Alle wetboeken › Bankwet

BOEK II - KREDIETINSTELLINGEN NAAR BELGISCH RECHT › TITEL III - Toezicht op de kredietinstellingen

HOOFDSTUK III - Toezicht op in een andere lidstaat uitgeoefende werkzaamheden

155–163

Art. 155

Voor de toepassing van dit Hoofdstuk wordt verstaan onder:

1°lidstaat van herkomst: de lidstaat waarin aan een kredietinstelling een vergunning is verleend, in casu België;

2°lidstaat van ontvangst: de lidstaat waarin een Belgische kredietinstelling een bijkantoor heeft of diensten verricht;

3°de toezichthouder: de toezichthouder in zijn hoedanigheid van bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst.

Art. 156

§ 1.Het toezicht dat wordt uitgeoefend door de toezichthouder overeenkomstig Titel III, Hoofdstuk I omvat eveneens de werkzaamheden die de kredietinstellingen uitoefenen via de vestiging van bijkantoren of het vrij verrichten van diensten in andere lidstaten.

Het toezicht bedoeld in het eerste lid laat het toezicht op geconsolideerde basis onverlet.

§ 2.De toezichthouder neemt bij de uitoefening van zijn taak naar behoren de gevolgen in overweging die zijn beslissingen, met name in noodsituaties, kunnen hebben voor de stabiliteit van het financiële stelsel van alle andere betrokken lidstaten, uitgaande van de op het betrokken tijdstip beschikbare informatie.

Art. 157

§ 1.Wanneer de bevoegde autoriteiten van een andere lidstaat waar een Belgische kredietinstelling een bijkantoor heeft gevestigd of werkzaamheden uitoefent als bedoeld in artikel 4, in het kader van het vrij verrichten van diensten, de toezichthouder ervan in kennis stellen dat de Belgische wettelijke bepalingen vastgesteld met toepassing van Richtlijn 2013/36/EU of Verordening nr. 575/2013, niet worden nageleefd of er een wezenlijk risico bestaat van niet-naleving, treft de toezichthouder zo spoedig mogelijk alle passende maatregelen, met name deze bedoeld in de artikelen 234 tot 236, of doet hij deze maatregelen treffen, om ervoor te zorgen dat deze onregelmatige situatie wordt verholpen.

De toezichthouder deelt deze maatregelen onverwijld mee aan de bevoegde autoriteit van de lidstaat van ontvangst.

§ 2.Indien de toezichthouder de vergunning intrekt van de kredietinstelling die werkzaamheden uitoefent in een andere lidstaat via de vestiging van een bijkantoor of het vrij verrichten van diensten, stelt hij de bevoegde autoriteit van de lidstaat van ontvangst daarvan onverwijld in kennis.

§ 3.Indien de bevoegde autoriteit van de lidstaat van ontvangst in een noodsituatie bewarende maatregelen heeft getroffen in afwachting dat de toezichthouder passende maatregelen of saneringsmaatregelen neemt, kan deze laatste een maatregel waartegen hij bezwaar maakt, voorleggen aan de Europese Bankautoriteit overeenkomstig artikel 19 van Verordening nr. 1093/2010 en haar om bijstand verzoeken.

Art. 158

§ 1.Teneinde toezicht te houden op de werkzaamheden van kredietinstellingen die in andere lidstaten worden uitgeoefend via een bijkantoor, werkt de toezichthouder nauw samen met de bevoegde autoriteit van de lidstaat van ontvangst. De toezichthouder verstrekt de bevoegde autoriteit van de lidstaat van ontvangst alle gegevens betreffende het bestuur en de aandeelhoudersstructuur van de betrokken kredietinstellingen die het toezicht op deze kredietinstellingen en het onderzoek van de voorwaarden voor het verlenen van een vergunning aan die kredietinstellingen kunnen vergemakkelijken, alsmede alle gegevens die de monitoring van deze kredietinstellingen, met name op het gebied van liquiditeit, solvabiliteit, depositogarantie, beperking van grote risico's, andere factoren die van invloed kunnen zijn op het door hen gevormde systeemrisico, administratieve en boekhoudkundige organisatie en internecontrolemechanismen, kunnen vergemakkelijken.

§ 2.De toezichthouder verstrekt aan de bevoegde autoriteit van de lidstaat van ontvangst onmiddellijk alle inlichtingen en bevindingen met betrekking tot het liquiditeitstoezicht dat overeenkomstig de artikelen 412 tot 414 van Verordening nr. 575/2013, de artikelen 149, 151, 234, § 2 en artikel 8 van Bijlage I bij deze wet, wordt uitgeoefend op de werkzaamheden die een Belgische kredietinstelling via haar bijkantoren verricht, voor zover die inlichtingen en bevindingen relevant zijn voor de bescherming van de deposanten of beleggers in de betrokken lidstaat van ontvangst.

§ 3.De toezichthouder stelt de bevoegde autoriteit van de lidstaat van ontvangst onmiddellijk in kennis indien er zich een ernstig liquiditeitsprobleem voordoet of indien redelijkerwijze mag worden verwacht dat er zich een een ernstig liquiditeitsprobleem zal voordoen. Bij deze kennisgeving worden ook nadere bijzonderheden verstrekt over de planning en uitvoering van een herstelplan en over alle in dat verband genomen prudentiële toezichtsmaatregelen.

§ 4.Op verzoek van de bevoegde autoriteit van de lidstaat van ontvangst deelt de toezichthouder mee en legt hij uit hoe met de door de bevoegde autoriteit van de lidstaat van ontvangst meegedeelde inlichtingen en bevindingen rekening werd gehouden.

Indien de toezichthouder het niet eens is met de maatregelen die door een bevoegde autoriteit van de lidstaat van ontvangst moeten worden getroffen om verdere tekortkomingen te voorkomen teneinde de belangen van deposanten, beleggers en andere personen voor wie diensten worden verricht te beschermen of de stabiliteit van het financiële stelsel te vrijwaren, kan hij de zaak aan de Europese Bankautoriteit voorleggen overeenkomstig artikel 19 van Verordening nr. 1093/2010.

§ 5.De toezichthouder kan eveneens situaties waarin een verzoek om samenwerking, met name een verzoek om uitwisseling van informatie, is afgewezen of niet binnen een redelijke termijn is gehonoreerd, aan de Europese Bankautoriteit voorleggen overeenkomstig artikel 19 van Verordening nr. 1093/2010.

Art. 159

Indien de bevoegde autoriteit van de lidstaat van ontvangst de toezichthouder verzoekt om een bijkantoor van een kredietinstelling naar Belgisch recht in een andere lidstaat als significant aan te merken in de zin van artikel 51 van Richtlijn 2013/36/EU, stelt de toezichthouder alles in het werk om samen met de bevoegde autoriteit van de lidstaat van ontvangst en met de consoliderende toezichthouder, indien de toezichthouder zelf deze hoedanigheid niet heeft, tot een gezamenlijk besluit te komen over het aanmerken van het bijkantoor als significant.

De gezamenlijke besluiten, als bedoeld in het eerste lid, worden op schrift gesteld met volledige opgaaf van redenen en worden aan de betrokken bevoegde autoriteiten van de lidstaten van ontvangst toegezonden.

Indien binnen twee maanden na ontvangst van een verzoek als bedoeld in het eerste lid, geen gezamenlijk besluit wordt genomen, dient de toezichthouder het besluit van de bevoegde autoriteit van de lidstaat van ontvangst dat binnen een bijkomende termijn van twee maanden wordt genomen aangaande het al dan niet significant karakter van het bijkantoor, als definitief te erkennen en toe te passen.

Art. 160

§ 1.De toezichthouder zendt de bevoegde autoriteiten van de lidstaten van ontvangst waar een significant bijkantoor is gevestigd, de in artikel 180, § 2, tweede lid, 3° en 4° bedoelde informatie toe en voert de in artikel 172, § 1 bedoelde taken uit in samenwerking met die bevoegde autoriteiten.

§ 2.Indien de toezichthouder kennis krijgt van een noodsituatie in de zin van artikel 36/14, § 1, 1°, tweede lid van de wet van 22 februari 1998, waarschuwt hij onverwijld de in datzelfde artikel bedoelde autoriteiten.

§ 3.De toezichthouder deelt aan de bevoegde autoriteiten van de lidstaten waar significante bijkantoren zijn gevestigd, de resultaten mee van de in artikel 142 en, in voorkomend geval, in artikel 174, § 2 bedoelde risicobeoordelingen van instellingen met dergelijke bijkantoren. Hij deelt ook de besluiten uit hoofde van de artikelen 146, 149, 150, 151 en 234 mee, voor zover die beoordelingen en besluiten voor die bijkantoren relevant zijn.

§ 4.Indien dit relevant is voor de liquiditeitsrisico's in de valuta van de betrokken lidstaat, raadpleegt de toezichthouder de bevoegde autoriteiten van de lidstaten waar significante bijkantoren zijn gevestigd over de krachtens artikel 57, § 5 vereiste operationele maatregelen.

Art. 161

§ 1.Indien er geen college van bevoegde autoriteiten in de zin van artikel 178 werd opgericht, richt de toezichthouder voor een kredietinstelling met significante bijkantoren in andere lidstaten een door hem voorgezeten college van bevoegde autoriteiten op, om de samenwerking uit hoofde van de artikelen 158 en 160 te vergemakkelijken. Na raadpleging van de betrokken bevoegde autoriteiten van de lidstaten van ontvangst stelt de toezichthouder de regeling voor de oprichting en werking van het college schriftelijk vast. De toezichthouder beslist welke bevoegde autoriteiten van de lidstaten van ontvangst aan een vergadering of activiteit van het college deelnemen.

§ 2.Bij zijn beslissing aangaande de deelname aan het college houdt de toezichthouder rekening met de relevantie van de te plannen of te coördineren toezichtsactiviteit voor de betrokken bevoegde autoriteiten en in het bijzonder met de gevolgen die deze beslissing kan hebben voor de stabiliteit van het financiële stelsel in de betrokken lidstaten als bedoeld in de artikelen 134, § 2 en 156, § 2 alsook met de in artikel 160 bedoelde verplichtingen.

§ 3.De toezichthouder informeert alle leden van het college vooraf volledig over het beleggen van vergaderingen, de voornaamste agendapunten en de in overweging te nemen activiteiten. Hij informeert alle leden van het college tevens volledig en tijdig over de tijdens deze vergaderingen genomen maatregelen of over de acties ondernomen ter uitvoering ervan.

Art. 162

§ 1.De toezichthouder kan bij kredietinstellingen die in een andere lidstaat hun werkzaamheden uitoefenen via een bijkantoor, na voorafgaande kennisgeving aan de bevoegde autoriteit van de lidstaat van ontvangst, in voorkomend geval met inschakeling van een deskundige die hij aanstelt, ter plaatse de in artikel 158 bedoelde informatie controleren en dergelijke bijkantoren inspecteren.

§ 2.De toezichthouder kan voor de inspectie van de bijkantoren ook gebruik maken van een van de andere in artikel 214 bedoelde procedures.

§ 3.Bij de opstelling van zijn programma voor prudentieel toezicht als bedoeld in artikel 141 houdt de toezichthouder naar behoren rekening met de informatie en bevindingen die hij heeft verkregen van de bevoegde autoriteit van de lidstaat van ontvangst, en let hij ook op de stabiliteit van het financiële stelsel van de lidstaten waar bijkantoren van de betrokken kredietinstelling gevestigd zijn.

§ 4.De controles ter plaatse en inspecties van bijkantoren door de toezichthouder geschieden overeenkomstig het recht van de lidstaat waar de controle of inspectie plaatsvindt.

Art. 163

Voor de taken die zijn toevertrouwd aan de Europese Centrale Bank met toepassing van artikel 4 van de GTM-verordening, in de gevallen waar zij de toezichthouder is van een kredietinstelling die één of meerdere bijkantoren gevestigd heeft op het grondgebied van één of meerdere deelnemende lidstaten, zijn de bepalingen aangaande samenwerking en informatie-uitwisseling tussen de bevoegde autoriteiten niet van toepassing wanneer de Europese Centrale Bank de enige betrokken bevoegde autoriteit is.