Alle wetboeken › Bankwet

BOEK II - KREDIETINSTELLINGEN NAAR BELGISCH RECHT › TITEL III - Toezicht op de kredietinstellingen › HOOFDSTUK IV - Groepstoezicht › Afdeling IV - Gemeenschappelijke bepalingen

Onderafdeling I - Beginselen

203–204

Art. 203

§ 1.De toezichthouder kan, in voorkomend geval bij reglement vastgesteld met toepassing van artikel 12bis, § 2 van de wet van 22 februari 1998, de praktische modaliteiten van het toezicht op geconsolideerde basis, zoals opgenomen in Afdeling II van dit Hoofdstuk en in deze Afdeling, of van het aanvullende conglomeraatstoezicht, zoals opgenomen in Afdeling III van dit Hoofdstuken in deze Afdeling nader bepalen.

§ 2.Met het oog op een zo efficiënt mogelijk toezicht op geconsolideerde basis en aanvullend conglomeraatstoezicht, kan de toezichthouder individuele afwijkingen toestaan op de bepalingen van, naargelang het geval, Afdeling II en III van dit Hoofdstuk en deze Afdeling en op de in voorkomend geval met toepassing van artikel 12bis, § 2 van de wet van 22 februari 1998 genomen reglementen voor zover deze in lijn blijven met de ter zake relevante bepalingen van Richtlijn 2013/36/EU en Richtlijn 2002/87/EG. In dat geval stelt hij de Europese Commissie en, wat betreft het toezicht op geconsolideerde basis ook de EBA, daarvan in kennis.

Art. 204

Onverminderd de in de artikelen 212/1 tot 212/11 bepaalde goedkeuringsregeling hebben het toezicht op geconsolideerde basis en het aanvullende conglomeraatstoezicht niet tot gevolg dat op een financiële holding of gemengde financiële holding en op elke andere in de reikwijdte van deze toezichten opgenomen ondernemingen individueel toezicht wordt uitgeoefend.

Het toezicht op geconsolideerde basis en het aanvullende conglomeraatstoezicht doen niettemin geen afbreuk aan het individuele toezicht van elke gereglementeerde onderneming die binnen de reikwijdte van het toezicht op geconsolideerde basis of het aanvullende conglomeraatstoezicht valt. Er kan evenwel rekening worden gehouden met de implicaties van het toezicht op geconsolideerde basis of het aanvullende conglomeraatstoezicht bij de bepaling van de inhoud en de modaliteiten van het individueel toezicht op kredietinstellingen.