Alle wetboeken › Sv.

BOEK II — TITEL II Rechtspleging voor de vonnisgerechten (art. 217–406) › TITEL II - Het hof van assisen

Hoofdstuk VII De rechtsmiddelen

355–359

Art. 355

De arresten van het hof van assisen kunnen, onder voorbehoud van de toepassing van de artikelen van afdeling 2, slechts worden bestreden door het rechtsmiddel van cassatie en in de vorm bij de wet bepaald.

Art. 356

De arresten van het hof van assisen houdende veroordeling bij verstek van de beschuldigde worden aan deze laatste betekend.

De bij verstek veroordeelde kan in verzet komen op de wijze bepaald in artikel 187 met uitzondering van paragraaf 6.

Art. 357

Het verzet wordt betekend aan de procureur-generaal en aan de partijen tegen wie het gericht is.

Art. 358

De kamer van inbeschuldigingstelling doet uitspraak over de ontvankelijkheid van het verzet. Indien de eiser in verzet of de advocaat die hem vertegenwoordigt niet verschijnt, wordt het verzet ongedaan verklaard.

Zo het verzet ontvankelijk wordt verklaard, wordt de veroordeling nietig verklaard en wordt de zaak berecht overeenkomstig de bepalingen van de hoofdstukken V en VI van deze titel.

Art. 359

De veroordeelde heeft vijftien dagen na de dag waarop het arrest op tegenspraak is uitgesproken, om ter griffie te verklaren dat hij een eis tot cassatie instelt.

De procureur-generaal kan binnen dezelfde termijn ter griffie verklaren dat hij zich in cassatie voorziet tegen het arrest.

De burgerlijke partij beschikt ook over dezelfde termijn; maar zij kan de eis tot cassatie slechts instellen ten opzichte van de beschikkingen betreffende haar burgerlijke belangen.

De tenuitvoerlegging van het arrest van het hof is geschorst gedurende die vijftien dagen en, indien er een voorziening in cassatie is ingesteld, tot de uitspraak van het arrest van het Hof van Cassatie.

De regels uit Boek II, Titel III, Hoofdstuk II zijn van toepassing.