(86)§ 1. Rechthebbenden op de in titel IV, hoofdstuk III, van deze gecoördineerde wet omschreven uitkeringen wegens arbeidsongeschiktheid, onder de voorwaarden die ze bepaalt, zijn, als gerechtigden:
1°a) de werknemers die vallen onder de verplichte uitkeringsverzekering, krachtens de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, met inbegrip van de werknemers die een vergoeding genieten die verschuldigd is naar aanleiding van:
i. de onregelmatige beëindiging van de arbeidsovereenkomst;
ii. de eenzijdige beëindiging van de arbeidsovereenkomst voor personeelsafgevaardigden;
iii. de eenzijdige beëindiging van de arbeidsovereenkomst voor syndicale afgevaardigden;
iv. de beëindiging van de arbeidsovereenkomst in gemeenschappelijk akkoord;
v. de uitwinning van de handelsvertegenwoordiger bedoeld bij artikel 101 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten;
vi. een overeenkomst gesloten hetzij bij het begin of tijdens de uitvoering van de arbeidsovereenkomst, hetzij binnen een termijn van twaalf maanden na het einde van de arbeidsovereenkomst op grond waarvan de werknemer zich ertoe verbindt om geen personeel of zelfstandige medecontractanten af te werven van de vroegere werkgever, hetzij in eigen naam en voor eigen rekening, hetzij in naam en voor rekening van één of meerdere derden, en/of zich ertoe verbindt om geen soortgelijke activiteiten uit te oefenen als dewelke hij uitoefende bij zijn vroegere werkgever, hetzij door zelf een onderneming uit te baten, hetzij door in dienst te treden van een concurrerende werkgever;
evenals de werknemers die een ontslagcompensatievergoeding bedoeld in artikel 7, § 1, derde lid, zf), van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders genieten, tijdens de tijdvakken die gedekt zijn door die vergoedingen.
De leerlingen zoals bepaald in uitvoering van artikel 1, § 1, derde lid, van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders worden tot 31 december van het jaar waarin ze de leeftijd van 18 jaar bereiken beschouwd als werknemers die vallen onder de verplichte uitkeringsverzekering.
b)de hierboven bedoelde werkneemsters gedurende de in artikel 32, eerste lid, 4° bedoelde rustperiode;
c)de werknemers die zich in één van de in artikel 32, eerste lid, 3° en 5°, bedoelde toestanden bevinden;
(d)de werknemers bedoeld in artikel 15 van het koninklijk besluit van houdende maatregelen met het oog op de ontbinding van de Regie voor maritiem transport in uitvoering van artikel 3, § 1, 6°, van de wet van 26 juli 1996 strekkende tot realisatie van de budgettaire voorwaarden tot deelname van België aan de Europese Economische en Monetaire Unie.)
(e)de varende werknemers die met één van de vennootschappen bedoeld in artikel 13, § 1, eerste lid, van het koninklijk besluit van 18 februari 1997 houdende maatregelen met het oog op de ontbinding van de Regie voor Maritiem Transport ter uitvoering van artikel 3, § 1, 6°, van de wet van 26 juli 1996 strekkende tot realisatie van de budgettaire voorwaarden tot deelname van België aan de Europese Economische en Monetaire Unie, die de vervoerverplichtingen van de Regie hebben overgenomen, verbonden zijn met een arbeidsovereenkomst gesloten na 1 januari 1997, en die tewerkgesteld zijn aan boord van schepen door deze vennootschappen uitgerust voor transport over zee (van en naar een lidstaat van de Europese Unie).)
2°de werknemers die, tijdens een tijdvak van arbeidsongeschiktheid, (of van moederschapsbescherming), zoals bij deze gecoördineerde wet bepaald, de bij 1°, a), bedoelde hoedanigheid van gerechtigde verliezen;
3°bij het aflopen van het in artikel 32, eerste lid, 6°, bedoelde tijdvak van voortgezette verzekering, de werknemers, die de in 1° bedoelde hoedanigheid hebben gehad op voorwaarde dat zij arbeidsongeschikt zijn geworden (of zich in een tijdvak van moederschapsbescherming bevinden uiterlijk de eerste werkdag na afloop van het tijdvak van voortgezette verzekering).
4°bij het aflopen van de maximale periode die aanleiding heeft gegeven tot de betaling van een overgangsuitkering bepaald in de pensioenwetgeving, de personen die arbeidsongeschikt zijn geworden of zich in een tijdvak van moederschapsbescherming bevinden, uiterlijk de eerste werkdag na afloop van dit door de overgangsuitkering gedekte tijdvak.
§ 2.....
§ 3.De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, een uitkeringsverzekering invoeren ten voordele van de zelfstandigen en de helpers die zijn onderworpen aan de wetgeving houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen, alsmede van de meewerkende echtgenoten bedoeld in artikel 7bis van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen.
Hij bepaalt de voorwaarden waaronder deze verzekering van toepassing is, de omvang van de verstrekte uitkeringen en het bedrag van de rijkstoelage bestemd voor deze verzekering.
Voor de aangelegenheden die betrekking hebben op de in het eerste lid bedoelde uitkeringsverzekering, wordt de Dienst voor uitkeringen beheerd door een afzonderlijk Beheerscomité, samengesteld uit vertegenwoordigers van de representatieve organisaties van zelfstandigen, en van de verzekeringsinstellingen. De Koning bepaalt de bevoegdheid, de samenstelling en de werkingsregelen van dit Beheerscomité. Hij benoemt de voorzitter, de ondervoorzitters en de leden.
Drie regeringscommissarissen, door de Koning benoemd op voordracht, respectievelijk van de Minister die de Sociale Zaken onder zijn bevoegdheid heeft, van de Minister die het sociaal statuut der zelfstandigen onder zijn bevoegdheid heeft en van de Minister die de Begroting onder zijn bevoegdheid heeft, wonen de vergaderingen van dat Comité bij.
(Een vertegenwoordiger van de Controledienst bedoeld in artikel 49 van de wet van 6 augustus 1990 betreffende de ziekenfondsen en de landsbonden van ziekenfondsen, woont de vergaderingen van het Comité bij met raadgevende stem.)
De Koning richt een coördinatiebureau op dat ermede belast is zowel aan het in artikel 79 als aan het in deze paragraaf bedoelde Beheerscomité advies uit te brengen over aangelegenheden die van gemeenschappelijk belang zijn voor de uitkeringsverzekering van de werknemers en voor die van de zelfstandigen, ten einde aan weerszijden het nemen van gelijkaardige beslissingen te bevorderen. De samenstelling en de werkingsregelen van dit coördinatiebureau worden door de Koning bepaald.
De Koning bepaalt op welke wijze de in afdeling IV bedoelde Technische ziekenfondsraad samengesteld is, wanneer de uit te brengen adviezen betrekking hebben op de voorwaarden waaronder de uitkeringen wegens arbeidsongeschiktheid toegekend worden aan de zelfstandigen.