Alle wetboeken › Bankwet

BOEK II - KREDIETINSTELLINGEN NAAR BELGISCH RECHT › TITEL III - Toezicht op de kredietinstellingen › HOOFDSTUK IV - Groepstoezicht

Afdeling III - Aanvullend conglomeraatstoezicht

185–202

Art. 185

In de mate en op de wijze bepaald in de Afdelingen III en IV van dit Hoofdstuk en de uitvoeringsbesluiten en -reglementen ervan zijn kredietinstellingen naar Belgisch recht

1°die aan het hoofd staan van een financieel conglomeraat; of

2°met als moederonderneming een gemengde financiële holding met zetel in een lidstaat

onderworpen aan een aanvullend conglomeraatstoezicht.

Indien meerdere gereglementeerde ondernemingen dochteronderneming zijn van de in het eerste lid, 2° bedoelde gemengde financiële holding, is het aanvullende conglomeraatstoezicht alleen van toepassing op de kredietinstelling naar Belgisch recht voor zover de toezichthouder, met toepassing van artikel 196, bevoegd is voor het aanvullende conglomeraatstoezicht.

Art. 186

§ 1.Voor het bepalen of een groep een financieel conglomeraat is in de zin van artikel 164 § 1, 2°, zijn de in de hierna volgende paragrafen bepaalde drempels van toepassing.

§ 2.De activiteiten van een groep worden geacht in hoofdzaak in de financiële sector plaats te vinden in de zin van artikel 164 § 1, 2°, punt b) i), indien de verhouding tussen het gezamenlijke balanstotaal van de tot de financiële sector behorende ondernemingen in de groep, en het gezamenlijke balanstotaal van alle tot de groep behorende ondernemingen groter is dan 40 %.

§ 3.De activiteiten van de tot een groep behorende ondernemingen uit eenzelfde financiële sector worden geacht significant te zijn in de zin van artikel 164, § 1, 2°, punt a) iii) of punt b) iii), indien,

1°hetzij het gemiddelde van de volgende twee verhoudingen groter is dan 10 %: de verhouding tussen het gezamenlijke balanstotaal van alle ondernemingen in de groep die behoren tot diezelfde financiële sector en het gezamenlijke balanstotaal van alle tot de groep behorende ondernemingen uit de financiële sector, en de verhouding tussen de gezamenlijke solvabiliteitsvereisten van alle ondernemingen in de groep die behoren tot diezelfde financiële sector en de gezamenlijke solvabiliteitsvereisten van alle tot de groep behorende ondernemingen uit de financiële sector;

2°hetzij het gezamenlijke balanstotaal van de ondernemingen die behoren tot de kleinste financiële sector in de groep groter is dan 6 miljard euro;

Voor de toepassing van het eerste lid:

1°worden de banksector en de beleggingsdienstensector samengenomen en beschouwd als behorende tot eenzelfde financiële sector;

2°wordt onder de kleinste financiële sector in een financieel conglomeraat verstaan, de financiële sector met het kleinste gemiddelde en onder de belangrijkste financiële sector in een financieel conglomeraat, de sector met het grootste gemiddelde.

§ 4.De relevante bevoegde autoriteiten kunnen bij onderlinge overeenkomst besluiten een groep niet als een financieel conglomeraat aan te merken of kunnen ook besluiten de bepalingen van de artikelen 7, 8, 9 en 9bis van Richtlijn 2002/87/EG niet toe te passen, indien zij oordelen dat het onder de werkingssfeer van het aanvullende conglomeraatstoezicht brengen van de groep of de toepassing van die bepalingen in het licht van de doeleinden van het aanvullende conglomeraatstoezicht onnodig, dan wel ongepast of misleidend is, in de hierna volgende gevallen:

1°indien de groep de in paragraaf 3, eerste lid, punt 2° bedoelde drempel bereikt, maar het in paragraaf 3, eerste lid, 1° bedoelde gemiddelde onder de 10 % blijft;

2°indien de groep het in paragraaf 3, eerste lid, 1° bedoelde gemiddelde bereikt, maar de kleinste sector onder het in paragraaf3, eerste lid, 2° bedoelde bedrag van 6 miljard EUR blijft.

Besluiten genomen met toepassing van het eerste lid worden aan de andere bevoegde autoriteiten meegedeeld, en deze worden, behoudens buitengewone omstandigheden, door de bevoegde autoriteiten openbaar gemaakt.

§ 5.Voor de toepassing van de paragrafen 2 tot 4 kunnen de relevante bevoegde autoriteiten gezamenlijk beslissen om:

1°voor de berekening van de drempels een onderneming buiten beschouwing te laten, om dezelfde reden als zij met toepassing van artikel 190, § 2, tweede lid, kunnen worden weggelaten voor de berekening van de aanvullende solvabiliteitsvereisten, tenzij de entiteit van een lidstaat naar een derde land verhuisd is en er aanwijzingen zijn dat de entiteit haar locatie veranderd heeft om zich aan regulering te onttrekken;

2°een groep die niet meer voldoet aan de drempels van paragrafen 2 tot 4, maar die er gedurende drie vorige opeenvolgende jaren aan voldaan heeft, als een financieel conglomeraat aan te merken teneinde een plotse verandering van toezichtsregime te voorkomen, dan wel anders te beslissen of een eerder genomen beslissing te herzien omwille van blijvende significante wijzigingen in de structuur van de groep;

3°één of meer deelnemingen in de kleinste sector buiten beschouwing laten indien deze deelnemingen bepalend zijn voor de identificatie van een groep als financieel conglomeraat en samengenomen van te verwaarlozen belang zijn gelet op de doelstellingen van het aanvullende conglomeraatstoezicht.

Indien een groep overeenkomstig de paragrafen 2 tot 4 als financieel conglomeraat wordt aangemerkt, worden de in het eerste lid van deze paragraaf bedoelde beslissingen genomen op basis van een voorstel van de toezichthouder indien deze coördinator is.

§ 6.Voor de toepassing van paragraaf 2 en paragraaf 3, eerste lid, 1° kunnen de relevante bevoegde autoriteiten in uitzonderlijke gevallen bij onderlinge overeenkomst het gezamenlijke balanstotaal als parameter vervangen door, of aanvullen met, één of meer van de hierna volgende andere parameters, indien zij van oordeel zijn dat deze andere parameters in het licht van de doelstellingen van het aanvullende conglomeraatstoezicht een betere weergave zijn van het bedrijf van de groep; deze andere parameters zijn: de inkomensstructuur, activiteiten buiten balanstelling van de groep en totaal beheerd vermogen. De toezichthouder bepaalt in zijn hoedanigheid van coördinator hoe deze parameters dienen te worden berekend.

§ 7.Indien een aan aanvullend conglomeraatstoezicht onderworpen financieel conglomeraat niet meer voldoet aan een of meerdere van de in de paragrafen 2 tot 4 bepaalde drempels, worden de drempels gedurende de drie volgende jaren als volgt vervangen: 40 % wordt 35 %, 10 % wordt 8 % en 6 miljard EUR wordt 5 miljard EUR, om plotse regimeverschuivingen te voorkomen.

In afwijking van het eerste lid kan de toezichthouder, in zijn hoedanigheid van coördinator, na instemming van de andere relevante bevoegde autoriteiten, beslissen deze lagere drempels niet of niet meer toe te passen in de voornoemde periode van drie jaar, rekening houdend met de doelstellingen van het aanvullende conglomeraatstoezicht.

§ 8.De in dit artikel bedoelde berekeningen inzake het gezamenlijke balanstotaal worden gemaakt op basis van het geaggregeerde balanstotaal van de tot de groep behorende ondernemingen, uitgaande van hun meest recente jaarrekening, volgens de voorschriften bepaald door de toezichthouder, indien deze coördinator is. Ondernemingen waarin de groep deelnemingen heeft, worden in aanmerking genomen voor het bedrag van hun balanstotaal dat overeenkomt met het geaggregeerde proportionele aandeel van de groep. Indien voor een bepaalde groep of delen van de groep geconsolideerde jaarrekeningen worden opgesteld, worden deze gebruikt voor de berekeningen.

De in dit artikel bedoelde solvabiliteitsvereisten worden berekend volgens de bepalingen van de sectorale regelgeving die op de betreffende gereglementeerde ondernemingen van toepassing is.

§ 9.De bevoegde autoriteiten herbeoordelen op jaarbasis de ontheffingen op de toepassing van het aanvullende conglomeraatstoezicht en evalueren de kwantitatieve indicatoren waarin dit artikel voorziet, alsmede de risicobeoordelingen van financiële groepen.

Art. 187

§ 1.De toezichthouder gaat na of kredietinstellingen die overeenkomstig het Belgisch recht een bedrijfsvergunning hebben verkregen, deel uitmaken van een financieel conglomeraat. Daartoe werkt de toezichthouder nauw samen met de bevoegde autoriteiten van andere tot die groep behorende gereglementeerde ondernemingen die overeenkomstig het Europees recht een bedrijfsvergunning hebben verkregen. Indien de toezichthouder van oordeel is dat de betrokken groep een financieel conglomeraat is en niet reeds aan aanvullend conglomeraatstoezicht onderworpen is, dan deelt hij dit mee aan de andere betrokken bevoegde autoriteiten en aan het Gemengd Comité.

§ 2.In zijn hoedanigheid van coördinator stelt de toezichthouder de moederonderneming van de groep, of bij ontstentenis van een moederonderneming, de gereglementeerde onderneming met het grootste balanstotaal in de belangrijkste financiële sector in de groep, in kennis van de identificatie van de groep als een financieel conglomeraat, alsmede van zijn aanwijzing als coördinator. Hij informeert hierover eveneens de bevoegde autoriteiten van andere tot de groep behorende gereglementeerde ondernemingen die overeenkomstig het Europees recht een bedrijfsvergunning hebben verkregen, de bevoegde autoriteiten van het land waar de gemengde financiële holding haar hoofdkantoor heeft, het Gemengd Comité, alsook, zo hij dit noodzakelijk acht in het licht van de doelstellingen van het aanvullende conglomeraatstoezicht, de autoriteiten van derde landen.

Art. 188

De in artikel 185 bedoelde kredietinstellingen voldoen aan de vereisten van de artikelen 191 tot 195 op het niveau van het financieel conglomeraat. Deze reikwijdte van het aanvullende conglomeraatstoezicht stemt overeen met alle ondernemingen, hetzij gereglementeerd, hetzij ongereglementeerd, die deel uitmaken van de groep als gedefinieerd in artikel 164, § 3, vertrekkende vanuit de kredietinstelling aan het hoofd van het financieel conglomeraat dan wel vanuit de gemengde financiële holding met zetel in de Europese Economische Ruimte.

Art. 189

Wanneer een financieel conglomeraat zelf deel uitmaakt van een ander financieel conglomeraat dat aan een aanvullend conglomeraatstoezicht is onderworpen, kan de toezichthouder, in zijn hoedanigheid van coördinator, de in artikel 185 bedoelde kredietinstellingen die deel uitmaken van de subgroep geheel of gedeeltelijk vrijstellen van het aanvullende conglomeraatstoezicht indien de doelstellingen ervan in voldoende mate bereikt worden door het aanvullende conglomeraatstoezicht met betrekking tot het ander financieel conglomeraat.

Art. 190

§ 1.Onverminderd de toepassing van artikel 49 van Verordening nr. 575/2013, zijn de in artikel 185 bedoelde kredietinstellingen onderworpen aan een aanvullend solvabiliteitstoezicht op het niveau van de groep. Het aanvullende toezicht slaat op:

1°de naleving van de vereiste dat er steeds eigen vermogen beschikbaar is op het niveau van het financieel conglomeraat dat minstens gelijk is aan de solvabiliteitsvereisten; het eigen vermogen en de solvabiliteitsvereisten op het niveau van het financieel conglomeraat worden berekend volgens een van de methoden bepaald in Bijlage VI;

2°het passend karakter van de beheersprocedures en de internecontroleprocedures met betrekking tot de solvabiliteitspositie van de groep, overeenkomstig het bepaalde in artikel 194;

3°het passend karakter van de strategieën inzake eigen vermogen.

De in het eerste lid bedoelde voorschriften worden gecontroleerd door de toezichthouder, in zijn hoedanigheid van coördinator, overeenkomstig Onderafdeling II. Hij zorgt ervoor dat de in het eerste lid bedoelde berekening ten minste eenmaal per jaar wordt uitgevoerd. De resultaten van de berekening en de voor de berekening benodigde gegevens worden aan hem voorgelegd door de kredietinstelling, door de gemengde financiële holding of door een tot het financieel conglomeraat behorende gereglementeerde onderneming die de toezichthouder na overleg met de andere relevante bevoegde autoriteiten en met het financieel conglomeraat heeft aangewezen.

§ 2.In afwijking van de reikwijdte van het aanvullende conglomeraatstoezicht bepaald in artikel 188 worden voor de toepassing van paragraaf 1, eerste lid, 1° alle ondernemingen in de groep die tot de financiële sector behoren, in het aanvullende solvabiliteitstoezicht opgenomen.

In afwijking van het eerste lid kan de toezichthouder in zijn hoedanigheid van coördinator besluiten in onderstaande gevallen een bepaalde onderneming buiten de reikwijdte van het aanvullend solvabiliteitstoezicht van paragraaf 1, eerste lid, 1° te laten:

1°indien de onderneming gevestigd is in een derde land waar er juridische belemmeringen bestaan voor het doorgeven van de benodigde informatie, onverminderd de sectorale regelgeving die betrekking heeft op de voor de bevoegde autoriteiten geldende verplichting om de vergunning te weigeren indien de doeltreffende uitoefening van hun toezichthoudende taken wordt belemmerd;

2°indien de onderneming in het licht van de doeleinden van het aanvullend conglomeraatstoezicht op gereglementeerde ondernemingen in een financieel conglomeraat van te verwaarlozen betekenis is;

3°indien het in aanmerking nemen van de onderneming in het licht van de doeleinden van het aanvullend conglomeraatstoezicht ongepast of misleidend zou zijn.

Indien in het onder het tweede lid, 2° bedoelde geval het voornemen zou bestaan om verscheidene ondernemingen niet bij de berekening in aanmerking te nemen, moeten deze toch in aanmerking worden genomen indien zij gezamenlijk van niet te verwaarlozen betekenis zijn.

In het onder het tweede lid, 3° bedoelde geval worden, behoudens in spoedeisende gevallen, de andere relevante bevoegde autoriteiten door de toezichthouder in zijn hoedanigheid van coördinator geraadpleegd voordat hij een besluit neemt.

Art. 191

§ 1.De kredietinstellingen bedoeld in artikel 185 zijn onderworpen aan een aanvullend toezicht op de risicoconcentratie.

Het aanvullende toezicht slaat op:

1°de identificatie en de rapportering van significante risicoconcentraties;

2°het passend karakter van de beheersprocedures en de internecontroleprocedures met betrekking tot de risicoconcentratie van de groep, overeenkomstig het bepaalde in artikel 194.

Bij het toezicht wordt inzonderheid aandacht besteed aan de volgende aspecten: het zogenaamde besmettingsrisico in de groep, de aanwezigheid van belangenconflicten, de omzeiling van de sectorale regelgeving, alsook het niveau en de omvang van de risicoconcentratie.

§ 2.Voor de toepassing van paragraaf 1, tweede lid, 1°, stelt de toezichthouder, in zijn hoedanigheid van coördinator, in overleg met de andere relevante bevoegde autoriteiten en na raadpleging van het financieel conglomeraat, de drempels vast voor het identificeren en het rapporteren van elke significante risicoconcentratie binnen het financieel conglomeraat. Hij legt de drempels vast op basis van een of beide van volgende parameters: het reglementaire eigen vermogen en de technische voorzieningen.

Indien geen drempels zijn vastgesteld, worden risicoconcentraties geacht significant te zijn indien deze groter zijn dan 10 % van de solvabiliteitsvereiste van het betrokken financieel conglomeraat.

§ 3.Onverminderd het bepaalde in paragraaf 1 kan de toezichthouder, in zijn hoedanigheid van coördinator, begrenzingsnormen of andere evenwaardige toezichtsmaatregelen opleggen ter beheersing van de risicoconcentratie op het niveau van een financieel conglomeraat. Teneinde omzeiling van de sectorale regelgeving inzake risicoconcentratie tegen te gaan, kan hij ook beslissen, overeenkomstig artikel 170, de sectorale bepalingen ter zake naar analogie toe te passen op het niveau van het financieel conglomeraat. Hij raadpleegt voorafgaandelijk de andere relevante bevoegde autoriteiten.

Art. 192

§ 1.De kredietinstellingen bedoeld in artikel 185 zijn onderworpen aan een aanvullend toezicht op de intragroepsverrichtingen.

Het aanvullende toezicht slaat op:

1°de identificatie en de rapportering van significante intragroepsverrichtingen;

2°het passend karakter van de beheersprocedures en de internecontroleprocedures m.b.t. intragroepsverrichtingen, overeenkomstig het bepaalde in artikel 194.

Bij het toezicht wordt inzonderheid aandacht besteed aan volgende aspecten: het zogenaamde besmettingsrisico in de groep, de aanwezigheid van belangenconflicten, de omzeiling van de sectorale regelgeving, alsook het niveau en de omvang van de intragroepsverrichtingen.

§ 2.Voor de toepassing van paragraaf 1, tweede lid, 1° stelt de toezichthouder, in zijn hoedanigheid van coördinator, in overleg met de andere relevante bevoegde autoriteiten en na raadpleging het financieel conglomeraat, passende drempels vast voor het identificeren en het rapporteren van significante intragroepsverrichtingen. Hij legt de drempels vast op basis van een of beide van volgende parameters: het reglementaire eigen vermogen en de technische voorzieningen.

Indien geen drempels zijn vastgesteld, worden intragroepsverrichtingen geacht significant te zijn indien deze groter zijn dan 5 % van de solvabiliteitsvereiste van het betrokken financieel conglomeraat.

§ 3.Onverminderd het bepaalde in § 1 kan de toezichthouder, in zijn hoedanigheid van coördinator, begrenzingsnormen of andere evenwaardige toezichtsmaatregelen opleggen ter verwezenlijking van de doelstellingen van het aanvullende conglomeraatstoezicht inzake intragroepsverrichtingen. Teneinde omzeiling van de sectorale regelgeving inzake intragroepsverrichtingen tegen te gaan, kan hij ook beslissen, overeenkomstig artikel 170, de sectorale bepalingen ter zake naar analogie toe te passen op het niveau van het financieel conglomeraat. Hij raadpleegt voorafgaandelijk de andere relevante bevoegde autoriteiten.

Art. 193

§ 1.Voor het in de artikelen 190 tot 192 geregelde aanvullende conglomeraatstoezicht worden aan de toezichthouder, in zijn hoedanigheid van coördinator, volgens de modaliteiten die deze bepaalt en minstens tweemaal per jaar, de volgende staten voorgelegd:

1°een boekhoudstaat die betrekking heeft op de financiële positie van het financieel conglomeraat en die minstens bestaat uit de balans en de resultatenrekening;

2°een staat waaruit de naleving blijkt van de normen bepaald bij of in uitvoering van artikel 190, § 1, eerste lid, 1°, artikel 191, § 3, en artikel 192, § 3, en een staat met opgave van de significante risicoconcentraties en significante intragroepsverrichtingen bedoeld in artikel 191, § 1, tweede lid, 1°, en artikel 192, § 1, tweede lid, 1°.

Te dien einde bepaalt de toezichthouder, in zijn hoedanigheid van coördinator, in overleg met de andere relevante bevoegde autoriteiten, de categorieën verrichtingen, risico's en posities die voor de opvolging van de risicoconcentratie en de significante intragroepsverrichtingen moeten worden gerapporteerd; hij kan daarbij rekening houden met de specifieke groeps- en risicobeheerstructuur van het betrokken financieel conglomeraat.

§ 2.De in paragraaf 1 bedoelde staten worden gerapporteerd door de kredietinstelling, door de gemengde financiële holding of door een tot het financieel conglomeraat behorende gereglementeerde onderneming, die de toezichthouder na overleg met de andere relevante bevoegde autoriteiten en met het financieel conglomeraat heeft aangewezen.

Art. 194

§ 1.De kredietinstellingen bedoeld in artikel 185 zorgen ervoor dat het financieel conglomeraat beschikt over passende risicobeheer- en internecontroleprocedures en over een passende administratieve en boekhoudkundige organisatie.

Inzonderheid dienen deze risicobeheer- en internecontroleprocedures aanwezig te zijn op geconsolideerd en gesubconsolideerd niveau bij de in artikel 185 bedoelde moederondernemingen, ongeacht of het om de kredietinstelling gaat of om de gemengde financiële holding aan het hoofd van het financieel conglomeraat, en bij alle gereglementeerde ondernemingen die deel uitmaken van het financieel conglomeraat, zodat de risicobeheer- en internecontroleprocedures samenhang vertonen en goed geïntegreerd zijn, de invloed van de tot de groep behorende ondernemingen op de gereglementeerde ondernemingen kan beoordeeld worden en alle gegevens en informatie die voor het aanvullende conglomeraatstoezicht van belang zijn, kunnen worden verkregen. Deze moederondernemingen passen die risicobeheer- en internecontroleprocedures eveneens toe in hun niet-gereglementeerde dochterondernemingen. Ook deze risicobeheer- en internecontroleprocedures zijn samenhangend en goed geïntegreerd, en ook deze dochterondernemingen moeten de voor het toezicht relevante gegevens en informatie kunnen verstrekken.

§ 2.De risicobeheerprocedures omvatten:

1°een passend bestuur en beheer, met goedkeuring en periodieke evaluatie van de strategie en het beleid door de bevoegde organen, met betrekking tot alle belangrijke risico's die op het niveau van het financieel conglomeraat zijn aangegaan;

2°een passend solvabiliteitsbeleid, dat met name de toekomstige gevolgen anticipeert voor de groep van de gevolgde bedrijfsstrategie op het risicoprofiel van de groep en de solvabiliteitsvereisten bedoeld in artikel 190;

3°passende procedures die waarborgen dat de risicobeheer- en opvolgingssystemen voldoende zijn geïntegreerd in de organisatie van de groep en dat de in de ondernemingen van de groep gehanteerde systemen met elkaar in overeenstemming zijn, zodat op het niveau van het financieel conglomeraat de risico's correct worden geïdentificeerd, opgevolgd en beheerst;

4°regelmatig geactualiseerde regelingen om bij te dragen tot de verwezenlijking en, in voorkomend geval, de ontwikkeling van passende herstel- en afwikkelingsmechanismen en -plannen.

§ 3.De internecontroleprocedures omvatten:

1°passende procedures voor het opvolgen van de solvabiliteit op het niveau van de groep, zodat alle belangrijke risico's correct worden geïdentificeerd en opgevolgd en het eigen vermogen voldoende is in het licht van de gelopen risico's;

2°het passend karakter van de procedures en systemen voor de identificatie, meting, opvolging en beheersing van de intragroepsverrichtingen en risicoconcentraties.

§ 4.De kredietinstellingen beschikken over een passende boekhoudkundige en administratieve organisatie die de juistheid en conformiteit met de geldende regels waarborgt van de voor het aanvullende conglomeraatstoezicht verstrekte gegevens en inlichtingen en de opstelling van de jaarrekeningen.

De kredietinstellingen zorgen voor een transparante groepsstructuur. De kredietinstelling, de gemengde financiële holding of een tot het financieel conglomeraat behorende gereglementeerde onderneming die de toezichthouder, in zijn hoedanigheid van coördinator, na overleg met de andere relevante bevoegde autoriteiten en met het financieel conglomeraat heeft aangewezen, doen daartoe het volgende:

1°zij delen aan de toezichthouder regelmatig bijzonderheden mee omtrent hun juridische structuur, hun regeling voor de bedrijfsorganisatie en hun beleidsstructuur, die gelden voor alle gereglementeerde ondernemingen, niet-gereglementeerde dochterondernemingen en significante bijkantoren;

2°zij maken op het niveau van het financieel conglomeraat jaarlijks een beschrijving van de juridische structuur, van de regeling voor de bedrijfsorganisatie en van de beleidsstructuur voor het publiek openbaar en zorgen ervoor dat alle gereglementeerde ondernemingen deze informatie ook openbaar maken, hetzij door volledige vermelding, hetzij door verwijzing naar gelijkwaardige informatie.

Art. 195

In zijn hoedanigheid van coördinator beoordeelt de toezichthouder minstens jaarlijks de noodzaak van stresstests op het niveau van het financieel conglomeraat. Hij stemt zijn beoordeling af op de stresstest die worden georganiseerd voor de grootste financiële sector vertegenwoordigd in het financieel conglomeraat en overlegt met de andere relevante bevoegde autoriteiten.

Voor het toepassen van deze stresstests houdt de toezichthouder rekening met parameters die specifieke risico's verbonden aan financiële conglomeraten kunnen identificeren.

De toezichthouder deelt de resultaten van de stresstests mee aan het Gemengd Comité.

Art. 196

§ 1.Teneinde een passend aanvullend conglomeraatstoezicht te verzekeren, wordt uit de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaten, met inbegrip van die van de lidstaat waar de gemengde financiële holding haar hoofdkantoor heeft, één enkele coördinator aangewezen die verantwoordelijk is voor de coördinatie en de uitoefening van het aanvullende conglomeraatstoezicht.

§ 2.Het aanvullende conglomeraatstoezicht op de in artikel 185, eerste lid bedoelde kredietinstellingen wordt als volgt uitgeoefend:

1°door de toezichthouder in het in artikel 185, eerste lid, 1° bedoelde geval;

2°indien aan het hoofd van het financieel conglomeraat een Belgische gemengde financiële holding staat, door de toezichthouder, onverminderd de punten 3° tot 7°;

3°indien naast een Belgische kredietinstelling ten minste één andere Belgische gereglementeerde onderneming eenzelfde Belgische gemengde financiële holding aan het hoofd van het financieel conglomeraat hebben, door de bevoegde autoriteit die belast is met het prudentiële toezicht op de Belgische gereglementeerde onderneming met het grootste balanstotaal;

4°indien de gemengde financiële holding aan het hoofd van het financieel conglomeraat haar zetel in een andere lidstaat dan België heeft en in deze lidstaat een dochteronderneming heeft die een gereglementeerde onderneming is, door de bevoegde autoriteit van die lidstaat;

5°indien de gemengde financiële holding aan het hoofd van het financieel conglomeraat haar zetel in een andere lidstaat dan België heeft en in deze lidstaat ten minste twee dochterondernemingen heeft die een gereglementeerde onderneming zijn, met elk een verschillende bevoegde autoriteit, door de bevoegde autoriteit van de gereglementeerde onderneming in de belangrijkste financiële sector;

6°indien meerdere gemengde financiële holdings, met zetel in verschillende lidstaten, aan het hoofd staan van het financieel conglomeraat, en er in elk van deze lidstaten een gereglementeerde onderneming is, door de bevoegde autoriteit van de gereglementeerde onderneming met het hoogste balanstotaal indien de activiteiten van deze ondernemingen plaatsvinden in dezelfde financiële sector, of door de bevoegde autoriteit van de gereglementeerde onderneming in de belangrijkste financiële sector;

7°indien ten minste twee gereglementeerde ondernemingen met zetel in een lidstaat dezelfde gemengde financiële holding als moederonderneming hebben en aan geen van deze ondernemingen een vergunning is verleend in het land waar de gemengde financiële holding haar zetel heeft, door de bevoegde autoriteit van de gereglementeerde onderneming met het hoogste balanstotaal in de belangrijkste financiële sector.

§ 3.De toezichthouder en de andere relevante bevoegde autoriteiten kunnen in bijzondere gevallen in gemeen overleg overeenkomen om van de paragraaf 2 bepaalde bevoegdheidsregeling af te wijken, indien de toepassing ervan, gelet op de structuur van het financieel conglomeraat en het relatieve belang van het bedrijf van de groep in de verschillende lidstaten, niet passend zou zijn, en een andere bevoegde autoriteit belasten met het aanvullende conglomeraatstoezicht. Zij consulteren het financieel conglomeraat alvorens hierover een beslissing te nemen.

Wanneer de toezichthouder op grond van artikel 11, lid 3, van Richtlijn 2002/87/EG is aangewezen als coördinator voor het uitoefenen van het aanvullende conglomeraatstoezicht op een kredietinstelling die onder het recht van een andere lidstaat ressorteert en waarvan de moederonderneming een gemengde financiële holding naar Belgisch recht is, zonder dat een kredietinstelling naar Belgisch recht of een andere gereglementeerde onderneming naar Belgisch recht die op individuele basis aan het toezicht van de toezichthouder is onderworpen, aanwezig is in de groep die het financieel conglomeraat vormt, zijn de bepalingen die gelden voor de kredietinstellingen als bedoeld in artikel 185, eerste lid, 2°, van overeenkomstige toepassing op de voornoemde holding, behoudens afwijkende regelingen in de overeenkomst tussen de bevoegde autoriteiten als bedoeld in artikel 11, lid 3, van Richtlijn 2002/87/EG.

Art. 197

§ 1.De taken van de toezichthouder, in zijn hoedanigheid van coördinator, omvatten:

1°het coördineren van de vergaring en de verspreiding van relevante en essentiële informatie, in normale omstandigheden en in noodsituaties, met inbegrip van de verspreiding van informatie die van belang is voor het toezicht door een bevoegde autoriteit krachtens de sectorale regelgeving;

2°het toezicht op, inclusief de evaluatie van, de financiële positie van het financieel conglomeraat;

3°het toezicht op de naleving van de bepalingen van de artikelen 190 tot 192 inzake solvabiliteit, risicoconcentratie en intragroepsverrichtingen, en op de naleving van de rapporteringsverplichtingen bedoeld in artikel 193;

4°het toezicht op, inclusief de evaluatie van, de structuur, de organisatie en de internecontroleprocedures van het financieel conglomeraat, als bedoeld in artikel 194;

5°het plannen en coördineren van toezichtsactiviteiten, in normale omstandigheden en in noodsituaties, in samenwerking met de andere relevante bevoegde autoriteiten;

6°het nemen van maatregelen en sancties ten aanzien van de gemengde financiële holding;

7°andere taken, maatregelen en beslissingen die hem zijn toegewezen door of krachtens de bepalingen van deze Afdeling en Afdeling IV van dit Hoofdstuk, voor zover deze bepalingen, wat betreft Afdeling IV, betrekking hebben op het aanvullende conglomeraatstoezicht, en van Richtlijn 2002/87/EG.

§ 2.De relevante bevoegde autoriteiten, in voorkomend geval in overleg met andere bevoegde autoriteiten, kunnen overeenkomen de toezichthouder, in zijn hoedanigheid van coördinator, andere toezichtstaken toe te vertrouwen, buiten de in paragraaf 1 bedoelde taken.

§ 3.Wanneer de toezichthouder optreedt als bevoegde autoriteit, zonder coördinator te zijn, werkt hij, onverminderd de bepalingen van Afdeling IV van dit Hoofdstuk voor zover deze betrekking hebben op het aanvullende conglomeraatstoezicht, samen met de andere bevoegde autoriteiten en met de coördinator, met het oog op de uitvoering van de in artikel 11 van Richtlijn 2002/87/EG bedoelde taken.

Art. 198

§ 1.Onverminderd de samenwerkingsovereenkomsten en coördinatieregelingen bedoeld in de overige bepalingen van deze Afdeling, sluit de toezichthouder, als coördinator, met andere bevoegde autoriteiten de overeenkomsten die noodzakelijk zijn voor de verwezenlijking van het aanvullende conglomeraatstoezicht als bepaald bij deze Afdeling en Afdeling IV van dit Hoofdstuk. Deze overeenkomsten regelen waar nodig de modaliteiten van uitoefening van dit toezicht, met inbegrip van de modaliteiten van samenwerking en informatie-uitwisseling onder bevoegde autoriteiten. Zij kunnen inzonderheid de procedures regelen van de besluitvorming tussen de relevante bevoegde autoriteiten.

§ 2.Onverminderd de delegatie van specifieke toezichtsbevoegdheden en -verantwoordelijkheden overeenkomstig de sectorale regelgeving, doet de aanwijzing van de toezichthouder als coördinator geen afbreuk aan de in de sectorale regelgeving bepaalde taken en verantwoordelijkheden van de betrokken bevoegde autoriteiten.

Art. 199

§ 1.In zijn hoedanigheid van coördinator richt de toezichthouder voor het aanvullende conglomeraatstoezicht een college op om vorm te geven aan de uit hoofde van deze Afdeling en Afdeling IV van dit Hoofdstuk vereiste samenwerking en de uitoefening van de taken als coördinator en, onder voorbehoud van vertrouwelijkheidsvereisten en van de wetgeving van de Unie, de passende coördinatie en samenwerking met de relevante toezichthoudende autoriteiten van derde landen.

§ 2.Wanneer relevante bevoegde autoriteiten reeds deelnemen aan een college opgericht krachtens artikel 116 van Richtlijn 2013/36/EU of artikel 248, lid 2, van Richtlijn 2009/138/EG, dan zal het college op het niveau van het financieel conglomeraat functioneren binnen het college opgericht voor de belangrijkste financiële sector. De banksector en de beleggingsdienstensector worden voor dit doeleinde samen beschouwd.

De regels voor de in paragraaf 1 bedoelde coördinatie worden apart opgenomen in de schriftelijke coördinatieregeling die wordt ingesteld voor het sectorale college. In zijn hoedanigheid van coördinator beslist de toezichthouder, als voorzitter van dit sectorale college, welke andere bevoegde autoriteiten aan een vergadering of een activiteit van dat college deelnemen.

Art. 200

§ 1.De toezichthouder en de andere bevoegde autoriteiten werken nauw samen met elkaar.

Zij wisselen onderling de vertrouwelijke informatie uit die dienstig is voor de uitoefening van het toezicht krachtens de sectorale regelgeving en van het aanvullende conglomeraatstoezicht.

§ 2.Onverminderd hun verantwoordelijkheden als omschreven in de sectorale regelgeving, verstrekken de in paragraaf 1, eerste lid bedoelde autoriteiten elkaar, ongeacht of zij in dezelfde lidstaat zijn gevestigd, alle informatie die essentieel of relevant is voor de uitoefening van de toezichthoudende taken krachtens de sectorale regelgeving en Richtlijn 2002/87/EG. In dit verband delen zij desgevraagd alle relevante informatie mee en verstrekken zij uit eigen beweging alle essentiële informatie.

Deze samenwerking betreft ten minste de vergaring en uitwisseling van informatie met betrekking tot de volgende aspecten:

1°het in kaart brengen van de juridische structuur, de regeling voor de bedrijfsorganisatie en de beleidsstructuur van de groep, die gelden voor alle gereglementeerde ondernemingen, niet-gereglementeerde dochterondernemingen en significante bijkantoren in de zin van artikel 51 van Richtlijn 2013/36/EU die tot het financieel conglomeraat behoren, de houders van gekwalificeerde deelnemingen op het niveau van de uiteindelijke moederonderneming, alsmede van de bevoegde autoriteiten voor de gereglementeerde ondernemingen in de groep;

2°de door het financieel conglomeraat gevolgde strategie;

3°de financiële positie van het financieel conglomeraat, in het bijzonder de toereikendheid van het eigen vermogen, de intragroepsverrichtingen, de risicoconcentratie en de winstgevendheid;

4°de belangrijkste aandeelhouders en de leiding van het financieel conglomeraat;

5°de organisatie en de risicobeheer- en internecontroleprocedures op het niveau van het financieel conglomeraat;

6°de procedures voor de vergaring van informatie bij de ondernemingen in een financieel conglomeraat en de verificatie van deze informatie;

7°ongunstige ontwikkelingen bij gereglementeerde ondernemingen of bij andere ondernemingen van het financieel conglomeraat die ernstige nadelige gevolgen voor de gereglementeerde ondernemingen kunnen hebben;

8°belangrijke sancties en buitengewone maatregelen die de bevoegde autoriteiten in overeenstemming met de sectorale regelgeving of Richtlijn 2002/87/EG hebben getroffen.

De toezichthouder kan tevens informatie uitwisselen met het 'ESRB wat betreft de uitoefening van het toezicht op Belgische kredietinstellingen die deel uitmaken van een financieel conglomeraat.

§ 3.Onverminderd zijn verantwoordelijkheden als omschreven in de sectorale regelgeving, pleegt de toezichthouder, voordat hij een besluit neemt in verband met de hierna vermelde aangelegenheden, overleg indien dat besluit van belang is voor de toezichthoudende taken van andere bevoegde autoriteiten:

1°wijzigingen in de aandeelhoudersstructuur of de organisatie- of bestuursstructuur van gereglementeerde ondernemingen in een financieel conglomeraat, die goedkeuring of machtiging door de bevoegde autoriteiten vereisen;

2°voorgenomen belangrijke sancties of buitengewone maatregelen.

De toezichthouder kan besluiten geen overleg te plegen in spoedeisende gevallen of indien dat overleg de doeltreffendheid van zijn besluiten in gevaar kan brengen. In dat geval stelt de toezichthouder de andere bevoegde autoriteiten daar onverwijld van in kennis.

Art. 201

Wanneer voor de toepassing van artikel 213 wat betreft het aanvullende conglomeraatstoezicht de gevraagde informatie in uitvoering van de sectorale regelgeving reeds gerapporteerd is aan een andere bevoegde autoriteit, richt de toezichthouder, in zijn bevoegdheid van coördinator, zich in de mate van het mogelijke tot die autoriteit voor het verkrijgen van die informatie.

Art. 202

Indien in andere dan de in de artikel 185 bedoelde gevallen een onderneming een deelneming of een andere kapitaalbinding heeft met één of meer andere ondernemingen, of, buiten een deelneming of andere kapitaalbinding, op dergelijke ondernemingen invloed van betekenis uitoefent, en een van de voormelde ondernemingen een kredietinstelling naar Belgisch recht is, kan de toezichthouder, in zijn hoedanigheid van relevante bevoegde autoriteit, samen met de andere relevante bevoegde autoriteiten van landen, in gemeenschappelijk overleg beslissen een aanvullend conglomeraatstoezicht uit te oefenen op de gereglementeerde ondernemingen in de groep. De relevante bevoegde autoriteiten bepalen gezamenlijk de modaliteiten van dit aanvullende conglomeraatstoezicht, en meer in het bijzonder welke artikelen van deze Afdeling en Afdeling IV van dit Hoofdstuk betreffende het aanvullende conglomeraatstoezicht van toepassing zijn. Zij nemen hun beslissing met inachtneming van de doelstellingen van het aanvullende conglomeraatstoezicht als bepaald in deze Afdeling en houden daarbij rekening met de internationale beginselen inzake aanvullend conglomeraatstoezicht.

De bevoegde autoriteit die belast is met het aanvullende conglomeraatstoezicht op de groep wordt aangeduid met overeenkomstige toepassing van het bepaalde in artikel 196. Indien het financieel conglomeraat een groep is zonder moederonderneming aan het hoofd van de groep, of in de andere dan de voormelde gevallen, wordt het aanvullende conglomeraatstoezicht uitgeoefend door de bevoegde autoriteit die belast is met het toezicht op de gereglementeerde onderneming met het hoogste balanstotaal in de belangrijkste financiële sector.

Voor de toepassing van het bepaalde in het eerste lid is vereist dat wordt voldaan aan de voorwaarden van artikel 164, § 1, 2°, a), ii) en iii) of b), ii) en iii).

Indien met toepassing van het eerste lid beslist wordt tot aanvullend conglomeraatstoezicht, is het bepaalde bij artikel 187, § 2 op overeenkomstige wijze van toepassing.