§ 1.In zijn hoedanigheid van consoliderende toezichthouder richt de toezichthouder colleges van bevoegde autoriteiten op om het toezicht op geconsolideerde basis en meer in het bijzonder de uitoefening van de in de artikelen 172 tot 176 van deze wet en in artikel 114 van Richtlijn 2013/36/EU bedoelde taken te vergemakkelijken, en zorgt hij indien nodig voor een passende coördinatie en samenwerking met de bevoegde autoriteiten van derde landen.
De EBA wordt voor de toepassing van deze bepaling beschouwd als bevoegde autoriteit.
Binnen de colleges van bevoegde autoriteiten verricht de toezichthouder in zijn hoedanigheid van consoliderende toezichthouder, samen met de betrokken bevoegde autoriteiten de volgende taken:
1°zij wisselen onderling en, overeenkomstig artikel 21 van Verordening nr. 1093/2010, met de EBA informatie uit;
2°zij komen in voorkomend geval tot overeenstemming over een toewijzing van taken en overdracht van verantwoordelijkheden op basis van vrijwilligheid;
3°zij stellen op basis van een overeenkomstig artikel 97 van Richtlijn 2013/36/EU verrichte risicobeoordeling van de groep programma's voor prudentieel toezicht vast als bedoeld in artikel 99 van Richtlijn 2013/36/EU;
4°zij vergroten de efficiëntie van het toezicht door onnodige duplicatie van toezichtvereisten te vermijden, hetgeen zich onder meer kan voordoen bij de informatieverzoeken als bedoeld in artikel 114 en artikel 117, lid 3 van Richtlijn 2013/36/EU;
5°zij passen de prudentiële vereisten van Richtlijn 2013/36/EU en van Verordening nr. 575/2013 consequent toe op alle entiteiten in een groep van kredietinstellingen;
6°zij houden bij de toepassing van artikel 172, § 1, 3° van deze wet rekening met het werk van andere fora die eventueel op dit gebied zijn opgericht.
§ 1/1.Teneinde de taken bedoeld in de artikelen 172, § 1 en 177, § 1, en in artikel 36/14, § 1 van de wet van 22 februari 1998 te vergemakkelijken stelt de toezichthouder in zijn hoedanigheid van consoliderende toezichthouder colleges van bevoegde autoriteiten in wanneer de hoofdbesturen van alle dochterondernemingen van een EER-moederkredietinstelling, een financiële EER-moederholding of een gemengde financiële EER-moederholding in derde landen zijn gevestigd, op voorwaarde dat de toezichthoudende autoriteiten van de betrokken derde landen gebonden zijn aan geheimhoudingsvereisten die gelijkwaardig zijn aan de vereisten van Hoofdstuk 1, Afdeling II, van Richtlijn 2013/36/EU en, in voorkomend geval, de artikelen 76 en 81 van Richtlijn 2014/65/EU.
§ 2.De toezichthouder, in zijn hoedanigheid van consoliderende toezichthouder, en de betrokken bevoegde autoriteiten die deelnemen aan de colleges van bevoegde autoriteiten en de EBA, werken nauw samen. De oprichting en werking van colleges doen geen afbreuk aan de rechten en plichten van de bevoegde autoriteiten in het kader van Richtlijn 2013/36/EU, van Verordening nr. 575/2013 en van Richtlijn 2019/2034/EU.
§ 3.Na overleg met de betrokken bevoegde autoriteiten stelt de toezichthouder in zijn hoedanigheid van consoliderende toezichthouder in de in artikel 177 bedoelde schriftelijke overeenkomsten de regeling voor de oprichting en werking van de colleges vast.
§ 4.In zijn hoedanigheid van consoliderende toezichthouder kan de toezichthouder de volgende autoriteiten uitnodigingen tot deelname aan een door hem opgericht college:
1°de bevoegde autoriteiten die belast zijn met het toezicht op dochterondernemingen van een Belgische moederkredietinstelling of een Belgische EER-moederkredietinstelling of een financiële EER-moederholding of een gemengde financiële EER-moederholding die betrokken zijn bij het door hem uitgeoefende geconsolideerde toezicht;
2°de bevoegde autoriteiten van een lidstaat van ontvangst waar significante bijkantoren zijn gevestigd in de zin van artikel 51 van Richtlijn 2013/36/EU;
3°in voorkomend geval, centrale banken van het Europees stelsel van centrale banken;
4°de autoriteiten van derde landen, voor zover voldaan is aan de vereisten, met name inzake gelijkwaardigheid, die voortvloeien uit de beroepsgeheimregeling waarin voorzien is in Richtlijn 2013/36/EU en in Richtlijn 2019/2034/EU;
5°de bevoegde autoriteiten van de lidstaat waar een goedgekeurde of aangewezen financiële holding of gemengde financiële holding is gevestigd die betrokken is bij het door hem uitgeoefende toezicht op geconsolideerde basis.
6°de andere betrokken bevoegde autoriteiten wanneer de toezichthouder aangewezen is als consoliderende toezichthouder met toepassing van artikel 171, §§ 2 en 4.
§ 5.In zijn hoedanigheid van consoliderende toezichthouder zit de toezichthouder de vergaderingen van het college voor en beslist hij welke bevoegde autoriteiten deelnemen aan een vergadering of activiteit van het college. Hij informeert alle leden van het college vooraf volledig over het beleggen van vergaderingen, de voornaamste agendapunten en de in overweging te nemen activiteiten. Hij informeert alle leden van het college tevens tijdig over de tijdens deze vergaderingen genomen maatregelen of over de acties ondernomen ter uitvoering ervan.
§ 6.Bij zijn beslissing houdt de toezichthouder, in zijn hoedanigheid van consoliderende toezichthouder met toepassing van paragraaf 5, rekening met de relevantie van de te plannen of te coördineren toezichtsactiviteit voor die autoriteiten, en in het bijzonder met de gevolgen die deze beslissing kan hebben voor de stabiliteit van het financiële stelsel in de betrokken lidstaten, als bedoeld in artikel 134, § 2, alsook met de in artikel 160 bedoelde verplichtingen.
§ 7.In zijn hoedanigheid van consoliderende toezichthouder stelt de toezichthouder de EBA in kennis van de activiteiten van het college van bevoegde autoriteiten, met inbegrip van de activiteiten in noodsituaties, en deelt deze autoriteit alle informatie mee die voor de convergentie van het toezicht van relevant is.
§ 8.Bij verschil van mening tussen de toezichthouder, in zijn hoedanigheid van consoliderende toezichthouder, en de betrokken bevoegde autoriteiten over de werking van de colleges van bevoegde autoriteiten, mag hij de zaak aan de EBA voorleggen en om haar bijstand verzoeken overeenkomstig artikel 19 van Verordening nr. 1093/2010.