Alle wetboeken › Bankwet

BOEK II - KREDIETINSTELLINGEN NAAR BELGISCH RECHT › TITEL III - Toezicht op de kredietinstellingen › HOOFDSTUK IV - Groepstoezicht › Afdeling IV - Gemeenschappelijke bepalingen

Onderafdeling II - Moederondernemingen

205–212

Art. 205

§ 1.Belgische moederkrediet-instellingen, aangewezen kredietinstellingen naar Belgisch recht, goedgekeurde of aangewezen financiële holdings en gemengde financiële holdings naar Belgisch recht, zijn verantwoordelijk voor het waarborgen van de naleving van de verplichtingen met betrekking tot het toezicht op geconsolideerde basis.

Kredietinstellingen naar Belgisch recht en goedgekeurde gemengde financiële holdings naar Belgisch recht die aan het hoofd staan van een financieel conglomeraat, zijn verantwoordelijk voor het waarborgen van de naleving van de verplichtingen met betrekking tot het aanvullende conglomeraatstoezicht.

Wanneer de banksector de grootste sector binnen het financieel conglomeraat is, met toepassing van de criteria van artikel 186, zijn de aangewezen kredietinstellingen en gemengde financiële holdings naar Belgisch recht in een financieel conglomeraat ook verantwoordelijk voor het waarborgen van de naleving van de verplichtingen met betrekking tot het aanvullende conglomeraatstoezicht.

§ 2.Bij de uitoefening van de coördinatie en het toezicht waarmee zij belast zijn vaardigen de in paragraaf 1 bedoelde ondernemingen richtlijnen uit aan de ondernemingen die deel uitmaken van het geconsolideerde geheel dan wel het financieel conglomeraat met het oog op het naleven van de verplichtingen die voortvloeien uit het toezicht op geconsolideerde basis of het aanvullende conglomeraatstoezicht en op het verzekeren van de stabiliteit van het geconsolideerde geheel of het financieel conglomeraat. Deze richtlijnen mogen niet in strijd zijn met het Wetboek van vennootschappen en verenigingen en zijn uitvoeringsbesluiten en mogen geen afbreuk doen aan het toezicht op individuele basis op kredietinstellingen die deel uitmaken van het geconsolideerde geheel of het financieel conglomeraat.

§ 3.In het krachtens artikel 21, § 3 vereiste internal governancememorandum wordt neergelegd, wat betreft het geconsolideerde niveau dan wel het niveau van het financieel conglomeraat, hoe voldaan wordt aan de beginselen vervat in paragraaf 2.

§ 4.In de gevallen bedoeld in paragraaf 1 verstrekken de betrokken verantwoordelijke ondernemingen de krachtens artikel 106, § 1 en § 2 eerste lid en artikel 193 van deze wet vereiste rapportering, evenals, op verzoek van de toezichthouder, alle bijkomende inlichtingen die nuttig zijn voor het uitoefenen van het toezicht op geconsolideerde basis of het aanvullende conglomeraatstoezicht. Artikel 106, § 3 is van overeenkomstige toepassing.

§ 5.Wanneer de toezichthouder krachtens artikel 171 of artikel 196 het toezicht op geconsolideerde basis of het aanvullende conglomeraatstoezicht uitoefent in andere gevallen dan deze bedoeld in de paragrafen 1 en 2, kan hij per geval nader bepalen hoe de beginselen van de paragrafen 1 tot 4 van overeenkomstige toepassing zijn.

§ 6.Onverminderd Onderafdeling II/1 van deze Afdeling raadpleegt de toezichthouder waar nodig, voor de toepassing van de paragrafen 1, 2 en 5, de andere bevoegde autoriteiten.

Art. 206

Wanneer een andere bevoegde autoriteit dan de toezichthouder het toezicht op geconsolideerde basis of het aanvullende conglomeraatstoezicht uitoefent over een kredietinstelling naar Belgisch recht, dient deze kredietinstelling na te gaan of de invloed van haar moederonderneming niet in strijd is met het Wetboek van vennootschappen en verenigingen en zijn uitvoeringsbesluiten en geen afbreuk doet aan het toezicht op individuele basis waaraan deze kredietinstelling is onderworpen.

Art. 207

Wanneer een bevoegde autoriteit van een andere lidstaat het toezicht op geconsolideerde basis of het aanvullende conglomeraatstoezicht uitoefent over een kredietinstelling die dochteronderneming is van een financiële holding of gemengde financiële holding naar Belgisch recht, gaat de toezichthouder na, wanneer hij daartoe het verzoek krijgt van die bevoegde autoriteit, hoe hij medewerking kan verlenen voor het toepassen van de maatregelen die zouden bestaan in de lidstaat van die bevoegde autoriteit met het oog op het betrekken van financiële holdings en gemengde financiële holdings in het toezicht op geconsolideerde basis of aanvullende conglomeraatstoezicht.

Art. 208

§ 1.Het directiecomité, in voorkomend geval de effectieve leiding, van de ondernemingen bedoeld in artikel 205, § 1, verklaart dat de rapporteringen bedoeld in artikel 205, § 4 in overeenstemming zijn met de boekhouding en de inventarissen. Daartoe is vereist dat de staten volledig zijn, wat wil zeggen dat ze alle gegevens bevatten uit de boekhouding en de inventarissen op basis waarvan deze staten worden opgesteld, en juist zijn, wat wil zeggen dat ze de gegevens correct weergeven uit de boekhouding en de inventarissen op basis waarvan deze staten worden opgesteld. Het directiecomité, in voorkomend geval de effectieve leiding, bevestigt het nodige gedaan te hebben opdat de voornoemde staten volgens de geldende regels opgemaakt zijn, en opgesteld zijn met toepassing van de boekings- en waarderingsregels voor de opstelling van de geconsolideerde jaarrekening, of, voor de rapporteringsstaten die geen betrekking hebben op het einde van het boekjaar, met toepassing van de boekings- en waarderingsregels voor de opstelling van de geconsolideerde jaarrekening met betrekking tot het laatste boekjaar.

§ 2.Artikel 59, § 2 is van overeenkomstige toepassing op het directiecomité, in voorkomend geval de effectieve leiding, van de ondernemingen bedoeld in paragraaf 1 wat betreft de maatregelen zoals opgenomen in:

1°artikel 21 wat betreft het geconsolideerde geheel;

2°artikel 194 wat betreft het financieel conglomeraat.

Art. 209

Het bepaalde bij artikel 225 van deze wet betreffende de opdracht van erkend commissaris bij een kredietinstelling is van overeenkomstige toepassing met betrekking tot ondernemingen bedoeld in artikel 205, § 1 voor respectievelijk het toezicht op geconsolideerde basis en het aanvullende conglomeraatstoezicht waaraan deze kredietinstellingen zijn onderworpen.

Art. 210

§ 1.De opdracht van commissaris als bedoeld in het Wetboek van Vennootschappen wordt:

1°in een goedgekeurde of aangewezen financiële holding of gemengde financiële holding naar Belgisch recht, met het oog op het toezicht op geconsolideerde basis toevertrouwd aan een of meer revisoren of een of meer revisorenvennootschappen, die, overeenkomstig artikel 223 van deze wet, door de Bank erkend zijn voor de opdracht van commissaris bij een kredietinstelling. De artikelen 220, 221, 222, derde lid, 223, 224 en 225, tweede tot vijfde lid van deze wet zijn van overeenkomstige toepassing.

2°in een gemengde financiële holding naar Belgisch recht bedoeld in artikel 205, § 1, tweede of derde lid, met het oog op het aanvullende conglomeraatstoezicht dat wordt uitgeoefend door de toezichthouder, toevertrouwd aan een of meer revisoren of revisorenvennootschappen die door de Bank erkend zijn overeenkomstig, naargelang het geval, de artikelen 222 en 578 van deze wet, voor zover dat laatste artikel 222 van toepassing verklaart op de beursvennootschappen, of artikel 327 van de wet van 13 maart 2016 op het statuut van en het toezicht op de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen. Het college van revisoren of de revisorenvennootschappen, aangesteld bij een gemengde financiële holding, moeten zo zijn samengesteld dat zij, hetzij individueel, hetzij tezamen, erkend zijn in elk van de financiële sectoren waarin het financieel conglomeraat een significante activiteit heeft. De Bank kan met verwijzing naar de drempels bedoeld in artikel 186 bepalen wat onder betekenisvolle activiteit moet worden verstaan. De bepalingen van de sectorale regelgeving inzake revisoraal toezicht zijn van overeenkomstige toepassing.

§ 2.De commissarissen aangesteld bij de in paragraaf 1 bedoelde holdings verlenen hun medewerking aan naargelang het geval, het toezicht op geconsolideerde basis of het aanvullende conglomeraatstoezicht waarmee de toezichthouder is belast, op hun eigen en uitsluitende verantwoordelijkheid en overeenkomstig deze paragraaf, volgens de regels van het vak en de richtlijnen van de toezichthouder. Daartoe:

1°beoordelen zij het passend karakter van de internecontrolemaatregelen als bedoeld in de artikelen 21, § 1, 2° tot 9°, 41 en 66, voor het toezicht op geconsolideerde basis of het passend karakter van de risicobeheerprocedures, de internecontroleprocedures en de administratieve en boekhoudkundige organisatie als bedoeld in artikel 194 voor het aanvullende conglomeraatstoezicht. Zij delen hun bevindingen ter zake mee aan de toezichthouder;

2°brengen zij verslag uit bij de toezichthouder over:

a)de resultaten van het beperkt nazicht van de staten die de financiële holding of gemengde financiële holding voor haar geconsolideerde positie, of van de in artikel 193 bedoelde staten die de gemengde financiële holding aan het einde van het eerste halfjaar aan de toezichthouder bezorgt, waarin bevestigd wordt dat zij geen kennis hebben van feiten waaruit zou blijken dat deze staten per einde halfjaar niet in alle materieel belangrijke opzichten volgens de geldende richtlijnen van de toezichthouder werden opgesteld. Bovendien bevestigen zij dat deze staten per einde halfjaar, voor wat de boekhoudkundige gegevens betreft in alle materieel belangrijke opzichten in overeenstemming zijn met de boekhouding en de inventarissen, inzake volledigheid, wat wil zeggen dat ze alle gegevens bevatten uit de boekhouding en de inventarissen op basis waarvan deze staten worden opgesteld, en juistheid, wat wil zeggen dat ze de gegevens correct weergeven uit de boekhouding en de inventarissen op basis waarvan deze staten worden opgesteld; en bevestigen zij geen kennis te hebben van feiten waaruit zou blijken dat deze staten per einde halfjaar niet zijn opgesteld met toepassing van de boekings- en waarderingsregels voor de opstelling van de geconsolideerde jaarrekening met betrekking tot het laatste boekjaar; de toezichthouder kan de hier bedoelde staten nader bepalen;

b)de resultaten van de controle van de staten die de financiële holding of gemengde financiële holding voor haar geconsolideerde positie of van de in artikel 193 bedoelde staten die de gemengde financiële holding aan het einde van het boekjaar aan de toezichthouder bezorgt, waarin bevestigd wordt dat deze staten in alle materieel belangrijke opzichten werden opgesteld volgens de geldende richtlijnen van de toezichthouder. Bovendien bevestigen zij dat deze staten per einde van het boekjaar, voor wat de boekhoudkundige gegevens betreft in alle materieel belangrijke opzichten in overeenstemming zijn met de boekhouding en de inventarissen, inzake volledigheid, wat wil zeggen dat ze alle gegevens bevatten uit de boekhouding en de inventarissen op basis waarvan deze staten worden opgesteld, en juistheid, wat wil zeggen dat ze de gegevens correct weergeven uit de boekhouding en de inventarissen op basis waarvan deze staten worden opgesteld; en bevestigen zij dat deze staten per einde van het boekjaar werden opgesteld met toepassing van de boekings- en waarderingsregels voor de opstelling van de geconsolideerde jaarrekening; de toezichthouder kan de hier bedoelde staten nader bepalen.

3°brengen zij bij de toezichthouder op zijn verzoek een bijzonder verslag uit over:

a)wat betreft het toezicht op geconsolideerde basis: de organisatie, de werkzaamheden en de financiële structuur van het geconsolideerde geheel;

b)wat betreft het aanvullende conglomeraatstoezicht: de in de punten 1° en 2° van deze paragraaf en de in de artikelen 190 tot 192 bedoelde aspecten.

De kosten voor de opstelling van deze verslagen worden door de financiële holding of de gemengde financiële holding, door de kredietinstelling naar Belgisch recht of door beide samen gedragen;

4°brengen zij, in het kader van hun opdracht bij de financiële holding of gemengde financiële holding, of een revisorale opdracht bij een met de financiële holding of gemengde financiële holding verbonden onderneming, op eigen initiatief verslag uit bij de toezichthouder zodra zij kennis krijgen van:

a)beslissingen, feiten of ontwikkelingen die de in 3° bedoelde aspecten op betekenisvolle wijze beïnvloeden of kunnen beïnvloeden;

b)beslissingen of feiten met betrekking tot de financiële holding of gemengde financiële holding die kunnen wijzen op een overtreding van het Wetboek van Vennootschappen, de statuten of deze wet;

c)andere beslissingen of feiten die kunnen leiden tot een weigering van de certificering van de geconsolideerde jaarrekening of tot het formuleren van voorbehoud.

§ 3.Wanneer de toezichthouder op grond van artikel 171 of artikel 196, respectievelijk het toezicht op geconsolideerde basis of het conglomeraatstoezicht uitoefent op een kredietinstelling naar Belgisch recht waarvan de moederonderneming een financiële holding of gemengde financiële holding is die in een andere lidstaat is gevestigd, wordt de opdracht bepaald bij paragraaf 2 op overeenkomstige wijze uitgeoefend door de commissaris die met een vergelijkbare taak bij deze holding is aangesteld. Bij afwezigheid van een dergelijke commissaris wordt bedoelde opdracht uitgeoefend door de commissaris die is aangesteld bij:

a)de kredietinstelling naar Belgisch recht die een dochteronderneming is van de bedoelde financiële holding of gemengde financiële holding voor het toezicht op geconsolideerde basis, of

b)een gereglementeerde onderneming naar Belgisch recht die onder toezicht van de toezichthouder staat en dochteronderneming is van de bedoelde gemengde financiële holding voor het aanvullende conglomeraatstoezicht.

Art. 211

De commissarissen aangesteld bij kredietinstellingen, financiële holdings of een gemengde financiële holdings naar Belgisch recht overeenkomstig artikel 209 en 210, hebben voor de uitoefening van hun opdracht als bepaald bij deze artikelen, toegang tot en inzage in alle documenten en stukken die uitgaan zowel van de in de geconsolideerde positie of in het financieel conglomeraat opgenomen dochterondernemingen, als van de in artikel 213 § 1, tweede lid bedoelde ondernemingen.

Het bepaalde bij artikel 35 van de wet van 22 februari 1998 is van toepassing wat de informatie betreft waarvan zij kennis hebben genomen in uitvoering van het eerste lid.

Art. 212

Onverminderd het beginsel vervat in artikel 204, eerste lid zijn de volgende artikelen van deze wet op overeenkomstige wijze van toepassing op alle financiële holdings of gemengde financiële holdings naar Belgisch recht: de artikelen 18, 19, 20, 24, § 1, met dien verstande dat minstens drie leden van het directiecomité lid zijn van het wettelijk bestuursorgaan, en §§ 3 en 4, 25 en 26, 46 tot 54, 59/1, 60 en 62, §§ 1 tot 4, § 5, eerste zin, en §§ 6 tot 9, 62/1, 71, 77, 234 en 236, § 1, 1° tot 5°, en § 7.

Bovendien is artikel 61 van overeenkomstige toepassing op alle financiële holdings of gemengde financiële holdings wanneer de in artikel 35 bedoelde onafhankelijke controlefuncties binnen de financiële holding of gemengde financiële holding zijn opgezet om aan artikel 168, § 1 te voldoen.