Alle wetboeken › Bankwet

BOEK III - KREDIETINSTELLINGEN NAAR BUITENLANDS RECHT

TITEL II - Bijkantoren in België van kredietinstellingen van derde landen

333–340

Art. 333

§ 1.Alvorens een bijkantoor te openen om hun werkzaamheden in België uit te oefenen, moeten de kredietinstellingen die onder een derde land ressorteren en waaraan in die hoedanigheid een vergunning werd verleend in dit derde land, een vergunning verkrijgen van de Bank.

In dit verband zijn de volgende artikelen van toepassing:

1°de artikelen 8, 9, 12, 13 en 15, met dien verstande dat

-de Bank uitsluitende bevoegdheid heeft om zich uit te spreken over de vergunningsaanvraag,

-de verwijzing naar artikel 9 geldt voor de kredietinstelling waaronder het bijkantoor ressorteert,

-de kredietinstellingen in hun land van herkomst de toestemming moeten hebben verkregen om de werkzaamheden uit te oefenen die in hun programma van werkzaamheden zijn opgenomen;

2°artikel 14, eerste lid, met dien verstande dat de in deze Titel bedoelde bijkantoren in een bijzondere rubriek van de lijst worden vermeld;

3°artikel 16, met dien verstande dat artikel 16 van toepassing is op de kredietinstelling waaronder het bijkantoor ressorteert. Er kan evenwel een vergunning worden verleend aan bijkantoren van instellingen met rechtspersoonlijkheid die geen vennootschappen zijn;

4°artikel 17, eerste en tweede lid, waarbij het aanvangskapitaal wordt vervangen door een dotatie waarvan de Bank, bij reglement vastgesteld met toepassing van artikel 12bis, § 2 van de wet van 22 februari 1998, het bedrag kan bepalen, evenals de bestanddelen en de voorwaarden voor de overeenstemmende activa, met name vanuit het oogpunt van hun locatie in België;

5°de artikelen 18 tot 22, 36, 41 en 42/1, met dien verstande dat de verwijzing naar artikel 18 geldt voor de kredietinstelling waaronder het bijkantoor ressorteert en de verwijzing naar de artikelen 19 tot 22, 36, 41 en 42/1 voor het bijkantoor in België;

6°artikel 44, voor zover de kredietinstelling niet kan aantonen dat de verbintenissen van haar Belgisch bijkantoor minstens in dezelfde mate gedekt zijn door een depositobeschermingsregeling en/of een beleggersbeschermingsregeling van haar land van herkomst als door de Belgische depositobeschermingsregeling en/of door de Belgische beleggersbeschermingsregeling, voor wat betreft de gedekte activa en het vastgestelde dekkingsniveau;

7°artikel 59, met dien verstande dat de leiders van het bijkantoor als het directiecomité worden beschouwd.

§ 2.Onverminderd paragraaf 1 kan aan een bijkantoor van een kredietinstelling die onder een derde land ressorteert slechts een vergunning worden toegekend indien voldaan is aan de volgende voorwaarden:

1°de kredietinstelling is in haar land van herkomst aan een prudentieel toezicht onderworpen dat gelijkwaardig is aan het prudentieel toezicht dat bij Richtlijn 2013/36/EU en Verordening nr. 575/2013 wordt geregeld;

2°de Bank heeft met de betrokken autoriteit van een derde land een samenwerkingsovereenkomst ondertekend voor de uitwisseling van informatie om op de werkzaamheden van het Belgische bijkantoor een doeltreffend toezicht te kunnen uitoefenen. De Bank kan afwijken van deze voorwaarde indien zij in een concreet geval van oordeel is dat deze haar kennis van de kredietinstelling en van de groep waartoe zij behoort, niet wezenlijk verbetert wat betreft haar organisatie en de risico's die voortvloeien uit haar werkzaamheden, in het bijzonder de risico's ten aanzien van de schuldeisers van het Belgische bijkantoor, met name haar deposanten;

3°de wetgeving en de praktijken van de autoriteit van een derde land die de vergunning aan de kredietinstelling heeft verleend in haar derde land van herkomst, zijn in overeenstemming met de Internationale normen ter bestrijding van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en proliferatie van de Financiële Actiegroep (FAG).

4°het derde land van herkomst waar de kredietinstelling is gevestigd, heeft met België een overeenkomst gesloten die voldoet aan de normen van artikel 26 van het modelverdrag van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) inzake dubbele belasting naar inkomen en vermogen, die doeltreffende informatie-uitwisseling betreffende fiscale aangelegenheden, inclusief een eventuele multilaterale overeenkomst die voldoet aan het voornoemde artikel 26, waarborgt.

§ 3.Zonder afbreuk te doen aan de internationale overeenkomsten die België binden, kan de Bank een vergunning weigeren aan het bijkantoor van een kredietinstelling die ressorteert onder een derde land dat niet dezelfde toegangsmogelijkheden tot zijn markt biedt aan kredietinstellingen naar Belgisch recht.

§ 4.De Bank kan een vergunning weigeren aan een in deze Titel bedoeld bijkantoor indien zij van oordeel is dat voor de bescherming van de spaarders of de beleggers of voor een gezond en voorzichtig beleid van de instelling of nog voor de stabiliteit van het financiële stelsel, de oprichting van een vennootschap naar Belgisch recht vereist is. Bij een dergelijke beslissing kan met name rekening worden gehouden met de volgende criteria:

-het feit dat de kredietinstelling in het derde land, of binnen de groep waartoe zij behoort, de door het bijkantoor voorgenomen werkzaamheden niet effectief uitoefent;

-het belang van het bijkantoor in verhouding tot de omvang van de kredietinstelling.

§ 5.Alvorens zich uit te spreken over de vergunningsaanvraag van een bijkantoor, raadpleegt de Bank de betrokken autoriteit van het derde land.

Art. 334

§ 1.De Bank stelt de EBA in kennis van de volgende informatie betreffende de bijkantoren waaraan met toepassing van deze Titel een vergunning is verleend:

1°de toekenning van de vergunning aan het bijkantoor en alle latere wijzigingen daarvan;

2°de totale activa en passiva van het bijkantoor, zoals gerapporteerd aan de Bank krachtens artikel 335, § 3;

3°de naam van de groep uit een derde land waar het bijkantoor deel van uitmaakt.

§ 2.Wanneer de bijkantoren waaraan met toepassing van deze Titel een vergunning is verleend, in België beleggingsactiviteiten verrichten en/of beleggingsdiensten of nevendiensten verlenen, deelt de Bank de Europese Autoriteit voor Effecten en Markten op haar verzoek de volgende informatie mee betreffende deze bijkantoren:

1°de aan de bijkantoren verleende vergunningen en de latere wijzigingen daarvan;

2°de schaal en reikwijdte van de door de bijkantoren verrichte diensten en activiteiten;

3°de omzet en de totale waarde van de activa die overeenstemmen met de in 2° bedoelde diensten en activiteiten;

4°de naam van de groep uit een derde land waar het bijkantoor deel van uitmaakt.

§ 3.Wanneer een bijkantoor van een kredietinstelling uit een derde land, waaraan met toepassing van deze Titel een vergunning is verleend, beleggingsactiviteiten verricht en/of beleggingsdiensten of nevendiensten verleent, werkt de Bank nauw samen met de Europese Autoriteit voor Effecten en Markten, de EBA, de bevoegde autoriteiten en de autoriteiten bedoeld in artikel 3, 33° van de wet van 20 juli 2022 op het statuut van en het toezicht op beursvennootschappen en houdende diverse bepalingen, die respectievelijk zijn belast met het toezicht op kredietinstellingen en bijkantoren van kredietinstellingen enerzijds en beleggingsondernemingen en bijkantoren van beleggingsondernemingen anderzijds die deel uitmaken van de groep waartoe het bijkantoor behoort, om ervoor te zorgen dat alle activiteiten van die groep in de EER worden onderworpen aan uitgebreid, consistent en doeltreffend toezicht overeenkomstig deze wet, de wet van 25 oktober 2016 en voornoemde wet van 20 juli 2022, Verordening nr. 600/2014, Verordening 2019/2033 en Verordening nr. 575/2013, en overeenkomstig de wetgeving die zorgt voor de omzetting van richtlijn 2013/36/EU, richtlijn 2014/65/EU en richtlijn 2019/2034 in de lidstaten waartoe de voornoemde autoriteiten behoren, en overeenkomstig de handelingen die ter uitvoering van deze richtlijnen zijn vastgesteld.

Art. 335

§ 1.Naast artikel 45, voor wat betreft artikel 333 en de bepalingen die krachtens artikel 333 van toepassing zijn verklaard, zijn de volgende artikelen van toepassing:

1°artikel 53, met dien verstande dat de Bank uitsluitende bevoegdheid heeft;

2°artikel 55, eerste lid;

3°de artikelen 60 en 62 voor wat betreft de leiders van bijkantoren en artikel 60 voor wat betreft de compliancefunctie;

3°/1 de artikelen 65/3, 66, 67 tot 71;

4°de artikelen 72, 76, 77, 3° en 4° en 78, met dien verstande dat voor de toepassing van artikel 72, de leiders van het bijkantoor als leden van het wettelijk bestuursorgaan worden beschouwd;

5°de artikelen 74, 98, 106 en 107;

5°/1 Bijlage II;

6°artikel 5 van Bijlage IV.

§ 2.De Koning bepaalt de verplichtingen en regels voor de openbaarmaking van de jaarlijkse boekhoudstaten van de bijkantoren.

§ 3.De volgende informatie moet ten minste eenmaal per jaar aan de Bank worden gerapporteerd, voor zover ze haar niet reeds jaarlijks wordt verstrekt in het kader van de naleving van de verplichtingen van paragraaf 1:

1°de totale activa die overeenstemmen met de activiteiten van het bijkantoor;

2°informatie over de liquide activa waarover het bijkantoor beschikt, met name de beschikbaarheid van liquide activa in valuta's van de lidstaten;

3°de dotatie van eigen vermogen waarover het bijkantoor beschikt;

4°informatie over de depositobescherming die de depositohouders bij het bijkantoor genieten;

5°informatie over het risicobeheer;

6°de governanceregeling, met inbegrip van de identiteit van de leiding, van de compliancefunctie, en, in voorkomend geval, van de personen die de andere onafhankelijke controlefuncties uitoefenen voor de activiteiten van het bijkantoor;

7°de herstelplannen die betrekking hebben op het bijkantoor;

8°alle andere informatie die de Bank noodzakelijk acht voor een alomvattende monitoring van de activiteiten van het bijkantoor.

§ 4.Wanneer de bijkantoren waaraan met toepassing van deze Titel een vergunning is verleend, in België beleggingsactiviteiten verrichten en/of beleggingsdiensten of nevendiensten verlenen, delen zij de Bank ten minste eenmaal per jaar de volgende informatie mee, voor zover deze informatie haar niet reeds jaarlijks wordt verstrekt in het kader van de naleving van de verplichtingen van paragraaf 1:

1°de schaal en reikwijdte van de door het in België gevestigde bijkantoor verrichte diensten en activiteiten;

2°voor kredietinstellingen uit derde landen die de in artikel 2, 1°, 3 van de wet van 25 oktober 2016 vermelde activiteit verrichten, hun maandelijkse minimale, gemiddelde en maximale blootstelling aan tegenpartijen uit de EU;

3°voor kredietinstellingen uit derde landen die een of beide van de in artikel 2, 1°, 6 van de wet van 25 oktober 2016 vermelde diensten verlenen, de totale waarde van financiële instrumenten afkomstig van tegenpartijen uit de EU die de voorafgaande twaalf maanden zijn overgenomen of met plaatsingsgarantie zijn geplaatst;

4°de omzet en de totale waarde van de activa die overeenstemmen met de in 1° bedoelde diensten en activiteiten;

5°een gedetailleerde beschrijving van de voor de cliënten van het bijkantoor beschikbare beleggersbeschermingsregeling, met inbegrip van de rechten van deze cliënten die voortvloeien uit het in artikel 333, § 1, 6° bedoelde beleggerscompensatiestelsel;

6°het beleid en de regelingen inzake risicobeheer die door het bijkantoor worden toegepast voor de onder 1° bedoelde diensten en activiteiten;

7°de governanceregelingen, met inbegrip van de personen wier beroepswerkzaamheden een significante invloed hebben op het risicoprofiel van het bijkantoor;

8°alle andere informatie die de Bank noodzakelijk acht om de activiteiten van het bijkantoor doeltreffend te kunnen monitoren.

Art. 336

§ 1.De kredietinstelling in de zin van artikel 1, § 3, eerste lid, 1°, moet in België over voor beslag vatbare activa beschikken voor een bedrag dat overeenstemt met het bedrag van de deposito's, als bedoeld in artikel 382, die het bijkantoor heeft ontvangen, tenzij zij aantoont dat zij aan de volgende voorwaarden voldoet:

1°de wetgeving inzake insolventieprocedures van het derde land garandeert dat de schuldeisers die hun tegoeden bij het Belgische bijkantoor hebben gedeponeerd, dezelfde behandeling krijgen als de schuldeisers die hun tegoeden bij de kredietinstelling in het derde land hebben gedeponeerd;

2°indien een insolventieprocedure wordt geopend tegen de kredietinstelling in het derde land, kent de wetgeving inzake dergelijke procedures aan de deposanten die hun gelden bij het Belgische bijkantoor hebben gedeponeerd een rangorde toe die een gelijkaardige bescherming biedt als deze waarin artikel 389 van deze wet voorziet.

§ 1/1.De kredietinstelling in de zin van artikel 1, § 3, eerste lid, 2°, moet in België over voor beslag vatbare activa beschikken voor een bedrag dat overeenstemt met het bedrag van de tegoeden, als bedoeld in artikel 384/4, tweede lid, die het bijkantoor heeft ontvangen, tenzij zij aantoont dat zij aan de volgende voorwaarden voldoet:

1°de wetgeving inzake insolventieprocedures van het derde land garandeert dat de schuldeisers die hun tegoeden bij het Belgische bijkantoor hebben gedeponeerd, dezelfde behandeling krijgen als de schuldeisers die hun tegoeden bij de kredietinstelling in het derde land hebben gedeponeerd; en

2°indien een insolventieprocedure wordt geopend tegen de kredietinstelling in het derde land, kent de wetgeving inzake dergelijke procedures aan de beleggers die geldmiddelen bij het Belgische bijkantoor hebben gedeponeerd een rangorde toe die een gelijkaardige bescherming biedt als deze waarin artikel 74/1, § 3 voorziet.

§ 2.Het Belgische bijkantoor van de kredietinstelling kan slechts financiële instrumenten van cliënten in ontvangst nemen indien, bij opening van een insolventieprocedure tegen de kredietinstelling in het derde land, de wetgeving inzake dergelijke procedures het zakelijk eigendomsrecht als bedoeld in artikel 13, tweede lid van het koninklijk besluit nr. 62 van 10 november 1967 betreffende de bewaargeving van vervangbare financiële instrumenten en de vereffening van transacties op deze instrumenten, gecoördineerd op 27 januari 2004, erkent voor de beleggers die hun financiële instrumenten bij het Belgische bijkantoor hebben gedeponeerd, of indien deze wetgeving aan de belegger een recht toekent ten gevolge van de bewaargeving van de financiële instrumenten, dat een zakelijk recht vormt op grond waarvan hij een vordering tot teruggave kan uitoefenen op deze financiële instrumenten, met uitsluiting van een louter vorderingsrecht.

Art. 337/1

De Bank beoordeelt de naleving door de in deze Titel bedoelde bijkantoren van de op hen van toepassing zijnde bepalingen van deze wet en van de ter uitvoering ervan genomen besluiten en reglementen, evenals de risico's waaraan zij blootgesteld zijn of zouden kunnen zijn en de risico's die zij inhouden voor het financiële stelsel. Op grond van deze beoordeling kan de Bank aan een dergelijk bijkantoor aanvullende vereisten opleggen inzake solvabiliteit, liquiditeit, risicoconcentratie en risicoposities, die bij het bedrag van de in artikel 333, § 1, 4°, bedoelde dotatie worden gevoegd en bij de vereisten die van toepassing zijn krachtens artikel 98, om rekening te houden met de risico's waaraan zij blootgesteld is of zou kunnen zijn. De Bank bepaalt de nadere rgels waarop aan die vereisten moet worden voldaan.

De Bank kan, in voorkomend geval bij reglement vastgesteld met toepassing van artikel 12bis, § 2, van de wet van 22 februari 1998, bepalen welke criteria en procedures zij toepast voor de voornoemde beoordeling en vereisten.

Art. 338

De leiding van de in deze Titel bedoelde bijkantoren moet een of meer erkende revisoren of een of meer erkende revisorenvennootschappen aanstellen overeenkomstig artikel 220. Op dezelfde wijze kan zij een plaatsvervanger aanstellen.

Bij aanstelling van een revisorenvennootschap is artikel 221 van overeenkomstige toepassing.

De artikelen 223, 224, eerste tot vierde lid, 225, eerste, tweede, derde en zesde lid en 326, § 1, tweede lid, § 2, vierde en vijfde lid en § 3 zijn van toepassing.

Art. 338/1

De Bank werkt nauw samen de bevoegde autoriteiten die belast zijn met het toezicht op de kredietinstellingen en de beleggingsondernemingen die deel uitmaken van de groep uit een derde land waartoe het Belgische bijkantoor behoort, om ervoor te zorgen dat alle activiteiten in de Europese Unie van die groep uit een derde land worden onderworpen aan een alomvattend toezicht om te voorkomen dat de voorschriften die op groepen uit derde landen van toepassing zijn op grond van deze wet, de ter uitvoering ervan genomen reglementen en Verordening nr. 575/2013 worden omzeild, en om te voorkomen dat de financiële stabiliteit van de Europese Unie wordt aangetast.

Art. 339

§ 1.De Bank kan op basis van het wederkerigheidsbeginsel met de autoriteiten van derde landen van de kredietinstelling en met de bevoegde autoriteiten van derde landen van de andere bijkantoren van deze instelling die buiten België zijn gevestigd, overeenkomen welke verplichtingen en verbodsbepalingen voor het bijkantoor in België gelden, hoe het toezicht wordt opgevat en uitgeoefend en op welke wijze de samenwerking en de informatie-uitwisseling met deze autoriteiten, zoals bedoeld in de artikelen 36/16 en 36/17 van de wet van 22 februari 1998, worden georganiseerd.

§ 2.Om regels en modaliteiten te kunnen vaststellen die beter aansluiten bij de aard en spreiding van de werkzaamheden van de kredietinstelling en haar toezicht, mogen de overeenkomsten, met de goedkeuring van de minister van Financiën, afwijken van de bepalingen van deze wet.

Voor zover er een algemeen toezicht bestaat dat voldoet aan de criteria vastgesteld door of krachtens deze wet, mogen deze overeenkomsten vrijstelling verlenen van de toepassing van bepaalde voorschriften van deze wet en van haar uitvoeringsbesluiten en -reglementen.

De in dit artikel bedoelde overeenkomsten mogen voor de bijkantoren waarop zij betrekking hebben, geen gunstiger regels bevatten dan voor de in België gevestigde bijkantoren van kredietinstellingen die onder een andere lidstaat ressorteren.

Art. 340

§ 1.De artikelen 233, 234, 236 en 238 en de artikelen 345 tot 352 zijn van toepassing, met dien verstande dat de Bank uitsluitende bevoegdheid heeft.

§ 2.Wanneer de Bank vaststelt dat het bijkantoor niet werkt overeenkomstig de bepalingen van deze wet en van haar uitvoeringsbesluiten en -reglementen, of wanneer zij over gegevens beschikt waaruit blijkt dat het gevaar bestaat dat het bijkantoor binnenkort niet meer overeenkomstig deze bepalingen zal werken, kan de bank limieten vastleggen voor de blootstellingen van het bijkantoor ten aanzien van zijn moederonderneming of van de entiteiten van de groep waar de kredietinstelling deel van uitmaakt.

§ 3.De Bank kan de vergunning van een in deze Titel bedoeld bijkantoor ook herroepen indien zij van oordeel is dat voor de bescherming van de spaarders of de beleggers, of voor een gezond en voorzichtig beleid van de instelling of nog voor de stabiliteit van het financiële stelsel, de oprichting van een vennootschap naar Belgisch recht vereist is. De Bank kan hiertoe gebruik maken van de criteria bedoeld in artikel 333, § 4.