Alle wetboeken › KB ZIV

TITEL III - Uitkerings- en moederschapsverzekering. › HOOFDSTUK I - Organen. › Afdeling II - Geneeskundige raad voor invaliditeit.

F Gemene bepalingen ter zake van de artsen van de Dienst voor uitkeringen, leden van de Geneeskundige raad voor invaliditeit, van de afdelingen van de Hoge commissie en van de Hoge commissie van de Geneeskundige raad voor invaliditeit

178–187

Art. 178

Het secretariaat van de Hoge commissie en van de afdelingen van de Hoge commissie, wordt waargenomen door personeelsleden die worden aangewezen door de leidend ambtenaar van de Dienst voor uitkeringen.

Art. 179

Als een lid van de Hoge commissie verhinderd is om zitting te houden, moet het de nodige schikkingen treffen om in zijn vervanging door een plaatsvervangend lid van dezelfde commissie te voorzien.

Art. 180

Een plaatsvervangend lid houdt enkel zitting bij afwezigheid van een werkend lid.

Het plaatsvervangend lid kan echter wel de zittingen van de Hoge commissie bijwonen, zonder stemgerechtigd te zijn, in geval van aanwezigheid van het werkend lid.

Art. 181

De Hoge commissie houdt geldig zitting, indien ten minste de helft van de leden aanwezig is.

De beslissingen worden bij eenvoudige meerderheid genomen. Bij staking van stemmen, is de stem van de voorzitter beslissend.

Art. 182

De afdelingen van de Hoge commissie houden geldig zitting als hun twee leden bedoeld in artikel 170 aanwezig zijn.

Art. 185

De beslissingen van de Hoge commissie... en van de arts van de Dienst voor uitkeringen, lid van de Geneeskundige raad voor invaliditeit, worden gemotiveerd.

Art. 186

Ter vervulling van de opdrachten die zij moeten volbrengen kunnen de leden van de Geneeskundige raad voor invaliditeit van de verzekeringsinstellingen en van hun adviserend artsen en medewerkers van het multidisciplinaire team alsook van de erkende controlediensten, bedoeld in artikel 91 van de gecoördineerde wet, alle door hen nuttig geachte inlichtingen eisen.

Art. 187

De leden van de Hoge commissie... worden benoemd voor zes jaar.

Het mandaat van de uittredende leden kan worden hernieuwd.

Binnen drie maanden wordt in de vervanging voorzien van ieder lid dat, vóór de normale afloopdatum van zijn mandaat niet langer deel uitmaakt van de Hoge commissie....

Het aldus aangewezen nieuw lid voleindigt het mandaat van het lid dat het vervangt.

De bepalingen van dit artikel gelden niet voor de leden bedoeld in de artikelen 168, 1° en 170, 2°.