§ 1.In dit artikel worden de kredietinstellingen bedoeld in de zin van artikel 1, § 3, eerste lid, 1°, die hun bedrijf uitoefenen in de volgende omstandigheden:
1°zij zijn vast aangesloten bij een centrale instelling waarvoor de bepalingen van de Titels I tot VI van dit Boek gelden en waarmee zij een federatie vormen op grond van door de Europese Centrale Bank goedgekeurde aansluitingsregels;
2°de verplichtingen van de aangesloten instellingen en van de centrale instelling vormen hoofdelijke verplichtingen;
3°voor de verrichtingen en de organisatie van de aangesloten instellingen geldt een uniforme interne reglementering van de federatie;
4°de centrale instelling oefent rechtstreeks toezicht uit op de aangesloten instellingen en is bevoegd om hen instructies te geven voor hun beleid, hun verrichtingen en hun organisatie.
§ 2.Onverminderd de naleving van de overige bepalingen van dit Boek, van Boek III, Titel III en van Boeken IV, V, VI et VIII, zijn de hierna vermelde bepalingen als volgt van toepassing op de in paragraaf 1 bedoelde kredietinstellingen:
1°over de vergunning wordt beslist nadat de centrale instelling haar standpunt heeft meegedeeld aan de Bank over de naleving door de instelling van de aansluitingsvoorwaarden en van de in paragraaf 1 van dit artikel bedoelde voorwaarden. De aangesloten instellingen vermelden hun aansluiting in hun statuten, op hun aandelen, effecten, stukken, correspondentie en in hun reclame. De vergunning vervalt bij het stopzetten van de aansluiting overeenkomstig de geldende regels voor de federatie; die brengt dit ten minste een maand vooraf ter kennis van de toezichthouder, die alle nodige maatregelen kan eisen voor de bescherming van de rechten van de schuldeisers. Beslissingen inzake vergunning hoeven niet te worden bekendgemaakt op de lijst van de kredietinstellingen;
2°het in artikel 17 bedoelde minimumbedrag van het kapitaal is vereist op basis van de gezamenlijke positie van de centrale instelling en haar aangesloten instellingen;
3°artikel 19 is niet van toepassing op de leiders van de aangesloten instellingen;
4°artikel 55 is van toepassing op basis van de gezamenlijke positie van de centrale instelling en haar aangesloten instellingen;
5°artikel 72, § 1 wordt uitgebreid tot alle aangesloten instellingen voor leningen, kredieten en borgstellingen aan bestuurders of zaakvoerders van de centrale instelling; het is niet van toepassing op leningen, kredieten en borgstellingen vanwege de centrale instelling of een andere aangesloten instelling, aan bestuurders van aangesloten instellingen die geen functie van dagelijks bestuur uitoefenen, indien deze leningen, kredieten of borgstellingen voldoen aan de voorwaarden die voor de federatie gelden en die door de Europese Centrale Bank zijn goedgekeurd;
6°de artikelen 86 tot 92 en artikel 89 van Verordening nr. 575/2013 zijn van toepassing op basis van de gezamenlijke positie van de centrale instelling en haar aangesloten instellingen;
7°de artikelen 94 tot 107, 149 tot 152 en de krachtens artikel 98 vastgestelde reglementen evenals de artikelen 92, 412 en 413 van Verordening nr. 575/2013 zijn van toepassing op basis van de gezamenlijke positie van de centrale instelling en haar aangesloten instellingen;
8°onverminderd de naleving van deze bepalingen door de centrale instelling wat haar betreft, zijn paragraaf 2 van artikel 106 en artikel 107, waarbij diverse kennisgevingen en bekendmakingen worden voorgeschreven, van toepassing op basis van de gezamenlijke positie van de centrale instelling en haar aangesloten instellingen;
9°de centrale instelling staat ervoor in dat de bepalingen van deze Titel en de ter uitvoering ervan genomen bepalingen worden nageleefd door de aangesloten instellingen; zij staat eveneens in voor hun beleid, hun administratieve en boekhoudkundige organisatie en hun interne controle;
10°Hoofdstuk IV van Titel III van dit Boek is niet van toepassing op de aangesloten instellingen afzonderlijk. De opdrachten en plichten van de bij de centrale instelling werkzame erkende commissarissen slaan op de gezamenlijke positie en werking van de federatie. Deze commissarissen kunnen ter plaatse bij de aangesloten instellingen het toezicht uitoefenen dat zij noodzakelijk achten. Zij brengen verslag uit aan de organen van de centrale instelling. De aangesloten instellingen mogen aan de erkende commissarissen geen leningen, kredieten of borgstellingen toestaan noch hen om het even welke vergoeding of voordelen toekennen;
11°de bij de centrale instelling werkzame erkende commissarissen hebben op het vlak van de gezamenlijke periodieke staten en de gezamenlijke jaarrekening van de federatie dezelfde plichten als op het vlak van de periodieke staat en de jaarrekening van de centrale instelling;
12°in afwijking van artikel 3:73 van het Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen zijn de aangesloten instellingen met de rechtsvorm van een coöperatieve vennootschap niet verplicht om een of meer commissarissen te benoemen, ongeacht hun omvang. Wanneer zij geen commissaris hebben benoemd, zijn de artikelen 3:100 en 3:101 van hetzelfde Wetboek van toepassing. Van de aangesloten instellingen wordt niet vereist dat zij afzonderlijk hun jaarrekening neerleggen zoals vereist door artikel 106, § 1. De vennoten van de aangesloten instellingen en iedere belanghebbende hebben in elk geval het recht om, ter plaatse, kennis te nemen van de laatste jaarrekening van deze instellingen;
13°in afwijking van artikel 2:5, § 1, tweede lid, van het Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen kunnen de aangesloten instellingen met de rechtsvorm van een coöperatieve vennootschap bij bijzondere openbare of particuliere akte worden opgericht. De akten tot wijziging van de statuten kunnen, ongeacht de vorm van de oprichtingsakte, eveneens bij bijzondere openbare of particuliere akte opgesteld worden.