Alle wetboeken › Bankwet

BOEK XI - HERSTEL EN AFWIKKELING VAN GROEPEN

TITEL III - Groepsherstelplannen

425–438

Art. 425

§ 1.Elke Belgische EER-moederonderneming stelt een groepsherstelplan op voor de gehele Belgische groep die zij leidt, en deelt dit mee aan de toezichthouder, in zijn hoedanigheid van consoliderende toezichthouder.

Het groepsherstelplan is gericht op de stabilisatie van de groep als geheel of van elke kredietinstelling van de groep als deze in een moeilijke financiële situatie verkeert, en heeft als doel de oorzaken van de moeilijkheden aan te pakken of weg te nemen en de financiële positie van de groep of de kredietinstelling te herstellen, waarbij ook de financiële positie van andere groepsentiteiten in aanmerking wordt genomen.

§ 2.Het groepsherstelplan bevat:

1°de maatregelen die, in het licht van de doelstellingen bedoeld in paragraaf 1, moeten worden genomen op het niveau van de Belgische EER-moederonderneming, van de dochterondernemingen, van de groepsentiteiten bedoeld in artikel 424, 2° en 3° en, indien van toepassing, van de significante bijkantoren;

2°regelingen met het oog op het waarborgen van de coördinatie en consistentie van die maatregelen;

3°in voorkomend geval, regelingen voor het verlenen van financiële steun binnen de groep, die zijn aangenomen op grond van een overeenkomst in die zin.

§ 3.Groepsherstelplannen stellen voor elk van de scenario's vast of er belemmeringen zijn voor de tenuitvoerlegging van de herstelmaatregelen binnen de groep, ook op het niveau van iedere groepsentiteit die onder het plan valt, en of er wezenlijke praktische of juridische belemmeringen zijn voor de snelle overdracht van eigen vermogen of voor het terugbetalen van activa of passiva binnen de groep.

Art. 426

§ 1.Ieder groepsherstelplan bevat een raamwerk van kwalitatieve en kwantitatieve indicatoren van een potentiële verslechtering van de financiële positie van de in het plan opgenomen kredietinstellingen, met aanduiding van de momenten waarop iedere kredietinstelling onderzoekt of in het plan opgenomen corrigerende maatregelen ten uitvoer moeten worden gelegd.

Te dien einde bepaalt het herstelplan passende procedures voor de periodieke monitoring van de in het eerste lid bedoelde indicatoren alsook voor het onderzoek van de in overweging te nemen corrigerende maatregelen, met inbegrip van de eventueel te volgen escalatieprocedure.

§ 2.Voor Belgische kredietinstellingen die opgenomen zijn in een groepsherstelplan, omvatten de in paragraaf 1 bedoelde indicatoren een progressieve schaal van drempelwaarden voor de proportie van bezwaarde activa van de kredietinstelling, die door de toezichthouder wordt vastgesteld overeenkomstig artikel 110, § 2, tweede lid. Het groepsherstelplan vermeldt de corrigerende maatregelen die moeten worden overwogen bij overschrijding van elk van de drempels.

§ 3.De Belgische kredietinstelling die opgenomen wordt in een groepsherstelplan en de Belgische EER-moederonderneming kunnen, wanneer hun wettelijk bestuursorgaan zulks in het licht van de omstandigheden aangewezen acht:

1°maatregelen nemen in het kader van het groepsherstelplan ook als de betrokken indicator niet is gehaald;

2°geen maatregelen nemen in het kader van het groepsherstelplan ook als de betrokken indicator wel is gehaald.

De kredietinstelling of de Belgische EER-moederonderneming stellen de toezichthouder onverwijld in kennis van elke beslissing om een maatregel te nemen in het kader van de uitvoering van het groepsherstelplan, en van elke beslissing om dit niet te doen ondanks het feit dat de betrokken indicator is gehaald.

§ 4.Onverminderd de andere bevoegdheden die deze wet hem toekent, kan de toezichthouder de Belgische kredietinstelling die opgenomen wordt in een groepsherstelplan opdragen om een of meer in het groepsherstelplan opgenomen corrigerende maatregelen te nemen indien de instelling nalaat om uit eigen initiatief passende maatregelen te nemen.

Art. 427

De Belgische EER-moeder-onderneming actualiseert het groepsherstelplan bedoeld in artikel 425 ten minste eenmaal per jaar en in ieder geval na elke wijziging in de juridische of organisatiestructuur, de werkzaamheden of de financiële positie van de groep of de groepsentiteiten, die een significante invloed kan hebben op het plan of wijziging ervan vergt.

In zijn hoedanigheid van consoliderende toezichthouder kan de toezichthouder van de Belgische EER-moederonderneming eisen dat zij haar groepsherstelplan vaker actualiseert.

Art. 428

Bij reglement vastgesteld met toepassing van artikel 12bis, § 2 van de wet van 22 februari 1998 kan de Bank de nadere regels bepalen inzake:

1°de minimuminhoud van het groepsherstelplan;

2°de informatie die door de kredietinstelling, de Belgische EER-moederonderneming of de groepsentiteiten aan de toezichthouder of aan een andere bevoegde autoriteit, in voorkomend geval in zijn hoedanigheid van consoliderende toezichthouder, moet worden meegedeeld, en de frequentie waarmee dit dient te gebeuren.

Art. 429

§ 1.De toezichthouder kan een Belgische EER-moederonderneming of een groepsentiteit toestaan af te wijken van de verplichtingen van dit Hoofdstuk inzake de inhoud van het groepsherstelplan, de frequentie van actualisering van het plan of de informatieverstrekking door de kredietinstelling of de kredietinstellingen van de groep alsmede van de termijn bepaald in artikel 114, § 2, of in artikel 416, voor zover een dergelijke afwijking verantwoord is in het licht van de impact die het in gebreke blijven en de vereffening van de betrokken kredietinstelling of de kredietinstellingen van de groep in het kader van een vereffeningsprocedure kunnen hebben op de financiële markten, op andere kredietinstellingen, op de financieringsvoorwaarden en op de economie in het algemeen.

Hierbij houdt de toezichthouder in het bijzonder rekening met de aard van de werkzaamheden van de betrokken kredietinstelling, haar aandeelhoudersstructuur, rechtsvorm, risicoprofiel, omvang en juridisch statuut, verwevenheid met andere kredietinstellingen of het financiële stelsel in het algemeen, de perimeter en complexiteit van haar werkzaamheden en de eventuele uitoefening van beleggingsdiensten- of activiteiten.

De toezichthouder kan een afwijking toegekend met toepassing van het eerste lid te allen tijde weer intrekken. Hij beoordeelt de noodzaak en de opportuniteit van het behoud van de toegekende afwijkingen ten minste eenmaal per jaar en na een wijziging in de juridische of organisatiestructuur, de werkzaamheden of de financiële positie van de betrokken kredietinstelling.

§ 2.De met toepassing van paragraaf 1 toegekende afwijkingen mogen in geen geval betrekking hebben op de verplichtingen inzake de progressieve schaal van drempelwaarden voor de proportie van bezwaarde activa, als bedoeld in artikel 110, § 2, tweede en derde lid.

§ 3.De toezichthouder stelt de EBA in kennis van de wijze waarop hij de bepalingen van dit artikel heeft toegepast.

Art. 430

§ 1.Het wettelijk bestuursorgaan van de Belgische EER-moederonderneming die het groepsherstelplan opstelt overeenkomstig artikel 425, keurt het groepsherstelplan goed alvorens het aan de toezichthouder, in zijn hoedanigheid van consoliderende toezichthouder, voor te leggen.

§ 2.De Belgische EER-moederonderneming legt haar eerste groepsherstelplan aan de toezichthouder, in zijn hoedanigheid van consoliderende toezichthouder, voor binnen zes maanden vanaf het ogenblik waarop een Belgische groep tot stand is gekomen.

Onder voorbehoud van wat in het derde lid is bepaald, legt de Belgische EER-moederonderneming aan de toezichthouder een geactualiseerd plan voor binnen twee maanden volgend op het feit dat aanleiding heeft gegeven tot het ontstaan van de verplichting tot actualisering van het plan, met dien verstande dat de toezichthouder deze termijn kan verlengen tot maximum zes maanden.

Indien het feit dat aanleiding heeft gegeven tot de verplichting tot actualisering van het plan, een wijziging is in de financiële positie van de moederonderneming of van een groepsentiteit die het plan aanmerkelijk kan beïnvloeden, stelt de moederonderneming de toezichthouder hiervan onverwijld in kennis en legt zij een geactualiseerd plan voor binnen de termijn die haar door de toezichthouder wordt meegedeeld.

§ 3.In zijn hoedanigheid van consoliderende toezichthouder bezorgt de toezichthouder het groepsherstelplan en elk geactualiseerd groepsherstelplan aan:

1°de autoriteiten die deelnemen aan de in artikel 178 bedoelde colleges van bevoegde autoriteiten;

2°de afwikkelingsautoriteit, in haar hoedanigheid van afwikkelingsautoriteit op groepsniveau;

3°de afwikkelingsautoriteiten van de dochterondernemingen;

4°de bevoegde autoriteiten van de lidstaten waar significante bijkantoren zijn gevestigd, voor zover dit relevant is voor het betrokken bijkantoor.

Deze autoriteiten kunnen binnen dertig dagen na ontvangst van het groepsherstelplan aanbevelingen richten aan de toezichthouder over de maatregelen bepaald in het plan die de afwikkelbaarheid van de groepsentiteiten negatief kunnen beïnvloeden.

Art. 431

Zo snel mogelijk na ontvangst van het groepsherstelplan onderzoekt de toezichthouder, in zijn hoedanigheid van consoliderende toezichthouder, samen met de bevoegde autoriteiten van de dochterondernemingen, in voorkomend geval na raadpleging van de bevoegde autoriteiten van significante bijkantoren, het groepsherstelplan. De beoordeling heeft minstens betrekking op de elementen bedoeld in artikel 432 tot artikel 434.

Art. 432

De toezichthouder, in zijn hoedanigheid van consoliderende toezichthouder, en de bevoegde autoriteiten van de dochterondernemingen, beoordelen of het groepsherstelplan voldoet aan de vereisten bepaald in Hoofdstuk I.

Hierbij evalueren zij in het bijzonder of het groepsherstelplan toelaat redelijkerwijze te verwachten dat:

1°de uitvoering van de in het plan opgenomen maatregelen van aard is om de levensvatbaarheid en de financiële positie van de kredietinstellingen of de groep in stand te houden of te herstellen, rekening houdend met de voorbereidende maatregelen die de kredietinstellingen of de Belgische EER-moederonderneming hebben getroffen of voornemens zijn te treffen;

2°het plan en de verschillende opties die daarin zijn opgenomen, snel en doeltreffend kunnen worden uitgevoerd in situaties van financiële stress, waarbij in de mate van het mogelijke significante negatieve gevolgen voor het financiële stelsel worden vermeden, mede in scenario's van gelijktijdige uitvoering van herstelplannen van andere kredietinstellingen.

Bij deze evaluatie wordt bijzondere aandacht besteed aan de toereikendheid van de kapitaal- en financieringsstructuur van de kredietinstellingen, van de groep en van de groepsentiteiten in verhouding tot de graad van complexiteit van hun organisatiestructuur en tot hun risicoprofiel.

Art. 433

De toezichthouder, in zijn hoedanigheid van consoliderende toezichthouder, en de bevoegde autoriteiten van de dochterondernemingen, beoordelen of de kredietinstellingen die deel uitmaken van de groep een herstelplan op individuele basis moeten opstellen.

Art. 434

§ 1.Indien de toezichthouder, in zijn hoedanigheid van consoliderende toezichthouder, en de bevoegde autoriteiten van de dochterondernemingen oordelen dat het groepsherstelplan wezenlijke tekortkomingen vertoont of dat er significante belemmeringen zijn voor de tenuitvoerlegging ervan, stelt de toezichthouder, in zijn hoedanigheid van consoliderende toezichthouder, de Belgische EER-moederonderneming daarvan in kennis en, nadat zij haar de gelegenheid hebben gegeven om haar standpunt te formuleren, nodigt hij haar uit om binnen twee maanden een herzien plan in te dienen waarin de tekortkomingen of belemmeringen zijn verholpen. De toezichthouder, in zijn hoedanigheid van consoliderende toezichthouder, en de bevoegde autoriteiten kunnen voornoemde termijn met maximum één maand verlengen.

§ 2.Indien de toezichthouder, in zijn hoedanigheid van consoliderende toezichthouder, en de bevoegde autoriteiten van de dochterondernemingen oordelen dat de door hen geïdentificeerde tekortkomingen of belemmeringen niet naar behoren zijn verholpen in het overeenkomstig paragraaf 1 herziene plan, kan de toezichthouder, in zijn hoedanigheid van consoliderende toezichthouder, de Belgische EER-moederonderneming gelasten om binnen dertig dagen vanaf de kennisgeving van deze bevinding aan deze moederonderneming, specifieke wijzigingen in het groepsherstelplan aan te brengen.

§ 3.Indien de Belgische EER-moederonderneming binnen de gestelde termijn geen gevolg geeft aan de uitnodiging bedoeld in paragraaf 1, of indien de toezichthouder, in zijn hoedanigheid van consoliderende toezichthouder, en de bevoegde autoriteiten van de dochterondernemingen oordelen dat het herziene groepsherstelplan dat werd ingediend overeenkomstig paragraaf 1 de door hen geïdentificeerde tekortkomingen of belemmeringen niet verhelpt en het onmogelijk is om deze naar behoren te verhelpen middels een aanmaning overeenkomstig paragraaf 2, stelt de toezichthouder, in zijn hoedanigheid van consoliderende toezichthouder, de Belgische EER-moederonderneming daarvan in kennis en vereist hij dat zij binnen dertig dagen bepaalt welke wijzigingen in de werkzaamheden van de groep kunnen aangebracht worden om deze tekortkomingen of belemmeringen te verhelpen.

§ 4.Indien de toezichthouder, in zijn hoedanigheid van consoliderende toezichthouder, en de bevoegde autoriteiten van de dochterondernemingen oordelen dat de wijzigingen voorgesteld door de Belgische EER-moederonderneming met toepassing van paragraaf 1, de door hen geïdentificeerde tekortkomingen of belemmeringen niet verhelpen, kunnen de consoliderende toezichthouder en de bevoegde autoriteiten van de dochterondernemingen, onverminderd andere maatregelen bepaald door of krachtens deze wet, de groepsentiteiten waarvoor zij bevoegd zijn gelasten elke maatregel te treffen die zij noodzakelijk en evenredig achten om een einde te maken aan deze tekortkomingen of belemmeringen.

De toezichthouder kan de Belgische EER-moederonderneming of de Belgische kredietinstellingen die deel uitmaken van de groep, inzonderheid gelasten de maatregelen te treffen bedoeld in artikel 116, § 2, tweede lid.

Art. 435

§ 1.De toezichthouder, in zijn hoedanigheid van consoliderende toezichthouder, en de bevoegde autoriteiten van de dochterondernemingen streven ernaar om binnen vier maanden na de in artikel 430, § 3, bedoelde mededeling van het groepsherstelplan tot een gezamenlijk besluit te komen over het bepaalde in de artikelen 432 tot 434.

De toezichthouder kan de EBA overeenkomstig artikel 31 van Verordening nr. 1093/2010 verzoeken om bijstand bij het bereiken van een gezamenlijk besluit.

§ 2.Indien de bevoegde autoriteiten er niet in slagen binnen de termijn bedoeld in paragraaf 1 een gezamenlijk besluit te nemen over de evaluatie en beoordeling van het groepsherstelplan krachtens artikel 432 of over de toepassing van de maatregelen die de Belgische EER-moederonderneming krachtens artikel 434 dient te nemen, is het volgende van toepassing:

1°de toezichthouder, in zijn hoedanigheid van consoliderende toezichthouder, neemt zelf een beslissing met inachtneming van de standpunten en voorbehouden die door de andere bevoegde autoriteiten kenbaar zijn gemaakt, en stelt de Belgische EER-moederonderneming en de andere bevoegde autoriteiten schriftelijk in kennis van die beslissing;

2°indien een van de bevoegde autoriteiten binnen de termijn bedoeld in paragraaf 1 een zaak als vermeld in artikel 437 overeenkomstig artikel 19 van Verordening nr. 1093/2010 aan de EBA heeft voorgelegd, stelt de toezichthouder, in zijn hoedanigheid van consoliderende toezichthouder, zijn besluit uit en wacht hij een eventueel door de EBA overeenkomstig artikel 19, lid 3, van die verordening genomen besluit af. Hij neemt zijn besluit in overeenstemming met het besluit van de EBA. De zaak wordt niet meer aan de EBA voorgelegd na het einde van de termijn bedoeld in paragraaf 1 of nadat een gezamenlijk besluit is genomen. Indien de EBA er niet in slaagt binnen één maand een besluit te nemen, is het besluit van de toezichthouder, in zijn hoedanigheid van consoliderende toezichthouder, van toepassing.

§ 3.Indien de toezichthouder er niet in slaagt om samen met andere bevoegde autoriteiten binnen de termijn bedoeld in paragraaf 1 een gezamenlijk besluit te nemen over het bepaalde in artikel 433, of over de toepassing van de in artikel 434 bedoelde maatregelen op het niveau van de Belgische dochterondernemingen, is het volgende van toepassing:

1°de toezichthouder neemt zelf een besluit ten aanzien van de Belgische dochteronder-nemingen van de groep;

2°indien een van de andere bevoegde autoriteiten binnen de termijn bedoeld in paragraaf 1 een zaak als vermeld in artikel 437 overeenkomstig artikel 19 van Verordening nr. 1093/2010 aan de EBA heeft voorgelegd, stelt de toezichthouder zijn besluit uit en wacht hij een eventueel door de EBA overeenkomstig artikel 19, lid 3, van die verordening genomen besluit af. De toezichthouder neemt zijn besluit in overeenstemming met het besluit van de EBA. De zaak wordt niet meer aan de EBA voorgelegd na het einde van de termijn bedoeld in paragraaf 1 of nadat een gezamenlijk besluit is genomen. Indien de EBA er niet in slaagt binnen één maand een besluit te nemen, is het besluit van de toezichthouder van toepassing.

§ 4.De andere bevoegde autoriteiten die het niet oneens zijn uit hoofde van paragraaf 3 kunnen een gezamenlijk besluit bereiken over een groepsherstelplan dat de entiteiten in hun rechtsgebieden bestrijkt.

Art. 436

§ 1.In zijn hoedanigheid van bevoegde autoriteit voor het toezicht op een Belgische kredietinstelling die een dochteronderneming is van een EER-moederonderneming in een andere lidstaat, stelt de toezichthouder alles in het werk om tot een gezamenlijk besluit te komen zoals bedoeld in artikel 8, lid 2 van Richtlijn 2014/59/EU.

De toezichthouder kan de EBA krachtens artikel 31, onder c) van Verordening nr. 1093/2010 verzoeken om bijstand bij het bereiken van een gezamenlijk besluit.

§ 2.Bij ontstentenis van een gezamenlijk besluit als bedoeld in paragraaf 1 over de aangelegenheden bedoeld in artikel 8, lid 3 van Richtlijn 2014/59/EU, is het volgende van toepassing:

1°de toezichthouder maakt aan de consoliderende toezichthouder zijn standpunten en voorbehouden over betreffende het besluit dat de consoliderende toezichthouder overweegt te nemen over de aangelegenheden bedoeld in artikel 8, lid 3 van Richtlijn 2014/59/EU;

2°de toezichthouder kan tot aan het einde van de termijn bedoeld in artikel 8, lid 2 van Richtlijn 2014/59/EU en zolang geen gezamenlijk besluit is genomen, een zaak als vermeld in artikel 437 overeenkomstig artikel 19 van Verordening nr. 1093/2010 aan de EBA voorleggen.

§ 3.Bij ontstentenis van een gezamenlijk besluit als bedoeld in paragraaf 1 over de aangelegenheden bedoeld in artikel 8, lid 4 van Richtlijn 2014/59/EU, is het volgende van toepassing:

1°de toezichthouder neemt zelf het besluit bedoeld in artikel 433 of over de toepassing van de in artikel 434 bedoelde maatregelen ten aanzien van de Belgische dochterondernemingen;

2°indien een van de andere bevoegde autoriteiten binnen de termijn bedoeld in artikel 8, lid 2 van Richtlijn 2014/59/EU een zaak als vermeld in artikel 437 overeenkomstig artikel 19 van Verordening nr. 1093/2010 aan de EBA heeft voorgelegd, stelt de toezichthouder zijn besluit uit en wacht hij een eventueel door de EBA overeenkomstig artikel 19, lid 3, van die verordening genomen besluit af. De toezichthouder neemt zijn besluit in overeenstemming met het besluit van de EBA. Indien de EBA er niet in slaagt binnen één maand een besluit te nemen, is het besluit van de toezichthouder van toepassing;

3°de toezichthouder kan zelf, tot aan het einde van de termijn bedoeld in artikel 8, lid 2 van Richtlijn 2014/59/EU, en zolang geen gezamenlijk besluit is genomen, een zaak als vermeld in artikel 437 overeenkomstig artikel 19 van Verordening nr. 1093/2010 aan de EBA voorleggen.

§ 4.De andere bevoegde autoriteiten die het niet oneens zijn uit hoofde van paragraaf 3 kunnen een gezamenlijk besluit bereiken over een groepsherstelplan dat de entiteiten in hun rechtsgebieden bestrijkt.

Art. 437

De EBA kan de bevoegde autoriteiten overeenkomstig artikel 19, lid 3 van Verordening nr. 1093/2010 helpen bij het bereiken van overeenstemming over de beoordeling van groepsherstelplannen en de uitvoering van de maatregelen bedoeld in artikel 116, § 2, tweede lid, onder 1°, 2° en 4° of in artikel 6, lid 6, onder a), b) en d) van Richtlijn 2014/59/EU.

Art. 438

De gezamenlijke besluiten en de besluiten genomen bij ontstentenis van een gezamenlijk besluit, als bedoeld in de artikelen 435 en 436 worden door de toezichthouder als definitief erkend en in voorkomend geval toegepast in België.