Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt onder een bij een misdrijf betrokken magistraat verstaan hij die van het plegen van een misdrijf verdacht, in verdenking gesteld, beklaagd of beschuldigd wordt en die op het moment van het misdrijf of op het moment van de vervolging een van volgende ambten bekleedt:
-vrederechter of rechter in de politierechtbank met uitzondering van de plaatsvervangende rechters;
-magistraat in of bij de rechtbank van eerste aanleg, de arbeidsrechtbank of de ondernemingsrechtbank, met uitzondering van de rechters in sociale zaken, de rechters in ondernemingszaken of de plaatsvervangende rechters;
-magistraat in of bij het Hof van Cassatie, het hof van beroep of het arbeidshof, met uitzondering van de raadsheren in sociale zaken of de plaatsvervangende raadsheren;
-elke andere magistraat van het openbaar ministerie;
-magistraat van het Grondwettelijk Hof, de Raad van State, het auditoraat bij de Raad van State, het Rekenhof of de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen;
-referendaris bij het Hof van Cassatie;
-referendaris bij het Grondwettelijk Hof.
Dit hoofdstuk is niet van toepassing op handelingen door de bij een misdrijf betrokken magistraat gesteld na zijn opruststelling, tenzij hij het ambt van plaatsvervangend magistraat bekleedt of zijn ambt verder uitoefent overeenkomstig de artikelen 156bis, 383, §§ 2 tot 4, en 383bis van het Gerechtelijk Wetboek.
(NOTA: bij arrest nr. 125/2025 van 25-09-2025 (2025-09-25/14, B.St. 15-10-2025, p. 80143), heeft het Grondwettelijk Hof in artikel 479, eerste lid, eerste streepje, van het Wetboek van strafvordering de woorden " met uitzondering van de plaatsvervangende rechters ", in artikel 479, eerste lid, tweede streepje, van hetzelfde Wetboek de woorden " of de plaatsvervangende rechters " en in artikel 479, eerste lid, derde streepje, van hetzelfde Wetboek de woorden " of de plaatsvervangende raadsheren " vernietigd)