Alle wetboeken › ZIV-wet

TITEL IV - Uitkeringsverzekering. › HOOFDSTUK III - Uitkeringen.

Afdeling V - Gemeenschappelijke bepalingen ter zake van de uitkeringen.

100–109

Art. 100

(100)§ 1. Wordt als arbeidsongeschikt erkend als bedoeld in deze gecoördineerde wet, de werknemer die alle werkzaamheid heeft onderbroken als rechtstreeks gevolg van het intreden of het verergeren van letsels of functionele stoornissen waarvan erkend wordt dat ze zijn vermogen tot verdienen verminderen tot een derde of minder dan een derde van wat een persoon, van dezelfde stand en met dezelfde opleiding, kan verdienen door zijn werkzaamheid in de beroepencategorie waartoe de beroepsarbeid behoort, door betrokkene verricht toen hij arbeidsongeschikt is geworden, of in de verschillende beroepen die hij heeft of zou kunnen uitoefenen hebben uit hoofde van zijn beroepsopleiding.

(Vrijwilligerswerk in de zin van de wet van 3 juli 2005 betreffende de rechten van vrijwilligers wordt niet beschouwd als werkzaamheid, voor zover de adviserende geneesheer... vaststelt dat deze activiteiten verenigbaar zijn met de algemene gezondheidstoestand van de betrokkene.)

Een activiteit bedoeld in artikel 17, § 1, eerste lid, 1° en 3° tot 7°, van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders verricht op de eerste dag van de arbeidsongeschiktheid, wordt echter niet beschouwd als een werkzaamheid, voor zover deze activiteit een loutere voortzetting is van de uitvoering van een overeenkomst die reeds vóór de aanvang van de arbeidsongeschiktheid werd gesloten en effectief is uitgevoerd.

Een activiteit in het kader van niet-rechtstreekse toegankelijke zorg en ondersteuning voor een persoon met een handicap die wordt gefinancierd via een persoonlijk assistentiebudget overeenkomstig het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 7 mei 2004 tot oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap of via een persoonsvolgend budget overeenkomstig het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 25 april 2014 houdende de persoonsvolgende financiering voor personen met een handicap en tot hervorming van de wijze van financiering van de zorg en ondersteuning voor personen met een handicap en die wordt verricht op de eerste dag van de arbeidsongeschiktheid, wordt echter niet beschouwd als een werkzaamheid, voor zover deze activiteit een loutere voortzetting is van de uitvoering van een overeenkomst die reeds vóór de aanvang van de arbeidsongeschiktheid werd gesloten en effectief is uitgevoerd.

Het werk van mantelzorger in de zin van artikel 3 van de wet van 12 mei 2014 betreffende de erkenning van de mantelzorger wordt niet beschouwd als werkzaamheid voor zover de adviserend arts voorafgaandelijk de uitoefening van dit werk vaststelt dat deze activiteiten verenigbaar zijn met de algemene gezondheidstoestand van de betrokkene.

Indien die werknemer bovendien een beroepsopleiding heeft verworven tijdens een tijdvak van herscholing, wordt met die nieuwe opleiding rekening gehouden ter waardering van de vermindering van zijn vermogen tot verdienen. De Koning bepaalt de voorwaarden waaronder en de termijn binnen welke de arbeidsongeschiktheid opnieuw geëvalueerd wordt na een programma van beroepsherscholing.

Nochtans wordt die vermindering van het vermogen tot verdienen, over de eerste zes maanden primaire arbeidsongeschiktheid, gewaardeerd ten aanzien van het gewone beroep van de betrokkene, in zover de oorzakelijke aandoening voor een gunstig verloop of voor genezing vatbaar is binnen een tamelijk korte tijdspanne.

Is een werknemer opgenomen in een door de Minister die de Volksgezondheid onder zijn bevoegdheid heeft, erkende verplegingsinrichting of in een militair ziekenhuis, dan wordt aangenomen dat hij de vereiste graad van arbeidsongeschiktheid bereikt.

De Koning kan, op voorstel van het Beheerscomité van de Dienst voor uitkeringen, de voorwaarden verruimen waaronder wordt aangenomen dat een werknemer de vereiste graad van arbeidsongeschiktheid bereikt.

De Koning kan, op voorstel van het Beheerscomité van de Dienst voor uitkeringen en in afwijking van de voorafgaande bepalingen, bijzondere voorwaarden en specifieke evaluatiecriteria vaststellen voor de categorieën van werknemers die Hij bepaalt.

§ 1/1.Als voor een arbeidsongeschikt erkende gerechtigde een re-integratie gelet op zijn arbeidspotentieel kan worden overwogen, wordt een "terug-naar-werk-traject" in samenspraak met deze gerechtigde opgestart.

Een "terug-naar-werk-traject" bedoeld in het eerste lid betreft elk traject dat tot doel heeft om de arbeidsongeschikt erkende gerechtigde na een doorverwijzing door de adviserend arts of de medewerker van het multidisciplinaire team op basis van een inschatting van zijn arbeidspotentieel of na een vraag van deze gerechtigde zelf, onder de coördinatie van, naargelang het geval, de preventieadviseur-arbeidsarts of de "terug-naar-werk-coördinator" zo snel mogelijk, naargelang het geval, te begeleiden of te ondersteunen bij het vinden van de gepaste begeleiding met het oog op de uitoefening van een tewerkstelling die past bij zijn mogelijkheden en noden.

Onverminderd het vorige lid, betreft een "terug-naar-werk-traject" bedoeld in het eerste lid ook elk traject dat tot doel heeft om, na een doorverwijzing van de arbeidsongeschikt erkende gerechtigde door, hetzij de adviserend arts of de medewerker van het multidisciplinaire team op basis van een inschatting van zijn arbeidspotentieel, hetzij de preventieadviseur-arbeidsarts overeenkomstig artikel I.4-76, § 3, van de codex over het welzijn op het werk, naar de bevoegde dienst of instelling van de Gewesten en de Gemeenschappen die deelneemt aan de socioprofessionele re-integratie, of na een rechtstreekse contactname door de arbeidsongeschikt erkende gerechtigde met deze bevoegde dienst of instelling van de Gewesten en de Gemeenschappen, deze gerechtigde zo snel mogelijk gepast te begeleiden met het oog op de uitoefening van een tewerkstelling die past bij zijn mogelijkheden en noden. De Koning bepaalt vanaf wanneer de arbeidsongeschikt erkende gerechtigde dit rechtstreekse contact kan opnemen.

De Koning bepaalt de minimale voorwaarden die moeten zijn vervuld om als "Terug Naar Werk-coördinator" binnen het ziekenfonds te kunnen fungeren, evenals de opdrachten van de "Terug Naar Werk-coördinator" in het kader van het "Terug Naar Werk-traject" bedoeld in het eerste lid.

De Koning bepaalt de betrokken actoren bij het opstellen van het multidisciplinair re-integratieplan bedoeld in het tweede lid, evenals de inhoud en de modaliteiten van dit re-integratieplan. Hij bepaalt eveneens de modaliteiten van de regelmatige opvolging van dit multidisciplinair re-integratieplan.

...

§ 1/2.In het kader van het "Terug Naar Werk-traject" van de arbeidsongeschikt erkende gerechtigde bedoeld in paragraaf 1/1 wordt een elektronisch "Terug Naar Werk-dossier" in de verzekeringsinstelling gecreëerd. De "Terug-Naar-Werk-coördinator", de adviserend arts en de medewerker van het multidisciplinaire team hebben toegang tot dit "Terug Naar Werk-dossier". De volgende categorieën van gegevens worden in dit "Terug Naar Werk-dossier" geregistreerd:

1°de identiteitsgegevens van de gerechtigde die deelneemt aan het "Terug Naar Werk-traject", namelijk het identificatienummer bedoeld in artikel 8 van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de sociale zekerheid, de naam, de voornaam, het geslacht, de geboortedatum en de hoofdverblijfplaats;

2°de gezondheidsgegevens verbonden met de inschatting van het functioneren en de mogelijkheden voor de gerechtigde om, mits begeleiding, terug aan het werk te gaan;

3°de loopbaangegevens van de gerechtigde;

4°de registratie door, naargelang het geval, de adviserend arts, de medewerker van het multidisciplinaire team of de "Terug Naar Werk-coördinator" van de verschillende contactmomenten en acties, inclusief het in voorkomend geval opgestelde multidisciplinair re-integratieplan, in de loop van het "Terug Naar Werk-traject".

De verwerking van de persoonsgegevens bedoeld in het vorige lid, beoogt de volgende verwerkingsdoeleinden na de uitdrukkelijke schriftelijke toestemming van de gerechtigde:

1°het beheer van het "Terug Naar Werk-traject" door de "Terug Naar Werk-coördinator" zoals de organisatie van de verschillende contactmomenten met de gerechtigde en de opvolging van de verschillende afgesproken geregistreerde acties;

2°de opvolging van het "Terug Naar Werk-traject" door de adviserend arts in samenspraak met de "Terug Naar Werk-coördinator";

3°de gegevensuitwisseling met elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die betrokken is in het kader van de uitvoering van het "Terug Naar Werk-traject" van deze gerechtigde om na zijn instemming de verschillende stappen van het voormelde traject uit te voeren en, in voorkomend geval, het multidisciplinair re-integratieplan op te stellen en de opvolging ervan te verrichten;

4°de gegevensuitwisseling met de preventieadviseur-arbeidsarts in het kader van de doorverwijzing van de door een arbeidsovereenkomst verbonden gerechtigde na zijn instemming en met de nodige ondersteuning... naar de preventieadviseur-arbeidsarts met het oog op de aanvraag tot een bezoek voorafgaand aan de werkhervatting bedoeld in artikel I.4-36 van de codex over het welzijn op het werk of de opstart van een re-integratietraject bedoeld in hoofdstuk VI van boek I, titel 4 van de voormelde codex, evenals wanneer de preventieadviseur-arbeidsarts wordt geïnformeerd dat voor deze gerechtigde in het kader van een "Terug Naar Werk-traject" nader wordt onderzocht welke aanpassings- en/of begeleidingsacties voor hem passend zijn.

De verzekeringsinstellingen treden, ieder in het kader van hun bevoegdheid, op als verwerkingsverantwoordelijke voor de persoonsgegevens bedoeld in het eerste lid.

De persoonsgegevens bedoeld in het eerste lid worden bewaard gedurende drie jaar. Deze termijn gaat in op 1 januari volgend op de afsluiting van het arbeidsongeschiktheidsdossier in de verzekeringsinstelling.

§ 1/3.Met het oog op een jaarlijkse evaluatie van de tijdens het vorige kalenderjaar uitgevoerde "Terug Naar Werk-trajecten" bedoeld in paragraaf 1/1 bezorgt de verzekeringsinstelling de gegevens met betrekking tot de verschillende acties in het "Terug Naar Werk-traject" van de betrokken arbeidsongeschikt erkende gerechtigden via een elektronisch bericht aan het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering dat als derde-ontvanger van deze gegevens fungeert. De Koning bepaalt de modaliteiten van deze evaluatie.

§ 1/4.Om te kunnen nagaan of het werk kan worden hervat met, in voorkomend geval, het aanvatten van een "terug-naar-werktraject" bedoeld in paragraaf 1/1, is de arbeidsongeschikt erkende gerechtigde ertoe gehouden:

1°op verzoek van de adviserend arts of de medewerker van het multidisciplinaire team de gegevens te bezorgen die noodzakelijk zijn voor de inschatting van zijn arbeidspotentieel, evenals een gevolg te geven aan de uitnodiging van de adviserend arts of de medewerker van het multidisciplinaire team voor een fysiek contact dat in voorkomend geval wordt georganiseerd als de voor deze inschatting van zijn arbeidspotentieel vereiste gegevens niet worden bezorgd;

2°een gevolg te geven aan de uitnodiging van de preventieadviseur-arbeidsarts bedoeld in artikel I.4-73, § 2, van de Codex over het welzijn op het werk voor een fysiek contact met het oog op een re-integratiebeoordeling;

3°een gevolg te geven aan de uitnodiging van de "terug-naar-werk-coördinator" voor een eerste contactmoment in het kader van het voormelde "terug-naar- werktraject".

Om de begeleidende acties binnen een "terug-naar-werktraject" bedoeld in paragraaf 1/1 te kunnen bepalen en te kunnen uitvoeren, is de arbeidsongeschikt erkende gerechtigde die niet verbonden is door een arbeidsovereenkomst en voldoende arbeidspotentieel heeft, ertoe gehouden:

1°zich binnen veertien dagen na de doorverwijzing in te schrijven bij de bevoegde dienst of instelling van de Gewesten en de Gemeenschappen die deelneemt aan de socioprofessionele re-integratie met het oog op een begeleiding door deze dienst of instelling;

2°een gevolg te geven aan de uitnodiging van de begeleider van de bevoegde dienst of instelling van de Gewesten en de Gemeenschappen die deelneemt aan de socioprofessionele re-integratie of van een partner van de voormelde dienst of instelling voor een contactmoment in het kader van zijn re-integratie.

De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, onder welke voorwaarden en nadere regels:

1°de toekenning van de uitkering wordt stopgezet wanneer de arbeidsongeschikt erkend gerechtigde zonder geldige rechtvaardiging afwezig is op de fysieke contacten bedoeld in het eerste lid, 1° en 2°,...;

2°het dagbedrag van de uitkering met 10 procent wordt verminderd wanneer de arbeidsongeschikt erkende gerechtigde zonder geldige rechtvaardiging afwezig is op het eerste contactmoment bedoeld in het eerste lid, 3°, of op het contactmoment bedoeld in het tweede lid, 2°, of wanneer de arbeidsongeschikt erkende gerechtigde zich zonder geldige rechtvaardiging niet overeenkomstig het tweede lid, 1°, heeft ingeschreven bij de bevoegde dienst of instelling van de Gewesten en de Gemeenschappen die deelneemt aan de socioprofessionele re-integratie.

Voor de toepassing van het derde lid kan de afwezigheid of de niet-inschrijving" van de gerechtigde worden gerechtvaardigd door elementen zowel van medische aard als van niet-medische aard.

§ 2.Wordt als arbeidsongeschikt erkend, de werknemer die een toegelaten arbeid hervat op voorwaarde dat hij, van een geneeskundig oogpunt uit, een vermindering van zijn vermogen van ten minste 50 pct. behoudt.

De Koning bepaalt binnen welke termijn en onder welke voorwaarden de toelating tot werkhervatting als bedoeld in het eerste lid wordt verleend.

De Koning bepaalt eveneens onder welke voorwaarden en in welke mate de uitkeringen worden toegekend in geval van niet naleving van de termijn of de voorwaarden bepaald met toepassing van het tweede lid.

De weigeringsbeslissing om de toelating tot werkhervatting te verlenen of de beslissing die een einde aan de arbeidsongeschiktheid stelt omdat de gerechtigde, van een geneeskundig oogpunt uit, geen vermindering van zijn vermogen van ten minste 50 pct behoudt, heeft uitwerking ten vroegste vanaf de dag na de datum van de verzending of overhandiging van de beslissing aan de gerechtigde. De Koning bepaalt onder welke voorwaarden en in welke mate de uitkeringen worden toegekend voor de periode die de ingangsdatum van de hogervermelde beslissingen voorafgaat.

Art. 101

(101)§ 1. De arbeidsongeschikt erkende gerechtigde die arbeid heeft verricht zonder de in artikel 100, § 2, bedoelde... toelating, of zonder de voorwaarden van de toelating te respecteren, wordt onderworpen aan een geneeskundig onderzoek om na te gaan of de erkenningsvoorwaarden voor de arbeidsongeschiktheid zijn vervuld op de datum van het onderzoek. De Koning bepaalt de termijn waarbinnen dit onderzoek uitgevoerd moet worden, te rekenen vanaf de vaststelling van de niet-toegelaten activiteit of van de mededeling ervan.

In geval van een negatieve beslissing, wordt een beslissing van einde van erkenning betekend aan de betrokkene binnen de termijn bepaald door de Koning.

§ 2.De gerechtigde bedoeld in paragraaf 1 moet de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen terugbetalen die hij ontvangen heeft voor de dagen of de periode tijdens welke hij de niet toegelaten arbeid heeft verricht, met inbegrip van de dagen wettelijke vakantie, de dagen vakantie krachtens algemeen verbindend verklaarde collectieve arbeidsovereenkomst en de dagen bijkomende vakantie opgenomen in het kader van deze niet toegelaten arbeid. Als de gerechtigde evenwel op zondag een niet toegelaten arbeid heeft verricht, wordt telkens de uitkering teruggevorderd die is toegekend voor de eerste voorafgaande vergoedbare dag waarop de gerechtigde geen arbeid heeft verricht.

Het Beheerscomité van de Dienst voor uitkeringen kan evenwel geheel of gedeeltelijk afzien van de terugvordering van de uitkeringen, bedoeld in het eerste lid, in behartigenswaardige gevallen en bij afwezigheid van een bedrieglijk opzet.

Deze beslissing houdt rekening met de evenredigheid die in acht genomen moet worden tussen de omvang van de terugvordering enerzijds, en de aard of de ernst van de tekortkoming van de gerechtigde aan zijn verplichtingen anderzijds.

In dit kader houdt het Comité met name rekening met de volgende elementen:

1°de sociale en financiële situatie van de gerechtigde, evenals elk ander persoonlijk pertinent gegeven;

2°de al dan niet onderwerping van de niet toegelaten activiteiten aan de sociale zekerheid;

3°de omvang van de voormelde activiteiten evenals de belangrijkheid van de betrokken inkomsten.

§ 3.De dagen of het tijdvak waarvoor de uitkeringen worden teruggevorderd, worden gelijkgesteld met vergoede dagen voor de vaststelling van de rechten van de gerechtigde op sociale zekerheidsprestaties, alsook van de personen die hij ten laste heeft.

Art. 102

Binnen de verzekeringsinstelling kan een ergotherapeut, een kinesitherapeut, een klinisch psycholoog of een verpleegkundige als medewerker van het multidisciplinaire team werkzaam zijn die overeenkomstig de voorwaarden vastgesteld in de bepalingen van deze gecoördineerde wet en haar uitvoeringsbesluiten belast is met de volgende opdrachten:

1°de ondersteuning van de adviserend arts bij de evaluatie van de staat van arbeidsongeschiktheid, evenals de inschatting van het arbeidspotentieelen de eraan gekoppelde categorisering van de arbeidsongeschikt erkende gerechtigde met in voorkomend geval het verstrekken van een toelichting over de re-integratiemogelijkheden;

2°het toekennen van de verlenging van de toelating verstrekt door de adviserend arts om tijdens de periode van arbeidsongeschiktheid de arbeid te hervatten;

3°de evaluatie van het onontbeerlijke karakter van de behoefte aan andermans hulp met het oog op de toekenning van de forfaitaire tegemoetkoming voor hulp van derden.

Art. 103

§ 1.Geen aanspraak op uitkeringen heeft de werknemer:

1°voor de periode waarvoor hij recht heeft op loon. Het begrip loon wordt bepaald bij artikel 2 van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers.

De Koning kan het loonbegrip bedoeld in het eerste lid uitbreiden of beperken, evenals bepalen op welke wijze de periode wordt vastgesteld die gedekt wordt door de niet in arbeidstijd uitgedrukte vergoeding toegekend wegens de beëindiging van de arbeidsovereenkomst;

2°...

3°(voor de periode waarvoor hij aanspraak kan maken op een vergoeding welke verschuldigd is naar aanleiding van de onregelmatige beëindiging van de arbeidsovereenkomst, de eenzijdige beëindiging van de arbeidsovereenkomst voor personeelsafgevaardigden, de eenzijdige beëindiging van de arbeidsovereenkomst voor syndicale afgevaardigden of de beëindiging van de arbeidsovereenkomst in gemeenschappelijk akkoord), of op een ontslagcompensatievergoeding bedoeld in artikel 7, § 1, derde lid, zf), van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders;

4°voor de periode waarvoor hij een vergoeding ontvangt, die hem is gewaarborgd door een Belgische of buitenlandse wet, wegens tijdelijke of definitieve stopzetting van zijn gewone beroepsactiviteit, die schadelijk is of dreigt te worden voor zijn gezondheid;

5°voor de periode waarover hij krachtens een Belgische of vreemde wetgeving aanspraak kan maken op werkloosheidsvergoedingen...;

6°voor de periode waarvoor hij met toepassing van de bepalingen van artikel 23 van de wet van 10 april 1971 betreffende de arbeidsongevallen of artikel 34 van de wetten betreffende de schadeloosstelling voor beroepsziekten, gecoördineerd op 3 juni 1970, een vergoeding voor algehele tijdelijke arbeidsongeschiktheid ontvangt wegens stopzetting van een wedertewerkstelling;

(7° voor de periode gedurende dewelke een beroep kan worden gedaan op een onderbrekingsuitkering bij volledige onderbreking van de loopbaan.)

§ 2.De gerechtigde, bedoeld in artikel 86, § 1, heeft geen aanspraak op arbeidsongeschiktheidsuitkeringen tijdens het tijdvak waarin zij geniet van de in artikel 113 bedoelde moederschapsuitkering of van een moederschapsuitkering krachtens een vreemde wetgeving.

§ 3.In afwijking van het in § 1 bepaalde kan de Koning, onder de voorwaarden die Hij vaststelt, toelaten dat de werknemer uitkeringen wegens arbeidsongeschiktheid geniet, wanneer hij recht heeft op één van de in § 1 opgesomde voordelen of in afwachting dat hij één van die voordelen ontvangt.

Voor de terugvordering van de uitkeringen die de verzekeringsinstelling in toepassing van onderhavige bepaling heeft betaald, treedt zij in de plaats van de rechthebbende.

Art. 104

(104)De Koning bepaalt onder welke voorwaarden en in welke mate de uitkeringen worden toegekend:

1°wanneer zij in de loop van de arbeidsongeschiktheid samen gaan genoten worden met een beroepsinkomen;

2°wanneer zij samen genoten worden met een tegemoetkoming bij toepassing van de wet van 27 juni 1969, betreffende het toekennen van de tegemoetkomingen aan de minder-validen.

(3° wanneer zij samen genoten worden met een uitkering wegens gedeeltelijke beroepsloopbaanonderbreking die ingaat na de aanvangsdatum van de arbeidsongeschiktheid.)

(4° wanneer de werkneemster een gedeelte van haar beroepsactiviteiten hervat onder de voorwaarden bedoeld in artikel 114, zesde lid, ten einde elk verlies aan vergoeding wegens de spreiding of de verlenging van het moederschapsverlof te vermijden.)

Art. 104bis

De Koning bepaalt de voorwaarden waaronder een gerechtigde aan de uitkeringen... en de inhaalpremie bedoeld in artikel 98, tweede lid die hem worden toegekend kan verzaken.

Art. 105

De Koning bepaalt onder welke voorwaarden de toekenning van de uitkeringen wordt geschorst gedurende een periode van hechtenis of gevangenzetting. Hij bepaalt eveneens volgens welke nadere regels de voor de toepassing van deze maatregel noodzakelijke gegevens aan de verzekeringsinstelling worden meegedeeld.

De Koning bepaalt eveneens onder welke voorwaarden en in welke mate de uitkeringen worden toegekend als de gerechtigde die geen persoon ten laste heeft in de zin van artikel 93, zevende lid, in een periode van vrijheidsberoving, andere dan de hechtenis of de gevangenzetting, verkeert.

Art. 106

(106)De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de voorwaarden waaronder financiële voordelen toegekend kunnen worden aan de gerechtigde die een programma van beroepsherscholing doorlopen heeft, evenals het bedrag van deze voordelen.

...

De in het eerste lid bedoelde financiële voordelen worden geweigerd als de gerechtigde geniet van gelijkaardige voordelen toegekend krachtens een decreet, een besluit of een ordonnantie, door de diensten en instellingen van de Gewesten en de Gemeenschappen die deelnemen aan de beroepsherinschakeling van de arbeidsongeschikte gerechtigden. Indien het bedrag van deze voordelen minder is dan het bedrag van de voordelen toegekend in het kader van de uitkeringsverzekering, kan de betrokkene aanspraak maken op het verschil ten laste van de verzekering.

De in het vorige lid bedoelde bepaling is niet van toepassing als de voornoemde decreten, besluiten of ordonnanties de cumulatie verbieden of een beperkte cumulatie toestaan van de voordelen die ze toekennen met de gelijkaardige voordelen toegekend krachtens andere wetgevingen.

Art. 107

(107)De uitkeringsbedragen worden onder de door de Koning te bepalen voorwaarden aangepast aan de schommelingen van het indexcijfer van de consumptieprijzen, volgens de bepalingen van de wet van 2 augustus 1971 houdende inrichting van een stelsel waarbij de wedden, lonen, pensioenen, toelagen en tegemoetkomingen ten laste van de Openbare Schatkist, sommige sociale uitkeringen, de bezoldigingsgrenzen waarmee rekening dient gehouden bij de berekening van sommige bijdragen van de sociale zekerheid der arbeiders, alsmede de verplichtingen op sociaal gebied opgelegd aan de zelfstandigen, aan het indexcijfer van de consumptieprijzen worden gekoppeld.

Art. 108

De uitkeringen worden aan de gerechtigde ontzegd:

1°vanaf de eerste dag van de maand na die waarin hij de pensioenleeftijd bereikt bepaald in artikel 2 van het koninklijk besluit van 23 december 1996 tot uitvoering van de artikelen 15, 16 en 17 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels. Indien de staat van primaire ongeschiktheid bedoeld in artikel 100 op dat ogenblik echter nog geen zes maanden duurt, en onverminderd de bepaling onder 3°, kan hij verder aanspraak maken op uitkeringen voor de nog te lopen voormelde periode van zes maanden.

2°vanaf de eerste dag van de zevende maand van het tijdvak van primaire ongeschiktheid, en onverminderd de bepaling onder 3°, als de aanvang van de staat van primaire ongeschiktheid bedoeld in artikel 100 zich bevindt na de maand waarin hij de in 1° bedoelde leeftijd heeft bereikt, wanneer het gaat om een gerechtigde die verder werkzaam is geweest na de voormelde maand.

3°vanaf de eerste dag van de maand waarin hij in welke hoedanigheid dan ook aanspraken kan doen gelden op een ouderdoms-, een rust-, een anciënniteitspensioen of op eender welk als dergelijk pensioen geldend voordeel, toegekend, hetzij door een Belgische of een buitenlandse instelling van sociale zekerheid, hetzij door een openbaar bestuur, een openbare instelling of een instelling van openbaar nut. Met uitzondering van de situatie waarin de gerechtigde aanspraken kan doen gelden op een dergelijk pensioen of voordeel overeenkomstig het koninklijk besluit nr. 50 van 24 oktober 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers na de maand waarin hij de in 1° bedoelde leeftijd heeft bereikt, kan de Koning echter bepalen onder welke voorwaarden en in welke mate de uitkeringen kunnen worden gecumuleerd met de hierboven bedoelde pensioenen of voordelen.

Art. 109

<Opgeheven bij W 2017-09-30/01, art. 62, 251; Inwerkingtreding: 26-10-2017>