§ 1.Het openbaar ministerie kan, mits het wordt vermeld in het memorandum, met inachtneming van de proportionaliteit ten aanzien van het door de persoon bedoeld in artikel 216/1 gepleegde misdrijf en ten aanzien van het misdrijf waarover verklaringen worden afgelegd, daarbij in het bijzonder rekening houdend met de ernst van de eventuele gevolgen:
1°een lagere straf toezeggen met toepassing van de verzachtende omstandigheden, inzake de door de persoon bedoeld in artikel 216/1 gepleegde of gepoogde misdrijven met geweld of bedreiging en de misdrijven vervat in boek 2, titel 4, hoofdstuk 1, van het Strafwetboek;
2°...
2°een veroordeling bij schuldigverklaring kan zijn dan de wettelijk bepaalde minimumstraf, dan wel een straf onder elektronisch toezicht, een werkstraf of een probatiestraf toezeggen, inzake de door de persoon bedoeld in artikel 216/1 gepleegde of gepoogde misdrijven zonder geweld of bedreiging, met uitsluiting van de misdrijven vervat in boek 2, titel 4, hoofdstuk 1, van het Strafwetboek;
3°een verminderde geldboete, zelfs onder het wettelijk bepaalde minimum, of... verbeurdverklaring, zelfs bij een verplichte verbeurdverklaring, doch met uitzondering van de verbeurdverklaring van stoffen en voorwerpen die de openbare veiligheid of de veiligheid van personen in het gevaar brengen, toezeggen.
Er kunnen geen toezeggingen worden verricht over de straffen bedoeld in de artikelen 31 tot 34 van het Strafwetboek.
§ 2.Ingeval het memorandum wordt afgesloten tijdens het opsporingsonderzoek dagvaardt het openbaar ministerie de persoon bedoeld in artikel 216/1... en de gekende slachtoffers voor de bevoegde rechtbank of het bevoegde hof om uitspraak te doen over de bekrachtiging van het memorandum binnen een termijn die niet korter mag zijn dan tien dagen.
Het openbaar ministerie dagvaardt vervolgens binnen een termijn die niet korter mag zijn dan tien dagen de persoon bedoeld in artikel 216/1... en de gekende slachtoffers voor de bevoegde rechtbank of het bevoegde hof om uitspraak te doen over de straf overeenkomstig het bepaalde in artikel 216/9 en over de burgerlijke belangen.
§ 3.De toezegging door het openbaar ministerie wordt met redenen omkleed. De bevoegde rechtbank, het bevoegde hof of, tijdens het gerechtelijk onderzoek en bij de regeling van de rechtspleging, het bevoegde onderzoeksgerecht, hoort het openbaar ministerie en de persoon bedoeld in artikel 216/1 en zijn advocaat over het memorandum en over de feiten waarvoor de persoon bedoeld in artikel 216/1 wordt vervolgd.
In voorkomend geval hoort de bevoegde rechtbank, het bevoegde hof of het bevoegde onderzoeksgerecht ook het slachtoffer of zijn advocaat over de feiten. Het slachtoffer kan zich op de zitting van de bevoegde rechtbank, het bevoegde hof of, desgevallend, het bevoegde onderzoeksgerecht burgerlijke partij stellen.
De bevoegde rechtbank, het bevoegde hof of, tijdens het gerechtelijk onderzoek en bij de regeling van de rechtspleging, het bevoegde onderzoeksgerecht, verifieert de proportionaliteit van de toezegging bedoeld in paragraaf 1, of de wettelijke voorwaarden zijn nagekomen, of de persoon bedoeld in artikel 216/1 het memorandum uit vrije wil en weloverwogen heeft aanvaard, of de feiten met hun correcte juridische kwalificatie overeenstemmen, of de feiten waarvoor de persoon bedoeld in artikel 216/1 wordt vervolgd en waarop de toezegging slaat, overeenstemmen met de werkelijkheid, of de gronden tot verval niet aanwezig zijn, of de bereidheid tot vergoeding van de eventuele schade aanwezig is, of de persoon bedoeld in artikel 216/1 verklaringen heeft afgelegd die in verhouding staan tot de toezegging, en of de toepassing van artikel 216/1 noodzakelijk is om de waarheid aan het licht te brengen. Vervolgens bekrachtigt ze de toezegging en spreekt ze de overeengekomen straffen uit.
De beslissing tot bekrachtiging wordt met redenen omkleed. Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.
Indien het onderzoeksgerecht de toezegging heeft bekrachtigd, verwijst het de zaak... naar de bevoegde rechtbank of het bevoegde hof om uitspraak te doen over de straf overeenkomstig het bepaalde in artikel 216/9 en over de burgerlijke belangen.
Ingeval het misdrijf tot de bevoegdheid behoort van het hof van assisen, verwijst het onderzoeksgerecht de zaak naar de procureur-generaal bij het hof van beroep.
§ 4.De procedure van dit hoofdstuk kan niet meer toegepast worden na het arrest van verwijzing naar het hof van assisen overeenkomstig artikel 231.