Alle wetboeken › Sv.

BOEK II — TITEL I Opsporing en onderzoek (art. 137–216septies) › TITEL I - (POLITIERECHTBANKEN EN CORRECTIONELE RECHTBANKEN.)

HOOFDSTUK IIter - Toezeggingen in het kader van de strafvordering, de strafuitvoering of de hechtenis wegens het afleggen van een verklaring.

216/1–216/14

Art. 216/1

De procureur des Konings kan aan een persoon die substantiële, onthullende, oprechte en volledige verklaringen aflegt inzake de betrokkenheid van derden en desgevallend de eigen betrokkenheid, over gepleegde of gepoogde misdrijven bedoeld in artikel 90ter, §§ 2 tot 4, en die zijn opgenomen in een memorandum, een toezegging verlenen in het kader van de uitoefening van de strafvordering, in het kader van de strafuitvoering of in het kader van de hechtenis mits het onderzoek zulks vereist en de overige middelen van het onderzoek niet lijken te volstaan om de waarheid aan de dag te brengen.

De procureur des Konings organiseert een vertrouwelijk overleg met deze persoon en zijn advocaat met het oog op het formuleren van proportionele toezeggingen in het licht van de door deze persoon af te leggen verklaringen, van het door hem gepleegde misdrijf, van het misdrijf waarover verklaringen zullen worden afgelegd en de ernst van de eventuele gevolgen ervan, en van eventuele verzachtende omstandigheden.

De in dit hoofdstuk bedoelde mogelijkheid behoort ook toe, ten aanzien van dezelfde misdrijven, aan de arbeidsauditeur, de federale procureur en de procureur-generaal in hoger beroep en, ten aanzien van de personen bedoeld in artikel 479, aan de procureur-generaal bij het hof van beroep.

Art. 216/2

§ 1.De procureur des Konings en de persoon bedoeld in artikel 216/1 ondertekenen een schriftelijk memorandum. Het memorandum wordt gedateerd en bevat de volgende vermeldingen:

1°de identiteitsgegevens van de persoon bedoeld in artikel 216/1;

2°de naam van de advocaat die bijstand verleent aan de persoon bedoeld in artikel 216/1 bij het afsluiten van het memorandum;

3°de procureur des Konings van het gerechtelijk arrondissement waar de misdrijven waarover de persoon bedoeld in artikel 216/1 te kennen geeft een verklaring te zullen afleggen, werden gepleegd en de procureur des Konings van het gerechtelijk arrondissement waar tegen de persoon bedoeld in artikel 216/1 een opsporingsonderzoek of een gerechtelijk onderzoek loopt of waar hij veroordeeld is;

4°de nauwkeurige en omstandige opgave van:

a)de feiten die aan de persoon bedoeld in artikel 216/1 ten laste kunnen worden gelegd, waarvoor hij wordt vervolgd of waarvoor hij reeds veroordeeld is, alsmede de straffen die hem in dat laatste geval werden opgelegd, en de straffen die het voorwerp uitmaken van de toezegging van de procureur des Konings;

b)de feiten waarover de persoon bedoeld in artikel 216/1 te kennen geeft een verklaring te zullen afleggen;

c)de inhoud van de toezegging van de procureur des Konings;

d)de voorwaarden die met de toezegging van de procureur des Konings gepaard gaan, die in elk geval bestaan uit de voorwaarden opgenomen in artikel 216/6, 2° tot 6°;

e)de voorwaarden en de nadere regels die betrekking hebben op het afleggen van de verklaring door de persoon bedoeld in artikel 216/1;

f)de bereidheid tot het vergoeden van de schade.

§ 2.Het memorandum kan slechts worden afgesloten met:

1°een voorafgaand akkoord van de bevoegde procureurs-generaal;

2°een voorafgaand advies van de getuigenbeschermingscommissie wat betreft de mogelijkheid tot het nemen van beschermingsmaatregelen waar later over beslist kan worden;

3°een voorafgaand advies van de federale procureur;

Indien de persoon bedoeld in artikel 216/1 het voorwerp uitmaakt van een gerechtelijk onderzoek of diens verklaringen afgelegd worden in het kader van een lopend gerechtelijk onderzoek, geeft de onderzoeksrechter een voorafgaand en bindend advies over de stand van zaken van het gerechtelijk onderzoek. Hij voert hierbij een betrouwbaarheidscontrole uit teneinde na te gaan of de persoon bedoeld in artikel 216/1 werkelijk in staat is nuttige informatie te verstrekken in het kader van het zoeken naar de waarheid. De onderzoeksrechter kan steeds beslissen geen advies te verlenen indien hij dit niet opportuun acht.

§ 3.De bevoegde procureurs-generaal nemen een beslissing bij consensus.

§ 4.Het memorandum wordt gesloten en ondertekend in het bijzijn van een advocaat naar keuze van de persoon bedoeld in artikel 216/1 of een door de stafhouder aan hem toegewezen advocaat.

De persoon bedoeld in artikel 216/1 kan te allen tijde een vertrouwelijk overleg hebben met zijn advocaat buiten de aanwezigheid van de procureur des Konings.

§ 5.Het memorandum wordt opgesteld in drie ondertekende exemplaren. Eén exemplaar wordt overhandigd aan de persoon bedoeld in artikel 216/1, een tweede wordt toegevoegd aan het strafdossier betreffende het misdrijf waarvoor de persoon bedoeld in artikel 216/1 wordt vervolgd of werd veroordeeld en een derde wordt door de procureur des Konings bijgehouden.

Indien de verklaring van de persoon bedoeld in artikel 216/1 wordt aangewend in verschillende strafdossiers, wordt in elk van deze strafdossiers een voor eensluidend verklaard afschrift van het memorandum gevoegd.

Het exemplaar of het voor eensluidend verklaard afschrift van het memorandum wordt aan het desbetreffend strafdossier gevoegd uiterlijk op het ogenblik van de voeging van de eerste verklaring van de persoon bedoeld in artikel 216/1.

§ 6.De federale procureur houdt een register bij van alle opgestelde memoranda. Van elk door de procureur des Konings ondertekend memorandum wordt een voor eensluidend verklaard afschrift overgezonden aan de federale procureur en toegevoegd aan het register.

Art. 216/3

Het memorandum bedoeld in artikel 216/2 kan mits het akkoord van de procureur des Konings en van de persoon bedoeld in artikel 216/1 aangepast, aangevuld, of vervolledigd worden.

De paragrafen 4 tot 6 van artikel 216/2 zijn van overeenkomstige toepassing.

Art. 216/4

§ 1.Na de ondertekening van het memorandum gaat de persoon bedoeld in artikel 216/1 binnen de termijn opgelegd in het memorandum over tot het afleggen van zijn verklaring.

§ 2.De persoon bedoeld in artikel 216/1 moet gevolg geven aan elke oproeping door het openbaar ministerie, de onderzoeksrechter en de onderzoeks- en vonnisgerechten.

§ 3.Verklaringen die door de persoon bedoeld in artikel 216/1 worden afgelegd mogen alleen in aanmerking genomen worden als bewijs op voorwaarde dat zij in afdoende mate steun vinden in andere bewijsmiddelen.

In elk proces-verbaal waarin een verklaring van de persoon bedoeld in artikel 216/1 ter uitvoering van het memorandum wordt opgenomen, wordt melding gemaakt van het memorandum.

§ 4.Aan een persoon bedoeld in artikel 216/1 kan noch gedeeltelijke anonimiteit in de zin van de artikelen 75bis en 155bis, noch volledige anonimiteit in de zin van artikel 86bis worden toegekend.

§ 5.Indien de persoon bedoeld in artikel 216/1 in dezelfde zaak ook optreedt als burgerinfiltrant in het kader van een burgerinfiltratie zoals bepaald in onderafdeling 4bis van boek I, hoofdstuk IV, afdeling III, maakt het openbaar ministerie hiervan onverwijld melding in het vertrouwelijk dossier bedoeld in artikel 47novies/3, § 1, tweede lid.

Het openbaar ministerie vermeldt in een proces-verbaal dat de persoon bedoeld in artikel 216/1 in dezelfde zaak heeft opgetreden als burgerinfiltrant. Het proces-verbaal wordt slechts door het openbaar ministerie bij het strafdossier gevoegd op het ogenblik dat de kamer van inbeschuldigingstelling kennisneemt van de zaak op basis van artikel 235ter.

Art. 216/5

Behoudens indien de zaak reeds aanhangig werd gemaakt voor de feitenrechter, onderzoekt de kamer van inbeschuldigingstelling op vordering van het openbaar ministerie de regelmatigheid van de bijzondere opsporingsmethoden observatie, infiltratie en burgerinfiltratie en van de maatregel bedoeld in artikel 46sexies indien daarbij een vertrouwelijk dossier werd aangelegd, die werden toegepast in het kader van een gerechtelijk onderzoek of van een opsporingsonderzoek ten laste van de persoon bedoeld in artikel 216/1 vooraleer het memorandum wordt bekrachtigd.

In dat geval hoort de kamer van inbeschuldigingstelling de persoon bedoeld in artikel 216/1 en zijn advocaat, in voorkomend geval het slachtoffer en zijn advocaat in aanwezigheid van de procureur-generaal, en afzonderlijk buiten hun aanwezigheid, de opmerkingen van de procureur-generaal.

Artikel 235quater, § 2, tweede lid, en §§ 3 en 4, en artikel 235ter, § 5, zijn van toepassing. Het arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling geldt slechts voorlopig ten aanzien van andere in hetzelfde gerechtelijk onderzoek of opsporingsonderzoek betrokken partijen.

Art. 216/6

De toezegging kan worden herroepen:

1°indien de persoon bedoeld in artikel 216/1 de door hem in het memorandum aanvaarde voorwaarden niet heeft nageleefd;

2°indien de persoon bedoeld in artikel 216/1 voor misdrijven gepleegd na datum van het sluiten van het memorandum bij vonnis of arrest dat in kracht van gewijsde is gegaan wordt veroordeeld tot een hoofdgevangenisstraf van ten minste zes maanden;

3°indien de persoon bedoeld in artikel 216/1 niet overgaat tot het afleggen van de verklaringen zoals bepaald in het memorandum;

4°indien de persoon bedoeld in artikel 216/1 de schade weigert te vergoeden;

5°indien de persoon bedoeld in artikel 216/1, wetens en willens, onvolledige, onoprechte of niet-onthullende verklaringen betreffende de bedoelde feiten heeft afgelegd;

6°indien de persoon bedoeld in artikel 216/1, teneinde de vervolging betreffende de bedoelde feiten te belemmeren, heeft gepoogd bewijzen te laten verdwijnen of zich te verstaan met derden.

Art. 216/7

§ 1.Het openbaar ministerie kan, mits het wordt vermeld in het memorandum, met inachtneming van de proportionaliteit ten aanzien van het door de persoon bedoeld in artikel 216/1 gepleegde misdrijf en ten aanzien van het misdrijf waarover verklaringen worden afgelegd, daarbij in het bijzonder rekening houdend met de ernst van de eventuele gevolgen:

1°een lagere straf toezeggen met toepassing van de verzachtende omstandigheden, inzake de door de persoon bedoeld in artikel 216/1 gepleegde of gepoogde misdrijven met geweld of bedreiging en de misdrijven vervat in boek 2, titel 4, hoofdstuk 1, van het Strafwetboek;

2°...

2°een veroordeling bij schuldigverklaring kan zijn dan de wettelijk bepaalde minimumstraf, dan wel een straf onder elektronisch toezicht, een werkstraf of een probatiestraf toezeggen, inzake de door de persoon bedoeld in artikel 216/1 gepleegde of gepoogde misdrijven zonder geweld of bedreiging, met uitsluiting van de misdrijven vervat in boek 2, titel 4, hoofdstuk 1, van het Strafwetboek;

3°een verminderde geldboete, zelfs onder het wettelijk bepaalde minimum, of... verbeurdverklaring, zelfs bij een verplichte verbeurdverklaring, doch met uitzondering van de verbeurdverklaring van stoffen en voorwerpen die de openbare veiligheid of de veiligheid van personen in het gevaar brengen, toezeggen.

Er kunnen geen toezeggingen worden verricht over de straffen bedoeld in de artikelen 31 tot 34 van het Strafwetboek.

§ 2.Ingeval het memorandum wordt afgesloten tijdens het opsporingsonderzoek dagvaardt het openbaar ministerie de persoon bedoeld in artikel 216/1... en de gekende slachtoffers voor de bevoegde rechtbank of het bevoegde hof om uitspraak te doen over de bekrachtiging van het memorandum binnen een termijn die niet korter mag zijn dan tien dagen.

Het openbaar ministerie dagvaardt vervolgens binnen een termijn die niet korter mag zijn dan tien dagen de persoon bedoeld in artikel 216/1... en de gekende slachtoffers voor de bevoegde rechtbank of het bevoegde hof om uitspraak te doen over de straf overeenkomstig het bepaalde in artikel 216/9 en over de burgerlijke belangen.

§ 3.De toezegging door het openbaar ministerie wordt met redenen omkleed. De bevoegde rechtbank, het bevoegde hof of, tijdens het gerechtelijk onderzoek en bij de regeling van de rechtspleging, het bevoegde onderzoeksgerecht, hoort het openbaar ministerie en de persoon bedoeld in artikel 216/1 en zijn advocaat over het memorandum en over de feiten waarvoor de persoon bedoeld in artikel 216/1 wordt vervolgd.

In voorkomend geval hoort de bevoegde rechtbank, het bevoegde hof of het bevoegde onderzoeksgerecht ook het slachtoffer of zijn advocaat over de feiten. Het slachtoffer kan zich op de zitting van de bevoegde rechtbank, het bevoegde hof of, desgevallend, het bevoegde onderzoeksgerecht burgerlijke partij stellen.

De bevoegde rechtbank, het bevoegde hof of, tijdens het gerechtelijk onderzoek en bij de regeling van de rechtspleging, het bevoegde onderzoeksgerecht, verifieert de proportionaliteit van de toezegging bedoeld in paragraaf 1, of de wettelijke voorwaarden zijn nagekomen, of de persoon bedoeld in artikel 216/1 het memorandum uit vrije wil en weloverwogen heeft aanvaard, of de feiten met hun correcte juridische kwalificatie overeenstemmen, of de feiten waarvoor de persoon bedoeld in artikel 216/1 wordt vervolgd en waarop de toezegging slaat, overeenstemmen met de werkelijkheid, of de gronden tot verval niet aanwezig zijn, of de bereidheid tot vergoeding van de eventuele schade aanwezig is, of de persoon bedoeld in artikel 216/1 verklaringen heeft afgelegd die in verhouding staan tot de toezegging, en of de toepassing van artikel 216/1 noodzakelijk is om de waarheid aan het licht te brengen. Vervolgens bekrachtigt ze de toezegging en spreekt ze de overeengekomen straffen uit.

De beslissing tot bekrachtiging wordt met redenen omkleed. Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.

Indien het onderzoeksgerecht de toezegging heeft bekrachtigd, verwijst het de zaak... naar de bevoegde rechtbank of het bevoegde hof om uitspraak te doen over de straf overeenkomstig het bepaalde in artikel 216/9 en over de burgerlijke belangen.

Ingeval het misdrijf tot de bevoegdheid behoort van het hof van assisen, verwijst het onderzoeksgerecht de zaak naar de procureur-generaal bij het hof van beroep.

§ 4.De procedure van dit hoofdstuk kan niet meer toegepast worden na het arrest van verwijzing naar het hof van assisen overeenkomstig artikel 231.

Art. 216/8

De beslissing tot afwijzing van de toezegging wordt met redenen omkleed. Indien, nadat de toezegging wordt afgewezen, een nieuw memorandum wordt voorgelegd, wordt de zaak tegen de persoon bedoeld in artikel 216/1 toegewezen aan een anders samengestelde kamer.

Indien de toezegging wordt afgewezen en geen nieuw memorandum wordt voorgelegd, kunnen het ondertekende memorandum en de documenten die werden opgemaakt en de verklaringen die werden afgelegd in het kader van de procedure, door de persoon bedoeld in artikel 216/1, niet dienen om zijn veroordeling te ondersteunen. Zij kunnen niet ten laste van de persoon bedoeld in artikel 216/1 worden aangewend in een andere strafrechtelijke, burgerrechtelijke, administratieve, arbitrale of andere procedure en ze zijn niet toelaatbaar als bewijs, zelfs niet als buitengerechtelijke bekentenis.

Art. 216/9

Het openbaar ministerie vordert, binnen de perken van de op het misdrijf gestelde straffen en binnen de perken van de wet, de straf die van toepassing wordt ingeval de persoon bedoeld in artikel 216/1 de voorwaarden zoals opgenomen in het memorandum overeenkomstig artikel 216/6 niet nakomt of niet heeft nagekomen.

De bevoegde rechtbank of het bevoegde hof beslist binnen de perken van de op het misdrijf gestelde straffen, alsook van de wet op grond waarvan de zaak voor de rechtbank of het hof werd gebracht, over de straf die overeenkomstig het eerste lid wordt gevorderd en waarvan de tenuitvoerlegging wordt uitgesteld mits de voorwaarden worden nagekomen. De bevoegde rechtbank of het hof doet uitspraak over de burgerlijke belangen.

Art. 216/10

§ 1.Ingeval het misdrijf tot de bevoegdheid behoort van het hof van assisen laat de procureur-generaal de dagvaarding voor de preliminaire zitting betekenen aan de persoon bedoeld in artikel 216/1, aan de burgerlijke partij, en aan hun advocaten. De artikelen 274 en 276 tot 279 zijn van toepassing op de persoon bedoeld in artikel 216/1. Enkel de getuigen die gegevens kunnen bijbrengen met betrekking tot de ernst van de feiten en de strafmaat worden opgenomen in de lijst bedoeld in artikel 278.

§ 2.De procureur-generaal laat in een exploot aan de persoon bedoeld in artikel 216/1 en aan de burgerlijke partij betekenen:

1°het arrest betreffende de preliminaire zitting,

2°de dagvaarding om te verschijnen op de zitting die wordt gewijd aan de samenstelling van de jury, en

3°de dagvaarding om te verschijnen op de zitting om uitspraak te doen over de straf overeenkomstig het bepaalde in artikel 216/9.

Artikel 285, §§ 2 en 3, is van toepassing op de procedure ten aanzien van de persoon bedoeld in artikel 216/1.

§ 3.De volgende artikelen zijn van toepassing op de persoon bedoeld in artikel 216/1:

1°voor wat betreft de ambtsverrichtingen van de voorzitter: de artikelen 254 tot 256 voor wat betreft de beschuldigde;

2°voor wat betreft de ambtsverrichtingen van de procureur-generaal: de artikelen 260, 264, 265, 266 en 273;

3°voor wat betreft de rechtspleging voor het hof van assisen, inbegrepen de ambtsverrichtingen van de voorzitter en van de procureur-generaal: de artikelen 280, eerste tot derde lid, 281, § 1, 281, § 2, behoudens de bepalingen die de schuld betreffen, 282, 283, 284, 284bis, en 286;

4°voor wat betreft de samenstelling van de jury: de artikelen 287 tot 289, 290, 292, derde lid, 293 tot 318, 321 en 340.

§ 4.De procureur-generaal vordert de straf die van toepassing wordt ingeval de persoon bedoeld in artikel 216/1 de voorwaarden zoals opgenomen in het memorandum overeenkomstig artikel 216/6 niet nakomt of niet heeft nagekomen.

De voorzitter verleent het woord aan de persoon bedoeld in artikel 216/1 en zijn raadsman.

De burgerlijke partij kan vorderen dat de te verbeuren zaken die aan haar toebehoren, aan haar worden teruggegeven.

De artikelen 343 tot 346 zijn van toepassing op de persoon bedoeld in artikel 216/1.

De artikelen 347 tot 352 zijn van toepassing op de behandeling van de burgerlijke vordering.

De artikelen 353 tot 355 zijn samen met artikel 359 van toepassing op de persoon bedoeld in artikel 216/1.

Art. 216/11

Indien het openbaar ministerie meent dat de persoon bedoeld in artikel 216/1 de voorwaarden zoals opgenomen in het memorandum overeenkomstig artikel 216/6 niet nakomt of niet heeft nagekomen binnen de termijn die gelijk is aan de duur van de straf die uitgesproken is overeenkomstig artikel 216/9, tweede lid, vordert het bij de rechtbank of het hof de toepassing van de straf die door die rechtbank of dat hof is uitgesproken. Bij niet-naleving van de voorwaarden bedoeld in artikel 216/6, 5° en 6°, bedraagt deze termijn ten minste vijf jaar.

De procureur-generaal bij het hof van beroep vordert de toepassing van de straf die overeenkomstig artikel 216/10 door het hof van assisen is uitgesproken. Het hof, zonder de jury, doet op met redenen omklede wijze uitspraak over de toepassing van deze straf.

De rechtbank of het hof hoort de persoon bedoeld in artikel 216/1 en zijn advocaat en het openbaar ministerie.

Indien het voorwaarden betreft die in het belang van het slachtoffer zijn opgelegd, wordt het slachtoffer hieromtrent gehoord. Het slachtoffer kan zijn opmerkingen voordragen.

De rechtbank of het hof doet op autonome en gemotiveerde wijze uitspraak over de toepassing van deze straf.

Art. 216/12

Het openbaar ministerie kan, mits het wordt vermeld in het memorandum, met inachtneming van de proportionaliteit ten aanzien van het door de persoon bedoeld in artikel 216/1 gepleegde misdrijf en ten aanzien van het misdrijf waarover verklaringen worden afgelegd, daarbij in het bijzonder rekening houdend met de ernst van de eventuele gevolgen, en indien de persoon bedoeld in artikel 216/1 geen gevaar oplevert voor de openbare veiligheid, toezeggen:

1°een gunstig advies als bepaald in titel VI van de wet van 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten, uit te brengen;

2°binnen zijn bevoegdheden, een gunstige beslissing in het kader van de strafuitvoering te nemen.

Art. 216/13

Het openbaar ministerie kan, mits het wordt vermeld in het memorandum, met inachtneming van de proportionaliteit ten aanzien van het door de persoon bedoeld in artikel 216/1 gepleegde misdrijf en ten aanzien van het misdrijf waarover verklaringen worden afgelegd, en mits een voorafgaand akkoord van de directeur-generaal van de Penitentiaire inrichtingen een toezegging verrichten inzake de plaatsing en overplaatsing als bedoeld in artikel 18 van de basiswet van 12 januari 2005 betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden.

Deze toezegging kan geen afbreuk doen aan de bevoegdheden van de gevangenisdirecteur in het kader van de tucht, orde en veiligheid binnen de gevangenis.

De minister bevoegd voor justitie neemt de noodzakelijke maatregelen met betrekking tot de uitvoering van de faciliteiten die verband houden met de plaatsing en overplaatsing. De tenuitvoerlegging van de maatregelen binnen de gevangenis wordt verzorgd door het directoraat-generaal Penitentiaire inrichtingen.

Art. 216/14

De minister bevoegd voor justitie brengt elk jaar verslag uit aan de Kamer van volksvertegenwoordigers over de toepassing van de artikelen 216/1 tot 216/13.

Hij brengt de Kamer van volksvertegenwoordigers op de hoogte van het aantal opsporingsonderzoeken en gerechtelijke onderzoeken die aanleiding gegeven hebben tot de maatregelen bedoeld in die artikelen, van het aantal betrokken personen en van de behaalde resultaten.