Alle wetboeken › Bankwet

BOEK II - KREDIETINSTELLINGEN NAAR BELGISCH RECHT › TITEL II - Bedrijfsuitoefeningsvoorwaarden › HOOFDSTUK III - Algemene werkingsvoorwaarden

Afdeling V - Het beloningsbeleid en de tenuitvoerlegging ervan

67–71

Art. 67

Het beloningsbeleid dat conform artikel 56, § 5 en artikel 41, § 1, 1°, wordt vastgelegd, strookt met de bedrijfsstrategie, de doelstellingen, de waarden en de langetermijnbelangen van de instelling, en omvat maatregelen om belangenconflicten te vermijden. Het beloningsbeleid dient genderneutraal te zijn. Bij de opstelling en de toepassing van hun beloningsbeleid nemen de instellingen de vereisten van Bijlage II in acht op een wijze die aansluit bij de omvang en de interne organisatie van de instelling en bij de aard, reikwijdte en complexiteit van haar werkzaamheden.

Het beloningsbeleid heeft betrekking op de categorieën van personeelsleden wier beroepsactiviteiten een wezenlijke invloed hebben op het risicoprofiel van de instelling.

Voor de toepassing van het tweede lid, omvatten categorieën van personeelsleden wier beroepsactiviteiten een wezenlijke invloed hebben op het risicoprofiel van de instelling, ten minste:

1°alle leden van het wettelijk bestuursorgaan en de hoge leiding;

2°personeelsleden met leidinggevende verantwoordelijkheid over de controlefuncties of de essentiële bedrijfseenheden van de instelling;

3°personeelsleden die in het voorgaande boekjaar recht hadden op een significante beloning, mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

a)de beloning van het personeelslid is gelijk aan of hoger dan 500 000 euro en gelijk aan of hoger dan de gemiddelde beloning die wordt toegekend aan de leden van het wettelijk bestuursorgaan en de hoge leiding van de instelling, als bedoeld in 1°;

b)het personeelslid verricht de beroepswerkzaamheid in een essentiële bedrijfseenheid en de werkzaamheden zijn van dien aard dat zij een aanzienlijke impact hebben op het risicoprofiel van de betrokken bedrijfseenheid.

Art. 68

Het beloningsbeleid heeft betrekking op alle beloningen, met inbegrip van variabele beloningen en uitkeringen uit hoofde van discretionair pensioen, van de in artikel 67, tweede lid bedoelde personen en maakt overeenkomstig de voorschriften van Bijlage II, een duidelijk onderscheid om de criteria te bepalen ter vastlegging van:

-de vaste basisbeloning, die in de eerste plaats de relevante beroepservaring en organisatorische verantwoordelijkheden dient te weerspiegelen, zoals uiteengezet in de functieomschrijving die deel uitmaakt van de arbeidsvoorwaarden, en

-de variabele beloning, die afhankelijk is van prestatiecriteria, die een duurzaam en aan de risico's aangepast rendement dient te weerspiegelen, alsook extra prestaties die geleverd worden naast de prestaties die beschreven zijn in de functieomschrijving die deel uitmaakt van de arbeidsvoorwaarden.

Art. 69

Bijlage II van deze wet legt de criteria, regels en verplichtingen vast waaraan het beloningsbeleid van de kredietinstellingen en de tenuitvoerlegging ervan moeten voldoen, in het bijzonder de voorwaarden voor de vaststelling en de betaling van de variabele beloning.

Art. 70

De beloningspraktijken met betrekking tot de in artikel 67, tweede lid bedoelde personen strookt met het door de instelling vastgestelde beloningsbeleid en voldoet aan de verplichtingen van Bijlage II. Deze beloningspraktijken worden regelmatig beoordeeld om na te gaan of de bepalingen van Bijlage II te allen tijde worden nageleefd, rekening houdend met de ontwikkeling van de situatie van de instelling.

Art. 71

De kredietinstellingen die uitzonderlijke overheidssteun hebben verkregen, passen hun beloningsbeleid en beloningspraktijken aan conform de vereisten van Bijlage II.