Alle wetboeken › Sw. 2024

Boek 1 Algemene regels van het strafrecht › Hoofdstuk 4 Straffen

Afdeling 1 Algemeen

27–32

Art. 27

Doelstellingen van de straf

Bij de keuze van de straf en het bepalen van de strafmaat, streeft de rechter de volgende doelen na:

1°het uiting geven aan de maatschappelijke afkeuring ten aanzien van de overtreding van de strafwet;

2°het bevorderen van het herstel van het maatschappelijk evenwicht en van het herstel van de door het misdrijf veroorzaakte schade;

3°het bevorderen van de maatschappelijke rehabilitatie en re-integratie van de dader;

4°het beschermen van de maatschappij.

Binnen de grenzen van de wet moet de rechter naar een rechtvaardige proportionaliteit tussen het misdrijf en de straf zoeken.

Alvorens een straf uit te spreken, moet de rechter deze doelstellingen in overweging nemen, maar ook de ongewenste neveneffecten van de straf ten aanzien van de rechtstreeks betrokken personen, hun omgeving en de samenleving.

De gevangenisstraf is de laatst te overwegen straf, die slechts kan worden uitgesproken wanneer de strafdoelen niet kunnen worden bereikt met een van de andere straffen of maatregelen waarin de wet voorziet.

Indien de rechter een straf van niveau 2 gepast acht ter bestraffing van het misdrijf en binnen dit strafniveau kiest voor de gevangenisstraf, motiveert hij waarom de doelstellingen van de straf niet door een van de andere straffen van niveau 2 kunnen worden bereikt.

Art. 28

Verzwarende factoren

De wet kan voorzien in verzwarende factoren die de rechter in overweging moet nemen wanneer hij de straf of de maatregel en de zwaarte ervan kiest, zonder dat hij een straf van een hoger niveau mag opleggen.

Art. 29

De discriminerende drijfveer

De discriminerende drijfveer van de dader is een verzwarende factor bij alle misdrijven, behoudens in die gevallen waarin de wet van de discriminerende drijfveer een verzwarend bestanddeel maakt.

Een misdrijf wordt geacht te zijn gepleegd vanuit een discriminerende drijfveer wanneer een van de drijfveren van de dader bestaat uit de haat tegen, het misprijzen van of de vijandigheid tegen een persoon wegens diens zogenaamd ras, huidskleur, afkomst, nationale of etnische afstamming, nationaliteit, geslacht, zwangerschap, bevalling, het geven van borstvoeding, medisch begeleide voortplanting, moederschap, gezinsverantwoordelijkheden, medische of sociale transitie, genderidentiteit, genderexpressie, seksekenmerken, seksuele oriëntatie, burgerlijke staat, geboorte, leeftijd, vermogen, geloof of levensbeschouwing, gezondheidstoestand, handicap, taal, politieke overtuiging, syndicale overtuiging, fysieke of genetische eigenschap of sociale afkomst en positie, ongeacht of dit criterium daadwerkelijk aanwezig is of slechts vermeend is door de dader.

Hetzelfde geldt wanneer een van de drijfveren van de dader erin bestaat dat het slachtoffer een band of vermeende band heeft met een persoon ten aanzien van wie hij haat, misprijzen of vijandigheid koestert wegens een of meer van de in het tweede lid aangehaalde werkelijke of vermeende criteria.

Art. 30

Verzachtende omstandigheden

Wanneer de rechter oordeelt dat hij verzachtende omstandigheden in aanmerking kan nemen, vermindert of wijzigt hij de straffen in de mate en volgens de voorwaarden vermeld in dit hoofdstuk.

Art. 31

Voorlichtingsrapport

Met het oog op het opleggen van de meest geschikte straf of maatregel aan een natuurlijk persoon kan het openbaar ministerie of de rechter bij wie de zaak aanhangig werd gemaakt, aan de bevoegde dienst van de gemeenschappen van het gerechtelijk arrondissement van de verblijfplaats van de beklaagde of de beschuldigde de opdracht geven een voorlichtingsrapport op te stellen teneinde de pertinente informatie te verstrekken die van aard is de rechter in te lichten over de opportuniteit van de mogelijke straffen of maatregelen. De Koning bepaalt de inhoud en de nadere regels betreffende het opstellen van het voorlichtingsrapport.

Art. 32

Advies van een deskundige of dienst gespecialiseerd in de begeleiding of behandeling van seksuele of terroristische delinquenten

Indien de beklaagde of de beschuldigde wordt vervolgd voor een misdrijf bedoeld in boek II, titel 4, hoofdstuk 1 of een misdrijf tegen de seksuele integriteit of het seksuele zelfbeschikkingsrecht, wint het openbaar ministerie of de rechter bij wie de zaak aanhangig werd gemaakt, met het oog op het opleggen van de meest geschikte straf of maatregel, het gemotiveerd advies in van een deskundige of dienst gespecialiseerd in de begeleiding of de behandeling van seksuele of terroristische delinquenten.

In afwijking van het eerste lid is het openbaar ministerie of de rechter niet verplicht het bedoelde advies in te winnen indien het niet strikt noodzakelijk is.