamenlijke besluiten als bedoeld in paragraaf 1 worden genomen:

1°voor de toepassing van paragraaf 1, 1°, binnen vier maanden nadat de toezichthouder in zijn hoedanigheid van consoliderende toezichthouder bij de betrokken bevoegde autoriteiten een verslag heeft ingediend met de risicobeoordeling op geconsolideerde basis, overeenkomstig de artikelen 94, 142, 149 en 150;

2°voor de toepassing van paragraaf 1, 2°,, binnen vier maanden nadat de toezichthouder in zijn hoedanigheid van consoliderende toezichthouder overeenkomstig artikel 151 en artikel 8 van Bijlage I bij de betrokken bevoegde autoriteiten een verslag heeft ingediend met de beoordeling van het liquiditeitsrisicoprofiel op geconsolideerde basis;

3°voor de toepassing van paragraaf 1, 3°, binnen vier maanden nadat de toezichthouder in zijn hoedanigheid van consoliderende toezichthouder overeenkomstig artikel 150/5 bij de betrokken bevoegde autoriteiten een verslag heeft ingediend met de beoordeling van het risicoprofiel van de groep.

In de gezamenlijke besluiten worden naar behoren de risicobeoordelingen in aanmerking genomen die de betrokken bevoegde autoriteiten overeenkomstig de artikelen 73, 97, 104bis en 104ter van Richtlijn 2013/36/EU hebben verricht met betrekking tot dochterondernemingen.

Bij verschil van mening raadpleegt de toezichthouder, in zijn hoedanigheid van consoliderende toezichthouder, op verzoek van een betrokken bevoegde autoriteit of op eigen initiatief de EBA. In dat geval houdt hij rekening met het advies van de EBA en wanneer duidelijk wordt afgeweken van dit advies, legt hij uit waarom.

De in paragraaf 1, 1° en 2°, bedoelde gezamenlijke besluiten worden op schrift gesteld met volledige opgaaf van redenen. In zijn hoedanigheid van consoliderende toezichthouder doet de toezichthouder dit document aan de EER-moederkredietinstelling, de financiële EER-moederholding of de gemengde financiële EER-moederholding toekomen

§ 3.Als de toezichthouder, in zijn hoedanigheid van consoliderende toezichthouder, en de betrokken bevoegde autoriteiten niet binnen de in paragraaf 2 bedoelde termijnen tot een gezamenlijk besluit komen, is het volgende van toepassing:

1°wat betreft het geconsolideerde niveau, wordt het besluit over de toepassing van de artikelen bedoeld in de punten 1° tot 3° van paragraaf 1 door de toezichthouder in zijn hoedanigheid van consoliderende toezichthouder genomen nadat hij de door de betrokken bevoegde autoriteiten verrichte risicobeoordeling van de dochterondernemingen naar behoren in overweging heeft genomen. Indien een van deze betrokken bevoegde autoriteiten binnen één van de in paragraaf 2 bedoelde termijnen de zaak overeenkomstig artikel 19 van Verordening nr. 1093/2010 aan de EBA heeft voorgelegd, stelt de toezichthouder, in zijn hoedanigheid van consoliderende toezichthouder, zijn besluit uit in afwachting van een eventueel door de EBA genomen besluit. Hij neemt zijn besluit in overeenstemming met het besluit van de EBA;

2°wat betreft het individueel of gesubconsolideerd niveau, formuleert de toezichthouder in zijn hoedanigheid van consoliderende toezichthouder zijn standpunten en voorbehouden alvorens de betrokken bevoegde autoriteiten die belast zijn met het toezicht op de dochterondernemingen van de EER-moederkredietinstelling, de financiële EER-moederholding of de gemengde financiële EER-moederholding hun besluit nemen over de toepassing van de artikelen bedoeld in de punten 1° tot 3° van paragraaf 1 voor die niveaus. In zijn hoedanigheid van consoliderende toezichthouder kan de toezichthouder tot aan het einde van de in paragraaf 2 bedoelde termijnen en zolang er geen gezamenlijk besluit is genomen, de zaak overeenkomstig artikel 19 van Verordening nr. 1093/2010 aan de EBA voorleggen.

In zijn hoedanigheid van consoliderende toezichthouder voegt de toezichthouder besluiten genomen op individueel of gesubconsolideerd niveau toe aan het besluit op geconsolideerd niveau en doet het volledige document toekomen aan alle betrokken bevoegde autoriteiten en aan de EER-moederkredietinstelling, de financiële EER-moederholding of de gemengde financiële EER-moederholding.

§ 4.Onverminderd artikel 176, 2°, kunnen de besluiten betreffende de toepassing van de artikelen 149, eerste lid, 150/3, 150/5 en 151 in uitzonderlijke gevallen worden geactualiseerd indien een betrokken bevoegde autoriteit die belast is met het toezicht op een dochteronderneming van een EER-moederkredietinstelling, een financiële EER-moederholding of een gemengde financiële EER-moederholding, daartoe een schriftelijk verzoek, met volledige opgaaf van redenen, richt aan de toezichthouder in zijn hoedanigheid van consoliderende toezichthouder.

De actualisering kan op bilaterale basis verricht worden tussen de toezichthouder, in zijn hoedanigheid van consoliderende toezichthouder, en de betrokken bevoegde autoriteit.

Art. 175

§ 1.Wanneer hij niet als consoliderende toezichthouder is aangewezen met toepassing van artikel 171, stelt de toezichthouder alles in het werk om samen met de consoliderende toezichthouder tot een gezamenlijk besluit te komen over de toepassingen en maatregelen bedoeld in artikel 174, § 1.

De toezichthouder maakt voor de dochteronderneming als bedoeld in het eerste lid zijn krachtens de artikelen 94 en 142 opgestelde risicobeoordeling over aan de consoliderende toezichthouder.

Bij verschil van mening kan hij de consoliderende toezichthouder verzoeken om de EBA te raadplegen. De toezichthouders houden rekening met het advies van de EBA en wanneer duidelijk wordt afgeweken van dit advies, leggen ze uit waarom.

§ 2.Bij ontstentenis van een gezamenlijk besluit als bedoeld in paragraaf 1, is het volgende van toepassing:

1°in zijn hoedanigheid als bedoeld in paragraaf 1, neemt de toezichthouder het besluit over de toepassing van de bepalingen vermeld in artikel 174, § 1 op individuele of gesubconsolideerde basis voor de dochterondernemingen waarvoor hij de bevoegde autoriteit is. Hij neemt daarbij naar behoren de door de consoliderende toezichthouder geuite standpunten en voorbehouden in overweging en stelt zijn besluit uit indien de consoliderende toezichthouder of een andere bevoegde autoriteit de zaak overeenkomstig artikel 19 van Verordening nr. 1093/2010 aan de EBA heeft voorgelegd. In dat geval neemt hij zijn besluit in overeenstemming met het besluit van de EBA.

2°In zijn hoedanigheid als bedoeld in paragraaf 1, maakt de toezichthouder aan de consoliderende toezichthouder zijn standpunten en voorbehouden over betreffende het besluit dat deze consoliderende toezichthouder zal nemen over de toepassing van de bepalingen bedoeld in artikel 174, § 1 voor het geconsolideerde niveau. De toezichthouder kan tot aan het einde van de in artikel 174, § 2 bedoelde termijnen en zolang geen gezamenlijk besluit is genomen, de zaak overeenkomstig artikel 19 van Verordening nr. 1093/2010 aan de EBA voorleggen.

§ 3.Onverminderd artikel 176, 2°, kan de toezichthouder, in zijn hoedanigheid als bedoeld in paragraaf 1, in uitzonderlijke gevallen vragen dat de besluiten over de toepassing van de artikelen 149, eerste lid, 150/3, 150/5 en 151 worden geactualiseerd. Hij richt daartoe een schriftelijk verzoek, met volledige opgaaf van redenen, aan de consoliderende toezichthouder.

De actualisering kan op bilaterale basis verricht worden tussen de toezichthouder en de consoliderende toezichthouder.

Art. 176

De gezamenlijke besluiten en de besluiten genomen bij ontstentenis van een gezamenlijk besluit, als bedoeld in de artikelen 174 en 175:

1°worden door de toezichthouder erkend als definitief en in voorkomend geval toegepast binnen België;

2°worden jaarlijks geactualiseerd.

Art. 177

Om een doeltreffend toezicht te faciliteren en tot stand te brengen, sluit de toezichthouder, in zijn hoedanigheid van consoliderende toezichthouder, met de betrokken bevoegde autoriteiten de nodige schriftelijke coördinatie- en samenwerkingsovereenkomsten. Daarin kan zijn geregeld dat de toezichthouder in zijn hoedanigheid van consoliderende toezichthouder extra taken krijgt, en kunnen de procedures voor de besluitvorming en voor de samenwerking met de betrokken bevoegde autoriteiten zijn vastgelegd.

Met name wanneer de toezichthouder, in zijn hoedanigheid van consoliderende toezichthouder, niet de bevoegde autoriteit is van de lidstaat waar een goedgekeurde of aangewezen financiële holding of gemengde financiële holding is gevestigd, worden de in het eerste lid bedoelde coördinatie- en samenwerkingsovereenkomsten gesloten met de bevoegde autoriteit van de lidstaat waar de goedgekeurde of aangewezen financiële holding of gemengde financiële holding is gevestigd.

Art. 178

§ 1.In zijn hoedanigheid van consoliderende toezichthouder richt de toezichthouder colleges van bevoegde autoriteiten op om het toezicht op geconsolideerde basis en meer in het bijzonder de uitoefening van de in de artikelen 172 tot 176 van deze wet en in artikel 114 van Richtlijn 2013/36/EU bedoelde taken te vergemakkelijken, en zorgt hij indien nodig voor een passende coördinatie en samenwerking met de bevoegde autoriteiten van derde landen.

De EBA wordt voor de toepassing van deze bepaling beschouwd als bevoegde autoriteit.

Binnen de colleges van bevoegde autoriteiten verricht de toezichthouder in zijn hoedanigheid van consoliderende toezichthouder, samen met de betrokken bevoegde autoriteiten de volgende taken:

1°zij wisselen onderling en, overeenkomstig artikel 21 van Verordening nr. 1093/2010, met de EBA informatie uit;

2°zij komen in voorkomend geval tot overeenstemming over een toewijzing van taken en overdracht van verantwoordelijkheden op basis van vrijwilligheid;

3°zij stellen op basis van een overeenkomstig artikel 97 van Richtlijn 2013/36/EU verrichte risicobeoordeling van de groep programma's voor prudentieel toezicht vast als bedoeld in artikel 99 van Richtlijn 2013/36/EU;

4°zij vergroten de efficiëntie van het toezicht door onnodige duplicatie van toezichtvereisten te vermijden, hetgeen zich onder meer kan voordoen bij de informatieverzoeken als bedoeld in artikel 114 en artikel 117, lid 3 van Richtlijn 2013/36/EU;

5°zij passen de prudentiële vereisten van Richtlijn 2013/36/EU en van Verordening nr. 575/2013 consequent toe op alle entiteiten in een groep van kredietinstellingen;

6°zij houden bij de toepassing van artikel 172, § 1, 3° van deze wet rekening met het werk van andere fora die eventueel op dit gebied zijn opgericht.

§ 1/1.Teneinde de taken bedoeld in de artikelen 172, § 1 en 177, § 1, en in artikel 36/14, § 1 van de wet van 22 februari 1998 te vergemakkelijken stelt de toezichthouder in zijn hoedanigheid van consoliderende toezichthouder colleges van bevoegde autoriteiten in wanneer de hoofdbesturen van alle dochterondernemingen van een EER-moederkredietinstelling, een financiële EER-moederholding of een gemengde financiële EER-moederholding in derde landen zijn gevestigd, op voorwaarde dat de toezichthoudende autoriteiten van de betrokken derde landen gebonden zijn aan geheimhoudingsvereisten die gelijkwaardig zijn aan de vereisten van Hoofdstuk 1, Afdeling II, van Richtlijn 2013/36/EU en, in voorkomend geval, de artikelen 76 en 81 van Richtlijn 2014/65/EU.

§ 2.De toezichthouder, in zijn hoedanigheid van consoliderende toezichthouder, en de betrokken bevoegde autoriteiten die deelnemen aan de colleges van bevoegde autoriteiten en de EBA, werken nauw samen. De oprichting en werking van colleges doen geen afbreuk aan de rechten en plichten van de bevoegde autoriteiten in het kader van Richtlijn 2013/36/EU, van Verordening nr. 575/2013 en van Richtlijn 2019/2034/EU.

§ 3.Na overleg met de betrokken bevoegde autoriteiten stelt de toezichthouder in zijn hoedanigheid van consoliderende toezichthouder in de in artikel 177 bedoelde schriftelijke overeenkomsten de regeling voor de oprichting en werking van de colleges vast.

§ 4.In zijn hoedanigheid van consoliderende toezichthouder kan de toezichthouder de volgende autoriteiten uitnodigingen tot deelname aan een door hem opgericht college:

1°de bevoegde autoriteiten die belast zijn met het toezicht op dochterondernemingen van een Belgische moederkredietinstelling of een Belgische EER-moederkredietinstelling of een financiële EER-moederholding of een gemengde financiële EER-moederholding die betrokken zijn bij het door hem uitgeoefende geconsolideerde toezicht;

2°de bevoegde autoriteiten van een lidstaat van ontvangst waar significante bijkantoren zijn gevestigd in de zin van artikel 51 van Richtlijn 2013/36/EU;

3°in voorkomend geval, centrale banken van het Europees stelsel van centrale banken;

4°de autoriteiten van derde landen, voor zover voldaan is aan de vereisten, met name inzake gelijkwaardigheid, die voortvloeien uit de beroepsgeheimregeling waarin voorzien is in Richtlijn 2013/36/EU en in Richtlijn 2019/2034/EU;

5°de bevoegde autoriteiten van de lidstaat waar een goedgekeurde of aangewezen financiële holding of gemengde financiële holding is gevestigd die betrokken is bij het door hem uitgeoefende toezicht op geconsolideerde basis.

6°de andere betrokken bevoegde autoriteiten wanneer de toezichthouder aangewezen is als consoliderende toezichthouder met toepassing van artikel 171, §§ 2 en 4.

§ 5.In zijn hoedanigheid van consoliderende toezichthouder zit de toezichthouder de vergaderingen van het college voor en beslist hij welke bevoegde autoriteiten deelnemen aan een vergadering of activiteit van het college. Hij informeert alle leden van het college vooraf volledig over het beleggen van vergaderingen, de voornaamste agendapunten en de in overweging te nemen activiteiten. Hij informeert alle leden van het college tevens tijdig over de tijdens deze vergaderingen genomen maatregelen of over de acties ondernomen ter uitvoering ervan.

§ 6.Bij zijn beslissing houdt de toezichthouder, in zijn hoedanigheid van consoliderende toezichthouder met toepassing van paragraaf 5, rekening met de relevantie van de te plannen of te coördineren toezichtsactiviteit voor die autoriteiten, en in het bijzonder met de gevolgen die deze beslissing kan hebben voor de stabiliteit van het financiële stelsel in de betrokken lidstaten, als bedoeld in artikel 134, § 2, alsook met de in artikel 160 bedoelde verplichtingen.

§ 7.In zijn hoedanigheid van consoliderende toezichthouder stelt de toezichthouder de EBA in kennis van de activiteiten van het college van bevoegde autoriteiten, met inbegrip van de activiteiten in noodsituaties, en deelt deze autoriteit alle informatie mee die voor de convergentie van het toezicht van relevant is.

§ 8.Bij verschil van mening tussen de toezichthouder, in zijn hoedanigheid van consoliderende toezichthouder, en de betrokken bevoegde autoriteiten over de werking van de colleges van bevoegde autoriteiten, mag hij de zaak aan de EBA voorleggen en om haar bijstand verzoeken overeenkomstig artikel 19 van Verordening nr. 1093/2010.

Art. 179

In zijn hoedanigheid van bevoegde autoriteit die belast is met het toezicht op dochterondernemingen naar Belgisch recht van een EER-moederkredietinstelling, een financiële EER-moederholding of een gemengde financiële EER-moederholding of in zijn hoedanigheid van bevoegde autoriteit van de lidstaat waar een Belgische financiële EER-moederholding of gemengde financiële EER-moederholding is gevestigd, neemt de toezichthouder deel aan de colleges van bevoegde autoriteiten die opgericht zijn door de consoliderende toezichthouder.

Bij verschil van mening tussen de toezichthouder, in zijn hoedanigheid bedoeld in het eerste lid, en de consoliderende toezichthouder of andere betrokken bevoegde autoriteiten, over de werking van de colleges van toezichthouders, mag hij de zaak aan de EBA voorleggen en om haar bijstand verzoeken overeenkomstig artikel 19 van Verordening nr. 1093/2010.

Art. 180

§ 1.De toezichthouder werkt voor de uitoefening van het toezicht op geconsolideerde basis nauw samen met de bevoegde autoriteiten die een vergunning hebben verleend aan de entiteiten die in het toezicht op geconsolideerde basis zijn opgenomen. Hij kan aan deze bevoegde autoriteiten vertrouwelijke informatie meedelen of vragen, wanneer ze van essentieel belang of relevant is voor de uitoefening van de toezichtstaken waarmee hij of deze bevoegde autoriteiten krachtens Richtlijn 2013/36/EU, Verordening nr. 575/2013 en Richtlijn 2014/65/EU zijn belast. Daartoe verstrekken zij elkaar op verzoek alle relevante informatie en delen elkaar uit eigen beweging alle essentiële informatie mee.

In zijn hoedanigheid van consoliderende toezichthouder verstrekt de toezichthouder aan de bevoegde autoriteiten die belast zijn met het toezicht op dochterondernemingen van een Belgische moederkredietinstelling of Belgische EER-moederkredietinstelling, een financiële EER-moederholding of een gemengde financiële EER-moederholding die betrokken zijn bij het door hem uitgeoefende geconsolideerde toezicht, en, in voorkomend geval, aan de bevoegde autoriteit van de lidstaat waar een goedgekeurde of aangewezen financiële holding of gemengde financiële holding is gevestigd, die geen dochteronderneming in die lidstaat heeft. Bij het bepalen van de hoeveelheid toe te zenden informatie wordt rekening gehouden met het belang van deze dochterondernemingen in het financiële stelsel in die lidstaten.

De bepalingen van het eerste lid zijn van overeenkomstige toepassing wanneer de toezichthouder aangewezen is als consoliderende toezichthouder met toepassing van artikel 171, §§ 2 en 4.

§ 2.De in paragraaf 1 bedoelde informatie wordt als essentieel beschouwd als die de beoordeling van de financiële soliditeit van een kredietinstelling... of een financiële instelling wezenlijk zou kunnen beïnvloeden.

Voor de toepassing van paragraaf 1 dient als essentiële informatie te worden beschouwd, informatie over:

1°de juridische structuur en de regeling voor de bedrijfsorganisatie van de groep, met inbegrip van de beleidsstructuur, overeenkomstig de artikelen 22 en 168, § 1, die gelden voor alle gereglementeerde entiteiten, niet-gereglementeerde entiteiten, niet-gereglementeerde dochterondernemingen, significante bijkantoren die tot de groep behoren en moederondernemingen, en over de autoriteiten die bevoegd zijn voor de gereglementeerde entiteiten in de groep;

2°de procedures voor de verzameling van informatie bij de entiteiten die deel uitmaken van het geconsolideerd geheel, alsmede voor de toetsing van deze informatie;

3°ongunstige ontwikkelingen bij entiteiten die deel uitmaken van het geconsolideerd geheel, die ernstige nadelige gevolgen kunnen hebben voor de kredietinstellingen... in de groep;

4°belangrijke sancties en buitengewone maatregelen die de bevoegde autoriteiten in overeenstemming met Richtlijn 2013/36/EU hebben getroffen, met inbegrip van het opleggen van een specifiek eigenvermogensvereiste of van restricties aan de toepassing van de geavanceerde meetbenadering voor de berekening van de eigenvermogensvereisten krachtens artikel 312, lid 2, van Verordening nr. 575/2013.

§ 3.Voor de toepassing van dit artikel treedt de toezichthouder in zijn hoedanigheid van bevoegde autoriteit die belast is met het toezicht op dochterondernemingen naar Belgisch recht van een EER-moederkredietinstelling, een financiële EER-moederholding of een gemengde financiële EER-moederholding, of in zijn hoedanigheid van bevoegde autoriteit van de lidstaat waar een goedgekeurde of aangewezen financiële holding of gemengde financiële holding naar Belgisch recht is gevestigd, waar mogelijk in contact met de consoliderende toezichthouder als hij informatie nodig heeft over de toepassing van benaderingen en methodieken als beschreven in Richtlijn 2013/36/EU en in Verordening nr. 575/2013, en deze informatie eventueel al beschikbaar is voor de consoliderende toezichthouder.

§ 4.De toezichthouder kan de volgende situaties aan de EBA voorleggen:

1°een bevoegde autoriteit heeft essentiële informatie niet verstrekt;

2°een verzoek om samenwerking, met name om uitwisseling van relevante informatie, is afgewezen of niet binnen een redelijke termijn gehonoreerd.

Art. 181

De toezichthouder raadpleegt de andere bevoegde autoriteiten die betrokken zijn bij het toezicht op geconsolideerde basis, alvorens een beslissing te nemen over:

1°wijzigingen in de aandeelhoudersstructuur of de organisatie- of bestuursstructuur van kredietinstellingen in een groep, die overeenkomstig de bepalingen van Richtlijn 2013/36/EU een goedkeuring of machtiging door de bevoegde autoriteiten vereisen;

2°belangrijke sancties en buitengewone maatregelen die de bevoegde autoriteiten in overeenstemming met Richtlijn 2013/36/EU hebben getroffen, met inbegrip van het opleggen van een specifiek eigenvermogensvereiste of van restricties aan de toepassing van de geavanceerde meetbenadering voor de berekening van de eigenvermogensvereisten krachtens artikel 312, lid 2 van Verordening nr. 575/2013.

De toezichthouder mag evenwel besluiten andere bevoegde autoriteiten niet te raadplegen in noodsituaties of als zijn besluiten daardoor hun doel kunnen missen. In dergelijke gevallen brengt hij de andere bevoegde autoriteiten daarvan onverwijld op de hoogte na het nemen van zijn besluit.

In afwijking van het tweede lid moet de toezichthouder in zijn hoedanigheid van bevoegde autoriteit die belast is met het toezicht op dochterondernemingen naar Belgisch recht van een EER-moederkredietinstelling, een financiële EER-moederholding of een gemengde financiële EER-moederholding, of in zijn hoedanigheid van bevoegde autoriteit van de lidstaat waar een goedgekeurde of aangewezen financiële holding of gemengde financiële holding naar Belgisch recht is gevestigd, steeds de consoliderende toezichthouder raadplegen als hij een beslissing als bedoeld in het eerste lid, 2°, overweegt te nemen.

Art. 181/1

De bevoegde autoriteiten, de financiële-inlichtingeneenheden en de autoriteiten waaraan het toezicht op de meldingsplichtige entiteiten als vermeld in de punten 1) en 2) van artikel 2, lid 1, van Richtlijn 2015/849/EU is opgedragen met het oog op de naleving van die richtlijn, werken nauw met elkaar samen binnen hun respectieve bevoegdheden en verstrekken elkaar de informatie die relevant is voor hun respectieve taken krachtens Richtlijn 2013/36/EU, Verordening nr. 575/2013 en Richtlijn 2015/849/EU, op voorwaarde dat die samenwerking en informatie-uitwisseling geen inbreuk maken op een lopend onderzoek of een lopende procedure in overeenstemming met het strafrecht of bestuursrecht van de lidstaat waar de bevoegde autoriteit, de financiële-inlichtingeneenheid of de autoriteit waaraan het toezicht op de meldingsplichtige entiteiten als vermeld in de punten 1) en 2) van artikel 2, lid 1, van Richtlijn 2015/849/EU is opgedragen, is gevestigd.

Art. 182

§ 1.Indien een kredietinstelling,... een financiële holding, een gemengde financiële holding of een gemengde holding naar Belgisch recht moederonderneming is van één of meer ondernemingen die verzekeringsondernemingen zijn of van andere ondernemingen die beleggingsdiensten verrichten waarvoor een vergunningstelsel geldt, werkt de toezichthouder nauw samen met de autoriteiten die van overheidswege belast zijn met het toezicht op de verzekeringsondernemingen of andere ondernemingen die beleggingsdiensten verrichten. Onverminderd hun respectieve bevoegdheden kan de toezichthouder alle inlichtingen vragen of verstrekken aan deze autoriteiten waardoor de vervulling van hun respectieve taken kan worden vergemakkelijkt en toezicht op de activiteit en de financiële positie van alle aan hun toezicht onderworpen ondernemingen kan worden uitgeoefend.

§ 2.Wanneer de toezichthouder in zijn hoedanigheid van consoliderende toezichthouder van een groep met een gemengde financiële moederholding op grond van artikel 171 verschillend is van de overeenkomstig artikel 10 van Richtlijn 2002/87/EG aangewezen coördinator, werken de toezichthouder in zijn hoedanigheid van consoliderende toezichthouder en de coördinator samen voor de toepassing van deze wet en Verordening nr. 575/2013 op geconsolideerde basis. Om een doeltreffende samenwerking mogelijk te maken, sluit de toezichthouder, in zijn hoedanigheid van consoliderende toezichthouder, met de coördinator schriftelijke coördinatie- en samenwerkingsovereenkomsten.

Art. 183

§ 1.Indien een gemengde holding één of meer dochterondernemingen heeft die kredietinstellingen naar Belgisch recht zijn, kan de toezichthouder de gegevens en inlichtingen vragen die hij dienstig acht voor zijn toezicht op vennootschappelijke en geconsolideerde basis op deze kredietinstellingen, hetzij rechtstreeks van de gemengde holding, hetzij door toedoen van de genoemde dochterondernemingen. In dit laatste geval blijft de gemengde holding samen met de rapporterende kredietinstelling verantwoordelijk voor de juistheid en stipte mededeling van de verstrekte informatie.

Indien de in het eerste lid bedoelde gemengde holding een onderneming naar Belgisch recht is, beschikt deze over een passende administratieve en boekhoudkundige organisatie en interne controle, teneinde de juistheid en conformiteit met de geldende regels te waarborgen van de te verstrekken gegevens en inlichtingen.

§ 2.De toezichthouder kan de met toepassing van paragraaf 1 verstrekte gegevens en inlichtingen ter plaatse controleren.

Indien de gemengde holding of een van haar dochterondernemingen in een andere lidstaat is gevestigd dan België, geschiedt de controle ter plaatse van de informatie in overeenstemming met de procedure die vervat is in artikel 214. Indien die gemengde holding of een van de dochterondernemingen daarvan een verzekeringsonderneming is, kan ook de procedure van artikel 182 worden gevolgd.

Wanneer de gemengde holding of een van haar dochterondernemingen hun zetel buiten de Europese Economische Ruimte hebben, worden de modaliteiten voor de uitvoering van het bepaalde bij paragraaf 1 vastgelegd in overeenkomsten tussen de toezichthouder en de betrokken buitenlandse bevoegde autoriteiten, in voorkomend geval overeenkomstig artikel 36/16, § 2 van de wet van 22 februari 1998.

§ 3.De toezichthouder kan de met toepassing van paragraaf 1 verstrekte gegevens en inlichtingen laten verifiëren op hun juistheid en volledigheid:

1°wanneer de rapporterende onderneming een vennootschap naar Belgisch recht is, door de erkende commissaris van deze onderneming;

2°wanneer de rapporterende onderneming haar zetel buiten België heeft, door de erkende commissaris van de kredietinstelling naar Belgisch recht die een dochteronderneming van de gemengde holding is.

Wat de gegevens en inlichtingen betreft die uitgaan van gemengde holdings en hun dochterondernemingen, is voor de erkende commissarissen het recht bedoeld in artikel 211 op overeenkomstige wijze van toepassing.

§ 4.De in paragraaf 1 bedoelde gegevens en inlichtingen moeten de toezichthouder inzonderheid in staat stellen de volgende aspecten te beoordelen: de soliditeit van de kredietinstellingen naar Belgisch recht, de invloed van de gemengde holding op het beleid van deze kredietinstellingen, en de transacties tussen de kredietinstellingen met de gemengde holding en haar dochterondernemingen, onverminderd het bepaalde in Deel 4 van Verordening nr. 575/2013.

§ 5.De in paragraaf 1 bedoelde kredietinstellingen beschikken over passende risicobeheerprocessen en internecontrolemechanismen, met inbegrip van gedegen rapporterings- en boekhoudkundige systemen, met het oog op een passende herkenning, meting, bewaking en controle van transacties met hun gemengde moederholding en haar dochterondernemingen. Zij moeten tevens, naast de transacties bedoeld in artikel 394 van Verordening nr. 575/2013, alle andere belangrijke transacties met deze entiteiten rapporteren. Deze procedures en belangrijke transacties worden door de toezichthouder gecontroleerd.

§ 6.Indien de aard en de omvang van de in paragraaf 5 bedoelde transacties een bedreiging vormen voor de financiële positie van de betrokken kredietinstelling naar Belgisch recht, neemt de toezichthouder passende maatregelen. Hij past daarbij de beginselen onderliggend aan de artikelen 205 tot 207 omtrent de verenigbaarheid met het algemeen geldende vennootschapsrecht op overeenkomstige wijze toe. Onverminderd eventuele andere maatregelen kan hij eisen dat deze verrichtingen worden stopgezet.

Art. 183/1

Een kredietinstelling naar Belgisch recht die een consortium vormt met een of meer andere ondernemingen, valt onder een toezicht op geconsolideerde basis dat geldt voor alle ondernemingen van het consortium en hun dochterondernemingen. De bepalingen die gelden voor de kredietinstellingen als bedoeld in artikel 165, § 1, 2°, zijn van toepassing.

Art. 184

De bepalingen op het vlak van samenwerking en informatie-uitwisseling tussen de bevoegde autoriteiten van de verschillende lidstaten voor de toepassing van het toezicht op geconsolideerde basis op basis van deze wet en van Verordening nr. 575/2013 zijn niet van toepassing wanneer de Europese Centrale Bank krachtens de GTM-verordening de enige betrokken bevoegde autoriteit is.