Alle wetboeken › Bankwet

BOEK III - KREDIETINSTELLINGEN NAAR BUITENLANDS RECHT

TITEL I - Bijkantoren en werkzaamheden in het kader van het vrij verrichten van diensten in België van kredietinstellingen die onder een andere lidstaat ressorteren

312–332

Art. 312

§ 1.De kredietinstellingen die onder een andere lidstaat ressorteren en die op grond van hun nationaal recht werkzaamheden in hun staat van herkomst mogen verrichten die voorkomen op de lijst van artikel 4, mogen deze werkzaamheden aanvatten via de vestiging van een bijkantoor zodra de toezichthouder hen met een aangetekende brief of een brief met ontvangstbewijs in kennis heeft gesteld van hun registratie als bijkantoor van een kredietinstelling van een lidstaat.

Deze kennisgeving geschiedt uiterlijk twee maanden nadat de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst van de instelling het op grond van de Europeesrechtelijke regels ter zake vereiste informatiedossier heeft meegedeeld. Indien de instelling binnen de vastgestelde termijn geen kennisgeving ontvangt, mag zij het bijkantoor desalniettemin openen en de voornoemde werkzaamheden aanvatten, mits zij de toezichthouder hiervan in kennis stelt.

§ 2.De Bank stelt de lijst op van de overeenkomstig paragraaf 1 geregistreerde bijkantoren, waarbij een onderscheid wordt gemaakt tussen de categorieën bedoeld in punt 1° en in punt 2°, van artikel 1, § 3, eerste lid. Die lijst en alle daarin aangebrachte wijzigingen worden op haar website bekendgemaakt.

§ 3.De Bank brengt de FSMA op de hoogte van de elementen in het informatiedossier die relevant zijn voor het toezicht op de naleving van de gedragsregels bedoeld in artikel 2, 46°, van de wet van 25 oktober 2016.

§ 4.De kredietinstelling dient aan de toezichthouder elke wijziging mee te delen die zij van plan is aan te brengen in de informatie die opgenomen is in het informatiedossier bedoeld in paragraaf 1, tweede lid, en dit minstens één maand voor het aanbrengen van deze wijziging.

§ 5.Wanneer een kredietinstelling die onder het recht van een andere lidstaat ressorteert, een beroep wenst te doen op in België gevestigde verbonden agenten om er beleggingsdiensten en/of -activiteiten alsmede nevendiensten te verrichten, zijn de paragrafen 1, 2 en 4 van overeenkomstige toepassing. Voor de toepassing van de artikelen 315, 316, 317, 320, 321, 326 en 329 worden deze verbonden agenten gelijkgesteld met een bijkantoor van de kredietinstelling, met dien verstande dat wanneer de kredietinstelling in België een bijkantoor heeft, de in België gevestigde verbonden agenten waarop zij een beroep wenst te doen, gelijkgesteld worden aan dit bijkantoor voor de toepassing van artikel 326.

De Bank brengt de FSMA op de hoogte van de elementen die relevant zijn voor het toezicht op de naleving van de gedragsregels bedoeld in artikel 2, 46°, van de wet van 25 oktober 2016 en van de regels met betrekking tot verbonden agenten.

Art. 313

§ 1.De kredietinstellingen die onder een andere lidstaat ressorteren en die op grond van hun nationaal recht in hun staat van herkomst werkzaamheden mogen verrichten die voorkomen op de lijst van artikel 4, mogen deze werkzaamheden in België aanvatten in het kader van het vrij verrichten van diensten zodra de toezichthouder de betrokken instellingen ervan in kennis heeft gesteld dat hij de mededeling van de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst van deze instellingen heeft ontvangen, met opgave van de in de lijst van artikel 4 bedoelde werkzaamheden die deze instellingen in België wensen uit te oefenen.

Binnen drie werkdagen na ontvangst van de mededeling stelt de toezichthouder de betrokken instelling hiervan in kennis. Bij gebrek aan kennisgeving binnen deze termijn mag de instelling de voorgenomen werkzaamheden aanvatten, na de toezichthouder hiervan op de hoogte te hebben gebracht.

§ 2.De Bank maakt op haar website de lijst bekend van de in dit artikel bedoelde instellingen, waarbij een onderscheid wordt gemaakt tussen de categorieën bedoeld in punt 1° en in punt 2°, van artikel 1, § 3, eerste lid, evenals de daarin aangebrachte wijzigingen.

§ 3.Wanneer een kredietinstelling die onder het recht van een andere lidstaat ressorteert, in België beleggingsdiensten of -activiteiten alsmede nevendiensten wil verrichten met inschakeling van in die andere lidstaat gevestigde verbonden agenten, is paragraaf 1 van overeenkomstige toepassing.

De Bank maakt op haar website de identiteitsgegevens bekend van de verbonden agenten waarop de kredietinstelling van plan is een beroep te doen.

Art. 314

De in de artikelen 312 en 313 bedoelde kredietinstellingen moeten bij de uitoefening van hun bedrijf in België, naast hun naam, hun staat van herkomst vermelden en in het geval bedoeld in artikel 313, hun maatschappelijke zetel.

Art. 315

§ 1.De bepalingen van deze Titel doen geen afbreuk aan de naleving, bij de uitoefening van de werkzaamheden die voorkomen in de lijst van artikel 4, van de wettelijke en reglementaire bepalingen die in België van toepassing zijn op de kredietinstellingen en hun verrichtingen, om redenen van algemeen belang.

De Bank deelt aan de in artikel 312 bedoelde kredietinstellingen mee welke bepalingen naar haar weten van algemeen belang zijn. Zij wint hiervoor het advies in van de FSMA.

De bepalingen van deze Titel doen evenmin afbreuk aan de naleving van de wettelijke en reglementaire bepalingen die in België van toepassing zijn op andere werkzaamheden dan deze vermeld in de lijst van artikel 4.

§ 2.Artikel 64 is van toepassing op de in artikel 312 bedoelde bijkantoren.

Art. 316

De leiders van de in artikel 312 bedoelde bijkantoren brengen minstens om de twee jaar verslag uit aan de Bank en de erkende revisor of revisorenvennootschap over de naleving van artikel 315 en over de genomen passende maatregelen.

Leiders van significante bijkantoren brengen het in het eerste lid bedoelde verslag minstens eenmaal per jaar uit.

Art. 317

De in artikel 312 bedoelde kredietinstellingen bezorgen de toezichthouder, in de vorm en volgens de frequentie die hij bepaalt, periodieke verslagen over de verrichtingen in België, die hun aldaar gevestigde bijkantoren uitvoeren. Het bepaalde bij artikel 106, § 2 is van overeenkomstige toepassing.

Deze verslagen mogen enkel worden gebruikt voor statistische doeleinden of om de toezichthouder toe te laten zijn toezichtstaken als bedoeld in deze Titel, uit te voeren.

De toezichthouder kan in het bijzonder informatie verlangen van de kredietinstellingen bedoeld in het eerste lid om te kunnen beoordelen of hun in België gevestigd bijkantoor significant is in de zin van artikel 322.

Art. 318

De Koning bepaalt, na advies van de Bank, volgens welke regels de in artikel 312 bedoelde bijkantoren:

1°hun boekhouding voeren en inventarisramingen verrichten;

2°hun jaarrekening opmaken;

3°de jaarlijkse boekhoudkundige gegevens in verband met hun verrichtingen openbaar maken.

Art. 319

De in artikel 312 bedoelde bijkantoren staan onder het toezicht van de toezichthouder voor wat betreft de naleving van de artikelen 315, 317 en 318, voor zover de in deze bepalingen voorkomende aspecten onder de bevoegdheid vallen van de toezichthouder. De artikelen 134 tot 136, 136/2 en 139 zijn van overeenkomstige toepassing.

Art. 320

Teneinde toezicht te houden op de werkzaamheden van de instellingen die onder een andere lidstaat ressorteren en die in België of in andere lidstaten werkzaam zijn, met name via een bijkantoor, werkt de toezichthouder nauw samen met de bevoegde autoriteiten van de andere betrokken lidstaten.

Daartoe verstrekt de toezichthouder, voor zover hij daarover beschikt, alle gegevens betreffende het bestuur en de eigendom van de betrokken instellingen die het toezicht op die instellingen en het onderzoek van de voorwaarden voor het verlenen van een vergunning aan die instellingen kunnen vergemakkelijken, alsmede alle gegevens die de monitoring van deze instellingen, met name op het gebied van liquiditeit, solvabiliteit, depositogarantie, beperking van grote risico's, andere factoren die van invloed kunnen zijn op het door de instelling gevormde systeemrisico, administratieve en boekhoudkundige organisatie en internecontrolemechanismen kunnen vergemakkelijken.

Art. 321

In zijn hoedanigheid van bevoegde autoriteit van de lidstaat van ontvangst, kan de toezichthouder de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst vragen dat zij hem meedeelt en uitlegt hoe rekening werd gehouden met de inlichtingen en bevindingen die met toepassing van artikel 320 werden meegedeeld.

Indien de toezichthouder na de mededeling van de inlichtingen en bevindingen van oordeel blijft dat de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst geen passende maatregelen heeft genomen, kan hij, na de Europese Bankautoriteit en de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst te hebben ingelicht, en zonder afbreuk te doen aan de mogelijkheid voor deze laatste om de zaak voor te leggen aan de Europese Bankautoriteit met toepassing van artikel 19 van Verordening nr. 1093/2010, passende maatregelen treffen om verdere inbreuken te voorkomen om de belangen van deposanten, beleggers en andere personen voor wie diensten worden verricht, te beschermen of de stabiliteit van het financiële stelsel te vrijwaren.

Art. 322

§ 1.De toezichthouder kan ofwel aan de consoliderende toezichthouder, ofwel aan de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst vragen om een in België gelegen bijkantoor als significant aan te merken in de zin van artikel 51 van Richtlijn 2013/36/EU.

Het verzoek vermeldt de redenen waarom het bijkantoor als significant moet worden aangemerkt, en met name:

a)of het marktaandeel in deposito's van het bijkantoor in België meer dan 2 % bedraagt;

b)wat de vermoedelijke gevolgen van een opschorting of beëindiging van de werkzaamheden van de instelling voor de liquiditeit van het systeem en de betalings-, clearing- en afwikkelingssystemen in België zullen zijn;

c)de omvang en het belang van het bijkantoor, wat het aantal cliënten betreft, binnen het Belgische bank- of financiële stelsel.

§ 2.Indien binnen twee maanden na ontvangst van een verzoek als bedoeld in paragraaf 1 geen gezamenlijk besluit wordt genomen, beslist de toezichthouder binnen een bijkomende termijn van twee maanden zelf of het in België gelegen bijkantoor significant is. Bij deze beslissing houdt de toezichthouder rekening met de standpunten en voorbehouden van de consoliderende toezichthouder of van de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst.

Het in het eerste lid bedoelde besluit wordt op schrift gesteld met volledige opgaaf van redenen en wordt aan de betrokken bevoegde autoriteiten toegezonden.

Art. 323

Indien de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst de toezichthouder, in zijn hoedanigheid van bevoegde autoriteit van de lidstaat van ontvangst, niet heeft geraadpleegd over de operationele maatregelen met betrekking tot liquiditeitsherstelplannen, of indien de toezichthouder na deze raadpleging van oordeel blijft dat de vereiste operationele maatregelen niet adequaat zijn, kan de toezichthouder de zaak voorleggen aan de Europese Bankautoriteit en haar overeenkomstig artikel 19 van Verordening nr. 1093/2010 om bijstand verzoeken.

Art. 324

Na de toezichthouder daarvan in kennis te hebben gesteld, kan de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst in voorkomend geval met inschakeling van door haar daartoe gemachtigde personen controles en inspecties ter plaatse uitvoeren bij de bijkantoren bedoeld in artikel 312, met het oog op het verzamelen of controleren van inlichtingen betreffende het bestuur en de leiding van het bijkantoor, alsook alle inlichtingen die het toezicht op de kredietinstelling, met name op het gebied van liquiditeit, solvabiliteit, depositogarantie, beperking van grote risico's, administratieve en boekhoudkundige organisatie en internecontrolemechanismen, kunnen vergemakkelijken.

De toezichthouder mag op verzoek van de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst van de kredietinstelling, als een vorm van bijstand aan deze autoriteit, bij deze bijkantoren inspecties verrichten, die zowel op de in het eerste lid als op de in artikel 319 bedoelde aspecten kunnen slaan. De kosten voor deze inspecties en controles worden gedragen door de autoriteit die daarom verzoekt.

Art. 325

Na raadpleging van de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst kan de toezichthouder, geval per geval, controles en inspecties ter plaatse uitvoeren met betrekking tot de werkzaamheden van de in artikel 312 bedoelde bijkantoren en, voor toezichtsdoeleinden, van de bijkantoren informatie verlangen over hun werkzaamheden, indien hij dit om redenen van stabiliteit van het Belgische financiële stelsel relevant acht. Na deze controles en inspecties stelt de toezichthouder de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst in kennis van de verkregen informatie en de bevindingen die relevant zijn voor de beoordeling van de risico's van de instelling of voor de stabiliteit van het Belgische financiële stelsel.

Art. 326

§ 1.De leiders van de in artikel 312 bedoelde bijkantoren stellen voor een hernieuwbare termijn van drie jaar een of meer door de Bank erkende revisoren of erkende revisorenvennootschappen aan.

De artikelen 223 en 224, eerste tot vierde lid, zijn van toepassing op deze revisoren en vennootschappen. Vooraleer een erkende revisor of een erkende revisorenvennootschap van zijn of haar opdracht te ontslaan, moet het advies van de toezichthouder worden ingewonnen.

§ 2.De overeenkomstig paragraaf 1 aangestelde erkende revisoren of revisorenvennootschappen verlenen hun medewerking aan het toezicht van de toezichthouder, op hun eigen en uitsluitende verantwoordelijkheid en overeenkomstig deze paragraaf, volgens de regels van het vak en de richtlijnen van de toezichthouder. Daartoe:

1°beoordelen zij de internecontrolemaatregelen die de bijkantoren hebben getroffen tot naleving van de wetten, besluiten en reglementen die op grond van artikel 315 van toepassing zijn op de bijkantoren, en delen zij hun bevindingen mee aan de toezichthouder;

2°brengen zij verslag uit bij de toezichthouder over:

a)de resultaten van het beperkt nazicht van de periodieke staten die de in artikel 312 bedoelde bijkantoren aan het einde van het eerste halfjaar aan de toezichthouder bezorgen waarin bevestigd wordt dat zij geen kennis hebben van feiten waaruit zou blijken dat de periodieke staten per einde halfjaar niet in alle materieel belangrijke opzichten volgens de geldende richtlijnen van de toezichthouder werden opgesteld. Bovendien bevestigen zij dat de periodieke staten per einde halfjaar, voor wat de boekhoudkundige gegevens betreft in alle materieel belangrijke opzichten in overeenstemming zijn met de boekhouding en de inventarissen, inzake volledigheid, wat wil zeggen dat ze alle gegevens bevatten uit de boekhouding en de inventarissen op basis waarvan de periodieke staten worden opgesteld, en juistheid, wat wil zeggen dat ze exact overeenstemmen met de gegevens uit de boekhouding en de inventarissen op basis waarvan de periodieke staten worden opgesteld; en bevestigen zij geen kennis te hebben van feiten waaruit zou blijken dat de periodieke staten per einde halfjaar niet zijn opgesteld met toepassing van de boekings- en waarderingsregels voor de opstelling van de jaarrekening met betrekking tot het laatste boekjaar; de toezichthouder kan de hier bedoelde periodieke staten nader bepalen;

b)de resultaten van de controle van de periodieke staten die de in artikel 312 bedoelde bijkantoren aan het einde van het boekjaar aan de toezichthouder bezorgen waarin bevestigd wordt dat de periodieke staten in alle materieel belangrijke opzichten werden opgesteld volgens de geldende richtlijnen van de toezichthouder. Bovendien bevestigen zij dat de periodieke staten per einde van het boekjaar, voor wat de boekhoudkundige gegevens betreft in alle materieel belangrijke opzichten in overeenstemming zijn met de boekhouding en de inventarissen, inzake volledigheid, wat wil zeggen dat ze alle gegevens bevatten uit de boekhouding en de inventarissen op basis waarvan de periodieke staten worden opgesteld, en juistheid, wat wil zeggen dat ze de gegevens correct weergeven uit de boekhouding en de inventarissen op basis waarvan de periodieke staten worden opgesteld; en bevestigen zij dat de periodieke staten per einde van het boekjaar werden opgesteld met toepassing van de boekings- en waarderingsregels voor de opstelling van de jaarrekening; de toezichthouder kan de hier bedoelde periodieke staten nader bepalen.

Zij kunnen door de toezichthouder, al dan niet op verzoek van de Europese Centrale Bank in haar hoedanigheid van monetaire autoriteit, worden gelast de gegevens te bevestigen die de bijkantoren aan deze autoriteiten moeten verstrekken, met name met toepassing van artikel 317;

3°brengen zij bij de toezichthouder, op zijn verzoek, bijzonder verslag uit over de organisatie, de werkzaamheden en de financiële structuur van de bijkantoren met betrekking tot de aangelegenheden waarvoor de toezichthouder bevoegd is;

4°brengen zij op eigen initiatief verslag uit bij de toezichthouder, inzake aspecten waarvoor hij bevoegd is alsook in het kader van de samenwerking met de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst, zodra zij kennis krijgen van:

a)beslissingen, feiten of ontwikkelingen die de positie van het bijkantoor financieel of op het vlak van zijn administratieve en boekhoudkundige organisatie of van zijn interne controle, op betekenisvolle wijze kunnen beïnvloeden;

b)beslissingen of feiten die kunnen wijzen op een overtreding van de voorschriften van deze wet en de ter uitvoering ervan genomen besluiten en reglementen of andere wetten en reglementen die op hun bedrijf in België van toepassing zijn, voor zover de in deze voorschriften bedoelde aangelegenheden tot de bevoegdheid van de toezichthouder behoren;

5°brengen zij bij de Bank, op haar verzoek, verslag uit, wanneer een andere Belgische overheid haar ter kennis brengt dat een wetgeving van algemeen belang die voor het bijkantoor geldt, werd overtreden;

6°maken zij jaarlijks aan de toezichthouder een verklaring over waarin wordt aangegeven of zij al dan niet bijzondere mechanismen in de zin van artikel 21, § 1/1, hebben vastgesteld.

Tegen erkende revisoren die te goeder trouw informatie hebben verstrekt als bedoeld in het eerste lid, 4°, kunnen geen burgerrechtelijke, strafrechtelijke of tuchtrechtelijke vorderingen worden ingesteld, noch professionele sancties worden uitgesproken.

Zij delen aan de leiders van het bijkantoor de verslagen mee die zij aan de toezichthouder richten overeenkomstig het eerste lid, 3°. Voor deze mededeling geldt de geheimhoudingsplicht als geregeld bij artikel 35 van de wet van 22 februari 1998. Zij bezorgen de toezichthouder een kopie van de mededelingen die zij aan deze leiders richten en die betrekking hebben op aspecten waarvoor de toezichthouder toezichtsbevoegdheid heeft.

In bijkantoren waar een ondernemingsraad is opgericht met toepassing van de wet van 20 september 1948 houdende organisatie van het bedrijfsleven, oefenen de erkende revisoren en revisorenvennootschappen de in artikel 15bis van deze wet bedoelde opdrachten uit.

...

Op verzoek en op kosten van de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst van het bijkantoor, mogen zij als een vorm van bijstand en na voorafgaande kennisgeving aan de toezichthouder in dit bijkantoor toezicht uitoefenen op de in de artikelen 319 en 320, tweede lid bedoelde aspecten.

§ 3.De erkende revisoren of erkende revisorenvennootschappen certificeren de krachtens artikel 318, 3° openbaar gemaakte jaarlijkse boekhoudkundige gegevens.

§ 4.Dit artikel is niet van toepassing op de bijkantoren van kredietinstellingen als bedoeld in artikel 312 die behoren tot de categorie bedoeld in 2°, van artikel 1, § 3, eerste lid wanneer zij geen geldmiddelen en/of financiële instrumenten van cliënten in ontvangst mogen nemen.

Art. 327

§ 1.In het kader van de samenwerking bedoeld in artikel 320, eerste lid, deelt de toezichthouder, indien hij er kennis van heeft, eveneens mee aan de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst dat de kredietinstelling die een bijkantoor in België heeft of die aldaar werkzaam is in het kader van het vrij verrichten van diensten, niet voldoet aan de bepalingen van het nationaal recht van de lidstaat van herkomst die de omzetting vormen van Richtlijn 2013/36/EU of Verordening nr. 575/2013, of dreigt er niet langer aan te voldoen.

§ 2.Indien de toezichthouder van oordeel is dat de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst geen maatregelen heeft genomen om de onregelmatige situatie of het risico op een onregelmatige situatie, bedoeld in paragraaf 1, af te wenden, kan hij de zaak overeenkomstig artikel 19 van Verordening nr. 1093/2010 aan de Europese Bankautoriteit voorleggen en haar om bijstand verzoeken.

Art. 328

§ 1.Alvorens de in artikel 327 bedoelde procedure toe te passen, kan de toezichthouder in noodsituaties, in afwachting van maatregelen van de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst of van saneringsmaatregelen van de administratieve of gerechtelijke autoriteiten van deze lidstaat, en zonder afbreuk te doen aan de mogelijkheid voor de betrokken autoriteiten om de zaak voor te leggen aan de Europese Bankautoriteit overeenkomstig artikel 19 van Verordening nr. 1093/2010, alle bewarende maatregelen treffen die noodzakelijk zijn om bescherming te bieden tegen financiële instabiliteit die een ernstige bedreiging van de collectieve belangen van deposanten, beleggers en cliënten in België zou vormen.

Deze maatregelen kunnen bestaan in de maatregelen bedoeld in artikel 236, § 1, 1°, 2°, 4° en §§ 2 en 3.

§ 2.De toezichthouder maakt een einde aan de maatregelen bedoeld in paragraaf 1 zodra deze niet langer verantwoord blijken. Bovendien hebben deze maatregelen niet langer rechtswerking wanneer de saneringsmaatregelen die door de administratieve of rechterlijke autoriteiten van de lidstaat van herkomst zijn vastgesteld, rechtswerking hebben in de lidstaat van herkomst.

§ 3.De Europese Commissie, de Europese Bankautoriteit en de overige betrokken bevoegde autoriteiten worden op de hoogte gebracht van de met toepassing van paragraaf 1 getroffen maatregelen.

Art. 329

§ 1.Onverminderd artikel 327, wanneer de toezichthouder in voorkomend geval op grond van informatie van de FSMA, duidelijke en aantoonbare redenen heeft om aan te nemen dat een kredietinstelling die in België door middel van het vrij verrichten van diensten werkzaamheden uitoefent, of een kredietinstelling met een bijkantoor in België de verplichtingen schendt die voortvloeien uit de met toepassing van Richtlijn 2014/65/EU, Verordening nr. 600/2014 en Verordening 2017/565 vastgestelde bepalingen, waarbij aan de toezichthouder of de FSMA geen bevoegdheden worden verleend, stelt hij de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst van deze bevindingen in kennis.

Indien de kredietinstelling, in weerwil van de door de lidstaat van herkomst getroffen maatregelen, of omdat deze maatregelen ontoereikend zijn, blijft handelen op een wijze die de belangen van beleggers in België of de ordelijke werking van de markten kennelijk schaadt, kan de toezichthouder, in voorkomend geval op verzoek van de FSMA, na de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst daarvan in kennis te hebben gesteld, maatregelen treffen of doen treffen om de beleggers en de goede werking van de markten te beschermen. Ten aanzien van bijkantoren gaat het, met name, om de in artikel 236, § 1, 1°, 2°, 4° en §§ 2 en 3 van de wet bedoelde maatregelen; ten aanzien van kredietinstellingen die bedrijvig zijn via het verrichten van diensten betreft het, met name, de in artikel 236, § 1, 4° en §§ 2 en 3 bedoelde maatregelen. De Europese Commissie en Europese Autoriteit voor effecten en markten worden onmiddellijk van deze maatregelen in kennis gesteld.

In het in het tweede lid bedoelde geval kan de toezichthouder de zaak voorleggen aan de Europese Autoriteit voor effecten en markten en om haar bijstand verzoeken overeenkomstig artikel 19 van Verordening nr. 1095/2010.

§ 2.Onverminderd artikel 327, wanneer de toezichthouder vaststelt dat een kredietinstelling die onder een andere lidstaat ressorteert en in België werkzaam is via een bijkantoor of via het verrichten van diensten, zich niet conformeert aan de in België geldende wettelijke en reglementaire bepalingen die tot de bevoegdheidssfeer van de toezichthouder behoren, of indien de Bank kennis heeft van een bijzonder mechanisme in de zin van artikel 21, § 1/1, maant hij de kredietinstelling aan om, binnen de termijn die hij bepaalt, de vastgestelde toestand te verhelpen.

Wanneer de FSMA vaststelt dat een kredietinstelling die onder een andere lidstaat ressorteert en in België werkzaam is via een bijkantoor of via het verrichten van diensten, zich niet conformeert aan de in België geldende wettelijke en reglementaire bepalingen die tot de bevoegdheidssfeer van de FSMA behoren, maant zij de kredietinstelling aan om, binnen de termijn die zij bepaalt, de vastgestelde toestand te verhelpen.

....

§ 3.Wanneer de in paragraaf 2 bedoelde overtredingen van een bijkantoor blijven aanhouden, kan de toezichthouder, in voorkomend geval op verzoek van de FSMA, na de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst hiervan in kennis te hebben gesteld, passende maatregelen treffen of doen treffen, met name de maatregelen waarin voorzien is in artikel 236, § 1, 1°, 2° en 4°. In dat geval is artikel 236, §§ 2 tot 6 van toepassing.

Wanneer de in paragraaf 2 bedoelde overtredingen van een kredietinstelling die bedrijvig is via het verrichten van diensten, blijven aanhouden, kan de toezichthouder, in voorkomend geval op verzoek van de FSMA, na de in paragraaf 2 bedoelde bevoegde autoriteit hiervan in kennis te hebben gesteld, deze instelling verbieden om nog nieuwe verrichtingen in België uit te voeren. Hij kan de geldigheidsduur van dit verbod beperken en het opheffen, in voorkomend geval op basis van artikel 236, § 1, 4° en §§ 2 en 3. Dit lid is eveneens van toepassing in de gevallen bedoeld in artikel 236, § 5.

Indien de in paragraaf 2, eerste en tweede lid bedoelde overtredingen van een kredietinstelling, in weerwil van deze maatregelen, blijven aanhouden, neemt de toezichthouder, in voorkomend geval op verzoek van de FSMA, na de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst daarvan in kennis te hebben gesteld, de nodige maatregelen om de deposanten, de beleggers en andere cliënten en de goede werking van de markten te beschermen.

§ 4.De toezichthouder deelt aan de Europese Commissie en aan de Europese Autoriteit voor effecten en markten, volgens de frequentie die eerstgenoemde bepaalt, mee hoeveel en welke soort maatregelen zijn getroffen overeenkomstig paragraaf 3.

§ 5.De toezichthouder kan, op verzoek van de ter zake bevoegde autoriteit, de paragrafen 2 en 3 toepassen op een in artikel 312 of 313 bedoelde kredietinstelling, wanneer zij in België handelingen heeft gesteld die strijdig zijn met wettelijke of reglementaire bepalingen die, om redenen van algemeen belang, gelden op andere gebieden dan bedoeld in artikel 317.

§ 6....

§ 6.(vroeger § 7) De Bank brengt de FSMA op de hoogte van de met toepassing van de paragrafen 2 tot 5 genomen maatregelen.

De FSMA brengt de toezichthouder op de hoogte van de maatregelen die met toepassing van artikel 36 van de wet van 2 augustus 2002 werden genomen ten aanzien van de bijkantoren.

Art. 330

Bij intrekking of herroeping van de vergunning van een kredietinstelling door de bevoegde autoriteit van haar lidstaat van herkomst, beveelt de toezichthouder, na deze autoriteit hiervan in kennis te hebben gesteld, de sluiting van het bijkantoor dat deze instelling in België heeft gevestigd. Hij kan een voorlopige zaakvoerder aanstellen die waakt over de tegoeden van het bijkantoor in afwachting van een uitspraak omtrent hun bestemming en die gemachtigd is in het belang van de schuldeisers alle bewarende maatregelen te treffen.

Art. 331

§ 1.Voor de aangelegenheden die zijn toevertrouwd aan de Europese Centrale Bank met toepassing van artikel 4 van de GTM-verordening, in de gevallen waar een kredietinstelling die onder een deelnemende lidstaat ressorteert, in België een bijkantoor wenst te vestigen of werkzaamheden wenst aan te vatten in het kader van het vrij verrichten van diensten, zijn de bepalingen met betrekking tot de procedures tussen bevoegde autoriteiten en de daaraan verbonden bevoegdheden niet van toepassing.

§ 2.Wat betreft het toezicht op een bijkantoor of de werkzaamheden uitgeoefend in België in het kader van het vrij verrichten van diensten in de gevallen bedoeld in paragraaf 1, zijn de bepalingen inzake samenwerking en informatie-uitwisseling tussen bevoegde autoriteiten, evenals artikel 330, niet van toepassing, wanneer de Europese Centrale Bank de enige betrokken bevoegde autoriteit is.

§ 3.Evenzo, indien de Europese Centrale Bank de bevoegde autoriteit is voor een kredietinstelling die onder een deelnemende lidstaat ressorteert en die een bijkantoor heeft in België, verricht zij geen evaluatie van dit bijkantoor met het oog op de aanmerking ervan als significant bijkantoor in de zin van artikel 322 van deze wet.

Art. 332

Financiële instellingen die onder een andere lidstaat ressorteren en die ten aanzien van kredietinstellingen die onder deze lidstaat ressorteren en naar het oordeel van de bevoegde autoriteiten van die staat, voldoen aan de voorwaarden die overeenstemmen met deze bedoeld in artikel 92, eerste lid, zoals bepaald in het nationaal recht van de betrokken lidstaat, kunnen verzoeken om toepassing van de Hoofdstukken I tot V van deze Titel.